id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.471 Rolnummer: A. 237158/IX-10099 Zaak: Arrest 254471 - Examens (onderwijs) - 13/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-13 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:24 Fiche Arrest nr 254.471 van 13 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.471 van 13 september 2022 in de zaak A. 237.158/IX-10.099 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Fluxus bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ineke Michielsen en Elise Bens kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 2 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep Fluxus van het Gemeenschapsonderwijs van 19 augustus 2022 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.099-1/19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op vrijdag 9 september 2022, om 10.30 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ineke Michielsen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het derde leerjaar van de derde graad in de studierichting industriële elektriciteit in het Atheneum Lier, campus Louis Zimmer, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep Fluxus van het Gemeenschapsonderwijs. 3.
- Op 28 januari 2022 sluit de school met verzoeker, die meerderjarig is, een ‘overeenkomst individueel traject’ met de volgende “[s]pecifieke verplichtingen” voor verzoeker: “1) Je werkt 3 dagen per week thuis zelfstandig (16 lesuren) aan de leerplandoelstellingen voor Engels, levensbeschouwing, lichamelijke opvoeding en PAV. Vragen of onduidelijkheden over de te verwerken leerstof bespreek je tijdens je maandelijkse afspraak met je trajectbegeleider. Je legt aan het einde van het schooljaar een evaluatiemoment af voor alle vakken (examen of proefstuk); IX-10.099-2/19 2) alle theoretische ondersteuning vind je bij de respectievelijke vakken op Smartschool. In de uploadzone van het nieuwe vak ‘Alternatief traject 7IE’ vind je alle informatie over je traject terug. Hier load je alle materiaal, oefeningen, voorbereiding die je tijdens het traject maakt op. Plagiaat of samenwerken met andere leerlingen is niet toegestaan; 3) je gaat […] op stage (max. 19 uren) ter vervanging van de praktijklessen en verwerft de nodige praktische leerplandoelstellingen. Je volgt consequent de richtlijnen van de stagegever op. Het stagereglement is van toepassing; 4) je werkt een alternatieve GIP uit volgens de richtlijnen. De opdracht van deze alternatieve GIP zal door je stagementor opgegeven worden; 5) je hebt maandelijks een overlegmoment met je trajectbegeleider [A.V.] (te bereiken via Smartschool, […] of [telefoon]). Tijdens dit overlegmoment leg je je trajectagenda, stageboekje en GIP voor. Deze zijn steeds volledig ingevuld en ondertekend. Je aanwezigheid is verplicht; 6) je bent in orde met alle bijhorende administratieve verplichtingen en voert tijdens de lesuren geen andere activiteiten uit; 7) Afwezigheden op de stageplaats meld je voor 8u ’s morgens aan de stagementor en de school. Deze dienen later ingehaald te worden. Dit contract wordt opgesteld als richtlijn voor een alternatief leertraject met het oog op het behalen van het diploma secundair onderwijs. Zowel leerling als school verbinden zich ertoe duidelijk te communiceren over de voorwaarden en verwachtingen van dit leertraject en bezorgen op regelmatige basis feedback over de evolutie ervan.” Daaraan wordt nog toegevoegd dat “wordt overeengekomen dat bij niet-naleving van de […] vermelde specifieke verplichtingen: - de betrokken leerling(e) onmiddellijk kan geschorst worden. - Campus Louis Zimmer de officiële tuchtprocedure kan aanvatten tot definitieve uitsluiting uit de school”. 3.
