← België

Arrest 254404 - Niet begeleide minderjarigen - 08/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.404 Rolnummer: A. 235269/VII-41384 Zaak: Arrest 254404 - Niet begeleide minderjarigen - 08/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-15 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:23 Fiche Arrest nr 254.404 van 8 september 2022 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.404 van 8 september 2022 in de zaak A. 235.269/VII-41.384 In zake: Shawkat MAMOND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Vandenbroucke en Hannelore Bourry kantoor houdend te 8940 Wervik Steenakker 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 6 december 2021 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 27 augustus 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als jonger dan 18 jaar en dat verzoeker een voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.384-1/12 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 9 mei 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 23 juni
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 26 juni 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 5 juni
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. VII-41.384-2/12 Op vraag van de dienst Voogdij ondergaat verzoeker op 18 augustus 2021 in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 18-08-2021 een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maanden, dwz dat het onmogelijk is exact te bepalen of hij ouder dan wel jonger is dan 18 jaar”. Op 27 augustus beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als jonger dan 18 jaar en dat verzoeker een voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing, die onder meer de volgende motivering bevat: “Bij jou toont het medisch onderzoek wel aan dat jouw jongste leeftijd 17 jaar en 6 maanden is en volgens jouw verklaring ben je bijna 16 jaar en 3 maanden. Er is een verschil van meer dan één jaar wat te groot is. Bovendien heb je geen authentiek document om je leeftijd te bewijzen. We baseren ons op de resultaat van de medische test. Om te weten wanneer jouw voogdij eindigt, geven wij jou een geboortedatum op basis van de jongste leeftijd van de medische test, namelijk 17 februari 2004.” 3.
  7. Op 30 september 2021 beslist de dienst Voogdij tot aanwijzing van T.S. als voogd van verzoeker, waarbij het voogdijschap “begint te lopen vanaf 30 september 2021 en […] ten laatste [zal] beëindigd worden op 17 februari 2022”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van de artikelen 3, § 2, eerste lid, 6, § 2, 1°, en 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) en van artikel 3 VII-41.384-3/12 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003). Hij licht dit als volgt toe: “De uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenselijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De motivering van de bestreden beslissing bevat geen informatie over de aard van het onderzoek dat hij onderging. Artikel 3§2, eerste lid,2° van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ bepaalt [dat] de Dienst Voogdij o.a. belast is met volgende taak: 2° overgaan tot identificatie van de niet-begeleide minderjarigen en, indien de staat van minderjarigheid wordt aangevochten, de leeftijd laten nagaan door middel van een medisch onderzoek, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 7; Artikel 7 §1van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ bepaalt: Wanneer de dienst Voogdij of de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering twijfel koesteren omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, laat de dienst Voogdij onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. De bevoegdheid van de Dienst Voogdij strekt zich niet uit tot het vaststellen van een nieuwe geboortedatum van de vreemdeling, anders dan wat hij verklaarde. Dit blijkt uit artikel 6, §2, 1° van de Voogdijwet en artikel 3 van het KB tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de Voogdijwet. Door te oordelen de verklaarde leeftijd niet in overweging te kunnen nemen, en te bepalen dat de verzoeker een leeftijd heeft van 18 jaar met een standaarddeviatie van 6 maand, kent de bestreden beslissing verzoeker impliciet maar zeker een andere, fictieve geboortedatum toe. Op die manier overschrijdt de Dienst Voogdij zijn bevoegdheid tot identificatie en verificatie van de verklaarde leeftijd van verzoeker. Verzoeker dient vast te stellen dat door de Dienst Voogdij geen medisch onderzoek werd uitgevoerd. De schending van artikel 7 §1 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ staat dan ook vast. Uit de best[r]eden beslissing kan geenszins afgeleid worden op welke wijze en op grond waarvan besloten kon worden dat verzoeker bovenvermelde leeftijd heeft. Op medisch vlak bestaan er (in theorie) diverse methodes om de leeftijd van een bepaalde persoon te onderzoeken. Een van de oudste methodes betreft het VII-41.384-4/12 leeftijdsonderzoek via een röntgenfoto van de linker hand en de pols, op basis waarvan, aan de hand van de atlas van Greulich en Pyl, iemands zogenaamde skeletleeftijd wordt vastgesteld (de rijping of volgroeiing van het skelet), waaruit men vervolgens de reële (of zogeheten chronologische) leeftijd van de betrokkene inschat. Nauw hiermee verwant zijn de medische testen waarmee iemands (skelet)leeftijd wordt nagetrokken via een onderzoek van de gebitsontwikkeling (volgroeiing van de wijsheidstanden). Andere leeftijdsonderzoeken zijn veeleer gericht op de externe kenmerken van de lichaamsbouw in het algemeen of op de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Er zijn ook sociaalpedagogische leeftijdsonderzoeken, waarbij hoofdzakelijk via vraag- gesprekken, gepeild wordt naar het intellectuele ontwikkelingsniveau, evenals de psychologische en emotionele maturiteit van een persoon. Verzoeker heeft minstens het recht te weten aan welke onderzoeken hij onderworpen werd en welke methode hiervoor werd aangewend. Bovendien wijst verzoeker erop dat er in de medische wereld heel wat bezwaren worden geuit bij het gebruik van de verschillende methodes om de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige te bepalen. Vooreerst dient erop gewezen te worden dat de leeftijdsonderzoeken geenszins ontwikkeld werden met de bedoeling om de reële leeftijd van een bepaalde persoon zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen. Bovendien dient er rekening gehouden te worden met een grote foutenmarge. Heel wat leeftijdsonderzoeken zijn geschraagd op onderzoeksgegevens vaak tientallen jaren geleden. Sindsdien verloopt de lichaamsontwikkeling van jongeren in het algemeen echter in een verhoogd tempo. Specifiek naar niet-begeleide minderjarige vreemdelingen toe stelt zich bovendien het probleem dat de ontwikkeling van de botstructuur mede afhangt van factoren die verband houden met de levenswijze, de voedingsgewoonten en vooral de etnische afkomst. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het gebit. Aangezien omzeggens alle medische leeftijdsonderzoeken (op basis van fysieke lichaamskenmerken) stoelen op onderzoeksgegevens omtrent de lichaamsontwikkeling van blanke Amerikaanse of Engelse jongeren uit de middenklasse en de biologische ontwikkeling van met name negroïde jongeren gemiddeld een sneller verloop kent, is het risico reëel dat men de leeftijd op basis van de thans gehanteerde onderzoeksgegevens onnauwkeurig vaststelt. Bijkomen zouden de (fysieke) leeftijdsonderzoeken in onvoldoende mate rekening houden met groeistoringen op grond van ondervoeding, of ziekte, of nog met het verrichten van zware (fysieke) arbeid en de invloed daarvan op de lichaamsontwikkeling. De onderzoeksmethode houdt tevens onvoldoende rekening met de specifieke achtergrond van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, wordt ook geuit ten overstaan van het zogenaamd sociaal-pedagogische leeftijdsonderzoek. Dergelijk onderzoek vereist allereerst en in nog sterkere mate dan hij lichamelijke leeftijdstesten, een kwaliteitsvolle communicatie tussen de onderzoeker en de betrokken minderjarige, hetgeen bij niet-begeleide buitenlandse minderjarige er niet is. Verzoeker stelt zich dan ook terecht de vraag hoe de verwerende partij zich kan baseren op leeftijdsonderzoeken waarvan de betrouwbaarheid door de medische wereld zelf in vraag wordt gesteld. Verzoeker wijst er tenslotte op dat het medisch verslag niet werd gevoegd met de beslissing. Verzoeker kan onmogelijk achterhalen op welke manier de aangestelde dienst(en) tot hun conclusie zijn gekomen. De schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen staat dan ook vast. De redenen die worden aangegeven zijn noch voldoende noch afdoende VII-41.384-5/12 gemotiveerd zodat er dient besloten te worden dat de beslissing de motiveringsplicht geschonden heeft.” Beoordeling
  9. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Overigens bevindt het verslag van het medisch onderzoek, waarin wordt aangegeven welke onderzoeken zijn uitgevoerd en welke deviatiemarge wordt gehanteerd, zich in het administratief dossier. Verzoeker toont niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen.
