← België

Arrest 254402 - Examens (onderwijs) - 07/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.402 Rolnummer: A. 237118/IX-10095 Zaak: Arrest 254402 - Examens (onderwijs) - 07/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-12 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 07:22 Fiche Arrest nr 254.402 van 7 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.402 van 7 september 2022 in de zaak A. 237.118/IX-10.095 In zake: Milas VAN DE VREUGDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW CHRISTELIJKE SCHOLEN BRILJANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieterjan Osaer kantoor houdend te 3010 Leuven Diestsesteenweg 52/0302 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 augustus 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Heilig Hart van Maria Berlaar van 23 augustus 2022 waarbij aan Milas van de Vreugde een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering TSO, Architecturale vorming KSO, Audiovisuele vorming KSO, Beeldende vorming KSO en Industriële kunst KSO. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.095-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieterjan Osaer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het tweede jaar van de tweede graad sociale en technische wetenschappen (TSO) in de school Heilig Hart van Maria Berlaar, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor sociale wetenschappen (46%), wiskunde (30%), Frans (39%) en integrale opdrachten-presenteren (47%). De delibererende klassenraad beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering TSO, Architecturale vorming KSO, Audiovisuele vorming KSO, Beeldende vorming KSO en Industriële kunst KSO. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: IX-10.095-2/16 “Milas behaalt tekorten op jaarbasis voor de studierichtingsvakken sociale wetenschappen (46%) en IO - presenteren (47%) en op de algemene vakken wiskunde (30%) en Frans (39%). Daarnaast zien we zwakke cijfers voor IO - onderzoeken en IO - organiseren. Voor Frans en wiskunde werd Milas vorig jaar gedelibereerd en kreeg hij een vakantietaak met controletoets. Zowel voor wiskunde als voor Frans slaagde hij niet voor deze vakantietaken. Ook dit jaar behaalde hij voor beide vakken zwakke cijfers over de ganse lijn en merkten we voor wiskunde een negatieve evolutie met uitermate zwakke cijfers in het derde trimester. Aan het einde van vorig schooljaar en ook dit schooljaar werd meermaals gewaarschuwd voor de haalbaarheid van de studierichting sociale en technische wetenschappen. De klassenraad concludeert dat – ondanks de aangeboden remediëring en aanpassingen – er onvoldoende basis is om de derde graad in de geclausuleerde richtingen aan te vatten.” Als advies geeft de klassenraad nog mee: “Milas, je hebt tekorten op jaarbasis voor sociale wetenschappen, wiskunde, Frans en IO presenteren. Daarnaast zien we zwakke cijfers voor IO onderzoeken en organiseren. In het derde jaar werd je reeds gedelibereerd voor Frans en wiskunde. We merken dat je er niet in slaagde om deze vakken positief te doen evolueren dit schooljaar. Bij je laatste evaluatie wiskunde gaf je zelf ook aan dat je de theorie niet verwerkt krijgt en begrijpt, ondanks extra ondersteuning. Je eindigt dit jaar dan ook met een B-attest voor alle richtingen binnen TSO en de wiskundige KSO-richtingen. We raden je aan een BSO-richting te zoeken die aansluit bij je capaciteiten en interesses.” 3.
