id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.398 Rolnummer: A. 228371/XIV-38079 Zaak: Arrest 254398 - Politie - 07/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-12 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-06-19 02:19 Fiche Arrest nr 254.398 van 7 september 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.398 van 7 september 2022 in de zaak A. 228.371/XIV-38.079 In zake : Sam WANDELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5411VILVOORDE-MACHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Flora Wauters kantoor houdend te 2600 Antwerpen (Berchem) Fruithoflaan 124/14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 11 december 2018 van het politiecollege van de politiezone Vilvoorde-Machelen houdende de weigering tot vergoeding van alle dierenartskosten voor het letsel van de Mechelse herder Viper, naar aanleiding van een trainingsongeval op 8 september 2018 in zijn trainingsclub. Verzoeker vordert in zijn verzoekschrift tevens een schadevergoeding tot herstel die hij in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie (definitief) begroot op “3.423,56 euro ten titel van morele en materiële schade, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf datum van de te vernietigen beslissing d.d. 12/12/2018”. XIV-38.079-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Siegfried De Mulder, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Flora Wauters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Tot 30 april 2019 was verzoeker politie-inspecteur en hondenbegeleider binnen de politiezone
(5411)Vilvoorde-Machelen (hierna: de PZ VIMA). Hij is eigenaar van een politiehond: de Mechelse herder Viper. XIV-38.079-2/25 Vanaf 1 mei 2019 is verzoeker tewerkgesteld bij de politiezone
(5440)Aalst. 3.
- Onder andere uit de thans bestreden beslissing blijkt dat Viper administratief werd aangenomen door de PZ VIMA op 1 april
- 3.
- Krachtens artikel XI.IV.7 van het RPPol wordt aan het personeelslid dat voor de dienst een aangenomen hond gebruikt, een maandelijkse vergoeding toegekend “voor onderhoud”. Uit het administratief dossier blijkt onder meer uit een nota van de DGR/Jur/P van 13 december 2018 dat de juridische dienst “reeds meermaals” het standpunt heeft ingenomen dat als “onderhoud” wordt beschouwd “voedingskosten, huisvestingskosten, een eventuele meerkost van de familiale verzekering, de aankoop van bijtworsten, drijflijnen, een halsband”, die derhalve niet op de politiezone kunnen worden verhaald. “Medische kosten” zoals vaccins, dierenartsenkosten en dergelijke worden volgens de juridische dienst “in principe” wel door de overheid worden ten laste genomen. 3.4 Wat de “medische kosten” betreft, sluit de PZ VIMA op 12 oktober 2015 een verzekeringspolis af met Ethias met als verzekerd risico “Lichamelijk letsel – dieren”. Viper, geboren op 1 oktober 2011, wordt opgenomen in de lijst van verzekerde dieren en wordt een waarde van 2.000€ toegekend. Het “Doel van de verzekering” luidens de verzekeringspolis is: “[d]eze overeenkomst verzekert de ongevallen welke aan de in de polis aangeduide dieren zouden kunnen overkomen wanneer zij, onder begeleiding, opdrachten uitvoeren voor rekening van de verzekeringsnemer”. Verder wordt in de polis nog vermeld dat de door de verzekeringsnemer opgegeven verzekeringswaarde de beperking van de verplichting van Ethias vormt, met andere woorden te dezen 2.000 euro. XIV-38.079-3/25 3.
- Op 28 december 2017 verspreidt de korpschef een e-mail met als onderwerp ‘Procedure dierenartsonkosten vanaf 1/1/2018’ Die e-mail die tevens aan verzoeker is gericht, luidt: “Collega’s, Vanaf 1 januari 2018 worden dierenartskosten ten laste van de politiezone genomen. Gelieve ons de gegevens van jullie dierenarts te bezorgen. Wij zullen met hen contact nemen. Hoe verloopt de procedure? - Een dierenartsbezoek wordt voorafgaandelijk aangekondigd bij [C.G.] en [P.L.] - De factuur wordt overgemaakt aan de politiezone - De politiezone betaalt rechtstreeks aan de dierenarts.” 3.
- Verzoekers politiehond, Viper, kwetst zich op 8 september 2018 naar aanleiding van een training met verzoeker. De training vond plaats in de club van verzoeker en dit buiten de diensturen. Viper loopt een hyperextensie carpaal op. Op 23 november 2018 informeert commissaris [P.G.] bij verzoeker naar de stand van zaken. In zijn e-mail schrijft de commissaris onder meer: “Wij hebben als zone een verzekering voor ongevallen die gelinkt zijn aan het werk. Gelieve mij asap een verslag over te maken (per mail) van het ongeval. Ik moet weten waar, wanneer en in welke omstandigheden het ongeval gebeurde. Zijn er getuigen van het ongeval (collega’s)? Wat zijn de letsels en wat is de geplande behandeling.” Verzoeker antwoordt dezelfde dag waaruit onder meer blijkt dat: “Viper heeft zich gekwetst tijdens een training in mijn club met een normale oefening. […]. Dan ben ik onmiddellijk naar de dierenarts van wacht gegaan die pijnstillers en foto’s heeft uitgevoerd. Ik ben dan doorverwezen naar een specialist die Viper heeft voorzien van gips. Nu blijkt het niet opgelost te zijn en dient de aanhechting achteraan de pols vastgezet te worden. Dit gaat uitgevoerd worden in een dierenkliniek.[…]. Het medisch verslag alsook de vermoedelijke kostprijs gaat vandaag bezorgd worden aan C. […].” Er wordt vervolgens nog gevraagd naar plaats en tijdstip waarna “de aangifte [kan] gebeuren” waarop verzoeker ook die gegevens verstrekt. XIV-38.079-4/25 3.
