← België

Arrest 254486 - Wapens - 14/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.486 Rolnummer: A. 228197/XIV-38064 Zaak: Arrest 254486 - Wapens - 14/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 07:25 Fiche Arrest nr 254.486 van 14 september 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.486 van 14 september 2022 in de zaak A.228.197/XIV-38.064 In zake : Hans LAMMERANT wonende te 9040 Gent Aannemersstraat 11 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing nr. OVB/2019/33 van de Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur, van 25 maart 2019, houdende weigering van een afschrift van bestuursdocumenten. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. XIV-38.064-1/30 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sara Van Genechte, die loco advocaat Sohari Verstraeten verschijnt voor verzoeker, en Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker richt op 4 februari 2019 aan het departement Buitenlandse Zaken bij de Vlaamse Overheid een verzoek om een afschrift te bekomen van (

  1. i)het overzicht van rechtspersonen die een voorafgaande machtiging hebben verkregen zoals voorzien in artikel 10 van het decreet van 15 juni 2012 ‘betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie’ (hierna: het Wapenhandeldecreet) en (
  2. ii)het overzicht van rechtspersonen die zich registreerden voor het gebruik van een algemene vergunning voor overbrenging van defensiegerelateerde goederen, zoals voorzien in artikel 14, § 6 van datzelfde XIV-38.064-2/30 decreet. Telkens wordt verzocht om de naam en het ondernemingsnummer van de rechtspersonen, de goederencategorieën waarvoor machtiging werd gevraagd of verkregen, dan wel waarvoor registratie werd gevraagd of verkregen (en in het tweede geval of het al dan niet essentiële goederen betreft), evenals de categorie van de aanvrager (defensie-industrie, andere industrie, handelaar, …). In de mate de gevraagde overzichten niet zouden bestaan, wordt met verwijzing naar de toepasselijke website en de daar voorhanden zijnde aanvraagformulieren (en antwoorden op de aanvragen), verzocht om een afschrift van alle ingediende aanvraagformulieren en het antwoord daarop, waarbij “[w]anneer nodig, omwille van privacy gegevens van natuurlijke personen onleesbaar [kunnen] worden gemaakt”. 3.2. Het departement Buitenlandse Zaken van de Vlaamse overheid wijst op 7 februari 2019 het openbaarheidsverzoek af op basis van artikel II.34, 1°, van het Vlaams Bestuursdecreet van 7 december 2018 en van artikel 50, § 4 van het Wapenhandeldecreet. 3.3. Op 12 februari 2019 dient verzoeker tegen de (initiële) beslissing van 7 februari 2019 een bestuurlijk beroep in bij de Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur (hierna: de Beroepsinstantie), waar dat beroep dezelfde dag wordt geregistreerd onder dossier nr. OVB/1019/33. Het departement Buitenlandse Zaken wordt hiervan ingelicht door de Beroepsinstantie op 12 februari 2019. 3.4. Nadat de Beroepsinstantie toepassing heeft gemaakt van artikel II.50, §1, tweede lid van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018 met het oog op een verlenging van de termijn om te beslissen, verklaart zij met een beslissing van 25 maart 2019 het beroep ontvankelijk doch ongegrond. Zij besluit tot de ongegrondheid ervan op grond van de volgende beoordeling: XIV-38.064-3/30 “4) Beoordeling De beroepsinstantie heeft bij mailberichten d.d. 12 februari en 5 maart 2019 het departement BuZa om nadere informatie en toelichting gevraagd. Dit werd ontvangen bij mailberichten van 18 februari en 19 maart 2019. Het departement BuZa heeft in zijn weigeringsbeslissing verwezen naar de toepassing van artikel II.34, 1° van het bestuursdecreet. Dit artikel legt de bestuursinstanties op om een aanvraag tot openbaarmaking, voor zover die geen betrekking heeft op milieu-informatie, af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de geheimhoudingsverplichting, vastgesteld in een aangelegenheid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is. Aan de beroepsinstantie deelt het departement BuZa het volgende mee: ‘De decretale geheimhoudingsverplichting in artikel 50, §4, van het Wapenhandeldecreet waarnaar verwezen werd stelt duidelijk er geen informatie meegedeeld wordt waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden, verder dan de erg verregaande rapportering die het decreet in dat artikel 50 voorziet. Die verregaande rapportering houdt in dat in detail gerapporteerd wordt over de kern van onze bevoegdheid over de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten. Dat gaat dan over alle toegekende en geweigerde vergunningen, het gebruik van algemene vergunningen, en, sinds de aanpassing van het Wapenhandeldecreet in 2017, ook van toegekende en geweigerde verlengingsvergunningen en van afgeleverde voorlopige adviezen en schriftelijke bevestigingen. Wat daarbij opzettelijk niet gerapporteerd wordt zijn de identificatiegegevens van de aanvragers van vergunningen en andere documenten (noch van bestemmelingen en eindgebruikers). Dat is immers net het soort informatie dat schade kan berokkenen aan de betrokken personen en in die zin dus exact het soort informatie waarop in artikel 50, §4, van het Wapenhandeldecreet gedoeld wordt. Voor alle duidelijkheid, als wij in deze context spreken over de aanvragers van vergunningen gaat het over exact dezelfde groep personen waarvan hier een lijst opgevraagd wordt; het verkrijgen van de voorafgaande machtiging waarnaar het openbaarheidsverzoek verwijst is bij uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten immers een voorwaarde om voor specifieke transacties vergunningen te kunnen aanvragen. Wie een lijst van houders van een voorafgaande machtiging krijgt, krijgt dus eigenlijk een lijst van (potentiële) vergunningsaanvragers (en potentiële gebruikers van algemene vergunningen). Artikel 50, §4, beschermt dus vergunningsaanvragers en ook houders van voorafgaande machtiging tegen het openbaar maken van hun identificatiegegevens. Daarbij wordt uitdrukkelijk géén onderscheid gemaakt tussen rechtspersonen en natuurlijke personen, wat overigens ook in de beslissing van de beroepsinstantie in 2014 expliciet benadrukt werd (zie hoger). Dat betekent dan uiteraard ook dat we geen overzichten van personen of aanvraagformulieren van personen kunnen openbaar maken. Het moet tot slot duidelijk zijn dat de strikte naleving van de decretale geheimhoudingsverplichting in artikel 50, §4, ook voor ons van cruciaal belang is. Het openbaar maken van identificatiegegevens zou immers aanleiding kunnen geven tot aansprakelijkheidsvorderingen als betrokkenen kunnen aantonen dat zij daardoor schade hebben geleden.’ Het departement BuZa verduidelijkt verder aan de beroepsinstantie dat het vrijgeven van de gevraagde informatie op verschillende vlakken schade kan berokkenen aan de betrokken personen/bedrijven: ‘Het gaat hier vooral over de mogelijkheid tot imagoschade en daaruit voortvloeiend het afschrikken van potentiële klanten, wat kan leiden tot financiële schade. … XIV-38.064-4/30 Overigens is het ook zo dat een aanvrager van een voorafgaande machtiging momenteel een gerechtvaardigd vertrouwen mag hebben dat zijn identificatiegegevens vertrouwelijk blijven. Anders dan bij het certificaten van gecertificeerde persoon – zie artikel 36 van het Wapenhandelbesluit en artikel 9, lid 8 van Europese richtlijn 2009/43 – voorziet de regelgeving immers niet in de publicatie van deze informatie. Terwijl aanvragers van een certificaat van gecertificeerde persoon er dus op het moment van hun aanvraag van op de hoogte dat hun gegevens zullen gepubliceerd worden op een publieke website, en dit met hun aanvraag impliciet aanvragen, mag een aanvrager van een voorafgaande machtiging er a contrario van uit gaan dat zijn identificatiegegevens niet zullen gepubliceerd worden. Dat gerechtvaardigd vertrouwen is er trouwens niet alleen omdat er anders dan bij het certificaat geen reglementaire verplichting tot publicatie is, maar ook omdat de geheimhoudingsverplichting in artikel 50, §, 4, van het Wapenhandeldecreet er net is om identificatiegegevens van zowel natuurlijke personen als rechtspersonen buiten de openbaarheid te houden. … Het ging dus uiteindelijk over een duidelijke keuze om identificatiegegevens niet te rapporteren/publiceren en het zou in dat opzicht vreemd zijn dat die keuze overruled zou worden in het kader van een openbaarheidsverzoek. Het gerechtvaardigd vertrouwen maakt des te meer dat ook moet rekening gehouden worden met de eventuele schade – onder de vorm van aansprakelijkheidsvorderingen – voor de Vlaamse overheid die zou kunnen voortvloeien uit het openbaar maken van de identificatiegegevens. Daarnaast kan de openbaarmaking mogelijk ook negatieve gevolgen hebben voor de vertrouwensrelatie tussen de betrokken bedrijven en de overheid. Die vertrouwensrelatie is nochtans erg belangrijk opdat bedrijven alle mogelijke informatie over hun uitvoertransacties zouden delen, in het bijzonder informatie over het eindgebruik en eindgebruikers, waarop zijn vaak bij klanten moeten aandringen. Het is in die zin de vertrouwensrelatie die het mogelijk maakt uitgebreid te rapporteren over transacties – de kern van het uitvoerbeleid. De openbaarmaking van hun identificatiegegevens zou houders van een voorafgaande machtiging zo kunnen leiden tot meer terughoudendheid in het delen van informatie, wat een nefaste invloed zou kunnen hebben op de effectiviteit van het Vlaams uitvoerbeleid.’ De beroepsinstantie sluit zich aan bij het standpunt zoals ingenomen door het departement BuZa. De beroepsinstantie stelt vast dat er in het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012 (decreet betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie) een zeer verregaande rapportering is opgenomen, waarbij maandelijks, halfjaarlijks en jaarlijks een verslag wordt opgemaakt door de Vlaamse Regering en bezorgd aan het Vlaams Parlement, waarbij verplicht een aantal gegevens inzake de verleende of geweigerde vergunningen moet worden meegedeeld. Deze verslaggeving is ook terug te vinden op de website van het departement BuZa. Daarnaast bepaalt artikel 50, §4 van het Wapenhandeldecreet dat er met behoud van de toepassing van de bovenstaande paragrafen (die verband houden met de rapportering aan het Vlaams Parlement) over gewaakt wordt dat er geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan worden berokkend. De beroepsinstantie moet dus vaststellen dat er inderdaad een decretale geheimhoudingsplicht werd ingeschreven in het Wapenhandeldecreet. Op grond daarvan mag (buiten de voorziene rapportering) geen informatie worden vrijgeven omtrent gegevens die schade kunnen toebrengen aan de personen die betrokken XIV-38.064-5/30 zijn bij verleende of geweigerde vergunningen met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van wapens. Artikel II.34, 1° van het bestuursdecreet formuleert een absolute uitzonderingsgrond. De vaststelling dat de openbaarmaking afbreuk doet aan de geheimhoudingsplicht volstaat om de aanvraag af te wijzen, zonder dat het belang van de openbaarheid daartegen kan worden ingebracht. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat het departement BuZa volkomen terecht heeft verwezen naar de uitzonderingsgrond van artikel II.34, 1° van het bestuursdecreet om de gevraagde overzichten te weigeren. Het beroepschrift moet dan ook als ongegrond worden beschouwd. […].”. Dit is de bestreden beslissing. Zowel verzoeker als het departement Buitenlandse Zaken van de verwerende partij worden op 26 maart 2019 in kennis gesteld van de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd zoals vereist door artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), evenals een schending van artikel 32 van de Grondwet. Hij zet in zijn verzoekschrift uiteen dat naar eis van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 de bij artikel 2 van diezelfde wet opgelegde motivering “in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.”. Volgens verzoeker is de bestreden weigeringsbeslissing niet afdoende noch met voldoende draagkrachtige redenen onderbouwd. Voorts meent verzoeker dat de Beroepsinstantie in de bestreden beslissing een veel te brede interpretatie van de uitzonderingsgrond op basis van artikel II.34, 1° van het Bestuursdecreet en artikel 50, §4 van het Wapenhandeldecreet voorstaat waardoor zij op een onevenredige wijze afbreuk doet aan het door artikel 32 van de Grondwet gegarandeerde grondrecht op XIV-38.064-6/30 toegang tot bestuursdocumenten. In de bestreden weigeringsbeslissing stelt de Beroepsinstantie vast dat artikel 50, §4, van het Wapenhandeldecreet een decretale geheimhoudingsplicht bepaalt als bedoeld in artikel II.34, 1° van het Bestuursdecreet. Op grond van deze geheimhoudingsplicht mag (buiten de voorziene rapportering in het Wapenhandeldecreet
  3. om)geen informatie worden vrijgeven omtrent gegevens die schade kunnen toebrengen aan de personen die betrokken zijn bij verleende of geweigerde vergunningen met betrekking tot de in- uit- of doorvoer van wapens. De Beroepsinstantie gaat zelf niet in op hoe de gevraagde informatie schade zou kunnen toebrengen aan die personen maar sluit zich aan bij het daarover geformuleerde standpunt van het departement Buitenlandse Zaken van de verwerende partij dat oordeelt dat de gevraagde informatie net het soort informatie is dat schade kan berokkenen en dus de informatie is waarop in de geheimhoudingsbepaling in artikel 50, § 4 van het Wapenhandeldecreet wordt gedoeld. Met betrekking tot die schade stelt het betrokken departement dat het “vooral [gaat] over de mogelijkheid tot imagoschade en daaruit voortvloeiend het afschrikken van potentiële klanten, wat kan leiden tot financiële schade”. Verzoeker betwist dat met deze motivering de weigering afdoende en met draagkrachtige redenen is onderbouwd, meer bepaald omdat niet afdoende is gemotiveerd hoe het vrijgeven van de gevraagde informatie schade aan de betrokkenen zou berokkenen, te meer nu niet naar informatie over specifieke transacties en exportvergunningen wordt gevraagd. De stelling dat de vrijgave van de gevraagde gegevens zou leiden tot imagoschade en als gevolg daarvan ook tot het afschrikken van klanten, is een louter hypothetische assumptie zonder feitelijke grond. Ook al wordt gebruik gemaakt van een absolute uitzonderingsgrond “waarbij volgens de Vlaamse praktijk niet moet afgewogen worden tegen het belang van openbaarheid”, moet er toch in concreto worden nagegaan of er effectief afbreuk wordt gedaan aan de geheimhoudingsverplichting. Zulke geheimhoudingsplicht als uitzondering op het grondrecht op toegang tot bestuursdocumenten moet restrictief worden beoordeeld, wat nog blijkt uit artikel II.39, eerste lid, van het Bestuursdecreet. Artikel 50 § 4, van het Wapenhandeldecreet stelt dat erover wordt gewaakt “dat er geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan [worden] XIV-38.064-7/30 berokkend”. Bijgevolg moet er in concreto worden nagegaan én gemotiveerd waarom de gevraagde informatie schade aan de betrokken personen zou berokkenen. In de bestreden beslissing wordt die potentiële schade louter gemotiveerd met een hypothetische assumptie dat het vrijgeven van de gevraagde identificatiegegevens zou leiden tot imagoschade en het afschrikken van klanten. Er worden geen concrete elementen of ernstige feiten aangevoerd om dit te onderbouwen. Dit