- Op het einde van het schooljaar vallen er jaartekorten op te tekenen voor Engels (44%) en bedrijfsgerichte vorming (20%). De ‘globale beoordeling’ van de geïntegreerde proef (hierna: GIP) luidt ‘onvoldoende’, met telkens de beoordeling ‘onvoldoende’ voor de onderdelen ‘productevaluatie buitenschoolse juryleden’, ‘productevaluatie schoolse juryleden’, ‘voorstelling eindwerk’ en ‘voorbereiding op het beroepsleven’. IX-10.099-3/19 De delibererende klassenraad kent op 30 juni 2022 aan verzoeker een oriënteringsattest C toe met als motivering: “Voor volgende vakken behaalde je de leerplandoelstellingen niet: Engels GIP-verdediging Elektriciteit Stage.” Het advies van de klassenraad luidt: “We hebben een positieve trend vastgesteld voor het vak PAV naar het einde van het schooljaar toe. Jammer dat je die lijn niet hebt kunnen doortrekken naar het totaaltraject. We raden je aan op de arbeidsmarkt op zoek te gaan naar een sector/domein die beter aansluit bij jouw capaciteiten/interesses.” 3.
- Overleg met de directeur resulteert in een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. Op 6 juli 2022 wordt aan verzoeker meegedeeld wat volgt: “U haalde volgende argumenten aan:
- Het cijfer voor bedrijfsgerichte vorming kan niet in rekening worden genomen omdat er in semester 2 geen opdrachten voor dit vak werden gegeven.
- Op de GIP presentatie werden bijkomende vragen over basiselektriciteit gesteld. De GIP criteria werden onvoldoende uitgewerkt.
- Tijdens het individuele traject was er geen begeleiding. De leerling kon de vakleerkrachten niet bereiken.
- Er was onduidelijkheid over de te kennen leerstof voor het examen PAV.
- De leerlingen uit 7IE mochten geen informatie uit de klas doorgeven aan de leerlingen uit het individuele traject. Op basis van dit gesprek riep ik de delibererende klassenraad op 4 juli 2022 om 16.00 u. opnieuw samen. De delibererende klassenraad bevestigde haar beslissing en op hun advies behoud ik de uitgesproken attestering. Motivering van de beslissing:
- Het cijfer voor bedrijfsgerichte vorming werd niet meegenomen in de uiteindelijke beslissing. In het contract dat bij aanvang van het individuele traject ondertekend werd, wordt bedrijfsgerichte vorming niet aangehaald. IX-10.099-4/19
- De specifieke gip-criteria staan vermeld in het gip-dossier, waarnaar duidelijk wordt verwezen in de trajectagenda (p. 4-6).
- De trajectbegeleiding bestond uit een maandelijkse opvolging van het traject in samenspraak met een trajectbegeleider. Tevens was het traject ondersteund met een trajectagenda, een praktijkagenda, een GIP-boekje en een stageboekje. [Verzoeker] kreeg een planning en studietips en werd tijdens het hele proces ondersteund. Bovendien werd er maandelijks op het al dan niet behalen van deadlines gewezen tijdens de trajectbegeleiding.
- [Verzoeker] ontving een gedetailleerd overzicht van alle te behalen doelstellingen bij aanvang van het traject.
- Het individuele traject waarvoor [verzoeker] koos staat los van de klaspraktijk in 7IE. Er werd een individueel traject opgesteld, met als doel het behalen van de leerplandoelstellingen voor het derde leerjaar van de derde graad Industriële Elektriciteit.” Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 19 augustus 2022 bevestigt de beroepscommissie het oriënteringsattest C. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Onderzoek betreffende het item: ‘herziening beslissing van de delibererende klassenraad over [D.C.]’ Rekening houdend met de informatie uit alle aangedragen documenten, zowel van de school als van de beroepsindieners; Rekening houdend met de toelichtingen tijdens de hoorzitting Rekening houdend met het feit dat: - [Verzoeker] zelf gekozen heeft voor het individuele traject en vooraf goed wist wat dit betekende - [Verzoeker] voldoende begeleiding en ondersteuning heeft gekregen in zijn flexibel traject - De stage-evaluatie dermate onvoldoende is en zeer veel leerplandoelen niet bereikt werden - Hij voldoende kansen heeft gekregen om binnen dit traject te slagen Besluit: Om de hierboven vermelde redenen beslist de beroepscommissie tot de bevestiging van het oorspronkelijk evaluatieresultaat C-attest.” Daaraan voegt de beroepscommissie nog toe wat volgt: “Wel wil de beroepscommissie het volgende aan de school meegeven: Wat betreft de stage zien we een discrepantie tussen cijfers op het rapport en de evaluatie van de leerplandoelen van de stage. De cijfers zijn niet IX-10.099-5/19 representatief voor de evaluatie. Er is immers een onvolledig cijfer voor stage – gebaseerd op resultaten voor kerst. We adviseren de school om in de toekomst waarheidsgetrouwer en transparanter te rapporteren omtrent de vordering tijdens de stage – zodat het voor de leerling duidelijker is welke zijn evolutie is en waar hij staat in zijn leerproces.