- De korpschef van de PZ VIMA vraagt op 26 november 2018 juridisch advies aan DGR/Jur/P hoe de tenlasteneming van dierenartskosten met betrekking tot een aangenomen politiehond gebeurt. In het schriftelijk antwoord van 13 december 2018 - blijkbaar werd het advies eerst mondeling verstrekt - wordt gesuggereerd om het dossier voor te leggen aan de verzekeringsmaatschappij en in het geval die niet of slechts gedeeltelijk zou tussenkomen, toch met een aantal aspecten rekening te houden, zoals het feit dat het dier op het ogenblik van het incident een ‘door de politie aangenomen hond’ was, het incident gebeurde tijdens een private activiteit en niet tijdens het uitoefenen van een politietaak, of de hond na de operatie nog als politiehond kan functioneren, enzovoort. 3.
- Op 11 december 2018, dit is op de dag van de bestreden beslissing, wordt verzoeker mede naar aanleiding van een andere gebeurtenis gehoord door zijn korpschef waarbij aan verzoeker ook het standpunt van de zone met betrekking tot het ongeval van Viper ter kennis werd gebracht. In een daarover op 31 juli 2019 opgestelde verklaring van de korpschef staat te lezen : “Met betrekking tot het ongeval van zijn hond Viper werd [verzoeker] uitvoerig geïnformeerd over het schadedossier van zijn hond Viper en het standpunt van de zone hierin. Hij werd geïnformeerd over de stappen die door de politiezone ondernomen werden om het schadedossier volledig en correct te kunnen beoordelen en over het feit dat hij tekort geschoten is in zijn rapporteringsplicht ter zake waardoor de zone slechts in een (zeer) laat stadium kennis kreeg van de ware toedracht van het ongeval van Viper. Hij werd in kennis gesteld van het advies van de juridische dienst van de federale politie alsook van de beslissing van de politiezone tot niet-betaling van de dierenartskosten. [Verzoeker] werd duidelijk geïnformeerd dat de kosten niet zouden gedragen worden door de politiezone en dat hij de facturen ter zake zelf zou moeten betalen. Hij werd tevens geadviseerd om naar de toekomst een verzekering af te sluiten voor dergelijke zaken. [Verzoeker] heeft op deze informatie op geen enkele wijze gereageerd noch te kennen gegeven dat hij het oneens was met het standpunt van de politiezone.” De door de korpschef opgestelde verklaring wordt bevestigd door het diensthoofd van verzoeker op 12 augustus
- XIV-38.079-5/25 3.
- Op 11 december 2018 beslist het politiecollege om alle dierenartskosten voor het letsel van de Mechelse herder Viper naar aanleiding van het ongeval van 8 september 2018 in zijn club, niet te vergoeden. Die beslissing berust op de volgende overwegingen: “Overwegende dat de Mechelse herder Viper, eigendom van [verzoeker], administratief werd aangenomen door de politiezone VIMA op 01 april 2013; Overwegende dat [verzoeker] op 08 september 2018 aan de dienstdoende OGP ter kennis heeft gebracht dat zijn diensthond n.a.v. oefening in zijn club een letsel heeft opgelopen aan de rechter voorpoot; Overwegende dat de diensthond een hyperextensie radio carpaal heeft en inmiddels geopereerd werd door het Dieren Artsen Centrum Malpertuus; Overwegende dat inspecteur verschillende facturen heeft binnengebracht bij de politiezone voor de medische verzorging van de diensthond; Overwegende dat [verzoeker] op die dag niet met dienst bevolen was en er geen politietraining voorzien was; Overwegende dat de kosten voor dergelijke behandelingen, voor letsels opgelopen buiten dienstverband, niet door de politiezone dienen gedragen te worden; […].” Dit de bestreden beslissing. 3.
- Op 12 december 2018 verspreidt de PZ Vilvoorde-Machelen een richtlijn ‘schadevergoeding met administratief en operationeel aangenomen honden’ waarin onder meer valt te lezen dat “[d]ierenartskosten door de politiezone, rekening houdend met de bijzondere regeling voor schadegevallen, worden betaald. Dit zijn de kosten van de consultatie, vaccins en gebruikelijke verzorging”. Wat de ‘Procedure schadegevallen’ betreft, wordt onder meer bepaald dat ieder geval van schade buiten dienstverband in de polis lichamelijk letsel dieren “wordt uitgesloten” en dat “dierenartskosten die rechtstreeks verband houden met een schadegeval buiten dienstverband” niet door de politiediensten worden betaald. Dierenartskosten die rechtstreeks verband houden met een schadegeval binnen dienstverband worden door de politiezone gedeeltelijk betaald, al wordt ook die tussenkomst – behoudens afwijking, rekening houdende met de leeftijd en de toekomstige inzetbaarheid van de hond –, principieel geplafonneerd op de vastgelegde waarde. XIV-38.079-6/25 3.
- Met een brief van 16 mei 2019 wordt de verwerende partij formeel in gebreke gesteld om de bestreden beslissing te herzien en tussen te komen in het resterende - want vijf facturen voor een (totaal)bedrag van 720,11 euro werden door de politiezone wel betaald - bedrag van 3.123,56 euro. 3.
