id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.390 Rolnummer: A. 229599/XIV-38195 Zaak: Arrest 254390 - Wapens - 06/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-12 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:21 Fiche Arrest nr 254.390 van 6 september 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.390 van 6 september 2022 in de zaak A. 229.599/XIV-38.195 In zake:
- de VZW ACTIEVE VERDEDIGING DER WAPENLIEFHEBBERS
- Steve DURAND
- Serge FLANDROY
- Mark LIBRECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Judo kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van artikel 3 van het ministerieel besluit van 20 september 2019 ‘tot wijziging van het ministerieel besluit van 21 september 2012 tot bepaling van de laders met een groter dan normale capaciteit voor een bepaald model vuurwapen’, in zoverre “deze bepaling enkel een overgangsregeling bevat met betrekking tot de laders met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven vóór 13 juni 2017 en/of de semi-automatische vuurwapens uitgerust met deze laders, waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst XIV-38.195-1/37 dat hij ze rechtmatig heeft verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, maar niet tot de laders en de vuurwapens uitgerust met deze laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven tussen 13 juni 2017 en de datum van de inwerkingtreding van het besluit, namelijk 25 september 2019”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laure Proost, die loco advocaat Frank Judo verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Valeriya Lauwers, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur Frederic Eggermond heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- XIV-38.195-2/37 III. Feiten 3.
- Artikel 3, § 1, van de Wapenwet bepaalt de verboden wapens. Worden volgens die bepaling als verboden wapens beschouwd: “15°. vuurwapens uitgerust met de volgende onderdelen en hulpstukken, evenals de volgende onderdelen en hulpstukken afzonderlijk : - […] - laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit zoals bepaald door de minister van Justitie voor een bepaald model vuurwapen en desgevallend voor bepaalde categorieën bezitters; - […].” Met het ministerieel besluit van 21 september 2012 ‘tot bepaling van de laders met een groter dan normale capaciteit voor een bepaald model vuurwapen’ (hierna: het besluit van 21 september 2012), geeft de minister van Justitie uitvoering aan deze bepaling. Artikel 1, eerste lid, van dit besluit, luidde oorspronkelijk: “Artikel 1.De laders met een grotere capaciteit dan de normale voor een bepaald model vuurwapen, bedoeld in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet, hebben een capaciteit van meer dan : - voor halfautomatische pistolen : 20 patronen; - voor geweren met pompactie (al dan niet halfautomatisch): 10 patronen; - voor karabijnen met hendel met randontsteking : 15 patronen; - voor karabijnen met hendel met centrale ontsteking : 10 patronen; - voor grendelkarabijnen met randontsteking : 20 patronen; - voor grendelkarabijnen met centrale ontsteking : 10 patronen; - voor halfautomatische karabijnen met randontsteking : 40 patronen; - voor halfautomatische karabijnen met centrale ontsteking : 30 patronen; - voor geweren met gladde loop : 10 patronen.” 3.
- Op 25 juli 2019 richt de Europese Commissie tot het Koninkrijk België een met redenen omkleed advies krachtens artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, “wegens niet- kennisgeving van de maatregelen tot omzetting in nationaal recht van Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens”. XIV-38.195-3/37 In dat advies is de Europese Commissie van oordeel dat het Koninkrijk België nog geen maatregelen heeft genomen tot omzetting van de in het advies opgesomde bepalingen, waaronder: “De bij artikel 10, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 91/477/EEG, als gewijzigd bij artikel 1, lid 9, van Richtlijn (EU) 2017/853, aan de lidstaten opgelegde verplichting om de verwerving van magazijnen voor semiautomatische vuurwapens met centrale ontsteking die meer dan 20 patronen of meer dan 10 patronen in het geval van lange vuurwapens kunnen bevatten, enkel toe te staan voor personen aan wie een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 6 van Richtlijn 91/477/EEG of van wie een vergunning is bevestigd, vernieuwd of verlengd uit hoofde van artikel 7, lid 4 bis, van Richtlijn 91/477/EEG;” De voornoemde Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 ‘tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens’ (hierna: richtlijn 2017/853) is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, L 137 van 24 mei 2017 en is derhalve in werking getreden op 13 juni
- In artikel 2, lid 1, ervan is bepaald dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moeten doen treden om uiterlijk op 14 september 2018 aan die richtlijn te voldoen. Artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG, zoals ingevoegd door richtlijn 2017/83, luidt: “De lidstaten kunnen beslissen om vergunningen voor in punt 6, 7 of 8 van categorie A ingedeelde semiautomatische vuurwapens te bevestigen, vernieuwen of verlengen voor wat betreft een vuurwapen dat was ingedeeld in categorie B, en dat rechtmatig was verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, mits aan de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden wordt voldaan. De lidstaten kunnen tevens toestaan dat deze vuurwapens worden verworven door andere personen aan wie door de lidstaten een vergunning is verleend in overeenstemming met deze richtlijn, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad.” 3.
- Op 16 september 2019 verleent de Raad van State, afdeling Wetgeving het volgende advies nr. 66.519/4 over een ontwerp van ministerieel besluit ‘tot wijziging van het ministerieel besluit van 21 september 2012 tot XIV-38.195-4/37 bepaling van de laders met een groter dan normale capaciteit voor een bepaald model vuurwapen’: “Artikel 3 Het voorliggende artikel luidt als volgt: ‘De wijzigingen aangebracht door artikel 1 van dit besluit zijn niet van toepassing op de laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven voor de dag waarop dit besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.’ Die dag stemt overeen met de dag waarop het ontworpen besluit in werking treedt. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de wijzigingen die bij artikel 1 van het ontwerp worden aangebracht in het ministerieel besluit van 21 september 2012 in hoofdzaak bijdragen tot de omzetting van richtlijn (EU) 2017/
- Krachtens artikel 2, § 1, van die richtlijn, moesten de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de overeenstemming ermee uiterlijk op 14 september 2018 in werking getreden zijn. Bovendien biedt geen enkele bepaling van de richtlijn de Lidstaten de mogelijkheid om erin te voorzien dat maatregelen zoals die welke vastgelegd worden in het ontwerp niet van toepassing zijn op de laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven op de dag die voorafgaat aan de inwerkingtreding ervan. Het voorliggende artikel schendt dus richtlijn (EU) 2017/
- Dat artikel moet dan ook weggelaten worden.” 3.
- Op 20 september 2019 wordt het ministerieel besluit uitgevaardigd ‘tot wijziging van het ministerieel besluit van 21 september 2012 tot bepaling van de laders met een groter dan normale capaciteit voor een bepaald model vuurwapen (hierna: het besluit van 20 september 2019).’ Het luidt: “Artikel
- In artikel 1 van het ministerieel besluit van 21 september 2012 tot bepaling van de laders met een groter dan normale capaciteit voor een bepaald vuurwapen worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, eerste streepje, worden na de woorden ‘halfautomatische pistolen’ de woorden ‘en revolvers’ toegevoegd; 2° in het eerste lid, achtste streepje, wordt het cijfer ‘30’ vervangen door het cijfer ‘10’; 3° het tweede lid wordt vervangen als volgt: ‘Voor de vuurwapens bedoeld in artikel 27, paragraaf 3, vijfde lid van de wapenwet, rechtmatig voorhanden gehouden door sportschutters die voldoen aan de voorwaarden gesteld in de genoemde bepaling, gelden evenwel volgende afwijkingen: 1° laders voor halfautomatische pistolen gebruikt voor IPSC (International Practical Shooting Confederation) kunnen meer dan 20 patronen bevatten op voorwaarde dat de lengte van de lader, gemeten aan de achterzijde, kleiner is dan 171 mm; 2° laders voor halfautomatische karabijnen met centrale ontsteking kunnen XIV-38.195-5/37 meer dan 10 patronen maar minder dan 31 patronen bevatten.’. Art.
- In hetzelfde besluit wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende : ‘Art. 1/
- Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens en Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens.’ Art.
- De wijzigingen aangebracht door artikel 1 van dit besluit zijn niet van toepassing: 1° op de laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven vóór 13 juni 2017; 2° op de vuurwapens uitgerust met deze laders, waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze rechtmatig heeft verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, hetzij door een vergunning, hetzij door een registratie op grond van een jachtverlof, getuigschrift van bijzondere wachter of sportschutterslicentie, hetzij door een registratie in het register van een erkende persoon. Art.
- Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt”. Artikel 1 van het besluit van 20 september 2019 voegt het woord “revolvers” toe aan de beperking voor halfautomatische pistolen tot 20 patronen en verlaagt het maximaal aantal toegelaten patronen voor halfautomatische karabijnen met centrale ontsteking van 30 tot 10 patronen. Voorts worden er afwijkingen bepaald voor sportschutters. Artikel 2 voegt een nieuw artikel 1/1 in, stellende dat het originele en het wijzigende besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 ‘inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens’ (hierna: richtlijn 91/477/EEG) en richtlijn 2017/
- Het artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 voorziet in een overgangsmaatregel. Het bepaalt dat de wijzigingen die artikel 1 van het besluit van 20 september 2019 aanbrengt aan de opsomming van de laders met een grotere capaciteit dan de normale voor een bepaald model vuurwapen in het besluit van 21 september 2012, niet van toepassing zijn: - op de laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven vó ór 13 juni 2017; - op de vuurwapens uitgerust met deze laders, waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze rechtmatig heeft verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, hetzij door een vergunning, hetzij door XIV-38.195-6/37 een registratie op grond van een jachtverlof, getuigschrift van bijzondere wachter of sportschutterslicentie, hetzij door een registratie in het register van een erkende persoon. Artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 vormt de bestreden beslissing in zoverre “deze bepaling enkel een overgangsregeling bevat met betrekking tot de laders met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven vóór 13 juni 2017 en/of de semi-automatische vuurwapens uitgerust met deze laders, waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze rechtmatig heeft verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, maar niet tot de laders en de vuurwapens uitgerust met deze laders waarvan de persoon die ze voorhanden houdt, bewijst dat hij ze heeft verworven tussen 13 juni 2017 en de datum van de inwerkingtreding van het besluit, namelijk 25 september 2019”. 3.
- Het besluit van 20 september 2019 wordt op 25 september 2019 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en is, luidens artikel 4 ervan, op die dag in werking getreden. 3.
- Op 3 december 2019 verwerpt de grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij arrest van 3 december 2019 in de zaak C- 482/174 het beroep tot nietigverklaring van de richtlijn (EU) 2017/853 en subsidiair van de gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, punten 6, 7 en 19, ervan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie overwoog in dat arrest inzake het hiervoor (supra, punt 3.2.) aangehaalde artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG, zoals ingevoegd door richtlijn 2017/83, het volgende: “
- Wat ten derde de overeenstemming betreft van de afwijking in artikel 7, lid 4bis, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, moet erop worden XIV-38.195-7/37 gewezen dat het recht om zich op bescherming van het gewettigd vertrouwen te beroepen – als uitvloeisel van het in punt 148 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtszekerheidsbeginsel – toekomt aan iedere particulier die in een situatie verkeert waarin de autoriteiten van de Unie bij hem gegronde verwachtingen hebben gewekt. Nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen die afkomstig zijn van bevoegde en betrouwbare bronnen zijn, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld, toezeggingen die dergelijke verwachtingen kunnen wekken. Niemand kan evenwel schending van dit beginsel aanvoeren wanneer er geen sprake is van concrete toezeggingen die hem door de autoriteiten zijn gedaan. Evenzo kan een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer die de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel van de Unie kan voorzien, zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld [arrest van 30 april 2019, Italië/Raad (visquota voor mediterrane zwaardvis), C 611/17, EU:C:2019:332, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. 154 In casu zij er om te beginnen op gewezen dat de betwiste bepaling wil vermijden dat er zich tussen de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn op 13 juni 2017 en het verstrijken van de termijn voor omzetting ervan in het recht van de lidstaten op 14 september 2018 een toename voordoet in de aankoop van vuurwapens die vanaf laatstgenoemde datum verboden zijn. 155 Voorts is de bestreden richtlijn 20 dagen vóór haar inwerkingtreding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, en kon eenieder die na die inwerkingtreding een dergelijk wapen wou aanschaffen dus weten dat zijn lidstaat krachtens deze richtlijn ten laatste vanaf het einde van de omzettingstermijn gehouden zou zijn om alle voor dergelijke wapens verleende vergunningen in te trekken. 156 Tot slot was er niets dat de lidstaten belette hun wetgeving aan te passen om de geldigheid van na 13 juni 2017 verleende vergunningen te beperken tot 14 september
- 157 In deze omstandigheden is, in het licht van de in punt 153 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, niet aangetoond dat de Uniewetgever een gewettigd vertrouwen heeft kunnen wekken bij particulieren die na 13 juni 2017 een vuurwapen wensten te verwerven als bedoeld in bijlage I, deel II, categorie A, punten 7 en 8, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, of de lidstaten een verplichting heeft opgelegd om de bestreden richtlijn retroactief toe te passen.” 3.7 Het Grondwettelijk Hof verwerpt bij arrest nr. 50/2021 van 25 maart 2021 het beroep tot nietigverklaring, in zoverre het was gericht tegen de artikelen 162 en 163 van de wet van 5 mei 2019 ‘houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek’ (hierna: de wet van 5 mei 2019). Die wet wijzigt onder meer ook de Wapenwet (artikelen 151- 163), waarbij luidens artikel 151, voorzien wordt “in de gedeeltelijke omzetting XIV-38.195-8/37 van richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens.” Zo vormt artikel 3, § 1, 19° en 20° een omzetting van die richtlijn. Artikel 163 voorziet voorts in een gelijkaardige overgangsbepaling als die in artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 en luidt: “Art.
- In het hoofdstuk XVIII van dezelfde wet wordt een artikel 45/2 ingevoegd, luidende : Art. 45/
- Personen die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 19° of 20°, rechtmatig verwierven en registreerden vóór 13 juni 2017, hetzij door een vergunning, hetzij door een registratie op grond van een jachtverlof, getuigschrift van bijzondere wachter of sportschutterslicentie, hetzij door een registratie in het register van een erkende persoon, mogen dit vuurwapen verder voorhanden hebben, mits aan de overige wettelijke voorwaarden inzake het voorhanden hebben van wapens is voldaan. Zij kunnen het betreffende vuurwapen enkel overdragen aan de sportschutters bedoeld in artikel 27, § 3, vierde lid en aan daartoe erkende handelaars, verzamelaars en musea. Ze kunnen het vuurwapen tevens laten neutraliseren overeenkomstig artikel 3, § 2, 3°, of er afstand van doen.” Inzake deze overgangsbepaling overweegt het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest het volgende: “B.
- De verzoekende partijen bestrijden artikel 163 van de wet van 5 mei 2019 in zoverre het slechts een overgangsregeling bevat ten gunste van personen die een vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 19° of 20°, van de Wapenwet rechtmatig verwierven en registreerden vóór 13 juni 2017, maar niet ten gunste van personen die een dergelijk vuurwapen rechtmatig verwierven en registreerden tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019, de datum waarop de wet van 5 mei 2019 in werking is getreden. Zij voeren aan dat die bepaling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het vertrouwens- beginsel, met het recht op het ongestoord genot van de eigendom en met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. B.6.
- De scharnierdatum die de bestreden bepaling hanteert, 13 juni 2017, is de datum waarop de richtlijn (EU) 2017/853 in werking is getreden. Ook artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG hanteert die scharnierdatum. Die bepaling staat de wetgever niet toe te voorzien in een overgangsregeling voor de vuurwapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19° en 20°, van de Wapenwet die na die datum zijn verworven of geregistreerd. […]. B.7.
- Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de XIV-38.195-9/37 overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. B.7.
- Met de keuze voor de datum van de inwerkingtreding van de richtlijn (EU) 2017/853 als de scharnierdatum voor de overgangsregeling in artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG beoogde de Europese regelgever een te lange overgangsperiode te vermijden, tijdens welke zou kunnen worden geanticipeerd op het nakende verbod op de betrokken semiautomatische vuurwapens door hen nog aan te schaffen vooraleer het verbod in werking treedt. De grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij een arrest van 3 december 2019 als volgt geoordeeld over de bestaanbaarheid van die bepaling met het vertrouwensbeginsel : ‘
- In casu zij er om te beginnen op gewezen dat de betwiste bepaling wil vermijden dat er zich tussen de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn op 13 juni 2017 en het verstrijken van de termijn voor omzetting ervan in het recht van de lidstaten op 14 september 2018 een toename voordoet in de aankoop van vuurwapens die vanaf laatstgenoemde datum verboden zijn.
- Voorts is de bestreden richtlijn 20 dagen vóór haar inwerkingtreding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, en kon eenieder die na die inwerkingtreding een dergelijk wapen wou aanschaffen dus weten dat zijn lidstaat krachtens deze richtlijn ten laatste vanaf het einde van de omzettingstermijn gehouden zou zijn om alle voor dergelijke wapens verleende vergunningen in te trekken’ (HvJ, grote kamer, 3 december 2019, C-482/17, Tsjechische Republiek t. Europees Parlement en Raad). B.8.
- De wijze waarop de wetgever gebruik maakt van een mogelijkheid waarin is voorzien in een richtlijn, dient verantwoord te zijn in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De omstandigheid dat de wetgever niet in een verdergaande overgangsregeling mocht voorzien dan degene die artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG toelaat, neemt niet weg dat de keuze om al dan niet in de door die bepaling van de richtlijn toegelaten overgangsregeling te voorzien, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dient te eerbiedigen. B.8.
- Hoewel de keuze van een datum op zich als een objectief criterium kan worden beschouwd, dient het Hof na te gaan of het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit, redelijk verantwoord is. B.8.