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in zijn eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en het materiëlemotiveringsbeginsel. Verzoeker wijst erop dat het schoolreglement – ter uitvoering van artikel 164 van de Codex Secundair Onderwijs – bepaalt dat het gesprek met de voorzitter van de delibererende klassenraad kan leiden tot hetzij de beslissing dat de delibererende klassenraad niet terug samenkomt, hetzij de beslissing dat de IX-10.099-6/19 delibererende klassenraad wel terug samenkomt, waarna per aangetekende brief het resultaat van die vergadering wordt meegedeeld. In zoverre de directeur beslist om de delibererende klassenraad terug samen te roepen, is het aan de delibererende klassenraad om te oordelen over de attestering. Volgens verzoeker kan uit de beslissing van 6 juli 2022 (sub 3.4) niet worden afgeleid dat de delibererende klassenraad opnieuw is samengekomen, hoe die klassenraad was samengesteld en “of er dissonante stemmen in weerklonken”. Niettegenstaande verzoeker hierop had gewezen in zijn verzoekschrift bij het intern beroep, wordt in de bestreden beslissing hierop niet ingegaan. Verzoeker meent dat de brief van 6 juli 2022 “doet vermoeden dat de delibererende klassenraad niet is samengekomen en de directeur zelf besloot om het attest te behouden”. Die brief maakt immers melding van een ‘advies’ van de delibererende klassenraad, terwijl de klassenraad geen adviserende, maar een beslissende rol heeft. De beroepscommissie stelt in de bestreden beslissing alleen dat de klassenraad opnieuw is samengeroepen. Daarmee is echter geen antwoord geboden op zijn argument, vindt verzoeker. Het is ook onzorgvuldig, want in strijd met wat verzoeker zelf had geargumenteerd. Beoordeling
- De beroepscommissie, zoals die in de artikelen 123/15 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, betekent deze zogenaamde devolutieve werking dat de beroepen beslissing uit het IX-10.099-7/19 rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats daarvan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. Dat beroepsorgaan heeft beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het moet de zaak onderzoeken op grond van al de feitelijke gegevens die hem zijn voorgelegd. Al wordt in artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ enkel gewag gemaakt van de delibererende klassenraad en ontbreekt formeel een overeenstemmende bepaling voor de beroepscommissie, dan nog kan op het eerste gezicht moeilijk van de beroepscommissie worden geaccepteerd dat zij een beslissing zou nemen zónder te steunen op het in voormeld artikel 5, § 5, bedoelde dossier van de leerling. De beroepscommissie beschikt daarenboven over eigen, ruime bijkomende onderzoeksmogelijkheden om dit leerlingendossier aan te vullen, waarbij de Codex Secundair Onderwijs als zulke “stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen” uitdrukkelijk maar niet limitatief het horen van leden van de klassenraad en het opleggen van bijkomende proeven of opdrachten vermeldt.
- Het voorgaande houdt in dat grieven die louter zijn gericht tegen de beslissing van de klassenraad niet ontvankelijk lijken te zijn, bij gebrek aan belang – ook vóór de beroepscommissie. Opdat de leerling wél belang bij zo een grief zou lijken te hebben, moet hij aantonen dat het bedoelde falen afkleurt op de eindbeslissing, omdat de beroepscommissie het nog onmogelijk kon rechtzetten – of nog, als dat middel voor de Raad van State wordt aangevoerd, omdat de beroepscommissie het met haar beslissing niet heeft rechtgezet. Dat alles toont verzoeker op het eerste gezicht niet aan. Hij kan bijgevolg niet aan de beroepscommissie verwijten op die kritiek geen uitdrukkelijk antwoord te hebben geboden.