- Op 28 mei 2019 beslist het politiecollege om haar beslissing van 11 december 2018 “te handhaven”, hetgeen dezelfde dag, en in diezelfde bewoordingen, aan de raadsman van verzoeker wordt meegedeeld. IV. Rechtsmacht van de Raad van State
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker de facto niet de vernietiging van de bestreden beslissing nastreeft maar wel het bekomen van een schadevergoeding. Met verwijzing naar artikel 144 van de Grondwet en artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voert de verwerende partij aan dat de schade niet veroorzaakt werd door de weigering van de verwerende partij maar wel door het ongeval van de hond tijdens een private training buiten de diensturen, zodat van enig causaal verband geen sprake is. De verwerende partij wijst nog op de subsidiaire bevoegdheid van de Raad van State wat het in artikel 11 bedoelde vergoedingscontentieux betreft, met name op het feit dat door verzoeker geen voorafgaand verzoekschrift tot het bekomen van een schadevergoeding aan het bestuur werd gericht om, vervolgens, te besluiten dat de schade niet te wijten is aan een schadeverwekkend optreden van de verwerende partij. Tot slot stelt zij nog dat de beoordeling van subjectieve burgerlijke rechten tot de uitsluitende bevoegdheid behoort van de burgerlijke rechtbanken. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij op algemene wijze dat zij “voor zover als nodig” benadrukt dat zij in elk geval de kritieken zoals die zijn uitgewerkt in haar memorie van antwoord “herneemt en hierin blijft volharden”. Beoordeling XIV-38.079-7/25
- Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen, als de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden is (Cass. 9 december 2016, C.16.0057.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2). Krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en C.11.0457.F).
- Het voorliggende beroep tot nietigverklaring heeft betrekking op de (weigering tot) terugbetaling van (alle) medische kosten als gevolg van een ongeval met een politiehond buiten dienstverband. Zoals hiervoor is gebleken, veronderstelt het bestaan van een subjectief recht dat de eiser zich beroept op een XIV-38.079-8/25 welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen, als de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden is. Hieraan is, te dezen, niet voldaan. Er ligt geen normatieve regeling voor - en de verwerende partij duidt er ook geen aan - waaruit blijkt of moet blijken dat medische kosten door de verwerende partij moeten worden terugbetaald aan verzoeker. Artikel XI.IV.7 van het RPPol waarnaar zowel verzoeker als de verwerende partij verwijzen, bepaalt: “§
- Voor zover de onderhoudskosten niet ten laste van de Staat, een gemeente of een zone vallen, wordt een maandelijkse vergoeding toegekend aan het personeelslid dat voor de dienst een aangenomen hond gebruikt. Het bedrag van de vergoeding is vastgesteld op 3 000 frank (74,37 EUR) per hond. De minister stelt de voorwaarden vast waaronder de hond wordt aangenomen. §
- In afwijking van artikel XI.IV.121, wordt het recht op de vergoeding bedoeld in § 1 geopend voor het personeelslid dat ertoe is gehouden om één of meerdere honden van de Staat, van een gemeente of een zone, te herbergen ten belope van 100 frank (2,48 EUR) per dag per geherbergde hond. In dat geval, in afwijking van artikel XI.IV.123, worden de verschuldigde bedragen, in dat geval, betaald in de loop van de tweede maand die volgt op deze waarin de honden werden geherbergd.” Uit die bepaling volgt dat een maandelijkse (forfaitaire) vergoeding wordt toegekend aan het personeelslid dat voor de dienst een aangenomen hond gebruikt, “voor zover de onderhoudskosten niet ten laste vallen van de Staat, een gemeente of een zone”. Er wordt niet betwist dat voedingskosten, huisvestingskosten, de eventuele meerkost van de familiale verzekering, de aankoop van bijtworsten, drijflijnen, een halsband door de houder van de hond moeten worden bekostigd met die maandelijkse (forfaitaire) vergoeding. Het genoemde artikel XI.IV.7 heeft evenwel geen betrekking op “medische kosten”. Enkel onrechtstreeks uit allerhande nota’s die uitgaan van de verwerende partij, valt (iuncto die reglementaire bepaling) af te leiden dat “medische kosten” (in XIV-38.079-9/25 beginsel) worden terugbetaald en, derhalve, (in beginsel) ten laste van de overheid vallen en door die overheid ten laste worden genomen.
- Zoals uit punt 3.3 blijkt, wordt, wat de “medische kosten” betreft, door de DGR/Jur/P het standpunt ingenomen dat deze “in principe” door de overheid ten laste worden genomen. Het betreft medische kosten voor vaccins en andere “normale” dierenartskosten. De verwerende partij stemde overigens op 23 januari 2018 in met de terugbetaling aan verzoeker van de gemaakte dierenartskosten voor een bedrag van 1.211,47 euro. In die beslissing geeft zij overigens te kennen dat de maandelijkse vergoeding – ook al deed de politiezone dat eerder niet – “de medische kosten zoals vaccins en dierenartskosten niet dekt en bijgevolg dienen gedragen te worden door de politiezone”. Verzoeker brengt nog andere stukken bij waaruit blijkt dat medische kosten in beginsel ten laste worden genomen van de gemeente of de politiezone. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen medische kosten binnen of buiten dienstverband. Dat onderscheid wordt wel gemaakt in de bestreden beslissing en wordt onmiskenbaar verklaard door de door de verwerende partij afgesloten verzekeringspolis waarin duidelijk is bepaald dat enkel zijn gedekt “ongevallen welke aan de in de polis aangeduide dieren zouden kunnen overkomen wanneer zij(n), onder begeleiding, opdrachten uitvoeren voor rekening van de verzekeringsnemer”. Voorts is de juridische dienst in haar nota van 13 december 2018 de mening toegedaan dat in de mate de verzekeraar de gemaakte kosten niet of slechts gedeeltelijk dekt, met het oog op de beoordeling van de tussenkomst door de overheid bepaalde “aspecten” in aanmerking kunnen worden genomen – wat wijst op de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid – zoals de leeftijd van de hond, de vraag of het letsel optrad tijdens een private activiteit en niet tijdens het uitoefenen van een politietaak, enzovoort.