  10. Verzoekers kritiek dat hem met de bestreden beslissing “een andere, fictieve geboortedatum” wordt toegekend waardoor de dienst Voogdij zijn bevoegdheid zou overschrijden, mist feitelijke grondslag. Met de bestreden beslissing wordt immers enkel bepaald dat de medische test aantoont dat verzoeker “jonger dan 18 jaar” is en dat hij een voogd zal krijgen. Concreet bestaat het besluit van het medisch leeftijdsonderzoek hierin dat verzoekers leeftijd op 18 augustus 2021 18 jaar is waarbij wegens het benaderend karakter van de leeftijdsschatting echter rekening moet worden gehouden met een deviatiemarge van 6 maanden, zodat verzoekers leeftijd op die datum ook 17 jaar en 6 maanden kon bedragen. In het licht hiervan heeft de verwerende partij dus noch de in het middel aangehaalde bepalingen van de voogdijwet noch artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden door verzoekers leeftijd te schatten op minder dan 18 jaar en hem een voogd toe te kennen. VII-41.384-6/12 Wat nu de situatie betreft waarin de leeftijd bij het medisch onderzoek wordt geschat tussen 17,5 en 18,5 jaar, zoals in casu het geval is, werd in de verantwoording bij het amendement dat tot de voogdijwet heeft geleid het volgende toegelicht: “In de praktijk blijkt dat de geneesheren die bij de vaststelling van de leeftijd de medische tests uitvoeren rekening houden met een foutmarge (zo wordt b.v. gezegd dat betrokkene tussen 16 en 17 jaar oud is, of dat hij tussen 17,5 en 18,5 jaar oud is). Het spreekt voor zich dat wanneer een dergelijke leeftijdsmarge wordt voorgesteld, het vanuit uit een bezorgdheid om de bescherming van deze categorie van bijzonder kwetsbare personen is aangewezen om de voor het kind meest gunstige leeftijd in acht te nemen, zijnde de laagste leeftijd. Wanneer er twijfel bestaat over het resultaat van de medische test wordt de laagste leeftijd in acht genomen.” (Parl. St. Kamer, DOC 50 2124/28, 43) In overeenstemming hiermee wordt in de bestreden beslissing de jongste leeftijd van 17,5 jaar in acht genomen. Naar luid van artikel 24, § 3, van de voogdijwet “stelt de dienst Voogdij het einde van de voogdij vast en brengt de voogd, de gewezen pupil, de vrederechter, en indien grond daartoe staat, de overheden met welke de voogd contact had in verband met de betrokken minderjarige hiervan per brief op de hoogte”. Net om het einde van de voogdij te kunnen vaststellen, kon de dienst Voogdij derhalve zonder zijn bevoegdheid te overschrijden in de bestreden beslissing verwijzen naar een geboortedatum “om te weten wanneer jouw voogdij eindigt”.
  11. Verzoeker weidt verder uit over de (on)betrouwbaarheid van het medisch onderzoek en de kritiek erop vanuit de medische wereld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Het medisch onderzoek is door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. VII-41.384-7/12 Verzoeker beperkt zich tot vage kritiek omtrent de betrouwbaarheid van dergelijk medisch onderzoek zonder evenwel in te gaan op de concrete vaststellingen van dat onderzoek. Hij toont derhalve geen schending aan van artikel 7, § 1, van de voogdijwet doordat de bestreden beslissing is gesteund op het resultaat van dergelijk onderzoek.