- Met de keuze om in de bestreden overgangsregeling te voorzien, heeft de wetgever rekening willen houden met de belangen van personen die de in artikel 3, § 1, 19° en 20°, van de Wapenwet bedoelde vuurwapens hadden verworven en geregistreerd toen zij nog niet werden geacht te weten dat die vuurwapens in de nabije toekomst zouden worden verboden. De keuze voor 13 juni 2017 als scharnierdatum is pertinent in het licht van die doelstelling, aangezien eenieder vanaf die datum wel werd geacht te weten dat die vuurwapens in de nabije toekomst zouden worden verboden. De personen die tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019 een dergelijk vuurwapen verwierven en registreerden, bevinden zich niet in dezelfde situatie als de personen die het verwierven en registreerden vóór 13 juni
- Zij konden er immers niet rechtmatig op vertrouwen dat zij een dergelijk vuurwapen dat na die datum was verworven of geregistreerd, zonder beperking in de tijd in hun bezit zouden mogen houden. De richtlijn (EU) 2017/853 is immers bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en het erin vervatte verbod op bepaalde semiautomatische vuurwapens is in duidelijke en precieze bewoordingen geformuleerd. Ook de formulering van het nieuwe artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG schept XIV-38.195-10/37 geen rechtmatige verwachtingen voorpersonen die na 13 juni 2017 een dergelijk vuurwapen verwierven of registreerden. B.9.
- De ontstentenis van een overgangsregeling ten gunste van personen die een in artikel 3, § 1, 19° en 20°, van de Wapenwet bedoeld vuurwapen hebben verworven of geregistreerd tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019 is geen eigendomsberoving, aangezien die personen moesten weten dat dergelijke vuurwapens spoedig verboden zouden zijn en dat zij dus een tijdelijke en precaire eigendomstitel verwierven. De bestreden bepaling vormt voor die categorie van personen niettemin een inmenging in het ongestoord genot van hun eigendom. B.9.
- Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet derhalve een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.9.
- De grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij haar voormelde arrest van 3 december 2019 als volgt geoordeeld over de bestaanbaarheid van het verbod op bepaalde types semiautomatische vuurwapens bedoeld in bijlage I, deel II, categorie A, punten 6 tot 8, bij de richtlijn 91/477/EEG met het recht op het ongestoord genot van de eigendom : ‘
- Wat betreft in de derde plaats de evenredigheid van het verbod op de semiautomatische vuurwapens die zijn ingedeeld in bijlage I, deel II, categorie A, punten 6 tot en met 8, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, zij er ten eerste met het Parlement en de Raad, daarin ondersteund door de Commissie, op gewezen dat met name uit de in de punten 88 en 89 van dit arrest genoemde studies blijkt dat er een verband kan worden gelegd tussen de hoeveelheid vuurwapens die in een land in bezit worden gehouden en het aantal misdrijven waarbij dergelijke wapens zijn betrokken, dat het aantal misdrijven en het aantal met vuurwapens gepleegde moorden aanzienlijk kunnen worden verlaagd door regels in te voeren die de toegang tot vuurwapens beperken, dat bijna alle vuurwapens die bij massaschietpartijen in Europa zijn gebruikt, rechtmatig in bezit waren en dat het daarbij ging om automatische en semiautomatische vuurwapens, opnieuw gebruiksklaar gemaakte vuurwapens of vuurwapens die waren samengesteld uit onderdelen van verschillende wapens.
- Sommige van die studies bevelen ook de maatregelen aan die de Tsjechische Republiek en, ter ondersteuning van deze laatste, de Republiek Polen hebben vermeld, zoals die zijn samengevat in de punten 99 en 113 van dit arrest, maar die maatregelen worden, zoals het Parlement heeft onderstreept, daarin gezien als een aanvulling op een strengere regeling voor de verwerving en het voorhanden hebben van vuurwapens, met name de gevaarlijkste daarvan, en niet als even doeltreffende alternatieven voor het verbod op de betrokken vuurwapens.
- Ten tweede zijn er, zoals het Parlement en de Raad, ondersteund door de Commissie, aangeven, op het verbod op de vuurwapens in de zin van bijlage I, deel II, categorie A, punten 6 tot en met 8, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, de vele uitzonderingen en afwijkingen van artikel 6, leden 2 tot en met 6, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, die de impact van dat verbod op een groot aantal houders of potentiële XIV-38.195-11/37 kopers van die wapens verkleinen en aldus de evenredigheid van dat verbod beogen te garanderen.
- Wat ten derde de omschrijving betreft van de vuurwapens die zijn ingedeeld in bijlage I, deel II, categorie A, punten 7 en 8, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, zij er met het Parlement en de Raad, gesteund door de Commissie, op gewezen dat deze punten duidelijk aangeven welke vuurwapens verboden zijn op basis van hetzij de capaciteit van hun magazijn hetzij hun lengte. In het bijzonder verzet niets zich tegen de door die instellingen voorgestelde uitlegging dat wapens die zijn gebouwd om zowel vanaf de schouder als met de hand te kunnen worden afgevuurd, moeten worden geacht oorspronkelijk te zijn ontworpen om te worden afgevuurd vanaf de schouder, en dus onder punt 8 van categorie A vallen. […]
- In deze omstandigheden moet worden geconstateerd dat de genoemde instellingen hun ruime beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk niet hebben overschreden. Anders dan wordt betoogd door de Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door Hongarije en de Republiek Polen, kan van de betwiste maatregelen immers niet worden gezegd dat zij kennelijk ongeschikt zijn in het licht van de doelstellingen die erin bestaan om de openbare veiligheid van de Unieburgers te verzekeren en de werking van de interne markt te vergemakkelijken. […] 17
- In deze omstandigheden moet ook hier worden geconstateerd dat de drie instellingen hun ruime beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk niet hebben overschreden en dat, anders dan wordt betoogd door de Tsjechische Republiek, ondersteund door Hongarije en de Republiek Polen, niet kan worden geoordeeld dat de betwiste maatregelen kennelijk ongeschikt zijn in het licht van de doelstelling, de openbare veiligheid van de Unieburgers te verzekeren. […]
- In casu wordt om te beginnen niet betwist dat artikel 1, punt 7, onder b), van de bestreden richtlijn aan artikel 7 van richtlijn 91/477 een lid 4bis toevoegt, dat in wezen bepaalt dat de lidstaten kunnen beslissen om de voor dergelijke wapens reeds verleende vergunningen te handhaven mits de wapens rechtmatig werden verworven en geregistreerd vóór 13 juni
- Bijgevolg bepaalt de bestreden richtlijn niet dat de houders van dergelijke wapens die vóór de inwerkingtreding ervan werden verworven, verplicht moeten worden onteigend, en dient elke onteigening die plaatsvindt na omzetting van de bestreden richtlijn in het recht van de lidstaten, te worden gezien als een keuze van de lidstaten.
- Vervolgens moet er, voor zover deze richtlijn de lidstaten in beginsel verplicht om de verwerving en het voorhanden hebben van dergelijke wapens na de inwerkingtreding ervan te verbieden, op worden gewezen dat dit verbod in principe gewoon de verkrijging van eigendom voorkomt en dat er naast dit verbod in artikel 6, leden 2 tot en met 6, van richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn, is voorzien in een geheel van uitzonderingen en afwijkingen, met name ter bescherming van kritieke infrastructuur, konvooien met een hoge waarde en kwetsbare gebouwen, alsook voor de specifieke situatie van verzamelaars, wapenhandelaren en -makelaren, musea en sportschutters.
- Tot slot kan, voor zover de Tsjechische Republiek en, ter ondersteuning van deze lidstaat, Hongarije en de Republiek Polen elk met hun argumenten het verbod op het in eigendom verkrijgen van bepaalde wapens en andere maatregelen van de bestreden richtlijn ter discussie proberen te stellen in het licht van het recht XIV-38.195-12/37 op eigendom, worden volstaan met de opmerking dat die andere maatregelen het gebruik van goederen regelen in het algemeen belang in de zin van artikel 17, lid 1, derde volzin, van het Handvest en dat, gezien hetgeen in de punten 120 tot en met 131 van dit arrest is uiteengezet, niet wordt aangetoond dat die maatregelen verder gaan dan daartoe noodzakelijk is.
- Gelet op de gegevens in het aan het Hof overgelegde dossier is dan ook niet bewezen dat de beperkingen die de bestreden richtlijn stelt aan de uitoefening van het door het Handvest erkende recht op eigendom – met name voor de semiautomatische vuurwapens van bijlage I, deel II, categorie A, punten 6 tot en met 8, bij richtlijn 91/477, zoals gewijzigd door de bestreden richtlijn – een onevenredige inmenging in dit recht vormen’ (HvJ, grote kamer, 3 december 2019, C-482/17, Tsjechische Republiek t. Europees Parlement en Raad). B.9.