- Uit het voorgaande volgt derhalve dat geen normatieve bepaling voorligt waaruit blijkt dat (alle) medische kosten ten laste vallen van de verwerende partij en anderdeels dat de verwerende partij wel degelijk over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt die zij ook aanwendt, om te XIV-38.079-10/25 oordelen of zij de door verzoeker ingebrachte facturen van medische kosten al dan niet terugbetaalt. Een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij of een (daarmee overeenstemmend) subjectief recht op terugbetaling van medische kosten ligt niet voor. De Raad van State heeft rechtsmacht om kennis te nemen eensdeels van het beroep tot vernietiging van de bestreden beslissing en anderdeels van verzoekers vordering tot het bekomen van een “schadevergoeding tot herstel” voor de gebeurlijke schade die verzoeker lijdt ingevolge de onwettigheid die door de verwerende partij zou zijn begaan en door de Raad van State zou worden vastgesteld. De door verzoeker ingediende vordering tot schadevergoeding betreft overigens – en anders dan de verwerende partij ten onrechte aanneemt – geen vordering tot schadevergoeding ‘naar billijkheid’ als bedoeld in artikel 11 van diezelfde gecoördineerde wetten, ter compensatie van de door de administratieve overheid veroorzaakte buitengewone schade bij (rechtmatige) overheidsdaad, noch overigens een vordering die is gesteund op artikel 1382 van het (oud) Burgerlijk Wetboek.
- De exceptie wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie wegens gebrek aan belang
- De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat de thans bestreden beslissing werd vervangen door “een nieuwe beslissing van 28 mei 2019” die is genomen op uitdrukkelijke vraag van verzoeker doch door hem niet wordt aangevochten. De verwerende partij leidt daaruit af dat een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing geen invloed heeft op de navolgende beslissing van 28 mei 2019 die onverkort blijft bestaan. Beoordeling XIV-38.079-11/25
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoeker. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is omdat de na de bestreden beslissing tussengekomen beslissing van 28 mei 2019 een louter bevestigende beslissing is die geen enkel rechtsgevolg teweegbrengt en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet.
- De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
- In het derde middel van zijn verzoekschrift roept verzoeker een schending in van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. Hij verwijt de verwerende partij dat zij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de oefening van 8 september 2018 tijdens dewelke de hond het letsel opliep, te kaderen viel binnen dienstverband, met name “de noodzakelijke aanvulling op de wettelijk voorgeschreven trainingen” hoewel het toepassen van “het criterium van ‘binnen’ of ‘buiten’ dienstverband verregaande gevolgen heeft voor het ambt van hondengeleider”. Door hiermee geen rekening te houden, ligt een schending van de materiëlemotiveringsplicht voor. Daarnaast, aldus verzoeker, heeft de verwerende partij nagelaten de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen. Zo volstond de verwerende partij ermee te verwijzen naar het (nieuwe) criterium van “binnen” of “buiten” dienstverband waarbij zij echter heeft nagelaten aan te geven waarom zij aldus afwijkt van de in XIV-38.079-12/25 artikel XI.IV.7 van het RPPol vervatte regeling. Evenmin heeft de verwerende partij de wettelijke grondslag aangeduid “van het (nieuwe) criterium van ‘binnen’ of ‘buiten’ dienstverband” waarop zij zich beroept. De verwerende partij liet aldus na te motiveren waarom zij op het moment van de bestreden beslissing op retroactieve wijze toepassing maakt van dat criterium dat pas nadien, met name op 12 december 2018 voor het eerst met de richtlijn ‘schadevergoeding met administratief en operationeel aangenomen honden’ binnen de zone werd verspreid en in werking is getreden. De verwerende partij verzuimt aldus te motiveren waarom de medische kosten van oefeningen buiten dienstverband door het personeelslid zelf moeten worden gedragen terwijl dit in het licht van de wettelijk voorgeschreven trainingen en de zware vereisten inzake geschiktheid en bekwaamheid van de politiehond allerminst evident is. Voorts heeft zij nagelaten te motiveren waarom verzoeker initieel met betrekking tot hetzelfde schadegeval sommige medische kosten (consultaties, medicatie, radiografie, braces) wél terugbetaald zag terwijl naderhand eenzelfde soort medische kosten (eveneens consultaties, medicatie, radiografie, braces) niet meer werden terugbetaald. De verwerende partij geeft evenmin aan waarom de oefening van 8 september 2018, bij de erkende pakwerker die eveneens bij de politie werkzaam is, niet kwalificeert als een oefening binnen dienstverband. Gelet op het feit dat deze overwegingen niet in de beslissing a quo werden opgenomen, ligt (ook) een schending van de formelemotiveringsplicht voor. In zijn memorie