- Daargelaten dus of de veronderstelling van verzoeker met de werkelijkheid zou overeenstemmen, faalt het middel. IX-10.099-8/19
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in zijn tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker betoogt vooreerst dat in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt van een andere leerling, zodat “zeer duidelijk de onzorgvuldigheid [blijkt] waarmee deze [beslissing] werd genomen”. Daarnaast stelt verzoeker dat de bestreden beslissing haar motivering om het beroep af te wijzen beperkt “tot welgeteld 4 zinnen”. Voorts wijst verzoeker erop dat hij voor de beroepscommissie ook heeft aangevoerd dat hij door het hem opgelegde individueel traject verstoken is gebleven van de nodige begeleiding en dat een dergelijk individueel traject niet eens decretaal voorzien is. Hij heeft ook doen gelden dat hij “ongelijk behandeld” was in vergelijking met zijn klasgenoten. De klasgenoten konden hun GIP klassikaal afleggen en voor hen was er begeleiding. Verzoeker heeft in tegenstelling tot zijn klasgenoten geen opdrachten of examenvragen toegestuurd gekregen. Hij benadrukt dat op dit alles niet is ingegaan in de bestreden beslissing. Ook stelt verzoeker dat de beroepscommissie “ten onrechte [uitging] van een onvoldoende voor stage” en dat “[d]oor het slaagcijfer voor stage niet te erkennen, […] de bestreden beslissing tevens het [vertrouwens-] en rechtszekerheidsbeginsel [schendt]”. Verzoeker mocht door de vermelding ervan IX-10.099-9/19 op het eindrapport, erop rekenen dat hij 78% behaalde voor de stage. De beroepscommissie heeft dat argument genegeerd. De beroepscommissie heeft zomaar aangenomen wat de directeur daarover heeft verklaard, maar motiveert niet waarom zij dat heeft gedaan. Verzoeker heeft alleen kennis van een score van 78% voor stage; een ander cijfer werd hem niet meegedeeld. De competentielijst heeft hij wel gekregen, maar die bevat alleen kleuraanduidingen en toont niet aan dat verzoeker niet geslaagd zou zijn. Deze lijst zou bovendien ingevuld zijn “door de stageplaats”. Daarna wijst verzoeker op zijn jaartotalen die aantonen dat hij geslaagd dient te worden verklaard. De enige echte onvoldoende is deze voor Engels (44%). De onvoldoende voor de GIP kan, zo meent verzoeker, niet standhouden aangezien deze tot stand kwam in strijd met het gelijkheidsbeginsel en elke motivering hiervoor ontbreekt. Voor zijn stage dient hij geslaagd te worden verklaard op basis van het eindrapport. Ten slotte stelt verzoeker dat in zoverre “de beroepscommissie […] in een uiterst summiere motivering tot het besluit [komt] dat ‘veel leerplandoelen niet werden bereikt’” die motivering neerkomt “op een stijlformule”. Beoordeling
- In zoverre verzoeker de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, licht verzoeker dit niet toe, zodat dit middelonderdeel onontvankelijk is.
- Dat in de bestreden beslissing ook de naam van een andere leerling wordt vermeld, lijkt niet meer dan een materiële vergissing te zijn. Hoe dan ook blijkt uit de daaropvolgende motivering – waarin tot tweemaal toe verzoekers naam staat vermeld – dat verzoekers dossier voorlag. IX-10.099-10/19
- Hoewel de beslissing van de beroepscommissie als ‘summier’ kan worden bestempeld, betekent dit op het eerste gezicht echter niet dat ipso facto ook de motiveringsplicht is geschonden. Zulks moet hoe dan ook worden beoordeeld aan de hand van de door verzoeker aangevoerde kritieken.