- De bestreden overgangsregeling beoogt een billijk evenwicht te bewerkstellingen tussen de doelstelling van openbare veiligheid die met het verbod op sommige semiautomatische vuurwapens wordt nagestreefd en de rechten en rechtmatige verwachtingen van de personen die een dergelijk vuurwapen hadden verkregen en geregistreerd vooraleer dat verbod in het vooruitzicht werd gesteld. Ingevolge de bestreden overgangsregeling worden personen die vóór 13 juni 2017 een dergelijk vuurwapen hadden verkregen en geregistreerd, niet verplicht om afstand van dat vuurwapen te doen, voor zover zij blijven voldoen aan de overige wettelijke voorwaarden inzake het voorhanden hebben van wapens. B.9.
- De personen die vanaf 13 juni 2017 een dergelijk vuurwapen verwierven of registreerden, werden geacht te weten dat dat vuurwapen spoedig verboden zou worden en dat het niet in hun bezit zou kunnen blijven. Aangezien zowel artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG als de bestreden bepaling in duidelijke en precieze bewoordingen zijn opgesteld, konden de betrokkenen de gevolgen van hun beslissing om een dergelijk wapen aan te schaffen, correct inschatten. B.9.
- Semiautomatische vuurwapens vormen een groot risico voor de openbare veiligheid, aangezien personen met slechte bedoelingen er veel schade mee kunnen aanrichten. Dat is des te meer het geval voor semiautomatische vuurwapens die kunnen worden omgebouwd tot automatische vuurwapens. Het voorzien in een overgangsregeling die van toepassing zou zijn nadat het nakende verbod op sommige types semiautomatische vuurwapens bekend was geworden, zou de openbare veiligheid in het gedrang kunnen brengen. Een dergelijke overgangsregeling zou immers een situatie hebben gecreëerd waarin die semiautomatische vuurwapens nog konden worden aangeschaft en zonder beperking in de tijd in het bezit van de verkrijger zouden kunnen blijven. B.10.
- In zoverre zij vereisen dat elk misdrijf bij de wet moet worden bepaald, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook een onlosmakelijk geheel. B.10.
- Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik XIV-38.195-13/37 waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. B.10.
- Krachtens artikel 23, eerste lid, van de Wapenwet worden ‘zij die de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten (evenals de in artikel 47 bedoelde wet) overtreden, […] gestraft met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 25 000 euro, of met een van deze straffen alleen’. Die bepaling staat al vanaf het begin in de Wapenwet en is in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen geformuleerd. De personen die een verboden wapen in hun bezit hebben, kunnen de strafrechtelijke gevolgen daarvan bijgevolg goed inschatten. Een eventuele strafvervolging op grond van die bepaling zou overigens niet het gevolg zijn van een overtreding van de bestreden bepaling, maar van het nieuwe artikel 3, § 1, 19° en 20°, van de Wapenwet, dat door de verzoekende partijen niet wordt bestreden. B.10.
- De bestreden overgangsregeling heeft niet als gevolg dat personen die tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019 een in artikel 3, § 1, 19° en 20°, van de Wapenwet bedoeld semiautomatisch vuurwapen hebben verworven of geregistreerd en die het na 3 juni 2019 in hun bezit hebben gehouden, niet kunnen inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zouden kunnen zijn. Het nakende verbod op dergelijke vuurwapens was immers reeds voorzienbaar sinds de bekendmaking van de richtlijn (EU) 2017/853 in het Publicatieblad van de Europese Unie van 24 mei
- De inhoud van artikel 3, § 1, 19° en 20°, werd op zijn beurt geacht bekend te zijn vanaf de bekendmaking van de wet van 5 mei 2019 in het Belgisch Staatsblad van 24 mei
- De betrokkenen beschikten bijgevolg over voldoende tijd om hun gedrag op die nieuwe regeling af te stemmen. B.
- Het eerste middel is niet gegrond.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep wat het belang en de hoedanigheid betreft XIV-38.195-14/37
- De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang en de hoedanigheid van de verzoekende partijen.
- Als de verwerende partij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze excepties moeten worden verworpen en zij daarin geen reden ziet om vervolgens een laatste memorie in te dienen en daarin hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet wat het belang en hoedanigheid van de verzoekende partijen betreft. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift een enig middel aan afgeleid uit “de schending van het gelijkheidsbeginsel dat zowel een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is als gewaarborgd is in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het vertrouwensbeginsel, artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en de artikelen 7 van het EVRM, 15 van het BUPO en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,” doordat het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 bepaalt dat de personen die kunnen bewijzen dat ze de laders met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of de semiautomatische vuurwapens uitgerust met deze laders, die ze voorhanden houden, rechtmatig verwierven en registreerden, vóór 13 juni 2017, maar dit niet uitbreidt tot de personen die kunnen bewijzen dat zij deze laders en/of deze vuurwapens, die ze voorhanden houden, hebben verworven respectievelijk rechtmatig hebben verworven en geregistreerd tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, waardoor deze personen geconfronteerd worden met een aanzienlijke daling van de XIV-38.195-15/37 vermogenswaarde van hun wapens en laders, zonder dat zij daarvoor door de wetgever worden gecompenseerd en zij strafrechtelijke vervolging riskeren zonder dat zij dit konden voorzien op het ogenblik dat zij hun vuurwapen verwierven en registreerden, terwijl, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel vereisen dat de regelgever, wanneer hij voorziet in een overgangsbepaling ten voordele van een categorie van personen, geen onverantwoord verschil in behandeling mag instellen ten aanzien van een categorie van personen die zich in een soortgelijke situatie bevindt, het recht op het ongestoord genot van eigendom de regelgever verbiedt om over te gaan tot een de facto onteigening zonder een voorafgaande en integrale schadevergoeding en zonder dat die gedwongen eigendomsoverdracht is opgenomen in een wettelijke bepaling, minstens de regelgever slechts toelaat om het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang te regelen, voor zover er een behoorlijk evenwicht is tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu (evenredigheidsbeginsel) en het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel vereist dat strafbepalingen zo zijn geformuleerd dat rechtsonderhorigen op voorhand de strafrechtelijke gevolgen van hun handelen kunnen kennen. De verzoekende partijen lichten vooreerst toe dat het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019, door het niet bevatten van een overgangsbepaling voor de personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi- automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader, rechtmatig verwierven en registreerden tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, een verschil in behandeling invoert tussen twee categorieën van personen die zich in een soortgelijke situatie bevinden. Dit verschil in behandeling is niet pertinent, want een overgangsbepaling zoals die is voorzien in artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 heeft steeds tot doel om bij te dragen aan de rechtszekerheid. Ze strekt er immers toe de aanspraken te beschermen van alle personen die rechten hebben verworven vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Door echter niet voor alle personen die rechten hebben verworven vóór de XIV-38.195-16/37 inwerkingtreding van het besluit van 20 september 2019 in een overgangsregeling te voorzien, draagt het betrokken besluit niet bij tot de doelstelling van de rechtszekerheid. Minstens is de uitsluiting van de personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi-automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader, rechtmatig verwierven en registreerden tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019 van het voordeel van de overgangsbepaling, niet redelijk verantwoord. Hoewel die personen, net als de personen die onder de toepassing van het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 vallen, hun vuurwapen rechtmatig verwierven en registreerden en/of lader verwierven vóór de bekendmaking en de inwerkingtreding van het besluit en dus net als die personen op het ogenblik dat zij hun vuurwapen en/of lader verwierven de rechtmatige verwachting mochten hebben dat zij dit, mits zij een vergunning bekwamen, in hun bezit mochten hebben, beschermt het bestreden artikel 3 enkel de verworven rechten van de personen die deze vuurwapens rechtmatig verwierven en registreerden en/of deze laders verwierven vóór 13 juni
- Daardoor beschikt de andere categorie van personen van de ene op de andere dag over een verboden wapen en wordt zij blootgesteld aan een mogelijke strafrechtelijke vervolging, zonder dat zij zelfs maar een, weze het beperkte, mogelijkheid hebben om hun vuurwapen en/of lader te regulariseren of aan te geven, teneinde een eventuele vervolging te vermijden. Het gebrek aan overgangsbepaling voor die personen schendt dan ook het gelijkheidsbeginsel alsook het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel vereisen immers dat de rechtszoekende voldoende tijd heeft om zijn gedrag aan te passen aan de nieuwe wet. Zulks geldt volgens de verzoekende partijen des te meer, wanneer het betrokken besluit een grote impact heeft op de rechtszoekende. Dit besluit heeft immers tot gevolg dat een bepaalde categorie van personen voortaan over een verboden wapen beschikt waardoor zij het risico lopen om te worden blootgesteld aan strafrechtelijke vervolging. Een besluit dat enkel aan één categorie van rechtzoekenden een aanpassingsperiode of regularisatiemogelijkheid toekent, hoewel de beide categorieën van personen zich in volkomen vergelijkbare omstandigheden bevinden en hoewel het besluit op de XIV-38.195-17/37 beide categorieën van personen een zware impact heeft, steunt dan ook niet op een evenredig criterium van onderscheid. De verzoekende partijen verwijzen in dat verband naar het arrest nr. 169/2006 van het Grondwettelijk Hof over het schorsingsberoep tegen de Wapenwet van 6 juni