kan moeilijk als een afdoende motivering worden beschouwd, zeker als uit de concrete feiten blijkt dat de vrijgave van deze informatie elders reeds gebeurt zonder tot zulke schade te leiden. De betrokken ondernemingen maken geen geheim van hun activiteiten in de defensiesector. Ze publiceren zelf welk materiaal ze aanbieden en promoten dit zichtbaar op beurzen en in de gespecialiseerde pers. Het valt niet in te zien hoe de publicatie van de lijst rechtspersonen die een voorafgaande machtiging kregen, zoals voorzien in artikel 10 van het Wapenhandeldecreet, of van de lijst rechtspersonen die zich registreerden voor het gebruik van een algemene vergunning voor de overbrenging van defensiegerelateerde goederen, zoals voorzien in artikel 14 § 6, van het Wapenhandeldecreet plots tot bijkomende imagoschade zou leiden. Zo geeft volgens verzoeker de Minister-president destijds in antwoord op een parlementaire vraag van 7 november 2017 aan dat 37 rechtspersonen een voorafgaande machtiging kregen, waarvan 17 rechtspersonen in de categorie “industrie”, 5 rechtspersonen in de categorie “handelaar” en 15 personen in de categorie ‘logistieke bedrijven’. Welke deze rechtspersonen zijn is volgens verzoeker “vrij algemeen bekend” zodat de door hem gevraagde informatie die hij als een “bevestiging” aanziet, moeilijk als schadelijk kan worden beschouwd. Voorts wordt deze informatie in bepaalde gevallen wel degelijk vrijgegeven, met name bij de gecertificeerde ondernemingen. Van deze ondernemingen publiceert de Europese Unie via dit certificaat in de CERTIDER-database een reeks gegevens (zoals de naam en ondernemingsnummer van de onderneming, de verschillende vestigingsadressen, de ML-categorieën waarvoor het certificaat werd verleend, ...). Er valt niet in te zien hoe het risico op schade zou verschillen voor deze gecertificeerde ondernemingen en voor de andere ondernemingen die gebruik maken van de wapenhandelwetgeving. In elk geval kan niet worden gesteld dat XIV-38.064-8/30 deze publicatie schade berokkent aan de betrokken gecertificeerde ondernemingen. Verder is het enige verschil tussen beide de wijze waarop de overheid de handel door en met deze ondernemingen controleert (een a posteriori controle in plaats van een a priori controle op basis van een individuele vergunningsaanvraag). Het departement Buitenlandse Zaken, en dus ook de Beroepsinstantie, maakt in elk geval niet duidelijk of concreet waarom de publicatie van de hier gevraagde informatie wel zou leiden tot imagoschade en het afschrikken van klanten voor de niet-gecertificeerde ondernemingen terwijl dit blijkbaar geen probleem is voor gecertificeerde ondernemingen. Verder leidt het betrokken departement uit het voorhanden zijn van een publicatie (lees: rapportering) in de regelgeving, waarvan aanvragers bijgevolg op de hoogte zijn, een a contrario gerechtvaardigd vertrouwen af op niet-publicatie of het niet toegang verschaffen tot die informatie. Het voorhanden zijn van een vorm van actieve openbaarheid leidt echter niet automatisch tot een beperking van de passieve openbaarheid en kan niet als argument worden gebruikt om het grondrecht op toegang tot bestuursdocumenten uit te hollen. Zulk een vraag om een afschrift van bestuursdocumenten kan slechts ingeperkt worden op basis van de voorziene uitzonderingsgronden, wat te dezen inhoudt dat moet worden aangetoond hoe toegang verschaffen tot deze informatie schade veroorzaakt. Ten tweede merkt verzoeker op, wat hij uitgebreid illustreert, dat dergelijke informatie hetzij actief, hetzij (passief) via een verzoek om openbaarheid in verschillende EU-lidstaten en bij andere NAVO-lidstaten wel degelijk wordt vrijgegeven zonder dat dit schade blijkt te berokkenen. Daarnaast, aldus verzoeker, is deze informatie ook af te leiden uit andere door de overheid vrijgegeven gegevens en leidt deze ook daar niet tot schade. Hij verwijst naar publiek toegankelijke informatie over overheidsbestedingen en beslissingen over openbare aanbestedingen. Zowel in de Europese Unie als bij andere NAVO-landen wordt uitgebreide informatie gepubliceerd over de aankoop van defensie-gerelateerde goederen en door welke bedrijven die worden geleverd. In combinatie laten deze bronnen toe om bedrijven te identificeren en af te leiden welke soort producten en diensten ze leveren. Gezien de overheden, Belgische en andere, bij de actieve openbaarheid met betrekking tot hun militaire aanbestedingen geen probleem hebben met het XIV-38.064-9/30 vrijgeven van de hier gevraagde informatie, valt niet in te zien waarom deze informatie wel schade zou berokkenen aan de betrokkenen in het kader van het Wapenhandeldecreet. Integendeel, het vrijgeven van deze informatie voorkomt speculatie en fouten bij het combineren van verschillende andere bronnen, en laat zo correcte berichtgeving toe. Dit alles geeft aan dat de “zeer verregaande rapportering” in het Wapenhandeldecreet niet zo uitzonderlijk is. Bijgevolg kan de bijkomende stelling dat er sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen voor aanvragers dat hun identificatiegegevens vertrouwelijk blijven, niet worden onderschreven, laat staan omwille van het feit dat de regelgeving de publicatie van de hier gevraagde gegevens niet voorziet. Het gegeven dat er niet in actieve openbaarheid van deze identificatiegegevens is voorzien, kan geen afbreuk doen aan het op aanvraag verlopende grondrecht op passieve openbaarheid. Dit recht op passieve openbaarheid is duidelijk in de regelgeving voorzien en derhalve ook voorzienbaar voor de betrokkenen. De stelling dat de vrijgave van deze informatie zou kunnen leiden tot aansprakelijkheidsvorderingen door de betrokkenen, is dan ook uit de lucht gegrepen. De Vlaamse overheid begaat geen fout door informatie vrij te geven via de decretaal voorziene openbaarheidsregeling. Dit kan dan ook niet leiden tot aansprakelijkheid op basis van een geschonden gerechtvaardigd vertrouwen. Daarbij komt dat reeds eerder een praktijk van actieve openbaarheid gehanteerd is die verder ging. De huidige regeling van actieve openbaarheid in artikel 50 van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012 is vastgesteld bij het decreet van 30 juni 2017 ‘tot wijziging en optimalisatie van diverse bepalingen van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012’. Het bepaalde in artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet was al vóór deze wijziging opgenomen in het Wapenhandeldecreet. Volgens verzoeker blijkt uit de bestuurlijke praktijk vóór de decreetswijziging van 30 juni 2017 “dat uit de decretaal vastgelegde actieve openbaarheid in combinatie met artikel 50 § 4 Wapenhandeldecreet geen beperking kan worden afgeleid van een verdergaande actieve of passieve openbaarheid. Eenzelfde conclusie valt te trekken uit het feit dat ook de decretaal vastgelegde actieve openbaarheid in het oorspronkelijke Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012 een codificatie van een eerder gegroeide bestuurlijke praktijk was (Memorie van Toelichting, Parl. St., Vlaams Parlement, 2011- 2012, 1371-1, p. XIV-38.064-10/30 37). Voor beide decretale vastleggingen van de evoluerende praktijk van actieve openbaarheid vond deze actieve openbaarheid plaats na een concrete beoordeling of verdergaande openbaarheid al dan niet gevaar opleverde.”