van wederantwoord, wat hij in zijn laatste memorie herneemt, verwijst verzoeker nog naar de nota ‘politiehond – vergoeding onderhoud van een politiehond – dierenartskosten’ van de DGR/Jur/P van 13 december 2018 waarop de verwerende partij zich beroept ter adstructie van het criterium ‘binnen/buiten dienstverband’. Hij wijst er verder op dat ook in deze nota wordt gerefereerd aan meerdere “aspecten” die in aanmerking kunnen worden genomen bij het nemen van een in een concreet geval te nemen beslissing wanneer zou blijken dat de verzekeringsmaatschappij niet of slechts gedeeltelijk de dierenartskosten zou bekostigen. In de bestreden beslissing werd met deze aspecten door de verwerende partij geen rekening gehouden, minstens heeft zij XIV-38.079-13/25 nagelaten te motiveren op welke wijze zij deze elementen in haar besluitvorming heeft betrokken. In de mate de verwerende partij tot slot verwijst naar de e-mail van 28 december 2017 om te stellen dat verzoeker bij zijn vraag tot terugbetaling van de door hem gemaakte dierenartskosten de bij deze interne nota voorziene procedure niet heeft gevolgd, en hij aldus geen recht heeft op terugbetaling van de gemaakte kosten, repliceert verzoeker dat in de bestreden beslissing geen enkele melding van die overweging wordt gemaakt, noch overigens van die bewuste interne nota van 28 december
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat een gelijktijdige schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht niet mogelijk is. De bestreden beslissing moet, teneinde te voldoen aan de formelemotiveringsplicht, de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Volgens de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing weldegelijk de juridische en feitelijke overwegingen bevat die aan de grondslag van de bestreden beslissing liggen en dat de motivering bovendien afdoende is zodat een schending van de formelemotiveringsplicht niet voorligt. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt werd hem wel degelijk de kans gegeven om zijn argumenten uiteen te zetten. Evenmin is de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Krachtens het materiëlemotiverings- beginsel moet elke administratieve beslissing steunen op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag, die kunnen blijken hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken uit het administratief dossier. De motieven moeten steunen op feiten die met de werkelijkheid overeenstemmen. De motiveringsplicht van een administratieve overheid reikt echter niet zo ver dat zij elk opgegeven motief nogmaals moet motiveren. De bestreden beslissing maakt wel degelijk melding van alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden die aan de basis ervan liggen. Deze werden aan verzoeker trouwens omstandig toegelicht naar aanleiding van zijn onderhoud met de korpschef. De verwerende XIV-38.079-14/25 partij wijkt niet af van de wettelijke regeling zoals voorzien in art. XI.IV.7 van het RPPol. Het wettelijke kader voorziet welke kosten ten laste (moeten) worden genomen en hoeveel trainingen een personeelslid binnen dienstverband kan organiseren. Verzoeker had hiervan kennis in het kader van zijn reeds (lange) uitoefening van zijn taak als hondengeleider. Hij genoot trouwens reeds van extra trainingen in dienstverband, maar ook deze trainingen dienden voorafgaandelijk te worden meegedeeld. Indien hij met zijn persoonlijke hond trainingen wenst te organiseren in privéverband, geschiedt dit onder zijn eigen verantwoordelijkheid. In haar laatste memorie beklemtoont de verwerende partij wat de te volgen procedure met het oog op de terugbetaling van dierenartskosten betreft, uit het door stuk 13 bijgebrachte stuk van verzoeker blijkt dat hij eind december 2017 bij de politiezone heeft geïnformeerd of er naast de maandelijkse vergoeding voor onderhoudskosten conform artikel XI.IV.7 van het RPPol werd voorzien in een terugbetaling van dierenartskosten. Hierop stuurde hoofdinspecteur D. G. op 20 december 2017 een e-mail aan verzoeker met de vraag de kostenstaat, met bewijsstukken, van de dierenartskosten voor Viper voor de periode dat hij werkzaam was voor de politiezone op te lijsten en aan de korpschef over te maken. Hierop antwoordde verzoeker dat hij niet op de hoogte was van de te volgen procedure en hij de desbetreffende stukken aan de korpschef zou bezorgen. Op 28 december 2017 volgde dan een interne nota aan alle hondenbegeleiders van de politiezone waarin de te volgen procedure werd uiteengezet. De kosten die met een besluit van 23 januari 2018 aan verzoeker werden terugbetaald betreffen facturen daterend van vóór de interne nota van 28 december
- Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. XIV-38.079-15/25 Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, is het in rechte niet uit te sluiten dat een verzoeker in één en hetzelfde middel grieven ontwikkelt afgeleid uit enerzijds de schending van de formelemotiveringsplicht en anderzijds de materiëlemotiveringsplicht.