- De redenering die het Grondwettelijk Hof in dit arrest heeft gemaakt, moet volgens hen worden doorgetrokken naar het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september
- De personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi-automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader verwierven tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, bevinden zich, net als de benadeelde categorie van personen in de zaak die tot het arrest nr. 169/2006 heeft geleid, eveneens van de ene op de andere dag in de illegaliteit en zij dreigen eveneens om te worden blootgesteld aan strafrechtelijke vervolging. Het gebrek aan redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling blijkt voorts ook uit het feit dat de Wapenwet wel een mogelijkheid voorzag om aangifte te doen van verboden wapens zonder hiervoor strafrechtelijk vervolgd te worden. De verzoekende partijen verwijzen ter zake naar artikel 45, § 1 van de Wapenwet. Ook het besluit van 21 september 2012 voorzag in een gelijkaardige overgangsbepaling. Volgens het Grondwettelijk Hof kunnen de rechtmatige verwachtingen van rechtsonderhorigen worden aangewakkerd doordat er voor hen vroeger een overgangsregeling bestond. Het feit dat de Wapenwet van 8 juni 2006 en het besluit van 21 september 2012 wel een mogelijkheid voorzagen om aangifte te doen van verboden wapens zonder hiervoor strafrechtelijk vervolgd te worden, versterkt dus de schending door het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het vertrouwensbeginsel. Het gebrek aan verantwoording blijkt verder en voornamelijk uit het feit dat het besluit van 20 september 2019 wel overgangsbepalingen bevat voor andere personen die in het bezit zijn van verboden wapens. Volgens het Grondwettelijk Hof kan de uitsluiting van een bepaalde categorie van XIV-38.195-18/37 rechtzoekenden van een overgangsregeling niet redelijk worden verantwoord indien de betrokken wet wel overgangsbepalingen bevat voor andere categorieën van personen. Er kan ook worden verwezen naar de overgangsregelingen die in de artikelen 163 en 199 van de wet van 5 mei 2019 zijn opgenomen. Er kan ook worden verwezen naar de situatie van de bezitters van verboden vuurwapens (bijvoorbeeld automatische vuurwapens) die werden omgebouwd zodat er alleen nog blanke patronen mee kunnen worden afgeschoten. Voorts worden volgens de verzoekende partijen ook het recht op bescherming van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952 (hierna: het Eerste Protocol bij het EVRM) geschonden. De tweede, derde en vierde verzoekende partij, worden immers geconfronteerd met een verbod om die wapens nog voorhanden te hebben, zodat het besluit van 20 september 2019 ten aanzien van hen overkomt als een de facto onteigening. Net als een formele onteigening, heeft het besluit voor hen immers tot gevolg dat de substantie van hun eigendom over het vuurwapen verdwijnt. Ten gevolge van het besluit beschikken zij immers over een wapen dat zij niet meer mogen gebruiken voor het doel waarvoor zij het hebben verworven. Het voormelde besluit maakt aldus een einde aan elk zinvol beschikkingsrecht van die personen. Voor deze eigendomsontneming hebben de betrokken personen, conform artikel 16 van de Grondwet, recht op een integrale en voorafgaande schadeloosstelling. Vermits het voormelde besluit daar niet in voorziet, schendt het artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het besluit schendt daarnaast ook artikel 16 van de Grondwet afzonderlijk beschouwd, omdat het in een onteigening voorziet, terwijl deze grondwetsbepaling verlangt dat de gevallen waarin en de procedure volgens dewelke een onteigening kan plaatsvinden door de wetgever moeten worden bepaald. Minstens vormt het verbod om die wapens nog voorhanden te hebben zonder overgangsbepaling een ernstige aantasting van hun eigendomsrecht, doordat de vermogensrechtelijke waarde van het wapen daalt, vermits het vuurwapen waarvan hij eigenaar is nooit meer zal kunnen worden afgevuurd en XIV-38.195-19/37 de lader dus ook niet zal kunnen worden gebruikt waarvoor zij werd verworven. Dergelijke eigendomsbeperkingen zijn slechts toelaatbaar voor zover er een behoorlijk evenwicht is tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu (evenredigheids- beginsel). Een dergelijk evenwicht is er niet, aangezien de personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi-automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader verwierven tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019 zelfs niet de mogelijkheid hebben om hun vuurwapen aan te geven zonder dat ze riskeren om strafrechtelijk te worden vervolgd. Bovendien moet bij de beoordeling van de evenredigheid van eigendomsbeperkingen die neerkomen op een gebruiks- reglementering rekening worden gehouden met het bestaan van en de modaliteiten inzake een vergoeding. Het feit dat het besluit van 20 september 2019 zelfs niet voorziet in een billijke compensatie voor de getroffen eigenaars, moet tot de vaststelling leiden dat artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM geschonden zijn. Ten slotte wordt het recht op bescherming van het eigendomsrecht geschonden doordat het besluit van 20 september 2019 de rechtmatige verwachtingen van de betrokken personen fnuikt. Vermits de betrokken wapens op het ogenblik dat die personen die verwierven louter vergunningsplichtig waren, mochten zij de rechtmatige verwachting hebben dat zij die, mits het bekomen van een vergunning, in hun bezit mochten hebben. Gelet op de toekenning van de vergunning, mochten die personen de rechtmatige verwachting hebben dat de regelgever niet zonder redelijke aanpassingsperiode het bezit van die wapens zou verbieden. Ten slotte schendt het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019, door niet te voorzien in een overgangsregeling voor de personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi-automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader verwierven tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, ook de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele XIV-38.195-20/37 vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM), artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (hierna: het BUPO-verdrag) en artikel 49 van het Handvest van 12 december 2007 van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). Door niet te voorzien in een overgangsregeling voor de voormelde personen, zoals de tweede, derde en vierde verzoekende partij, heeft het besluit van 20 september 2019 tot gevolg dat deze personen vanaf 25 september 2019 het risico lopen om strafrechtelijk te worden vervolgd. Op het ogenblik dat deze personen hun wapen verwierven en registreerden, mochten zij dit wapen evenwel voorhanden hebben. Op het ogenblik dat zij hun handeling stelden, konden zij dus niet voorzien dat dit bezit ooit strafbaar zou worden gesteld. Door wel in een overgangsregeling te voorzien voor de personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi-automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader verwierven vóór 13 juni 2017, maar niet voor de personen die dergelijke wapens verwierven en/of registreerden tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, schendt het bestreden artikel 3 dan ook het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel. Minstens diende het besluit van 20 september 2019 hen een redelijke termijn toe te kennen om hun wapens aan te geven. De verzoekende partijen doen gelden dat de verwerende partij tevergeefs het ontbreken van een overgangsbepaling voor de personen die een lader met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of een semi-automatisch vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader verwierven tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019 kunnen verantwoorden op grond van het gegeven dat richtlijn 2017/853 tegen 14 september 2018 moest worden omgezet. Ten eerste heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State eerder al gesteld dat de omstandigheid dat de termijn voor het omzetten van een richtlijn verstreken is, niet tot gevolg mag hebben dat aan de betrokken rechtssubjecten geen redelijke termijn meer wordt gelaten om zich aan de nieuwe regels aan te passen. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist namelijk XIV-38.195-21/37 dat aan de rechtsonderhorigen een redelijke termijn wordt gegeven om zich aan de nieuwe regels aan te passen, ook al kan dit de aansprakelijkheid van de Belgische Staat op het internationale vlak in het gedrang brengen. Het feit dat richtlijn 2017/853 tegen 14 september 2018 moest zijn omgezet, kan dus niet verantwoorden waarom het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 het voordeel van de overgangsbepaling niet toekent aan de personen die deze wapens verwierven en/of registreerden tussen 13 juni 2017 en 25 september
- Er anders over oordelen zou overigens tot het absurde gevolg leiden dat een regelgever er net baat bij zou hebben om een richtlijn laattijdig om te zetten. Indien de Raad van State evenwel van oordeel zou zijn dat het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 2017/853 wel een verantwoording is om de benadeelde categorie van personen niet op te nemen in de overgangsbepaling van artikel 3, dan vragen de verzoekende partijen een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die zij verduidelijken. Indien de Raad van State evenwel van oordeel zou zijn dat er toch geen reden is om de gestelde prejudiciële vragen niet te stellen, verantwoordt de inwerkingtreding van de richtlijn op 14 september 2018 alvast niet waarom de gelding van de overgangsbepaling van artikel 3 van het ministerieel besluit van 20 september 2019 diende beperkt te zijn tot 13 juni 2017 en waarom zij niet zou kunnen worden uitgebreid tot 14 september
- In dat geval zouden immers de rechtmatige verwachtingen van een ruimere categorie van personen worden beschermd dan nu het geval is”.