  5. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
  6. Op 23 augustus 2022 bevestigt de beroepscommissie het B-attest “met de bijhorende clausulering”. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie stelt volgende zaken vast: • Milas heeft een jaartekort voor het studierichtingsvak sociale wetenschappen (46%), op de competentie integrale opdrachten presenteren (47%), alsook voor twee algemene vakken wiskunde (30%) en Frans (39%). IX-10.095-3/16 • De delibererende klassenraad besliste tot een B-attest met clausulering Technisch Secundair Onderwijs, KSO architecturale vorming, KSO audiovisuele vorming, KSO beeldende vorming en KSO industriële kunst. • Voor Frans en wiskunde werd hij ook in 3 STW (2020-2021) gedelibereerd, inclusief vakantietaak, waarbij hij niet slaagde voor de controletoetsen (27% voor wiskunde en 28% voor Frans). • De beroepscommissie stelt vast dat de verschillende klastitularissen en leerkrachten reeds verscheidene jaren de haalbaarheid van de richting in vraag stelden, zoals we lezen in het leerlingendossier: - 2C (2018-2019) – ‘Daardoor twijfelen ze (= de leerkrachten) of het jaar overdoen in 2de jaar STV haalbaar is.’ - 2 STV (2019-2020) – ‘De school opteert voor een overstap naar een andere studieoptie binnen 3 BSO.’ (LVS, 3 september 2019) - 3 STW (2020-2021) – ‘We willen het advies van het rapport van het eerste trimester nog eens herhalen; we vrezen dat deze studierichting op termijn te zwaar zal zijn voor jou, vooral omwille van de tekorten op de algemene vakken wiskunde en Frans’. - 4 STW (2021-2022) – vanaf het eerste rapport luidt het: ‘We herhalen dan ook graag het advies van vorig schooljaar om op zoek te gaan naar een studierichting waar jouw inzet en capaciteiten tot hun recht komen.’ De beroepscommissie constateert met spijt dat deze adviezen systematisch werden genegeerd. • De beroepscommissie betreurt de ontevredenheid van de ouders inzake de aangeboden hulp van het ondersteuningsnetwerk en begrijpt dit ook, doch kan hierover geen uitspraken doen. De commissie stelt evenwel vast, en dat op heel wat plaatsen in het leerlingendossier, dat de school zeer veel begeleidende maatregelen inzette om Milas te ondersteunen, onder meer: - Gebruik van grammaticale schema’s - Gebruik van hulpfiches, van schema’s met regels - Gebruik van formularium voor wiskunde - Gebruik van tafelkaart en omzettingstabellen (wiskunde) - Gebruik van lijst met schooltaalwoorden - Mondelinge toelichting bij grote evaluaties - De mogelijkheid om voor de evaluaties teksten op voorhand te lezen De commissie stelt ook vast dat zowel de leerkracht wiskunde als de leerkracht Frans voor de begeleiding van deze vakken Milas regelmatig aanmoedigden om toetsen verbeterd af te geven (op toetsen genoteerd en op rapporten), waarop weinig tot geen reactie kwam. • De beroepscommissie stelt vast dat de delibererende klassenraad wel degelijk op voldoende wijze prospectief heeft gehandeld bij de clausulering. Met name voor Frans en wiskunde wordt op afdoende wijze aangetoond welke (basis-)leerdoelstellingen niet door Milas worden gehaald, en die nochtans van groot belang zijn om een vijfde jaar TSO in de IX-10.095-4/16 richting gezondheids- en welzijnswetenschappen met succes te doorlopen. De leerkrachten baseren zich hierbij op de leerplannen van de derde graad. Wiskunde - Rekenen met reële getallen (Milas behaalde op dit deel 23%) - Algebraïsche verbanden (Milas behaalde op dit deel 40%) - Reële functies en eerstegraadsfuncties (Milas behaalde op dit deel 21%) Frans Voor elk onderdeel van de taal (kennis, luisteren, spreken, lezen, schrijven) werden onvoldoende doelstellingen behaald. Nochtans gaat men ervan uit dat bij aanvang van de derde graad gezondheids- en welzijnswetenschappen de doelstellingen van de tweede graad (KSO-TSO) bereikt werden (zie leerplan D/2016/13.758/016). Bovendien is er in de derde graad een toenemende moeilijkheidsgraad waarbij de verschillende onderdelen nog meer geïntegreerd worden. Om taaltaken te kunnen uitvoeren, is functionele kennis van woordenschat, taalstructuur en taalinzicht nodig, doch Milas beschikt hierover onvoldoende. Besluit: Na uitvoerige bespreking, eveneens rekening houdend met de elementen die door de vader […] en zijn raadsman […] werden aangebracht, bevestigt de beroepscommissie unaniem de beslissing van de delibererende klassenraad in haar redenering dat de leerdoelen op onvoldoende wijze behaald zijn en handhaaft bijgevolg het B-attest met de bijhorende clausulering.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.095-5/16 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker beroept zich op de vaste rechtspraak van de Raad van State “met name dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd”. Hij stelt ook na “de kennisname van de [bestreden] beslissing […] voldoende diligent gehandeld [te hebben] bij het instellen van huidig schorsingsverzoek”.