- De bestreden beslissing overweegt wat volgt: “Overwegende dat de Mechelse herder Viper, eigendom van [verzoeker], administratief werd aangenomen door de politiezone VIMA op 01 april 2013; Overwegende dat [verzoeker] op 08 september 23018 aan de dienstdoende OGP ter kennis heeft gebracht dat zijn diensthond n.a.v. oefening in zijn club een letsel heeft opgelopen aan de rechter voorpoot; XIV-38.079-16/25 Overwegende dat de diensthond een hyperextensie radio carpaal heeft en inmiddels geopereerd werd door het Dieren Artsen Centrum Malpertuus; Overwegende dat inspecteur verschillende facturen heeft binnengebracht bij de politiezone voor de medische verzorging van de diensthond; Overwegende dat [verzoeker] op die dag niet met dienst bevolen was en er geen politietraining voorzien was; Overwegende dat de kosten voor dergelijke behandelingen, voor letsels opgelopen buiten dienstverband, niet door de politiezone dienen gedragen te worden; […].” Hieruit blijkt, ermee rekening houdende dat diensthond Viper “n.a.v. oefening in zijn club” letsel heeft opgelopen aan de rechtervoorpoot, er volgens de bestreden beslissing geen terugbetaling kan zijn omdat verzoeker “op die dag niet met dienst bevolen was en er geen politietraining voorzien was”, wat betekent dat het enige – en dus determinerend – motief van niet-terugbetaling er in is gelegen dat verzoeker “op die dag niet met dienst bevolen was en er geen politietraining voorzien was”. Volgens de bestreden beslissing moeten derhalve, min noch meer, de kosten “voor letsels opgelopen, buiten dienstverband” niet door de politiezone worden gedragen.
- Er kan te dezen geen twijfel over bestaan dat – althans naar luid van het in de bestreden beslissing tot uiting gebrachte motief – de verwerende partij het criterium “binnen/buiten dienstverband” als enig criterium “volautomatisch” heeft gehanteerd, als ware het een algemeen verbindend voorschrift, ter uitoefening van de nochtans ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid die artikel XI.IV.7 van het RPPol haar toekent. Niet alleen vindt het criterium als zodanig geen steun in de wet maar ook niet in de administratieve praktijk noch in de richtlijnen die eerder in dat verband zijn verstrekt. Daarin wordt geen onderscheid gemaakt – laat staan als decisief criterium – tussen medische kosten die het gevolg zijn van een ongeval met een aangenomen politiehond “binnen” of “buiten” dienstverband.
- Uit artikel XI.IV.7 van het RPPol kan alvast geen dienstig motief worden gepuurd nu dat artikel geenszins ingaat op eventuele “medische kosten” en er overigens geen betwisting over is dat alvast “medische kosten” niet XIV-38.079-17/25 worden gedekt door de in die bepaling bedoelde maandelijkse vergoeding “voor onderhoud”. De verwerende partij beroept zich voorts ten onrechte op de nota van 18 december 2018 (en het daarin verstrekte advies) van de DGR/Jur/P aan de korpschef. Daargelaten nog dat die nota dateert van na de bestreden beslissing, wordt daarin net als praktijk aangegeven dat “[m]edische kosten zoals vaccins, ’normale’ dierenartskosten e.d., in principe, wel door de overheid ten laste [worden] genomen.”. Uit de bestreden beslissing blijkt alvast niet dat een (bijkomende) operatie tot herstel van een letsel aan de rechtervoorpoot naar aanleiding van een ongeval gedurende een training van de hond die een aangenomen hond is – het moge dan al een training in eigen clubverband zijn waarvan overigens geenszins blijkt dat die trainingen overtollig of overbodig zouden zijn of onnodige risico’s zouden inhouden –, een “abnormale kost” (wat dat ook moge zijn) is. Integendeel blijkt uit diverse nota’s die door verzoeker zijn bijgebracht dat “medische kosten” voor een aangenomen politiehond door de overheid ten laste worden genomen. Het betreft een nota van april 2002 van de juridische dienst van de Federale politie waaruit blijkt dat dierenartskosten en andere professionele verplichtingen die verband houden met een aangenomen hond (en die niet vallen onder de normale kosten van onderhoud) door de overheid ten laste worden genomen. Eenzelfde conclusie volgt nog uit nota’s van de juridische dienst van 22 augustus 2012 en van 9 november 2015 waaruit blijkt dat “[m]edische kosten zoals vaccins, dierenartskosten en dergelijke” ten laste worden genomen door de overheid. Overigens ook in de e-mail van 28 december 2017 van de verwerende partij aan verzoeker die bij het administratief dossier is gevoegd, wordt aangegeven dat “dierenartskosten ten laste van de politiezone [worden] genomen” (zij het dat daarin een “procedureverloop” wordt gemeld, met name (i) de voorafgaande aankondiging van het dierenartsbezoek, (ii) het bijbrengen van de factuur en (iii) de “rechtstreekse betaling” van de dierenarts door de politiezone), wat de verwerende partij er (niettemin) toe heeft gebracht om op 23 januari 2018 in XIV-38.079-18/25 te stemmen met de terugbetaling aan verzoeker van de gemaakte dierenartskosten voor politiehond Viper voor een totaal bedrag van 1.211,47 euro. Voorts blijkt, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, ook uit de nota van de juridische dienst van de federale politie van 13 december 2018 dat medische kosten in beginsel door de overheid ten laste worden genomen, al wordt daarin gewag gemaakt van “normale” dierenartskosten zonder dat het evenwel voor die juridische dienst een uitgemaakte zaak is welke medische kosten kunnen of moeten worden terugbetaald en waarin hoogstens een aantal “aspecten” worden aangereikt waarmee bij de beoordeling rekening kan worden gehouden “indien de verzekeringsmaatschappij niet of slechts gedeeltelijk in de kosten zou tussenkomen”. Bovendien – en anders dan de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert – wordt nergens in dat advies “bevestigd” dat “uitzonderlijke dierenartskosten zoals een operatie” niet door de overheid zouden moeten worden gedragen.