. Bijgevolg, aldus verzoeker, kan de decretaal vastgelegde actieve openbaarheid moeilijk als argument worden gebruikt voor een ‘gerechtvaardigd vertrouwen’ tegen verdergaande openbaarheid. In de mate nog wordt verwezen naar negatieve gevolgen op de vertrouwensrelatie tussen de betrokken bedrijven en de overheid, waardoor die meer terughoudend zouden worden in het meedelen van informatie over hun uitvoertransacties, in het bijzonder informatie over het eindgebruik en eindgebruikers, waarop de bedrijven vaak bij klanten zouden moeten aandringen, dient vastgesteld dat verzoekers vraag daar geen betrekking op heeft. Het standpunt van het departement lijkt te impliceren dat haar vertrouwensrelatie vereist dat elke toepassing van de passieve openbaarheid wordt uitgesloten, wat van artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet een absolute én algemene uitzondering op de openbaarheid van bestuursdocumenten maakt en, aldus, een “heel verregaande toepassing van artikel 50, § 4 [van het] Wapenhandeldecreet”. Nochtans, aldus verzoeker, heeft het Grondwettelijk Hof (met verwijzing naar rechtspraak) eerdere pogingen om de toepassing van wapenexportwetgeving aan de openbaarheid te onttrekken, gesanctioneerd. Tot slot stelt verzoeker dat in de mate het standpunt van het departement Buitenlandse Zaken (en de bestreden beslissing) zou impliceren dat het hier om vrijwillig door de betrokken ondernemingen verstrekte informatie gaat die de verwerende partij mogelijk niet meer zal krijgen, gaat zij eraan voorbij dat de gevraagde gegevens volgens het Wapenhandeldecreet verplicht moeten worden verstrekt, wat trouwens ook geldt voor de niet-gevraagde gegevens over eindgebruik en eindgebruikers (artikelen 19, § 1, 24, § 1 en 49, § 2, van het Wapenhandeldecreet). Door het begrip “schade” in artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet heel ruim op te vatten en de hypothetische mogelijkheid van imagoschade te aanvaarden als vaststelling dat afbreuk gedaan wordt aan de geheimhoudingsbepaling zonder dit verder afdoende te onderbouwen en te motiveren, maakt de Beroepsinstantie op een onevenredige wijze inbreuk op artikel 32 Grondwet en het daarin gegarandeerde grondrecht op toegang tot bestuursdocumenten en een inbreuk op de motiveringsplicht. XIV-38.064-11/30 In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord geen bijkomende onderbouwing geeft van de beweerde potentiële schade. Integendeel, het verweer is nu dat de openbaarheidsvraag op een veel te algemene, alomvattende wijze werd gesteld en dat die vraag een in concreto beoordeling tot “een volkomen onmogelijke zaak” maakt. Dit verweer is ongeloofwaardig. Ten eerste, als deze beoordeling onmogelijk is, dan vindt “de afwijzing plaats op basis van een verkeerde uitzonderingsgrond (art. II.33.1° Bestuursdecreet)”. Noch de bestuursinstantie noch de Beroepsinstantie maken enig gewag van het onmogelijk te beoordelen karakter van het risico tot schade. Bovendien is gekend dat 37 rechtspersonen een voorafgaande machtiging kregen. De samenstelling van de defensie-industrie is niet elk jaar onderhevig aan grondige veranderingen, dus de lijst rechtspersonen over de verschillende jaren zal niet veel hoger zijn dan 37. De gevolgen van de vrijgave van de gevraagde informatie voor 37 bedrijven nagaan, is geen onmogelijke zaak. De nieuwe stelling van de verwerende partij dat de gevraagde informatie niet evalueerbaar is, “lijkt eerder een nieuw rookgordijn en een bevestiging van het ontbreken van concrete elementen die het risico op schade aannemelijk maken”. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. 5. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord vooreerst de ontvankelijkheid van het middel. Volgens haar kent verzoeker de motieven waarop de bestreden weigeringsbeslissing steunt en kan die bijgevolg niet de schending van de formelemotiveringsplicht inroepen. Voorts werpt zij op dat in het middel geen rechtstreekse schending van artikel 32 van de Grondwet kan worden ontwaard. De uiteenzetting van verzoeker lijkt volgens de verwerende partij eerder te maken te hebben met de materiëlemotiveringsplicht, waarvan de schending niet is aangevoerd. Het eerste middel is naar het oordeel van de verwerende partij dan ook “in zijn geheel onontvankelijk”. XIV-38.064-12/30 Ten gronde repliceert de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de bestreden beslissing in grote mate steunt op een nota van het departement Buitenlandse Zaken aan de Beroepsinstantie die zij bijtreedt, waarbij deze nota (
  4. i)verduidelijkt dat de beide voorwerpen van het openbaarheidsverzoek samen vallen en (
  5. ii)de geheimhoudingsverplichting van het artikel 50, §4, van het Wapenhandeldecreet bespreekt, alsmede (iii) het risico op aansprakelijkheids- vorderingen bij de niet-naleving ervan wanneer de betrokkenen kunnen aantonen dat ze daardoor schade leden om vervolgens te besluiten dat het “vooral [gaat] over de mogelijkheid van imagoschade en daaruit voortvloeiend het afschrikken van potentiële klanten wat kan leiden tot financiële schade”. In die nota wordt er op gewezen dat een aanvrager van een voorafgaande machtiging momenteel een gerechtvaardigd vertrouwen mag hebben dat zijn identificatiegegevens vertrouwelijk blijven. Anders dan bij certificaten van een gecertificeerde persoon - zie artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering ‘tot uitvoering van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012’ (hierna: het Wapenhandelbesluit) en artikel 9, lid 8 van de Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 ‘betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap’ - “voorziet de regelgeving immers niet in de publicatie van deze informatie”. Hieruit volgt dat, anders dan de aanvragers van een certificaat van gecertificeerde persoon, een aanvrager van een voorafgaande machtiging er a contrario van uit mag gaan dat zijn identificatiegegevens niet zullen worden gepubliceerd worden. Volgens de nota van het departement Buitenlandse Zaken vindt dat gerechtvaardigd vertrouwen ook steun in de geheimhoudingsverplichting van artikel 50, §4 van het Wapenhandeldecreet die erop is gericht identificatiegegevens van zowel natuurlijke personen als rechtspersonen buiten de openbaarheid te houden. Het betreft met andere woorden een duidelijke keuze om identificatiegegevens niet te rapporteren/publiceren en het zou in dat opzicht vreemd zijn dat die keuze overruled zou worden in het kader van een openbaarheidsverzoek. Het gerechtvaardigd vertrouwen maakt des te meer dat ook moet rekening gehouden worden met de eventuele schade - onder de vorm van aansprakelijkheidsvorderingen - voor de Vlaamse overheid die zou kunnen XIV-38.064-13/30 voortvloeien uit het openbaar maken van de identificatiegegevens. Daarnaast kan de openbaarmaking mogelijk ook negatieve gevolgen hebben voor de vertrouwensrelatie tussen de betrokken bedrijven en de overheid. Die vertrouwensrelatie is nochtans erg belangrijk opdat bedrijven alle mogelijke informatie over hun uitvoertransacties zouden delen, in het bijzonder informatie over het eindgebruik en eindgebruikers waarop zij(