  9. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering niet en stelt zich “naar de wijsheid” van de Raad van State te gedragen. Beoordeling
  10. Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat met een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden afgewend. Voorts heeft verzoeker diligent gehandeld doordat hij de vijfde dag nadat de bestreden beslissing hem is betekend, zijn vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft ingesteld. VI. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (hierna: het organisatiebesluit), IX-10.095-6/16 “met een schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel tot gevolg”. Verzoeker wijst erop dat hem een oriënteringsattest B werd toegekend. Dat betekent dat hij het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en dus bekwaam wordt geacht om zijn studies in het volgende leerjaar verder te zetten. Wanneer hem dan de toegang tot welbepaalde studierichtingen wordt ontzegd, moeten de redenen daarvoor kenbaar worden gemaakt. Die motieven moeten de opgelegde clausulering zorgvuldig verantwoorden. In dat verband betoogt verzoeker onder meer dat hij in zijn bezwaar voor de beroepscommissie heeft aangekaart de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’ te willen volgen en dat het hem niet duidelijk is waarom die studierichting uitgesloten is, terwijl hij wel kan starten in het vijfde leerjaar in studierichtingen binnen het KSO “met gelijkaardige of zelfs zwaardere pakketten wiskunde en Frans”. Volgens verzoeker is er dan ook geen sprake van een “pertinente en draagkrachtige motivering die een gedegen antwoord biedt op de cruciale vraag van [verzoeker]”. De beroepscommissie haalt wel aan dat verzoeker een zwakke basis heeft voor wiskunde en Frans, maar net die vakken tellen minder lesuren in de door hem geambieerde studierichting. Aldus maakt de beroepscommissie volgens hem niet aannemelijk dat hij in die studierichting geen redelijke kans op slagen zou hebben. Als verzoeker bekwaam geacht wordt bepaalde richtingen in het KSO te kunnen aanvatten, dan moet dat volgens hem ook gelden voor de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’, die zelfs minder uren wiskunde telt dan sommige studierichtingen in het KSO. 9.
  12. In haar nota, in antwoord op de vraag van verzoeker welke de “motieven […] zijn die aantonen dat de kansen van [verzoeker] om te slagen in het volgende leerjaar Gezondheids- en gezinswetenschappen onbestaand [zijn]”, alsook dat “[v]an enige pertinente en draagkrachtige motivering die een gedegen IX-10.095-7/16 antwoord biedt op d[i]e cruciale vraag […] geen sprake is”, stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissing wel een doorgedreven motivering bevat, zowel vanuit formeel als vanuit materieel oogpunt. Zij licht dit toe als volgt: “De beroepscommissie heeft […] in haar motivering verwezen naar de concrete resultaten (tekorten) van verzoekende partij voor wiskunde en Frans (deze resultaten worden door verzoekende partij ook niet betwist). Daarbij heeft de beroepscommissie met grote omzichtigheid, omstandig en precies, aan de hand van eindtermen en leerplannen […] gerelateerd aan de concreet behaalde (deel)resultaten van verzoekende partij voor Frans en wiskunde […], gemotiveerd waarom de behaalde resultaten toch de kansen van verzoekende partij determineren voor het verwerven van de voor volgend jaar vereiste kennis en kunde voor die vakken in de richtingen of onderwijsvormen die de beroepscommissie (in bevestiging van de delibererende klassenraad) clausuleert, waaronder óók TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’. De beroepscommissie heeft daarbij ook uitdrukkelijk geantwoord op de specifieke vraag van verzoekende partij om hem niet te clausuleren voor de TSO richting ‘Gezondheids- en welzijnswetenschappen’ […]. Het argument dat de beroepscommissie zou hebben nagelaten haar beslissing afdoende te motiveren of heeft nagelaten een prospectief onderzoek te voeren, mist bijgevolg feitelijke grondslag.” 9.
  13. In zoverre verzoeker beweert dat de beroepscommissie volledig het aspect negeert dat de vakken waarop verzoeker tekorten behaalde enorm aan belang en uren inboeten in de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’ en dat het feit dat “Sociale Wetenschappen” en “IO competenties” daarin volledig wegvallen, zelfs onbesproken blijft, stelt de verwerende partij dat de beroepscommissie wel afdoende heeft aangegeven dat de clausulering, ook voor de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’, haar motivering vindt in de onvoldoende basis die verzoeker op het moment van de deliberatie heeft voor wiskunde en Frans en dit gelet op de leerplannen. Het feit dat verzoeker in het schooljaar 2021-2022 daarnaast ook niet geslaagd was voor “Sociale Wetenschappen” en “I.O. presenteren”, maar dat hij deze vakken in de toekomst niet meer zal hebben in de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’ en daardoor mogelijk meer tijd zou IX-10.095-8/16 krijgen voor Frans en wiskunde, vermag volgens de verwerende partij niet te verhelpen dat zijn actuele basiskennis van Frans en wiskunde onvoldoende is om door te stromen binnen een TSO-richting. Volgens de verwerende partij kan van de beroepscommissie niet worden verwacht dat zij hierover nog bijkomend “in niet te verifiëren hypotheses” standpunt inneemt. 9.