- Bij de beoordeling van het eerste middel is gewezen op het feit dat de beroepscommissie beslissingsmacht heeft over de zaak zelf op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. In het geval een leerling gebruikmaakt van deze beroepsmogelijkheid en aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, krijgt de motiveringsplicht ten volle betekenis en moet de beroepscommissie kennisnemen van de grieven van de leerling, ze beoordelen en ze beantwoorden. Noch het algemeen rechtsbeginsel naar luid waarvan een overheidsbeslissing op objectief aanneembare redenen gegrond moet zijn die hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier moeten blijken, noch de formelemotiveringsplicht die volgt uit de formelemotiveringswet of de formelemotiveringsplicht vervat in artikel 123/15, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs, legt aan de overheid de verplichting op alle grieven of middelen van verdediging opgeworpen door de betrokkene afzonderlijk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen indien in de beslissing zelf de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen dragen. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereisen wel dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. IX-10.099-11/19 15.
- Wat de beoordeling van de stage betreft, heeft verzoeker voor de beroepscommissie aangevoerd dat hij “blijkens het rapport geslaagd [is] met 78%” en dat de beslissing van de klassenraad “dus [uitgaat] van een verkeerd uitgangspunt, dat niet ondersteund wordt door het dossier”. Daarop wordt in de bestreden beslissing geantwoord dat “[d]e stage-evaluatie dermate onvoldoende is en zeer veel leerplandoelen niet bereikt werden”. Voorts wordt ook – in een instructie aan de school – toegelicht dat het cijfer van 78% “niet representatief [is] voor de evaluatie” en “[e]r […] een onvolledig cijfer voor stage [is] – gebaseerd op resultaten voor kerst”. Daarmee lijkt verzoeker een antwoord op zijn grief te hebben gekregen. Alsdan is er op het eerste gezicht geen sprake van een schending van de formelemotiveringswet. 15.2.
- Rijst nog de vraag of verzoeker aangaande de beoordeling van zijn stage misleid kon zijn. 15.2.
- Het vertrouwensbeginsel, dat verzoeker in dat verband aanvoert, houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen. Aan het door verzoeker geschonden geachte rechtszekerheidsbeginsel lijkt verzoeker geen andere invulling te geven. In zijn verzoekschrift geeft verzoeker aan dat hem “een competentielijst werd overgemaakt waarop enkele vakken in het groen, geel en het rood werden aangeduid”. IX-10.099-12/19 Dat document, waarvan de verwerende partij in de nota betoogt dat “[d]it document […] tijdens een twee uur durend evaluatiegesprek [werd] ingevuld door [E.D.L.] (klastitularis + vakleerkracht), [A.V.] (trajectbegeleider), [G.I.P.] (stagementor) en de directe begeleider op [de] werkvloer zelf” en dat door verzoeker op de terechtzitting niet wordt betwist, maakt met een kleurencode – groen, geel en rood – en een toelichting duidelijk of verzoeker de tweeëntwintig toepasselijk geachte competenties al dan niet heeft behaald. Verzoeker moest op het eerste gezicht – minstens – uit het feit dat veertien van die tweeëntwintig competenties in de lijst in het rood werden aangeduid – tegenover vier in het groen en vier in het geel aangemerkte competenties – gecombineerd met de daarbij aangebrachte toelichtingen, begrijpen dat hij de stage niet met succes had beëindigd. Die toelichtingen zijn immers in niet mis te verstane bewoordingen geformuleerd: - “Door een te trage evolutie binnen de competenties kon deze competentie niet aan bod komen”; - “Deze competentie werd niet behaald door een te trage