  6. n)vaak bij hun klanten moeten aandringen. Het is in die zin de vertrouwensrelatie die het mogelijk maakt uitgebreid te rapporteren over transacties - de kern van het uitvoerbeleid. De openbaarmaking van hun identificatiegegevens zou zo kunnen leiden tot meer terughoudendheid in het delen van informatie, wat een nefaste invloed zou kunnen hebben op de effectiviteit van het Vlaams uitvoerbeleid. In haar bestreden beslissing heeft de Beroepsinstantie zich hierbij aangesloten met verwijzing naar de uitgebreide rapportering zoals die is opgenomen in het Wapenhandeldecreet “(waarbij, hier van belang, een aantal gegevens worden medegedeeld inzake verleende geweigerde vergunningen) en op de toepassing van artikel 50, §4 van hetzelfde decreet”, wat haar ertoe brengt vast te stellen: “[…] dat er inderdaad een decretale geheimhoudingsplicht werd ingeschreven in het Wapenhandeldecreet Op grond daarvan mag (buiten de voorziene rapportering) geen informatie worden vrij(ge)geven omtrent gegevens die schade kunnen toebrengen aan de personen die betrokken zijn bij verleende of geweigerde vergunningen met betrekking tot de in-, uit- en doorvoer van wapens. Artikel II.34, 1° van het bestuursdecreet formuleert een absolute uitzonderingsgrond. De vaststelling dat de openbaarmaking afbreuk doet aan de geheimhoudingsplicht volstaat om de aanvraag af te wijzen, zonder dat het belang van de openbaarheid daartegen kan worden ingebracht. De beroepsinstantie is bijgevolg van oordeel dat het departement BuZa volkomen terecht heeft verwezen naar de uitzonderingsgrond van artikel II.34, 1°, van het bestuursdecreet om de gevraagde overzichten te weigeren. Het beroepschrift moet dan ook als ongegrond worden beschouwd.”. De verwerende partij argumenteert in haar memorie van antwoord, op grond van het voorgaande, dat er in redelijkheid niet aan kan worden getwijfeld dat met artikel 50, § 4 van het Wapenhandeldecreet een geheimhoudingsplicht is ingesteld in de zin van artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet, zijnde een absolute uitzonderingsgrond en dat deze door het departement in acht is genomen die deze op het vlak van diverse schaderisico's XIV-38.064-14/30 heeft toegepast. Verzoeker vroeg de openbaarheid van alle verleende voorafgaande machtigingen (artikel 10 van het Wapenhandeldecreet) en van alle vergunningen (artikel 14 van hetzelfde decreet), telkens gekoppeld aan hun voorwerp, afgeleverd sinds de inwerkingtreding van het Wapenhandeldecreet, “d.i. sinds 30 juni 2012, ergo over een periode van meer dan zeven jaar”. Ten aanzien van zulke algemene openbaarheidsvraag komt het voor dat een verdere beoordeling in concreto met betrekking tot het risico van schade (waarvan imagoschade als materiële schade overigens, zoals het departement BuZa terecht voorhoudt, deel van uitmaakt) voor de betrokkenen, elk op zichzelf gezien (en per machtiging of vergunning), maar tevens in onderling verband of verbanden (weze dat concurrentieel, dan wel in onderlinge samenwerkingsverbanden tussen aanvragers) een volkomen onmogelijke zaak is. Het is juist deze “algemene, allesomvattende wijze waarop de openbaarheidsvraag werd gesteld (en dus het door de verzoekende partij gekozen systeem) die een verdere beoordeling in concreto voor de Beroepsinstantie onmogelijk maakte en waarvan die verzoekende partij nu zelf de gevolgen dient te ondergaan”. De omstandige verwijzingen naar andere landen waar verschillende regelgevingen in de bedoelde materie gelden, brengen niets bij ter ondersteuning van het middel. In haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij nog dat verzoeker “in het aandienen van het middel alleen artikel 32 van de Grondwet aanhaalt en pas in de ontwikkeling van het middel artikel II.34,1° van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 te pas brengt”. Voorts herneemt zij wat zij eerder in haar memorie van antwoord heeft uiteengezet. Zij benadrukt dat gelet op de gevraagde informatie zij achterblijft “met een spreidstand”. Ofwel wordt de imagoschade per gemachtigde resp. geregistreerde individueel onderzocht om tot een afdoende motivering te komen “ofwel is een motivering in algemene termen voldoende”. Een tussenweg is er volgens haar immers niet. Die tussenweg “was er wel geweest mocht de openbaarheidsvraag (zie het schrijven van 4 februari 2019, een periode van zeven

(7)jaar betreffende, voor alle voorafgaande machtigingen en alle registraties onder het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012) niet het alles omvattend karakter hebben gekend zoals thans voorliggend”. Zij merkt in haar XIV-38.064-15/30 laatste memorie nog op dat “de verwerende partij in haar memorie van antwoord het artikel II.42 van het Bestuursdecreet niet [heeft] ingeroepen en dat nu ook niet [doet]), vermits dan casus per casus wel kon worden onderzocht en beoordeeld vanuit de betrokken uitzonderingsgrond. Maar het is precies die tussenweg die door de aard en omvang van de vraag onmogelijk werd gemaakt”. Zij vervolgt dat “[n]u zonder onderzoek casus per casus in voorliggend specifiek geval onmogelijk blijkt en een zgn. algemene motivering volgens het Auditoraat onvoldoende is, houdt het standpunt van het Auditoraat in dat altijd positief te antwoorden is op een zo algemene openbaarheidsvraag als voorliggend. De algemene motivering, zoals in het bestreden besluit, zo komt het voor, is immers niet vatbaar voor aanvulling”. Beoordeling Betreffende de ontvankelijkheid van het middel 6. Verzoeker roept in zijn inleidend verzoekschrift de schending in van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. De formelemotiveringsplicht strekt ertoe de bestemmeling van een beslissing in kennis te stellen van de redenen waarom een bepaalde beslissing genomen is. Al houdt de toetsing van een bestreden beslissing aan de formelemotiveringsplicht in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven dan blijkt te dezen uit verzoekers uiteenzetting in zijn verzoekschrift duidelijk dat hij met de door hem aangevoerde schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 niet het gebrek aan uitdrukkelijke motivering aanvoert maar de verstrekte motivering inhoudelijk betwist omdat zij “niet afdoende is” en derhalve de beslissing materieel-inhoudelijk niet kan schragen. Het afdoend karakter van de motivering betekent immers dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Verzoeker voert aldus in wezen de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarbij er voor elke bestuurshandeling rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, overigens met dien verstande dat die naar XIV-38.064-16/30 eis van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 “afdoende” (en dus draagkrachtige) motieven krachtens artikel 2 van diezelfde wet - wat een individuele bestuursbeslissing als de bestredene betreft - , “uitdrukkelijk” in de akte zelf moeten worden opgenomen. De verwerende partij heeft het middel ook vanuit dit materieel-inhoudelijk oogpunt weerlegt, waardoor zij geenszins verschalkt is in haar mogelijkheid om verweer te voeren. De kritiek van de verwerende partij dat verzoeker de motieven kent, is te dezen dan ook in rechte niet relevant ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het middel. 7. Verzoeker zet voorts in zijn verzoekschrift wel degelijk en van meet af aan - ook al is dat niet “bij het aandienen van het middel in één zin”, wat overigens geen vereiste is -, op inzichtelijke wijze uiteen waarom, naar zijn oordeel, artikel 32 van de Grondwet is geschonden, met name “door de veel te brede interpretatie van de uitzonderingsgrond op basis van artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2021 op een onevenredige wijze inbreuk maakt op artikel 32 van de Grondwet en het daarin gegarandeerde grondrecht”. 8. De excepties zijn ongegrond. Wat de gegrondheid van het middel betreft 9. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de ordonnantie. Het Grondwettelijk Hof heeft uit de algemene omschrijving van deze grondwetsbepaling afgeleid dat de grondwetgever het recht op openbaarheid van de bestuursdocumenten heeft ingeschreven als een grondrecht. Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de XIV-38.064-17/30 voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd ( zie o.m. GwH 25 maart 1997, arrest nr. 17/97, B.2.1 en 2.2; GwH 15 september 2004, arrest nr. 150/2004, B.3.2.; GwH 19 december 2013, arrest nr. 169/2013, B.16.2; GwH 29 november 2018, arrest nr. 167/2018, B.7.2.3; GwH 12 maart 2020, arrest nr. 43/2020, B.39.6). De Raad van State heeft zich in verschillende arresten aangesloten bij deze rechtspraak. Elk beroep op een uitzonderingsbepaling moet zodoende concreet worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren. 10. Het algemene beginsel van de toegang tot bestuursdocumenten zoals vervat in artikel 32 van de Grondwet wordt ook tot uitdrukking gebracht met artikel II.31, eerste lid, van het Vlaamse Bestuursdecreet dat bepaalt dat de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, van datzelfde decreet verplicht zijn aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen. Ter uitvoering van artikel 32 van de Grondwet voorziet de Vlaamse decreetgever met de artikelen II.33 tot II.39 van het Bestuursdecreet in uitzonderingen op dit principieel recht. Artikel II.39, eerste lid, van dat Bestuursdecreet bepaalt inzake de in dat decreet vermelde uitzonderingsgronden op de openbaarheid uitdrukkelijk dat deze “geval per geval restrictief [worden] uitgelegd”. Artikel II.39, tweede lid, bepaalt voorts dat “[d]e uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, gelden met behoud van de toepassing van de andere uitzonderingen die bij de wet, het decreet of de ordonnantie bepaald zijn en die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid of andere gemeenschappen of gewesten.” XIV-38.064-18/30 De uitzonderingsgronden vervat in artikel II.34 van het Bestuursdecreet vormen een absolute uitzonderingsgrond. Krachtens artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet wijzen - tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie -, de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als: “1° de openbaarmaking afbreuk doet aan een geheimhoudingsverplichting, vastgesteld in een aangelegenheid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is.” In de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling leest men daarover dat “[d]e geheimhoudingsverplichting wel degelijk [dient] te zijn vastgelegd in een materie waarvoor de gemeenschap of het gewest bevoegd is. Dit kan dus in een decreet zijn geregeld, maar tevens in een federale wet, op voorwaarde dat het een aangelegenheid betreft die intussen is overgedragen naar de gemeenschappen of de gewesten. Ofschoon deze uitzondering duidelijk een absoluut karakter heeft en bijgevolg geen afwegingsproces vereist, dient deze uitzonderingsgrond bekeken te worden in het licht van de geheimhoudingsverplichtingen die in andere wetgeving bestaat, en de manier waarop deze geheimhouding is opgelegd. Deze uitzondering geldt niet voor milieu-informatie.” (Parl.St. Vl.Parl. 2002-03, nr. 1732/1, 25). Dat er geen belangenafweging dient plaats te vinden ingeval van toepassing van een decretale geheimhoudingsplicht zoals bedoeld in artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet, neemt niet weg dat de beslissing houdende (gehele of gedeeltelijke) weigering tot openbaarheid op grond van deze verplichte uitzonderingsgrond, in concreto, geval per geval, gemotiveerd moet worden. Het voorgaande impliceert dat te dezen uit de motivering van de bestreden beslissing dient te blijken in welke mate de opgevraagde gegevens wel of niet vallen onder deze uitzonderingsgrond, evenals in welke mate de toegang tot deze gegevens door verzoeker afbreuk zou doen aan de door de geheimhoudingsplicht geboden bescherming, te dezen “erover waken dat geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden” (zie infra). 11. De te dezen door de verwerende partij in de bestreden beslissing ingeroepen absolute uitzonderingsgrond betreft de geheimhoudingsplicht die is vervat in artikel 50, § 4 van het Wapenhandeldecreet. Artikel 50 van dat decreet dat XIV-38.064-19/30 ook voorziet in een actieve rapportering aan het Vlaams Parlement (zie infra), luidt in zijn geheel genomen als volgt: “§ 1. De Vlaamse Regering brengt ieder jaar verslag uit aan het Vlaams Parlement over de toepassing van dit decreet. Dat verslag bevat onder meer de volgende elementen : 1° de gegevens over de Vlaamse in-, uit- en doorvoer; 2° de gegevens over de Vlaamse overbrengingen; 3° de gegevens over de toegekende vrijstellingen; 4° de gegevens over de in-, uit- en doorvoer op Europees en wereldniveau; 5° de eventuele wijzigingen van de reglementering en de procedures in het Vlaamse Gewest; 6° de internationale en Europese initiatieven en embargo’s; 7° de maatregelen opgelegd met toepassing van artikel 43/1.]1 § 2. In het jaarlijks verslag, vermeld in paragraaf 1, brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over het gebruik van de algemene vergunningen, vermeld in artikel 14, § 2, en van globale vergunningen als vermeld in artikel 15. Per algemene vergunning wordt een overzicht gegeven van het aantal personen dat van de vergunning heeft gebruikgemaakt en van de totale waarde in euro van de verrichte overbrengingen, uitgesplitst in de lidstaat van bestemming, de categorie van de bestemmeling, het land van eindgebruik, als dat verschillend is van het land van bestemming, de categorie van de eindgebruiker, als die verschillend is van de bestemmeling, en de categorie van de defensiegerelateerde producten. Per globale vergunning wordt een overzicht gegeven van de totale waarde in euro van de verrichte overbrengingen, uitgesplitst in de lidstaat van bestemming, de categorie van de bestemmeling, het land van eindgebruik, als dat verschillend is van het land van bestemming, de categorie van de eindgebruiker, als die verschillend is van de bestemmeling, en de categorie van de defensiegerelateerde producten. § 3. In het jaarlijkse verslag, vermeld in paragraaf 1, en in een halfjaarlijks verslag brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over de toegekende vrijstellingen, over andere vergunningen die toegekend en geweigerd zijn dan de vergunningen, vermeld in paragraaf 2, en over de toegekende en geweigerde verlengingen van die vergunningen. Per land wordt een overzicht gegeven van het aantal vrijstellingen, vergunningen en verlengingen die zijn toegekend en geweigerd, en van de totale waarde daarvan in euro. Per toegekende vrijstelling en per toegekende of geweigerde vergunning of verlenging voor dat land worden vervolgens de volgende gegevens opgelijst: 1° de categorie van de defensiegerelateerde producten, het ander voor militair gebruik dienstig materiaal, het ordehandhavingsmateriaal, de civiele vuurwapens, de onderdelen of de munitie in kwestie; 2° het land van eindgebruik, als dat verschillend is van het land van bestemming; 3° de categorieën van de bestemmelingen; 4° de categorieën van de eindgebruikers, als die verschillend zijn van de bestemmelingen; 5 de waarde in euro van de vrijstelling, vergunning of verlenging; 6° als dat van toepassing is, het criterium of de criteria, vermeld in artikel 26 en 28, op basis waarvan de vergunning of verlenging is geweigerd]1. XIV-38.064-20/30 § 3/1. In het jaarlijkse verslag, vermeld in paragraaf 1, en in een halfjaarlijks verslag brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over de afgeleverde voorlopige adviezen, vermeld in artikel 9, § 1, en over de toegekende en geweigerde schriftelijke bevestigingen, vermeld in artikel 9, § 2. Per voorlopig advies worden vervolgens de volgende gegevens opgelijst: 1° het type van de aanvraag:
  1. a)in-, uit-, doorvoer of overbrenging;