  12. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  13. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 2, tweede lid, van de voogdijwet en van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hij licht dit als volgt toe: “Verzoeker is de mening toegedaan dat er in casu sprake is van een schending van artikel 2, §2 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  14. Dit artikel bepaalt: ‘Bij iedere beslissing die op de minderjarige betrekking heeft, vormen zijn belangen de eerste overweging’. Door de beslissing van de Dienst Voogdij wordt verzoeker ouder aangezien dan hij in werkelijk[heid] is. De bestreden beslissing heeft dan ook verstrekkende gevolgen. Verzoeker heeft in België asiel aangevraagd. De taak van de aangestelde voogd zal evenwel vroegtijdig worden beëindigd. Dit betekent dat deze voor verzoeker zijn wettelijke taak slechts voor korte periode kan uitoefenen. Zo wordt verzoeker o.a. niet meer bijgestaan in de zoektocht naar elementen die zijn minderjarigheid zouden kunnen bewijzen. Er zal er niet voor gezorgd worden dat verzoeker een adequate opvang krijgt, hangende de asielprocedure of mogelijk ook daar na nog. Voor de ontwikkeling van verzoeker is het vereist dat zij wel degelijk de nodige bijstand krijgt die de wet voor niet-begeleide minderjarigen voorziet. Het gebrek aan bijstand heeft voor verzoeker dus ernstige gevolgen en gaat in tegen zijn belangen. Op deze wijze wordt de ontwikkeling een halt toegeroepen en de rechten van verzoeker definitief geschonden. In dit kader dient voormelde Omzendbrief nogmaals aangehaald te worden, in de mate dat deze stelt dat ‘het fundamenteel principe van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind (I.V.R.K.) van 20 november 1989 is dat voor alle beslissingen met betrekking tot kinderen, van welke instantie zij ook VII-41.384-8/12 mogen uitgaan, het hoger belang van het kind de eerste overweging vormt.’ Het is duidelijk dat de rechten van de minderjarige niet als doorslaggevende leidraad hebben gediend in de besluitvorming van de Dienst Voogdij. Dit maakt een schending uit van de internationaalrechtelijke regels, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind, die hun neerslag vinden in voormelde Programmawet in haar artikel 479-2, §2 volgens hetwelk ‘bij iedere beslissing die op de minderjarige betrekking heeft, vormen zijn belangen de eerste overweging’. Art. 3 I.V.R.K. bepaalt : Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. De schending van een internationaalrechtelijke regel is een grond tot nietigverklaring.” Beoordeling
  15. Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind in het Belgische recht, blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoeker een voogd toegewezen krijgt zolang hij de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt. Verzoekers kritiek is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Net omwille van die aanstelling van een voogd blijkt ook geen schending van artikel 2, tweede lid, van de voogdijwet.
  16. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  17. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 27 en 34 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Hij licht dit als volgt toe: VII-41.384-9/12 “Overeenkomstig art. 34 Wetboek IPR wordt de staat van de persoon beheerst door het recht van de staat waarvan deze persoon de nationaliteit heeft. Gezien verzoeker Afghaan is, dient Afghaans recht worden toegepast. Verzoeker wijst erop dat hij een kopie van zijn Taskara, zijnde een Afghaans identiteitsbewijs in zijn bezit heeft. De originele stukken zouden met de post worden overgemaakt. De post heeft België nooit bereikt. De machtsovername door de taliban heeft ervoor gezorgd dat de poststukken Afghanistan nooit hebben verlaten. Minstens dient de situatie in Afghanistan aangezien te worden als een overmachtssituatie waardoor het verzoeker onmogelijk was om zijn originele documenten over te laten brengen naar België. Overeenkomstig art. 27 Wetboek IPR dient aan dit stuk bewijswaarde te worden toegekend. Bovendien dient vastgesteld te worden dat door verwerende partij met betrekking tot deze documenten in haar bestreden beslissing niets stelt. Verzoeker mag er in deze dan ook van uitgaan dat zijn taskara niet alleen bewijswaarde bezit maar tevens primeert boven een leeftijdsonderzoek. Bovendien dient vastgesteld te worden dat de verwerende partij in haar bestreden beslissing totaal niet motiveert waarom er met deze taskara geen rekening zou gehouden kunnen worden. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De motivering van de bestreden beslissing bevat geen informatie over de reden waarom er geen rekening kon gehouden worden met de voorgelegde Taskara.” Beoordeling
  18. In het administratief dossier bevindt zich geen kopie noch een verwijzing naar een (kopie van een) taskara die verzoeker zou hebben overgelegd, waarover hij zou beschikken of waarnaar hij zou hebben verwezen. De verwerende partij ontkent ook dat zij kennis had van dergelijk stuk. Bijgevolg blijkt uit geen enkel element dat de verwerende partij kon of moest rekening houden met verzoekers taskara. Daarenboven is de dienst Voogdij er niet toe gehouden een (kopie van een) taskara te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. VII-41.384-10/12
  19. Het derde middel is ongegrond V. Over de vordering tot schorsing
  20. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep.
  22. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  23. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.384-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.384-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.