  14. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing onbegrijpelijk en kennelijk onredelijk is “omdat de clausulering wel richtingen in het KSO openlaat met 3 of 2 uren wiskunde en 2 uren Frans […]. Waarom [verzoeker] wel kansen op slagen zou hebben in deze KSO richtingen (waar het leerplan in bepaalde gevallen veeleisender is dan in het TSO)”, benadrukt de verwerende partij dat verzoeker in zijn intern beroep steeds uitdrukkelijk heeft verzocht om niet te clausuleren voor de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’. Zij licht dit toe als volgt: “
  15. Verzoeker heeft in de loop van de georganiseerde bezwaarprocedure – en overigens opnieuw in de […] schorsingsprocedure – te kennen gegeven dat het zijn specifieke wens is dat hij zijn schoolcarrière wenst voort te zetten in het eerste jaar van de derde graad TSO, richting Gezondheids- en welzijnswetenschappen, en hij heeft de beroepscommissie gevraagd hiermee rekening te houden bij de op te leggen clausulering. Verzoeker heeft hiermee zelf de grenzen van zijn belang bij het beroep bepaald, namelijk streeft hij een attest na dat géén clausulering bevat voor die welbepaalde richting TSO Gezondheids- en welzijnswetenschappen. […]
  16. Verwerende partij verwijst naar de motivering van [de] beroepscommissie […]. De Beroepscommissie heeft uitdrukkelijk geantwoord op de concrete vraag van verzoeker en formeel en materieel gemotiveerd waarom zij de clausulering óók voor ‘Gezondheids- en welzijnswetenschappen’ bevestigt.
  17. De verwijzing van verzoeker tijdens de interne beroepsprocedure naar de niet clausulering voor bepaalde KSO richtingen werd door verzoekende partij trouwens enkel opgeworpen om te argumenteren dat hij daarom toch ook niet geclausuleerd zou moeten worden voor de TSO richting ‘Gezondheids- en welzijnswetenschappen’. IX-10.095-9/16 De beroepscommissie heeft echter uitdrukkelijk formeel en materieel gemotiveerd waarom zij de clausulering voor ‘Gezondheids- en welzijnswetenschappen’ wel degelijk weerhoudt.
  18. De beroepscommissie had geen enkele reden om nog bijkomend standpunt in te nemen omtrent de niet clausulering voor bepaalde KSO richtingen, tenzij zij de bedoeling had om het B-attest van verzoeker nog strenger te clausuleren dan de delibererende klassenraad deed, quod non. Het valt daarom ook niet in te zien welk belang verzoeker erbij heeft het feit dat hij niet geclausuleerd werd voor een aantal KSO richtingen in vraag te stellen. Zeker nu verzoeker zelf in zijn verzoekschrift voor Uw Raad aangeeft ‘niet gebaat te zijn bij een strengere clausulering’. De grenzen van zijn belang bij de beroepsprocedure die verzoekende partij zelf bepaald heeft, heeft dan ook als gevolg dat de beroepscommissie ook enkel moet antwoorden op de grieven die samenhangen met de door verzoeker specifiek bestreden clausulering TSO ‘Gezondheids- en welzijnswetenschappen’ en dat andere motieven overtollig zijn in die zin dat, zelfs al ware ze onregelmatig, die vaststelling niet van aard lijkt om verzoekers belang te dienen en een schorsing te verantwoorden. […]
  19. Noch de uitdrukkelijke motiveringswet, noch de formele motiveringsplicht vermeld in artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs legt aan de beroepscommissie de verplichting op alle grieven opgeworpen door de leerling afzonderlijk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen indien in de beslissing de motieven opgenomen worden die de beslissing kunnen dragen.” Beoordeling
  20. Verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Hij bestrijdt niet het feit dát hem een oriënteringsattest B werd toegekend. Verzoeker bekritiseert alleen de omvang van de daarmee gepaard gaande clausulering. Hij heeft namelijk de wens geuit om in de derde graad de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’ te volgen, terwijl de bestreden beslissing hem de toegang daartoe ontzegt. 11.