- Tot slot, en daargelaten nog dat die overweging niet uit de bestreden beslissing blijkt, kan de verwerende partij zich te dezen bezwaarlijk beroepen op de op 12 december 2018 – dit is na de bestreden beslissing – verspreide richtlijn ‘schadegevallen met administratief en operationeel aangenomen honden’ waarin (overigens voor het eerst) onderscheid wordt gemaakt tussen schadegevallen “binnen” of “buiten” dienstverband. Daarin kan evenmin een “verfijning” van een eerder standpunt worden gelezen nu het een nieuwe voorwaarde tot terugbetaling van medische kosten betreft, voorwaarde die voorheen in geen enkel stuk, nota of richtlijn - laat staan in de regelgeving -, was opgenomen.
- Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. XIV-38.079-19/25 VII. Vordering tot schadevergoeding tot herstel Uiteenzetting
- Verzoeker vordert in zijn verzoekschrift, wat hij in zijn memorie van wederantwoord herneemt, “een schadevergoeding tot herstel” welke hij “voorlopig begroot op 3.500,00 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de te vernietigen beslissing d.d. 12/12/2018”. Hij argumenteert dat de nietig te verklaren beslissing hem “onherroepelijk morele en materiële schade” heeft bezorgd. Het materiële nadeel slaat op de facturen dewelke niet door de politiezone zijn ten laste genomen voor een (totaal)bedrag van 3.123,56 euro. De morele schade vloeit voort uit “de grote teleurstelling omwille van het feit dat de politiezone haar personeelslid en zijn politiehond in de steek liet terwijl beiden meerdere jaren dagdagelijks actief waren voor de zone”. Bovendien werd verzoeker nooit formeel in kennis gesteld van de bestreden beslissing en diende hij de vakbond in te schakelen met het oog op bijstand. Dit heeft een vertrouwensbreuk veroorzaakt en “heeft gemaakt dat verzoeker vanaf 1 mei 2019 mobiliteit heeft gemaakt naar de politiezone Aalst”. In zijn memorie van wederantwoord verwijst verzoeker nog uitdrukkelijk naar de rechtsgrond voor zijn schedevergoeding tot herstel, met name artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat hij toelicht. Een verzoek tot schadevergoeding tot herstel is, aldus verzoeker, gegrond wanneer er een onwettige handeling is, er een vaststaand nadeel is, en er een oorzakelijk verband tussen beide. “Volledigheidshalve” voegt verzoeker nog toe dat een eventuele navolgende vernietiging van de bestreden beslissing het door verzoeker ingeroepen moreel nadeel dat hij heeft geleden, niet volledig zou kunnen herstellen. De gebeurtenissen dewelke hebben geleden tot een totale vertrouwensbreuk en de grote teleurstelling in hoofde van verzoeker enerzijds, en de uiteindelijke mobiliteit naar de politiezone Aalst anderzijds, staan definitief vast. Deze morele schade kan niet meer worden hersteld door de loutere vernietiging van de bestreden beslissing. Verzoeker begroot deze morele schade in XIV-38.079-20/25 hoofde van verzoeker “forfaitair op 400,00 euro”. Op het aangevoerde verweer als zou de Raad van State onbevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding tot herstel, minstens de ongegrondheid ervan, repliceert verzoeker dat de medische letsels van de politiehond inderdaad werden veroorzaakt door het ongeval doch dat deze medische letsels niet de oorzaak zijn van de concrete materiële schade in hoofde van verzoeker maar wel het krachtens de bestreden beslissing niet-betalen van de bijgebrachte facturen. Het is door de (te vernietigen) weigeringsbeslissing van de verwerende partij dat verzoeker ten persoonlijke titel deze kosten moet dragen hetgeen rechtstreeks de materiële schade veroorzaakte. Het causaal verband tussen de bestreden beslissing en de concrete materiële schade in hoofde van verzoeker staat bijgevolg vast. Betreffende de subsidiaire aard van de bevoegdheid van de Raad van State om een schadevergoeding toe te kennen, verduidelijkt verzoeker dat voorliggende aangelegenheid wel degelijk onder de subsidiaire bevoegdheid van de Raad van State valt aangezien geen ander rechtscollege kennis kon nemen van dit geschil in die zin dat voorliggend beroep wel degelijk een objectief geschil tot voorwerp heeft. De verwerende partij beschikt krachtens een norm van objectief recht over een discretionaire bevoegdheid om de bewuste medische kosten al dan niet ten laste te nemen en zij heeft met de bestreden beslissing haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid geschonden. Wat de beweerde vereiste betreft dat om een ontvankelijk verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen de administratieve overheid een verzoekschrift om vergoeding geheel of gedeeltelijk moet hebben afgewezen of gedurende 60 dagen verzuimd moet hebben om daarop te beschikken, herhaalt verzoeker dat zijn vordering niet is gesteund op artikel 11 doch wel op artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Wat tot slot de ingeroepen exceptie obscuri libelli betreft om reden dat de morele schade niet begroot zou zijn, meent verzoeker dat in ieder geval weinig of geen waarde kan worden gehecht aan het feit dat verzoeker thans voor het eerst zou opwerpen dat er sprake zou zijn van een “grote teleurstelling omwille van het feit dat de politie haar personeelslid en zijn politiehond in de steek liet (…)”. Verzoeker wijst er verder op dat hij duidelijk in het verzoekschrift de morele schade in zijnen hoofde heeft omschreven en vervolgens mee heeft opgenomen in XIV-38.079-21/25 de schadevergoeding voor zowel de materiële schade (concreet begroot op 3.123,56 euro) en de morele schade, samen in zijn verzoekschrift “voorlopig” heeft begroot op 3.500,00 euro. Uit verzoekers memorie van wederantwoord volgt dat hij de schade definitief begroot op “3.423,56 euro ten titel van morele en materiële schade, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf datum van de te vernietigen beslissing d.d. 12/12/2018” waarbij de gevorderde materiële schade 3.123,56 euro beslaat. Wat tot slot de door de verwerende partij aangehaalde klachten, tuchtonderzoeken en tuchtsancties betreft, wijst verzoeker er op dat dergelijke zaken niet relevant zijn in het kader van het voorliggende geschil. Verzoeker kan te dezen niets worden verweten en het feit dat er mogelijks tuchtprecedenten bestaan voor andere dossiers doet hieraan geen afbreuk. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker integraal wat hij in zijn memorie van wederantwoord heeft uiteengezet. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van de vordering tot schadevergoeding tot herstel wat de gevorderde morele schade betreft en oordeelt ze voorbarig wat de gevorderde materiële schade betreft op grond van de volgende overwegingen: “3.