- In de memorie van wederantwoord gaan de verzoekende partijen voorafgaandelijk in op het tussengekomen arrest nr. C-482/17 van 3 december 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zij stellen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie geen uitspraak heeft gedaan over de overeenstemming van de regeling met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, waarvan de schending eveneens wordt aangevoerd in het middel. Evenmin heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de lidstaten niet zouden kunnen voorzien in een overgangsregeling. Rekening houdend “met de gevolgen van dit arrest voor de beoordeling van de kritieken met betrekking tot het recht op eigendom en het XIV-38.195-22/37 rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, beperken de verzoekende partijen hun repliek op de memorie van antwoord in wat volgt dan ook tot de overige aspecten van het middel, die met name verband houden met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel en het gebrek aan overgangsregeling. Daarbij zal blijken dat de verwerende partij zich in deze opzichten niet op haar verplichting tot omzetting van Richtlijn 2017/853 kan beroepen.” Voorts stellen de verzoekende partijen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het voormelde arrest van 3 december 2019 uitsluitsel heeft gegeven over de in het verzoekschrift gesuggereerde prejudiciële vragen, waarop zij dan ook niet langer aandringen op het stellen ervan. Vervolgens gaan de verzoekende partijen dieper in op de schending van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel en doen zij gelden dat deze schending niet voortvloeit uit richtlijn 2017/853 hetgeen zij detailleren. Zij betogen dat het voornoemde arrest van 3 december 2019 irrelevant is voor het strafrechtelijke luik hetgeen zij eveneens grondig detailleren. Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat de verwerende partij zich niet kan beroepen op de veralgemeende strafbaarstelling in artikel 23 van de Wapenwet en formuleert zij ter zake een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Wat vervolgens het gebrek aan overgangsregeling betreft verwijzen de verzoekende partijen naar hun uitgebreide uiteenzetting in het verzoekschrift wat de schending betreft van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het vertrouwensbeginsel. Ook zetten zij uiteen dat deze schending evenmin voortvloeit uit richtlijn 2017/853 en doen zij gelden dat artikel 199 van de wet van 5 mei 2019 wel voorziet in een overgangsmaatregel.
- In de laatste memorie betwisten de verzoekende partijen dat zij moesten weten dat dergelijke vuurwapens spoedig verboden zouden zijn en dat zij er niet rechtmatig op konden vertrouwen dat zij een lader of vuurwapen in de zin van het besluit van 20 september 2019 dat na 13 juni 2017 werd verworven of XIV-38.195-23/37 geregistreerd, zonder beperking in de tijd in hun bezit zouden mogen houden omdat richtlijn 2017/853 werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en omdat de formulering van het relevante nieuwe artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG geen rechtmatige verwachtingen zou scheppen voor deze personen. Zulks veronderstelt immers dat personen die dergelijke laders of vuurwapens verwierven na 13 juni 2017, meteen op de hoogte waren van de (mogelijke) wijzigingen die op til waren naar aanleiding van de bekendmaking van de nieuwe richtlijnbepalingen in het Publicatieblad van de Europese Unie. Van burgers kan evenwel niet redelijkerwijze worden verwacht dat zij meteen weet hebben van elke richtlijn die weliswaar op Europees niveau werd gepubliceerd maar nog niet door de eigen lidstaat werd geïmplementeerd. In tegenstelling tot bepalingen uit een verordening, brengen richtlijnbepalingen immers slechts verplichtingen met zich mee voor de afzonderlijke lidstaten die ertoe gehouden zijn te voorzien in een behoorlijk regelgevend kader om uitvoering te verlenen aan de doelstellingen van de richtlijnen. Slechts zodra deze verplichtingen door de lidstaten zijn geconcretiseerd in nationale implementatiebepalingen (en na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad) kunnen de rechtzoekenden de potentiële implicaties van hun handelen voldoende inschatten opdat zij ertoe gehouden zijn hiermee rekening te houden. Richtlijnbepalingen hebben daarentegen in geen geval directe implicaties (laat staan: strafrechtelijke gevolgen) voor de burgers die – in het voorliggende geval – te goeder trouw de in het geding zijnde laders of vuurwapens hebben verworven of geregistreerd na 13 juni 2017 en vóór de inwerkingtreding van de betrokken verbodsbepalingen in de Wapenwet en het ministerieel besluit van 20 september
- Daarbij komt dat dergelijke vuurwapens en/of laders op het ogenblik van de rechtmatige verwerving en de registratie nog niet verboden waren. Vandaar dat personen op het moment dat zij hun vuurwapen en/of lader verwierven dan ook de rechtmatige verwachting mochten hebben dat zij dit, indien zij een vergunning verworven, in hun bezit mochten hebben. Vanuit die optiek verschilt de situatie van deze personen aldus in geen geval van de situatie waarin personen die dergelijke vuurwapens rechtmatig verwierven en registreerden en dergelijke laders verwierven vóór 13 juni 2017, zich bevinden. Het naleven of aanwenden XIV-38.195-24/37 van een overgangsregeling waarin een richtlijn voorziet, ontslaat de nationale regelgever daarenboven niet van de (internrechtelijke) verplichting om het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel te respecteren. De wijze waarop de wet- of regelgever gebruik maakt van een mogelijkheid waarin een richtlijn voorziet, moet immers evenzeer worden verantwoord in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hetzelfde geldt bovendien ten aanzien van het vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van het verzoek om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, verduidelijken de verzoekende partijen dat zij met de voorgestelde prejudiciële vraag het feit willen aanklagen dat de wetgever het naast de veralgemeende strafbaarstelling uit artikel 23 van de Wapenwet schijnbaar niet nodig vond om te voorzien in een tijdelijke overgangsregeling op grond waarvan de betrokken wapenbezitters de vuurwapens en laders in de zin van het besluit van 20 september 2019 bijvoorbeeld hadden kunnen inleveren of neutraliseren. Een persoon die een vuurwapen, uitgerust met een lader bedoeld in artikel 1 van het besluit van 21 september 2012, zoals gewijzigd bij het besluit van 20 september 2019, rechtsgeldig verwierf en registreerde vóór de bekendmaking van de bestreden bepaling na 13 juni 2017, kon immers niet weten dat het voorhanden hebben van dit vuurwapen ooit strafbaar zou worden gesteld. Op dat ogenblik waren de wapens in kwestie immers niet verboden en maakte het voorhanden hebben ervan dan ook geen overtreding uit van de Wapenwet. Het is pas door het bestreden besluit dat een (retroactieve) strafbaarstelling werd ingevoerd. De Wapenwet verleent immers een machtiging aan de minister van Justitie om de laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit te bepalen en dus ook de verboden wapens aan te duiden. De minister van Justitie kan op deze wijze het toepassingsgebied van de Wapenwet uitbreiden en zo onrechtstreeks bepalen welke gedragingen strafbaar worden gesteld. Deze machtiging staat de minister van Justitie evenwel niet toe om daarbij in een uitzondering op de strafbaarstelling te voorzien (bijv. door te voorzien in een overgangs- of regularisatieperiode), terwijl dit in bepaalde gevallen vereist kan zijn in het licht van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. In ondergeschikte XIV-38.195-25/37 orde zijn de verzoekende partijen dan ook van mening dat de Wapenwet op dit punt het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie en het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schendt, aangezien deze wet in dit geval zelf niet voorziet in een afwijkingsregime en op die manier aan de eigenaars van de betrokken wapens en laders de vereiste waarborg ontneemt dat zij op het ogenblik waarop zij een gedrag aannemen kunnen uitmaken of hun gedrag al dan niet strafbaar is of (op korte termijn) zal zijn. Beoordeling
- De verzoekende partijen bestrijden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019 in zoverre het slechts een overgangsregeling bevat ten gunste van personen die kunnen bewijzen dat ze de laders met een ladercapaciteit van meer dan 10 (lange) of meer dan 20 (korte) patronen verwierven en/of de semiautomatische vuurwapens uitgerust met deze laders, die ze voorhanden houden, rechtmatig verwierven en registreerden, vóór 13 juni 2017, maar niet ten gunste van personen die kunnen bewijzen dat ze deze laders en/of deze vuurwapens, die ze voorhanden houden, hebben verworven respectievelijk rechtmatig hebben verworven en geregistreerd tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, de datum waarop het besluit van 20 september 2019 in werking is getreden. Zij voeren aan dat die bepaling niet bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel, met het recht op het ongestoord genot van de eigendom en met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Betreffende de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel,
- De scharnierdatum die de bestreden bepaling hanteert, 13 juni 2017, is de datum waarop de richtlijn 2017/853 in werking is getreden. Ook XIV-38.195-26/37 artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG hanteert die scharnierdatum. Die bepaling staat de wetgever niet toe te voorzien in een overgangsregeling voor de laders en vuurwapens bedoeld in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet die na die datum zijn verworven of geregistreerd. Het staat in beginsel aan de regelgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwens- beginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Met de keuze voor de datum van de inwerkingtreding van de richtlijn (EU) 2017/853 als de scharnierdatum voor de overgangsregeling in artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG beoogde de Europese regelgever een te lange overgangsperiode te vermijden, tijdens welke zou kunnen worden geanticipeerd op het nakende verbod op de betrokken semiautomatische vuurwapens door hen nog aan te schaffen vooraleer het verbod in werking treedt. De grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij een arrest van 3 december 2019 als volgt geoordeeld over de bestaanbaarheid van die bepaling met het vertrouwensbeginsel : “
- In casu zij er om te beginnen op gewezen dat de betwiste bepaling wil vermijden dat er zich tussen de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn op 13 juni 2017 en het verstrijken van de termijn voor omzetting ervan in het recht van de lidstaten op 14 september 2018 een toename voordoet in de aankoop van vuurwapens die vanaf laatstgenoemde datum verboden zijn.