  21. Een oriënteringsattest B betekent, luidens artikel 39 van het organisatiebesluit, dat de leerling voor het betrokken leerjaar geslaagd is of, meer precies, “dat de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd in de school in kwestie en bijgevolg tot het volgende leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen of onderverdelingen”. Artikel 38, 1°, van hetzelfde IX-10.095-10/16 besluit preciseert dat een leerling “met vrucht” het tweede leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. De definitie van een oriënteringsattest B doet vooralsnog aannemen dat de jaartekorten die verzoeker heeft behaald, geen reden zijn om hem als niet-geslaagd voor het betrokken leerjaar te beschouwen. Het doet ook aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht om zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot welbepaalde richtingen of zelfs een ganse onderwijsvorm moet worden ontzegd. Het aanvechten van het oriënteringsattest B in het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht met andere woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in dit attest zorgvuldig te verantwoorden. Dat laatste geldt des te meer wanneer de leerling te kennen geeft dat hij een welbepaalde richting ambieert en daaromtrent specifieke kritieken doet gelden. 11.
  22. Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie daarom een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, hij heeft de leerplandoelstellingen van dat leerjaar alles bij elkaar “in voldoende mate” bereikt en hij wordt geacht zijn studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel substitueert de beroepscommissie zich als het ware aan de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de – in casu meerderjarige – leerling. Een beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten aan de leerling een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs IX-10.095-11/16 een formele waarschuwing, of zij kan vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een oriënteringsattest B toekent evenwel, verkiest in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. Zo een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een oriënteringsattest B uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een beroepscommissie die haar noodzakelijk ook deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt – zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
  23. Terwijl de objectieve gegevens van het leerlingendossier, in voorkomend geval aangevuld middels de eigen onderzoeksmogelijkheden waarover de commissie beschikt, de materiële grondslag moeten vormen waarop de beroepscommissie haar overtuiging steunt – namelijk dat de betrokken leerling geen redelijke slaagkansen heeft in welbepaalde richtingen – dient de commissie die overtuiging ook uitdrukkelijk te motiveren. Daarbij komt nog, aangezien de leerling gebruikmaakt van de door de decreetgever verleende verhaalmogelijkheid en hij aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, dat de formelemotiveringsplicht ten volle betekenis krijgt omdat de beroepscommissie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze moet beantwoorden. Daarmee is niet gezegd dat de beroepscommissie noodzakelijk op elke grief apart moet antwoorden. Wel is vereist dat de formele motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt IX-10.095-12/16 waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Maar wat de commissie zeker niet mag doen, is de argumenten zonder meer terzijde laten. 13.
  24. Het voorgaande, toegepast op de thans bestreden beslissing, leert op het eerste gezicht wat volgt. 13.
  25. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie onder meer aangevoerd dat hij “wordt uitgesloten voor alle TSO richtingen, terwijl hij wel zou toegelaten worden voor de KSO richtingen met 2u wiskunde”, dat “[i]n overleg met het CLB en het ondersteuningsteam AntwerpenPlus, werd […] voorgesteld om de richting ‘TSO gezondheids en gezinswetenschappen (2u wiskunde)’ te volgen”, dat dit voor hem “onduidelijk” bleef en de directeur daaromtrent “geen verdere verklarende toevoegingen” had. Daarop wordt in de bestreden beslissing geantwoord dat “[m]et name voor Frans en wiskunde […] op afdoende wijze [wordt] aangetoond welke (basis-)leerdoelstellingen niet door [verzoeker] worden gehaald, en die nochtans van groot belang zijn om een vijfde jaar TSO in de richting gezondheids- en welzijnswetenschappen met succes te doorlopen”, waarbij de leerkrachten zich zouden gebaseerd hebben “op de leerplannen van de derde graad”. Het valt daarbij vooreerst op dat de onvoldoendes die verzoeker behaalde voor de vakken sociale wetenschappen en integrale opdrachten-presenteren, door de beroepscommissie niet meer ter sprake worden gebracht. Er dient dan ook op het eerste gezicht te worden aangenomen dat de clausulering voor de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’ geen steun vindt in die onvoldoendes, maar alleen terug te voeren is op de jaartekorten voor wiskunde en Frans. IX-10.095-13/16 13.3.
