id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.338 Rolnummer: A. 237014/VII-41635 Zaak: Arrest 254338 - Niet begeleide minderjarigen - 23/08/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-08-30 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:19 Fiche Arrest nr 254.338 van 23 augustus 2022 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 254.338 van 23 augustus 2022 in de zaak A. 237.014/VII-41.635 In zake: Awal Khan DAWLATZAI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 augustus 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 4 augustus 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat A.B. niet meer zijn voogd is. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-41.635-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2022, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lore Regnier, die loco advocaat Bobber Loos verschijnt voor verzoeker en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 6 januari 2020 een verzoek tot internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 januari
- Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij en op 3 maart 2020 wordt A.B. aangewezen als zijn voogd. Op 24 juni 2022 deelt het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan de dienst Voogdij mee dat verzoeker in het kader van de asielprocedure een registratiebewijs als Afghaans vluchteling in Pakistaan heeft ingediend waarop 1 januari 2001 staat vermeld als geboortedatum. Dientengevolge wordt twijfel geuit over de eerder door verzoeker voorgehouden leeftijd. VII-41.635-2/8 In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 29 juni 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 29-06-2022 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 4 augustus 2022 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat A.B. niet meer zijn voogd is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker zet onder het kopje “uiterst dringende noodzakelijkheid uiteen: “Voorliggende zaak is spoedeisend, aangezien verzoeker onherstelbare schade zou lijden indien hij de uitspraak ten gronde zou moeten afwachten (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-2013, 5-2277/1, 13). Ten gevolge van de bestreden beslissing vervalt ten eerste zijn plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij. Hierdoor heeft verzoeker niet langer het recht om bijgestaan en vertegenwoordigd te worden door een voogd bij zijn verblijfsprocedures en andere administratieve aangelegenheden. Zijn voogd, mevrouw [A.B.], staat hem intussen gedurende 2,5 jaar bij en heeft een bijzondere vertrouwensband opgebouwd. Hierbij moet ook VII-41.635-3/8 worden opgemerkt dat verzoeker buitengewoon onderwijs volgt en een bijzondere nood heeft aan begeleiding en ondersteuning. Voor verzoeker vervalt door de bestreden beslissing de mogelijkheid om samen met een voogd de procedure op grond van de artikelen 61/14 tot 61/25 van de Vreemdelingenwet op te starten, waarbij gezocht wordt naar de zogenaamde ‘duurzame oplossing’ voor verzoeker, aangezien enkel een voogd deze procedure kan opstarten voor een NBMV. Ook komt zijn recht op gezinshereniging op de helling te staan. Artikel 10 van de vreemdelingenwet voorziet dat enkel niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die erkend zijn als vluchteling of die subsidiaire bescherming kregen, recht hebben om hun ouders naar België te laten komen. Daarnaast kan verzoeker niet langer genieten van aangepaste opvang, aangezien hij niet langer als minderjarige wordt beschouwd. Tot slot zal de bestreden beslissing ook verzoekers recht op onderwijs in het gedrang brengen.” Onder het kopje “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” herneemt verzoeker deze argumentatie in gelijkaardige bewoordingen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. VII-41.635-4/8 Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Dat verzoekers plaatsing onder de hoede door de dienst Voogdij vervalt ten gevolge van de bestreden beslissing, is inherent aan die beslissing. De vereiste spoedeisendheid blijkt echter niet uit de inhoud van de bestreden beslissing op zich. Verzoeker verwijst naar de “bijzondere vertrouwensband” met zijn voogd A.B., doch ook zonder de bestreden beslissing zou de voogdij een einde nemen op 31 januari 2023, dit is binnen minder dan 6 maanden. Verzoeker heeft inmiddels de asielprocedure doorlopen met bijstand van zijn voogd. Ter VII-41.635-5/8 terechtzitting bevestigt verzoeker dat enkel de beslissing over het verzoek tot internationale bescherming nog moet worden genomen en dat deze binnenkort wordt verwacht. Verzoeker haalt aan dat hij “buitengewone onderwijs volgt en een bijzondere nood aan begeleiding en ondersteuning heeft”, doch hij brengt hiervan geen enkel concreet bewijs bij en maakt dit dan ook op generlei wijze aannemelijk. Desgevraagd wordt ter terechtzitting evenmin enige toelichting gegeven. In de mate dat verzoeker in het algemeen verwijst naar “de mogelijkheid om samen met een voogd de procedure op grond van de artikelen 61/14 tot 61/25 van de Vreemdelingenwet op te starten”, dient te worden opgemerkt dat dergelijke procedure tot heden niet is opgestart. Het gaat dan ook om een louter hypothetische schade, des te meer nu er zonder de bestreden beslissing minder dan 6 maanden zouden resten om dergelijke aanvraag in te dienen terwijl verzoeker reeds twee en een half jaar een voogd heeft. Ook de verwijzing naar het recht op gezinshereniging is louter hypothetisch nu verzoeker dienaangaande geen enkel concreet element bijbrengt. De door verzoeker bedoelde mogelijkheid geldt ook enkel voor als dusdanig erkende vluchtelingen of subsidiair beschermden, terwijl verzoeker nog een beslissing hierover afwacht. Met de algemene verwijzing naar het verlies van “aangepaste opvang” toont verzoeker evenmin aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou leiden tot onherroepelijke schadelijke gevolgen in afwachting van een gewone schorsingsprocedure. Tot slot blijkt uit geen enkel element dat verzoeker het “recht op onderwijs” zou verliezen, enkel omdat hij volgens de bestreden beslissing thans de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Hij verschaft geen toelichting over de aard van VII-41.635-6/8 het onderwijs dat hij volgt en er blijkt niet dat hij omwille van de bestreden leeftijdsbeslissing zijn scholing niet zou kunnen verderzetten.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aantoont. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.635-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig augustus tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams VII-41.635-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.338 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div