- Voorts is de bestreden richtlijn 20 dagen vóór haar inwerkingtreding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, en kon eenieder die na die inwerkingtreding een dergelijk wapen wou aanschaffen dus weten dat zijn lidstaat krachtens deze richtlijn ten laatste vanaf het einde van de omzettingstermijn gehouden zou zijn om alle voor dergelijke wapens verleende vergunningen in te trekken” (HvJ, grote kamer, 3 december 2019, C-482/17, Tsjechische Republiek t. Europees Parlement en Raad). XIV-38.195-27/37
- De wijze waarop de verwerende partij gebruik maakt van een mogelijkheid waarin is voorzien in een richtlijn, dient verantwoord te zijn in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De omstandigheid dat de verwerende partij niet in een verdergaande overgangsregeling mocht voorzien dan degene die artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG toelaat, neemt niet weg dat de keuze om al dan niet in de door die bepaling van de richtlijn toegelaten overgangsregeling te voorzien, het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie dient te eerbiedigen. Hoewel de keuze van een datum op zich als een objectief criterium kan worden beschouwd, dient de Raad van State na te gaan of het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit, redelijk verantwoord is. Met de keuze om in de bestreden overgangsregeling te voorzien, heeft de verwerende partij rekening willen houden met de belangen van personen die de in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet bedoelde laders en vuurwapens hadden verworven en geregistreerd toen zij nog niet werden geacht te weten dat die vuurwapens in de nabije toekomst zouden worden verboden. De keuze voor 13 juni 2017 als scharnierdatum is pertinent in het licht van die doelstelling, aangezien eenieder vanaf die datum wel werd geacht te weten dat die vuurwapens in de nabije toekomst zouden worden verboden. De personen die tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019 een dergelijke lader of vuurwapen uitgerust met een dergelijke lader verwierven (en registreerden), bevinden zich niet in dezelfde situatie als de personen die het verwierven (en registreerden) vóór 13 juni
- Zij konden er immers niet rechtmatig op vertrouwen dat zij een dergelijk vuurwapen dat na die datum was verworven of geregistreerd, zonder beperking in de tijd in hun bezit zouden mogen houden. De richtlijn (EU) 2017/853 is immers bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en het erin vervatte verbod is in duidelijke XIV-38.195-28/37 en precieze bewoordingen geformuleerd. Ook de formulering van het nieuwe artikel 7, lid 4bis, van de richtlijn 91/477/EEG schept geen rechtmatige verwachtingen voor personen die na 13 juni 2017 een lader of vuurwapen waarvan sprake in het bestreden artikel 3 verwierven of registreerden.
- Het argument dat de verzoekende partijen enige vergelijking maken met andere overgangsbepalingen in de Wapenwet of met een vroegere overgangsbepaling in het ministerieel besluit van 21 september 2012 leidt niet tot een ander besluit nu niet blijkt dat die zijn genomen in eenzelfde juridische context als de voorliggende, waarbij de rechtzoekende ruimschoots op voorhand werd geacht op de hoogte te zijn van het (nakende) verbod. Evenmin leidt het argument in de laatste memorie, dat van de verzoekende partijen niet mag worden verwacht dat zij meteen weet hebben van elke richtlijn die op Europees niveau is gepubliceerd maar nog niet is geïmplementeerd, tot een ander besluit. Regels uitgevaardigd door de organen van internationale instellingen kunnen immers bindend worden verklaard in het interne recht doordat ze zijn bekendgemaakt in het publicatieblad dat door die instellingen wordt uitgegeven, en wel op basis van de bedingen vervat in de desbetreffende verdragen. Te dezen voorziet de Europese regelgeving in eigen bekendmakingsregels: artikel 297, lid 2, tweede lid, van het verdrag ‘betreffende de Werking van de Europese Unie’ bepaalt dat richtlijnen die tot alle lidstaten gericht zijn, zoals de voorliggende, worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en dat zij in werking treden op dat datum die zij daartoe bepalen of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgend op die van de bekendmaking. Zodra de norm bekendgemaakt is in het Publicatieblad van de Europese Unie, wordt iedereen geacht deze norm te kennen. De werkelijke betekenis van het adagium “nemo censetur ignorare legem” ligt immers in het feit dat de norm verbindend is voor iedereen, ook voor wie haar niet kent. Zoals hiervoor is vastgesteld is de betrokken richtlijnbepaling regelmatig bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie L 137 van XIV-38.195-29/37 24 mei 2017 en is die in werking getreden op 13 juni
- Vanaf de datum van bekendmaking konden de verzoekende partijen derhalve ervan kennis nemen en konden zij, indien zij na die inwerkingtreding van de betrokken richtlijn een dergelijke lader of wapen wouden aanschaffen dus weten dat het Koninkrijk België als lidstaat van de Europese Unie, krachtens deze richtlijn ten laatste vanaf het einde van de omzettingstermijn – 14 september 2018 – gehouden zou zijn om alle voor dergelijke laders en/of wapens verleende “vergunningen” in te trekken (HvJ, Grote kamer, 3 december 2019, C-482/17, Tsjechische Republiek t. Europees Parlement en Raad). De omstandigheid dat de richtlijn zich niet rechtstreeks richt tot de verzoekende partijen en voor hen geen directe implicaties heeft voorafgaand aan de omzetting ervan in het Belgische recht, belet voorts niet dat dat het bestaan van de omzettingswet s.l. en daarmee de (onvermijdelijke) wijziging van de oude regeling voorspelbaar maakt voor de verzoekende partijen: de richtlijn geeft daarvoor zelfs een duidelijke datum. Voorts is, zoals reeds is gesteld, het erin vervatte verbod in duidelijke en precieze bewoordingen geformuleerd – wat de verzoekende partijen overigens niet betwisten - waarvan de verzoekende partijen worden geacht kennis te hebben.
- Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat het middel is afgeleid uit de schendig van het gelijkheidsbeginsel, al dan niet samengelezen met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, het ongegrond is. Aldus sluit de Raad van State zich met deze conclusie aan bij het overeenkomstige standpunt dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 55/2021 van 25 maart 2021 heeft aangenomen inzake artikel 163 van de wet van 5 mei 1999 waarvan de verzoekende partijen overigens zelf stellen dat het een gelijkaardige overgangsbepaling betrof als de thans bestreden bepaling en dat die ook moet worden gekaderd binnen de wettelijke mogelijkheden die het voornoemde artikel 7, lid 4bis van de richtlijn 91.477/EEG heeft geschapen (zie supra, punt 3.2). Betreffende de schending van het ongestoord genot van de eigendom XIV-38.195-30/37
- De verzoekende partijen voeren voorts de schending aan van het recht op bescherming van het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd in artikel 18 van de Grondwet, alsook de schendig van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Anders dan hoe de verzoekende partijen het zien, is de ontstentenis van een overgangsregeling ten gunste van personen die een in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet bedoelde lader of vuurwapen hebben verworven of geregistreerd tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, geen eigendomsberoving, aangezien die personen moesten weten dat dergelijke laders en/of vuurwapens spoedig verboden zouden zijn en dat zij dus een tijdelijke en precaire eigendomstitel verwierven (cfr. in dezelfde zin wat de gelijkluidende overgangsbepaling betreft, vervat in artikel 163 van de wet van 5 mei 2019, het Grondwettelijk Hof, nr. 55/2021, 25 maart 2021, punt B.9.1.). De bestreden bepaling vormt voor die categorie van personen niettemin een inmenging in het ongestoord genot van hun eigendom. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet derhalve een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (Grondwettelijk Hof, nr. 55/2021, 25 maart 2021, punt B.9.2). Te dezen zou het niet voorzien in een overgangsregeling, die van toepassing zou zijn nadat het nakende verbod op sommige types semiautomatische vuurwapens en hun laders met abnormale capaciteit bekend was geworden, de openbare veiligheid in het gedrang kunnen brengen. Een dergelijke overgangsregeling zou immers een situatie hebben gecreëerd waarin die vuurwapens (en laders) nog konden worden aangeschaft en zonder beperking in de tijd in het bezit van de verkrijger zouden kunnen blijven. XIV-38.195-31/37 De bestreden overgangsregeling beoogt aldus een billijk evenwicht te bewerkstellingen tussen de doelstelling van openbare veiligheid die met het verbod wordt nagestreefd, en de rechten en rechtmatige verwachtingen van de personen die een dergelijke lader en/of vuurwapen hadden verkregen en geregistreerd vooraleer dat het verbod ervan in het vooruitzicht werd gesteld. Ingevolge de bestreden overgangsregeling worden personen die vóór 13 juni 2017 een dergelijk vuurwapen hadden verkregen en geregistreerd, niet verplicht om afstand van dat vuurwapen te doen, voor zover zij blijven voldoen aan de overige wettelijke voorwaarden inzake het voorhanden hebben van wapens (en laders). Door aldus te regelen heeft de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden en is niet aannemelijk gemaakt dat het niet voorzien van een overgangsmaatregel, voor de betrokken laders en vuurwapens verworven en geregistreerd tussen 13 juni 2017 en 25 september 2019, een onevenredige inmenging in het eigendomsrecht vormt. Uit wat voorafgaat volgt dat in de mate dat het middel is afgeleid uit de schendig van het ongestoord genot van de eigendom, het ongegrond is. Aldus sluit de Raad van State zich aan bij het overeenkomstige standpunt dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 55/2021 van 25 maart 2021 heeft aangenomen inzake artikel 163 van de wet van 5 mei 1999 waarvan de verzoekende partijen overigens zelf stellen dat het een gelijkaardige overgangsbepaling betrof als de thans bestreden bepaling en dat die ook moet worden gekaderd binnen de wettelijke mogelijkheden die het voornoemde artikel 7, lid 4bis van de richtlijn 91.477/EEG heeft geschapen (zie supra, punt 3.2). Betreffende de schending van het wettigheidsbeginsel
- De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift ook aan dat het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019, de artikelen 12 XIV-38.195-32/37 en 14 van de Grondwet en de artikel 7 van het EVRM, artikel 15 van het BUPO en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schendt. Krachtens artikel 23, eerste lid, van de Wapenwet worden “zij die de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten (evenals de in artikel 47 bedoelde wet) overtreden, […] gestraft met gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar en met een geldboete van 100 euro tot 25 000 euro, of met een van deze straffen alleen.”. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft overwogen in het arrest nr. 55/2021 van 25 maart 2021 (punt B.10.3) staat die bepaling al vanaf het begin in de Wapenwet en is die in voldoende duidelijke en precieze bewoordingen geformuleerd. De personen die een verboden wapen in hun bezit hebben, kunnen de strafrechtelijke gevolgen daarvan bijgevolg goed inschatten. De bestreden overgangsregeling heeft niet als gevolg dat personen die tussen 13 juni 2017 en 3 juni 2019 een in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet bedoelde vuurwapens uitgerust met laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit, evenals die lader afzonderlijk, hebben verworven of geregistreerd en die het na 25 september 2019 in hun bezit hebben gehouden, niet kunnen inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zou kunnen zijn. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld (supra, punt 11.) was het nakende verbod op dergelijke laders en vuurwapens immers reeds voorzienbaar sinds de bekendmaking van de richtlijn 2017/853 in het Publicatieblad van de Europese Unie van 24 mei 2017 en was ook de ultieme datum waarop mocht worden geacht dat dit verbod zou ingaan, gekend: 14 september
- De verzoekende partijen wisten of moesten weten dat die betrokken wapens en laders derhalve moesten worden ingedeeld onder de verboden wapens, waarvan het bezit strafbaar is vanaf de inwerkingtreding van deze rangschikking als verboden wapen. De verzoekende partijen beschikten bijgevolg over voldoende tijd om hun gedrag op de toekomstige nieuwe regeling af te stemmen en om te vermijden dat, als dat verbod werd ingesteld, zij een strafbaar gedrag gingen vertonen. De enkele omstandigheid dat het verbod inging op de datum van bekendmaking ervan in het XIV-38.195-33/37 Belgisch Staatsblad doet derhalve op zich niet blijken dat zij niet konden weten, op het ogenblik dat zij hun gedrag aannamen, dat het later het voorwerp kon zijn van een eventuele strafvervolging. Aangezien artikel 23 van de Wapenwet de overtreding van de bepalingen van Wapenwet of van haar uitvoeringsbesluiten strafbaar stelt, konden de verzoekende partijen derhalve weten en voorzien dat de omzetting van de richtlijn in de Wapenwet of – zoals te dezen – in een van haar uitvoeringsbesluiten, zou impliceren dat zij zich blootstellen aan een strafvervolging indien zij, na de omzetting, niet handelden in overeenstemming met de bepalingen van de Wapenwet of haar uitvoeringsbesluiten. Tot slot is, anders dan hoe de verzoekende partijen het stellen in de memorie van wederantwoord, geen sprake van een retroactieve strafbaarstelling Overigens bemerkt de Raad van State dat een eventuele strafvervolging niet het gevolg zou zijn van een overtreding van het bestreden artikel 3 van het besluit van 20 september 2019, maar wel van de classificatie van de betrokken laders en/of vuurwapens onder de categorie van de laders met een grotere capaciteit dan de normale voor een bepaald vuurwapen bedoeld in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet, dat door de verzoekende partijen niet wordt bestreden.
- De overige argumenten en kritieken aangevoerd in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie, zijn voorts nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. De verzoekende partijen tonen niet aan dat zij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geven de verzoekende partijen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan hun middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat in de mate dat het middel is afgeleid uit de schendig van het wettigheidsbeginsel, het ongegrond is. Betreffende het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen XIV-38.195-34/37
- De verzoekende partijen vragen in de memorie van wederantwoord, herhaald in de laatste memorie, dat de Raad van State het Grondwettelijk Hof bevraagt inzake de bestaanbaarheid van de artikelen 3, § 1, 15° en 23 van de Wapenwet met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. In de laatste memorie verduidelijken de verzoekende partijen dat zij met de voorgestelde prejudiciële vraag het feit willen aanklagen dat de wetgever het naast de veralgemeende strafbaarstelling uit artikel 23 van de Wapenwet, het schijnbaar niet nodig vond om te voorzien in een tijdelijke overgangsregeling op grond waarvan de betrokken wapenbezitters de vuurwapens en laders in de zin van het besluit van 20 september 2019 bijvoorbeeld hadden kunnen inleveren of neutraliseren. Op dit verzoek wordt niet ingegaan om de volgende redenen. Het antwoord op een prejudiciële vraag moet nuttig zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Dat is te dezen niet het geval. Hiervoor is vastgesteld dat, aangezien artikel 23 van de Wapenwet de overtreding van de bepalingen van de Wapenwet of van haar uitvoeringsbesluiten strafbaar stelt, de verzoekende partijen derhalve konden weten en voorzien dat de omzetting van de richtlijn in de Wapenwet of – zoals te dezen – in een van haar uitvoeringsbesluiten, zou impliceren dat zij zich blootstellen aan een strafvervolging indien zij, na die omzetting, niet handelden in overeenstemming met de bepalingen van de Wapenwet of haar uitvoeringsbesluiten. Anders dan hoe de verzoekende partijen het zien, konden de verzoekende partijen reeds op het ogenblik van het (legaal) verwerven van een vuurwapen en/of lader in de zin van het besluit van 20 september 2019, weten dat op het ogenblik dat dit verbod door middel van een aanpassing van de Wapenwet of, zoals te dezen, een uitvoeringsbesluit ervan, in het interne recht werd omgezet, dit legaal bezit zou overgaan naar illegaal bezit – in strijd met een uitvoeringsbesluit of de bepalingen van de Wapenwet – en dat zulks strafbaar is. Bovendien konden zij er zich aan verwachten dat dit ten laatste vanaf de ultieme omzettingsdatum ervan – 14 september 2018 – zou moeten gebeuren. Kortom, niet blijkt dat de verzoekende XIV-38.195-35/37 partijen, naar zij stellen, niet over de tijd beschikten om hun gedrag af te stemmen op de nieuwe regeling. Aldus gaat de gevraagde prejudiciële vraag uit van een verkeerde premisse, te weten dat de verzoekende partijen niet konden weten dat het voorhanden hebben van het vuurwapen en/of de lader ooit strafbaar zou worden gesteld. Een antwoord op de gestelde vraag kan derhalve niet tot de oplossing van het geschil leiden. In die omstandigheden is de vraag niet prejudicieel en moet zij niet worden gesteld. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag wordt afgewezen.
- In de memorie van wederantwoord melden de verzoekende partijen dat zij niet langer aandringen op de in het verzoekschrift voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Er is derhalve geen reden om op dat verzoek verder in te gaan. Conclusie
- Het enige middel is ongegrond BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor één vierde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Het te veel betaalde bedrag aan bijdrage dient aan de verzoekende partijen te worden teruggestort, elk voor één vierde. XIV-38.195-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.195-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.390 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div