evolutie” (viermaal); - “Je vertrekt voor het einde van de werktijd om elders te gaan werken”, “Je hebt een dag ‘verlof’ genomen op de dag van het Suikerfeest zonder enige communicatie. Dit is echter geen toegestane afwezigheid in de bedrijfswereld”, “Je neemt vaak pauzes”; - “Negatieve evolutie”, “Opbouw modules liep eerst goed maar nadien werd het stappenplan minder/niet gevolgd”; - “Je houdt werk en privé gescheiden: GSM gebruik ondanks opmerkingen”; - “Je werkt je werk af, de kwaliteit is niet altijd in orde. Je neemt geen initiatief om spontaan een taak te doen die je niet opgedragen werd. Je hebt steeds ondersteuning van [anderen] nodig. Bij zelfstandig werk maak je vaak fouten”; - “Je bent te weinig bezig met de competenties in het opleidingsplan. Je neemt ook geen enkel initiatief naar het behalen van de competentielijst”; - “Je gebruikt de procedures en stappenplannen niet waardoor er fouten gemaakt worden”; IX-10.099-13/19 - “Je neemt geen notities tijdens je werk”; - “Je geeft geen feedback over het verloop van je werk”; - “Je benoemt je kwaliteiten en werkpunten niet, maar zegt steeds dat alles goed gaat. Je staat open voor feedback maar houdt weinig rekening met opmerkingen”. Daarbij komt nog dat als “Opmerkingen” onderaan die competentielijst staat genoteerd wat volgt: “[Verzoeker] heeft op twee verschillende afdelingen gewerkt. Bij ‘montage kits’ liep het niet goed. Beschikbare stappenplannen werden niet gevolgd. Bij de opstart van het traject verliep goed. Er werd geen initiatief in het leerproces genomen. Hierdoor kon er geen positieve evolutie genoteerd worden. Bij ‘units’ wordt [verzoeker] constant begeleid in puur uitvoerend werk. Dit lukt beter, zelfstandig werken is echter een vereiste in het 7de jaar. Verder noteren we een attitude die zorgwekkend is: lange pauzes nemen, om 14u ipv 14u15 vertrekken om naar een andere job te gaan, Suikerfeest: verlof genomen zonder toestemming of communicatie, veelvuldig GSM-gebruik.” Op al die kleurencodes, toelichtingen en opmerkingen levert verzoeker op het eerste gezicht geen enkele kritiek. 15.2.
- Voorts blijkt uit het administratief dossier en uit de nota ook dat verzoeker op 7 juni 2022 met de schooldirecteur en de trajectbegeleider een overleg had over zijn stage en de competentielijst in het bijzonder en op 28 juni 2022 over al zijn resultaten. Verzoeker spreekt ook dat alvast niet tegen, ook niet op de terechtzitting. 15.2.
- Die verschillende elementen voor ogen, lijkt verzoeker bezwaarlijk te kunnen gewagen van een schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. IX-10.099-14/19 Evenmin kan verzoeker ervan overtuigen dat de beroepscommissie in die omstandigheden niet kon besluiten dat hij voor stage “zeer veel leerplandoelen niet bereikt” heeft, laat staan dat dit niet meer dan een stijlformule zou zijn.
- Verzoeker betoogt in zijn verzoekschrift dat hij voor de beroepscommissie ook heeft aangevoerd dat hij in een ‘individueel traject’ werd geplaatst dat “niet decretaal voorzien is” en dat hij “in het gewoon curriculum had moeten worden opgenomen” – zodoende bleef hij “verstoken […] van de nodige begeleiding”. Daarop wordt in de bestreden beslissing geantwoord dat verzoeker “zelf gekozen heeft voor het individuele traject en vooraf goed wist wat dit betekende”. Ook dat biedt op het eerste gezicht een afdoende antwoord op verzoekers grief. Verzoeker heeft de overeenkomst immers zelf ondertekend. Zijn kritiek dat een en ander “niet decretaal voorzien is”, lijkt hij bovendien slechts nuttig te kunnen aanvoeren tegen die overeenkomst zelf – die overigens al dateert van 28 januari 2022 – bij de daartoe bevoegde rechter en niet na afloop van die overeenkomst tegen een evaluatiebeslissing.