- Opdat de Raad van State verzoeker een schadevergoeding tot herstel kan toekennen ten laste van de steller van de handeling, dient hij aan te tonen dat hij een nadeel heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van het algemeen procedurereglement dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel te verlenen wanneer verzoeker, aantoont dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door hem geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen worden toegekend in XIV-38.079-22/25 zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt onderscheidt ‘de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen’. Het gaat ‘om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak’ (Parl.St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7). 3.
- Verzoeker vordert met zijn verzoekschrift onder andere de nietigverklaring van de beslissing van 11 december 2018 van de PZ VIMA houdende de weigering tot vergoeding van alle dierenartskosten voor het letsel van de Mechelse herder Viper, naar aanleiding van een trainingsongeval op 8 september
- Uit de bespreking van de middelen is komen vast te staan dat voormelde beslissing vernietigd dient te worden, waardoor de verwerende partij zich opnieuw zal moeten uitspreken over de vraag van verzoeker tot tussenkomst in de door hem gemaakte medische kosten en daarbij rekening zal dienen te houden met de overwegingen van het vernietigingsarrest. De verwerende partij zal met andere woorden op dat ogenblik dienen te bekijken hoe zij uitvoering zal geven aan het vernietigingsarrest, en waarbij zij zal kunnen beslissen of zij de gemaakte medische kosten al dan niet volledig zal terugbetalen. Het bedrag waarover het in casu gaat, is identiek aan het bedrag van de materiële schade die verzoeker van de verwerende partij vordert in het kader van zijn vordering tot schadevergoeding tot herstel. Aldus beschouwd is het verzoek tot schadevergoeding van de materiële schade in ieder geval voorbarig. 3.
- Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding tot herstel moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden bestuurshandeling is hersteld. Het komt aan verzoeker toe dat nog niet herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete gegevens aangezien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft (RvS 6 januari 2021, nr. 249.408, XXX). Op dit punt komt verzoeker niet verder dan te stellen dat hij een grote teleurstelling heeft opgelopen en dat een en ander een vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt. Dergelijke elementen zijn echter niet van aard een morele schade te kunnen aanvaarden die nog niet zou zijn hersteld door de morele genoegdoening die een nietigverklaring verschaft. Zoals de verwerende partij trouwens terecht opmerkt, is het een raadsel hoe verzoeker ertoe komt de morele schade te begroten op 376,44 euro. De vordering tot toekenning van een schadevergoeding tot herstel, dient, wat de morele schade betreft, te worden verworpen.” XIV-38.079-23/25
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van de vordering tot schadevergoeding tot herstel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake integraal te hernemen wat hij reeds daarover in zijn verzoekschrift en zijn memorie van wederantwoord heeft uiteengezet. De Raad van State ziet, na eigen onderzoek, geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de vordering tot schadevergoeding tot herstel ongegrond, wat de morele schade betreft. Wat de gevorderde materiële schadevergoeding betreft die samenvalt met het geweigerde bedrag aan medische kosten, dient te worden vastgesteld dat deze te dezen inderdaad voorbarig is nu uit de beoordeling van het derde middel is gebleken dat de bestreden weigeringsbeslissing moet worden vernietigd omwille van een schending van de materiëlemotiveringsplicht, wat inhoudt dat de verwerende partij binnen redelijke termijn haar discretionaire beslissingsbevoegdheid moet hernemen en waarbij zij rekening moet houden met het determinerend vernietigingsmotief dat deelt in het gezag van gewijsde van het te nemen vernietigingsarrest. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 11 december 2018 van het politiecollege van de politiezone Vilvoorde-Machelen houdende de weigering tot vergoeding van alle dierenartskosten voor het letsel van de Mechelse herder Viper naar aanleiding van een trainingsongeval in zijn club op 8 september
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schadevergoeding tot herstel. XIV-38.079-24/25
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.079-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.398 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div