  26. De beroepscommissie lijkt voor haar oordeel in verband met de clausulering voor de door verzoeker geambieerde studierichting vooral te steunen op twee documenten – die zijn opgenomen in het administratief dossier van de verwerende partij – en waarin in het ene document een toelichting wordt gegeven over de leerplandoelstellingen voor het vak wiskunde en in het andere document voor het vak Frans. 13.3.
  27. Voor wiskunde wordt eerst een overzicht gegeven van de leerplandoelstellingen van de tweede graad sociale en technische wetenschappen en vervolgens van de leerplandoelstellingen van de derde graad voor de richtingen met twee lestijden wiskunde. Er wordt aan toegevoegd dat “[n]iet elk onderwerp […] in elke richting [wordt] behandeld, dit is afhankelijk van het aantal uren”. Daarna worden de onderwerpen opgesomd waarbij wordt “uit[ge]gaan van het minimale”, met telkens het cijfer dat verzoeker behaalde op dat onderdeel in de tweede graad. Er wordt niet betwist dat de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’ twee lestijden wiskunde bevat. Het sub 13.3.1 vermelde document voor wiskunde refereert echter op geen enkele wijze aan de studierichting TSO ‘gezondheids- en welzijnswetenschappen’. Noch wordt daarbij duidelijk gemaakt waarom die studierichting wél moet worden uitgesloten voor verzoeker en waarom men er geen graten in ziet om verzoeker toegang te verlenen tot studierichtingen in het KSO met evenveel lestijden wiskunde. Daarop komt evenmin een antwoord in de bestreden beslissing. Nochtans was dat de uitdrukkelijke vraag van verzoeker. Een en ander klemt des te meer nu het leerplan voor de derde graad voor wiskunde (twee uren) dat door de verwerende partij wordt voorgebracht, zowel geldt voor het TSO als het KSO. IX-10.095-14/16 13.3.
  28. Voor Frans wordt een overzicht geboden van de leerplandoelstelling en leerlijnen in de tweede en derde graad voor luisteren, lezen, spreken, schrijven en kennis. Over verzoeker wordt gesteld dat hij “zeer weinig inzicht [heeft] in de taalstructuur”, dat er “onvoldoende basis aanwezig [is] om nieuwe leerstof aan op te hangen” en dat “[m]et het oog op de toenemende moeilijkheidsgraad en de openheid van de taaltaken in de derde graad […] er geen slaagkansen [zijn]”. Daarmee lijkt de auteur van het sub 13.3.1 vermelde document te willen aangeven dat er voor verzoeker in geen enkele studierichting van de derde graad in het TSO én in het KSO slaagkansen zijn voor Frans. Dat is evenwel niet de strekking van de bestreden beslissing, want deze laat wel bepaalde studierichtingen in het KSO toe waarop hetzelfde leerplan van toepassing is. Bovendien is het op het eerste gezicht niet de slaagkans per vak afzonderlijk die moet worden geëvalueerd, maar wel de globale slaagkans van de leerling in een welbepaalde studierichting. 13.
  29. Anders dan de verwerende partij het ziet, stelt verzoeker niet in vraag waarom hij niet werd geclausuleerd voor bepaalde studierichtingen in het KSO. Wel vraagt hij zich af waarom hij wél werd geclausuleerd voor één welbepaalde studierichting in het TSO, terwijl studierichtingen in het KSO wél worden toegelaten waarvoor eenzelfde leerplan geldt. 13.
  30. Op het eerste gezicht moet dan ook worden vastgesteld dat de beroepscommissie geen afdoende antwoord heeft geboden op de voormelde grief van verzoeker en dat de commissie evenmin de vereiste zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd bij de motivering van die specifieke clausulering. IX-10.095-15/16
  31. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel in de aangegeven mate ernstig is.
  32. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het Heilig Hart van Maria Berlaar van 23 augustus 2022 waarbij aan Milas van de Vreugde een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering TSO, Architecturale vorming KSO, Audiovisuele vorming KSO, Beeldende vorming KSO en Industriële kunst KSO. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.095-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.402 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.