- In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij “ongelijk behandeld” is in verband met het verloop van de GIP in vergelijking met zijn klasgenoten, wordt in de bestreden beslissing terecht verwezen naar het ‘individuele traject’. In die overeenkomst is immers te lezen dat verzoeker een “alternatieve GIP” diende uit te werken. Dat betekent op het eerste gezicht dat verzoeker bezwaarlijk kan bekritiseren een andere behandeling te krijgen. Afgezien daarvan is verzoeker met die “alternatieve” behandeling akkoord gegaan door de ondertekening van de overeenkomst. IX-10.099-15/19
- Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker op het eerste gezicht ten onrechte gewag maakt van “de enige echte onvoldoende […] voor Engels” en even onterecht daaruit de gevolgtrekking maakt in verband met het hem toegekende oriënteringsattest.
- Uit wat voorafgaat volgt, dat het tweede middel niet ernstig is. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in zijn derde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Vooreerst betoogt verzoeker dat hij zowel aan de directeur als aan de beroepscommissie heeft gevraagd om de gunst van bijkomende proeven te verlenen. Hij doet gelden dat op zijn vraag in de bestreden beslissing geen antwoord is gekomen. Voorts stelt verzoeker dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat een medeleerling die ook een ‘individueel traject’ volgde wél bijkomende proeven mocht afleggen, hoewel hij niet slaagde voor de vakken PAV (project algemene vakken), Engels en de GIP-presentatie. Volgens verzoeker gaat de beroepscommissie er immers ten onrechte van uit dat verzoeker niet slaagde voor zijn stage. Ten slotte is verzoeker van oordeel dat “[i]emand op het einde van het zevende jaar tegenhouden, […] een beslissing [is] die niet lichtzinnig kan en mag worden genomen”. Volgens hem “ware [het] passend geweest verzoeker in de gegeven omstandigheden de gunst van bijkomende proeven te geven” en zou IX-10.099-16/19 “[g]een enkele andere zorgvuldig oordelende beroepscommissie in dezelfde omstandigheden geplaatst, […] verzoeker die mogelijkheid [hebben] ontnomen”. Beoordeling
- Uit zijn beroepschrift voor de beroepscommissie blijkt dat verzoeker zijn vraag om bijkomende proeven opgelegd te krijgen, slechts “ondergeschikt” heeft geformuleerd en dat deze slechts betrekking heeft op het vak Engels en de GIP.
- Verzoeker lijkt ervan uit te gaan dat zijn stage een score van 78% verdiende. Dat kan, zoals bij de beoordeling van het tweede middel op het eerste gezicht is gebleken, niet worden bijgevallen, zodat verzoeker in zijn drie middelonderdelen van een verkeerde veronderstelling vertrekt wat op zich reeds volstaat om het middel niet ernstig te bevinden.
- Evenmin lijkt verzoeker in dat verband op het eerste gezicht belang te hebben bij het aanvoeren van de schending van de formelemotiveringswet, nu ook in geval van bijkomende proeven voor andere vakken de onvoldoende voor de stage hoe dan ook overeind zou blijven. Verzoekers situatie – rekening houdend met de onvoldoende voor de stage – is ook niet vergelijkbaar met deze van de medeleerling die hij in zijn verzoekschrift heeft geschetst. Die medeleerling liet alvast, naar wat verzoeker heeft uiteengezet, géén onvoldoende voor de stage optekenen. Ten slotte zet verzoeker ook geen elementen uiteen die van de ‘onredelijkheid’ van de bestreden beslissing doen blijken. Verzoeker noemt het alleen “passend” dat hem “in de gegeven omstandigheden” de kans zou zijn geboden om bijkomende proeven af te leggen. Daarmee is echter, op het eerste IX-10.099-17/19 gezicht, de onredelijkheid van de bestreden beslissing allerminst aangetoond. Temeer daar verzoeker uitgaat van andere “gegeven omstandigheden” dan deze die hiervóór voorlopig zijn vastgesteld.
- Het derde middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.099-18/19 Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.099-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div