  2. b)tijdelijke of definitieve in-, uit-, doorvoer of overbrenging; 2° de categorie van de defensiegerelateerde producten, het ander voor militair gebruik dienstig materiaal, of het ordehandhavingsmateriaal in kwestie; 3° de landen van afzending; 4 de landen van bestemming; 5° de landen van eindgebruik, als die verschillend zijn van de landen van bestemming; 6° de categorieën van de bestemmelingen; 7° de categorieën van de eindgebruikers, als die verschillend zijn van de bestemmelingen; 8° het positieve of negatieve oordeel over de voorgelegde in-, uit-, doorvoer of overbrenging; 9° als dat van toepassing is, het criterium of de criteria, vermeld in artikel 11, 26 en 28, waarop het negatieve oordeel is gebaseerd. Per toegekende en geweigerde schriftelijke bevestiging wordt vervolgens een technische beschrijving gegeven van de goederen waarvoor de schriftelijke bevestiging is gevraagd. § 3/2. Maandelijks wordt een verslag met een overzicht van de in de afgelopen maand toegekende vrijstellingen en de toegekende en geweigerde vergunningen en verlengingen gepubliceerd op de website van de Vlaamse overheid. Het verslag, vermeld in het eerste lid, bevat dezelfde gegevens als de gegevens, vermeld in paragraaf 2. § 4. Met behoud van de toepassing van de bovenstaande paragrafen, wordt erover gewaakt dat er geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden.”. 12. Het Vlaamse Bestuursdecreet voorziet tot slot ook in een aantal facultatieve uitzonderingsgronden. Zo bepaalt artikel II.33, 1°, van het Vlaamse Bestuursdecreet dat “[t]enzij het belang van de openbaarheid primeert, de overheidsinstanties een aanvraag mogen afwijzen als deze “kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42”. Bij een facultatieve uitzonderingsgrond heeft de overheid niet de verplichting om de openbaarheid te weigeren. Zij beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, waarbij zij na de afweging van de betrokken belangen beslist om al dan niet de bestuursdocumenten openbaar te maken. De aanvraag afwijzen mag, maar moet niet. In dat geval, vooraleer een afwijzingsbesluit te nemen, is het bestuur overeenkomstig artikel II.42 Bestuursdecreet evenwel XIV-38.064-21/30 verplicht om eerst aan de aanvrager te vragen om zijn of haar verzoek opnieuw te formuleren. 13. Te dezen, beoogt verzoeker een afschrift te bekomen van enerzijds een overzicht van rechtspersonen die een voorafgaande machtiging gekregen hebben, zoals voorzien in artikel 10 van de Wapenhandeldecreet en, anderzijds, van een overzicht van rechtspersonen die zich registreerden voor het gebruik van een algemene vergunning voor de overbrenging van defensiegerelateerde goederen, zoals voorzien in artikel 14, § 6, van het Wapenhandeldecreet (cfr. supra punt 3.1). Dit verzoek tot openbaarheid wordt geweigerd op grond van de geheimhoudingsplicht in artikel 50, § 4, Wapenhandeldecreet om te beletten dat er “informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden” (cfr. supra punt 3.3). Wanneer blijkt dat de openbaarheid de betrokken personen schade kan berokkenen, wat in concreto, geval per geval, moet worden beoordeeld op het ogenblik dat om inzage wordt gevraagd, moet het verzoek hiertoe worden verworpen, waarbij de bestuursinstantie voorts nog moet nagaan of het bestuursdocument gedeeltelijk openbaar mag worden gemaakt (cfr. artikel II.45, § 2 van het Bestuursdecreet). In de mate in de nota van het departement Buitenlandse Zaken - en daarmee in de bestreden beslissing die deze motivering bijtreedt -, wordt geoordeeld dat de weigering steun vindt in de openbaarheidsregeling zoals die is uitgewerkt in artikel 50, §§ 1-3/2 van het Wapenhandeldecreet (en de erbij aansluitende geheimhoudingsverplichting van artikel 50, §4) “dat erop is gericht identificatiegegevens van zowel natuurlijke personen als rechtspersonen buiten de openbaarheid te houden”, kan de verwerende partij niet worden bijgetreden. Het komt de decreetgever weliswaar toe in het kader van het voeren van een rapporteringsbeleid aan het Vlaamse Parlement over de wapenhandel en de toepassing van het Wapenhandeldecreet op een algemene wijze te voorzien in actieve openbaarheid van bestuur zoals hij heeft gedaan in artikel 50, XIV-38.064-22/30 §§ 1 tot 3/2 van het Wapenhandeldecreet. Een dergelijke door de decreetgever ingerichte actieve openbaarheidsregeling doet echter geen afbreuk aan de passieve openbaarheid van bestuur, zoals die voortvloeit uit artikel 32 van de Grondwet. Er valt dan ook niet in te zien waarom de burger voor de bestuursdocumenten (en de daarin vervatte gegevens) die op grond van een bijzondere actieve openbaarheidsregeling niet actief op - eigen initiatief van de overheid - worden vrijgegeven, waarover niet actief wordt gerapporteerd of die niet actief worden gecommuniceerd, niet zou kunnen raadplegen via de procedure die in uitvoering van artikel 32 van de Grondwet is geregeld in hoofdstuk 3 (“Toegang tot bestuursdocumenten) van titel II van het Vlaamse Bestuursdecreet zoals verzoeker ten deze doet (zie GwH, 12 maart 2020, arrest nr. 43/2020 van 2020, B.21.2). Het is in dat opzicht ook niet “vreemd” dat die - in zijn algemeenheid gemaakte - keuze inzake actieve openbaarheid wordt “overruled” naar aanleiding van een concreet verzoek om inzage in het kader van de uitoefening door een burger van zijn grondrecht op (passieve) openbaarheid van bestuur om inzage te verkrijgen in bestuursdocumenten onder de voorwaarden en met de beperkingen waarin (te dezen) de decreetgever heeft voorzien, met dien verstande uiteraard dat die voorwaarden en beperkingen ook bestaanbaar moeten zijn met het bepaalde in artikel 32 van de Grondwet. De decreetgever heeft dat ook zo begrepen, wat blijkt uit de wijze waarop de ingeroepen geheimhoudingsplicht zoals vervat in artikel 50 § 4, van het Wapenhandeldecreet is geredigeerd of, met andere woorden, “de manier waarop deze geheimhouding is opgelegd” (zie supra punt 10). Daarin wordt immers gesteld dat “met behoud van de toepassing van de bovenstaande paragrafen”, zijnde de actieve openbaarheid als uitgewerkt in artikel 50, §§ 1 tot 3/2, “erover [wordt] gewaakt dat er geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan worden berokkend”. Er staat dus niet dat er geen andere informatie wordt of kan worden meegedeeld dan deze waarover actief wordt gerapporteerd doch dat geen informatie zal worden meegedeeld “waardoor aan de betrokken personen schade kan worden berokkend”, XIV-38.064-23/30 wat meteen inhoudt conform de vaste rechtspraak inzake de absolute uitzonderingsgronden op de passieve openbaarheid van bestuur, dat zulks in concreto, geval per geval, moet worden beoordeeld en restrictief worden uitgelegd. Met een bij decreet uitgewerkte actieve openbaarheidsregeling kan immers geen afbreuk worden gedaan aan het aan eenieder grondwettelijk gewaarborgd recht op (passieve) openbaarheid van bestuur. Enkel in die zin sluit de geheimhoudingsplicht vervat in artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet aan bij het bepaalde in artikel II. 39, eerste lid (iuncto tweede lid), van het Bestuursdecreet waaruit volgt dat uitzonderingen op de openbaarheid “geval per geval restrictief [worden] uitgelegd”. 14. Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 43/2020 dat door het mogelijk te maken dat een wetgever kan bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van het beginsel van de administratieve transparantie de grondwetgever niet heeft uitgesloten dat de toegang tot bepaalde documenten aan voorwaarden wordt gekoppeld of wordt beperkt, voor zover die beperkingen redelijk verantwoord zijn en geen onevenredige gevolgen met zich meebrengen. In dat opzicht dient voorts te worden onderstreept, aldus het Grondwettelijk Hof, dat de administratieve transparantie bijdraagt tot het daadwerkelijke karakter van de uitoefening van het recht van beroep van de bestuurden voor de Raad van State of voor de justitiële gerechten. En het Grondwettelijk Hof vervolgt: “B.39.8. Wanneer de Grondwetgever artikel 32 van de Grondwet heeft aangenomen, is onderstreept dat de uitzonderingen op dat recht in beginsel een onderzoek geval per geval van de verschillende aanwezige belangen vereisen : « telkens [moet] in concreto het belang van de openbaarmaking […] worden afgewogen tegen het belang beschermd door een uitzonderingsgrond » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 839/1, p. 5). De Grondwetgever verduidelijkte vervolgens: « Wanneer bijvoorbeeld de veiligheid van de Staat een uitzonderingsgrond zou zijn, moet nagegaan worden of het verlenen van inzage in een bepaald document in concreto de veiligheid aantast of niet. Het is mogelijk dat dit op een bepaald moment wel het geval is terwijl hetzelfde document op een later tijdstip zonder enig probleem openbaar kan worden gemaakt » (ibid.). Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de Grondwetgever beperkingen op de toegang tot bestuursdocumenten toelaatbaar achtte, op voorwaarde dat er steeds een afweging plaatsvindt van het belang van de openbaarmaking van bestuursdocumenten tegen het belang dat wordt beschermd in de XIV-38.064-24/30 uitzonderingsgrond. Voorts is er steeds een beoordeling in concreto vereist om na te gaan of er een daadwerkelijke aantasting is van het beschermde belang en, indien die afweging nog niet door de wetgever zelf is gemaakt, om na te gaan of het belang van de openbaarheid opweegt tegen het beschermde belang.” Het Grondwettelijk Hof gaat in datzelfde arrest ook in op het te dezen relevante onderscheid tussen, eensdeels, de absolute uitzonderingsgronden zoals de geheimhoudingsplicht bedoeld in artikel II.34, 1° van het Bestuursdecreet en in artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet er een is en, anderdeels, de relatieve uitzonderingsgronden: “B.40.1. Het bestreden artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet, dat is overgenomen uit het vroegere artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 «betreffende de openbaarheid van bestuur», bevat uitzonderingsgronden. Krachtens die bepaling moeten de overheidsinstanties een aanvraag tot openbaarmaking afwijzen wanneer de aangevraagde informatie onder de daarin vermelde uitzonderingsgrond valt. Zoals is verduidelijkt in de in B.36 vermelde parlementaire voorbereiding, houdt het « absolute » karakter van de in artikel II.34 vermelde uitzonderingsgronden aldus in dat de overheidsinstantie geen belangenafweging moet doorvoeren tussen de door die uitzonderingsgronden beschermde belangen en het openbaar belang dat met de openbaarmaking van een bestuursdocument is gediend. De decreetgever heeft voor die uitzonderingsgronden zelf vastgesteld dat het beschermde belang steeds opweegt tegen het belang van de openbaarheid. De decreetgever heeft aldus een verschil in behandeling ingesteld tussen de personen die willen kennisnemen van bestuursdocumenten die onder een in artikel II.34 vermelde absolute uitzonderingsgrond ressorteren en personen die willen kennisnemen van bestuursdocumenten die onder in de artikelen II.35 en II.36 bedoelde relatieve uitzonderingsgronden ressorteren, waarvoor de overheidsinstantie zelf een belangenafweging moet doorvoeren tussen het beschermde belang en het belang van de openbaarmaking. Een dergelijk verschil in behandeling is op zich niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien dat verschil in behandeling een onevenredige beperking van het recht op toegang tot bestuursdocumenten met zich zou meebrengen. B.40.2. Het « absolute » karakter van de in artikel II.34 vermelde uitzonderingsgronden impliceert niet dat die uitzonderingsgronden systematisch kunnen worden aangevoerd en op een automatische wijze kunnen worden toegepast. Daarentegen dienen die uitzonderingsgronden beperkend te worden geïnterpreteerd, en dient de betrokken overheidsinstantie steeds in concreto te beoordelen of de openbaarmaking afbreuk doet aan één van die in die bepaling beschermde belangen. In die zin werd ook in de omzendbrief nr. 2006/26 van 1 december 2006 betreffende openbaarheid van bestuur, inzake de uitzonderingsgronden vermeld in het vroegere decreet van 26 maart 2004, uiteengezet dat « alle uitzonderingen […] in ieder geval strikt en limitatief te interpreteren [zijn] en de beoordeling […] in concreto [moet] plaatsvinden op het moment van de aanvraag om openbaarmaking ». Wat specifiek de « absolute » uitzonderingsgronden in het vroegere artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 betreft, die nagenoeg XIV-38.064-25/30 letterlijk werden overgenomen in het bestreden artikel II.34, werd in die omzendbrief verduidelijkt dat « deze absolute uitzonderingsgronden [niet] toelaten om zomaar bepaalde informatie niet openbaar te maken. De instanties zullen in concreto moeten aantonen dat de openbaarmaking afbreuk doet aan één van de hierna opgesomde belangen ». Ook de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State benadrukt dat « elk beroep op een uitzonderingsbepaling […] concreet [moet] worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren » (RvSt, 7 februari 2019, nr. 243.607). Wat in het bijzonder de « absolute » uitzonderingsgrond ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft (artikel II.34, 2°, van het bestreden decreet, voordien artikel 13, 2°, van het openbaarheidsdecreet van 26 maart 2004), stelt de Raad van State dat die uitzonderingsgrond ook een relatief aspect heeft: « Het volstaat […] niet die uitzonderingsgrond op abstracte wijze in te roepen om de openbaarmaking te weigeren. Vereist is dat concreet wordt nagegaan of de openbaarmaking op het ogenblik dat ze wordt gevraagd daadwerkelijk afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer » (RvSt, 2 mei 2016, nr. 234.609). B.40.3. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.40.2, doet artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op toegang tot bestuursdocumenten, zoals dat wordt gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”. De geheimhoudingsplicht zoals die is voorzien in het genoemde artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet vermag aldus evenmin op onevenredige wijze afbreuk te doen aan het recht op toegang tot bestuursdocumenten. Verzoeker erkent dat het om een absolute uitzonderingsgrond handelt, maar stelt dat de bestreden beslissing de weigering niet in concreto motiveert waarin de schade aan de betrokken personen bij openbaarmaking is gelegen. In de bestreden beslissing neemt de Beroepsinstantie de uitleg aan van het departement waarbij op algemene wijze “in abstracto” wordt gesteld : “Het gaat hier vooral over de mogelijkheid tot imagoschade en daaruit voortvloeiend het afschrikken van potentiële klanten, wat kan leiden tot financiële schade. … Overigens is het ook zo dat een aanvrager van een voorafgaande machtiging momenteel een gerechtvaardigd vertrouwen mag hebben dat zijn identificatiegegevens vertrouwelijk blijven.” XIV-38.064-26/30 15. Vooraf dient opgemerkt dat er kan worden aangenomen dat er een gewettigd vertrouwen bestaat in hoofde van de betrokken ondernemingen dat in de jaar- en maandverslagen waarbij de Vlaamse regering uit eigen beweging informatie openbaar maakt, geen andere (identificatie)gegevens worden meegedeeld dan deze bepaald in artikel 50, §§ 1-3/2. Zoals hiervoor onder punt 13 is uiteengezet, vermag een actieve openbaarheidsregeling geen afbreuk te doen aan het door artikel 32 van de Grondwet aan eenieder gewaarborgde recht op (passieve) openbaarheid van bestuur om inzage te krijgen in bestuursdocumenten. Aan die actieve openbaarheidsregeling kan dan ook geen rechtmatig vertrouwen worden ontleend dat gegevens, te dezen identificatiegegevens waarover niet actief wordt gerapporteerd in ieder geval, op elk ogenblik of systematisch ontoegankelijk zullen zijn. De passieve openbaarheid van bestuur is niet beperkt tot de gegevens in voormelde rapporteringsbepalingen, maar kan ook slaan op gegevens die niet zijn opgenomen in die verslagen. Hierover anders oordelen, zou een krachtens artikel 32 van de Grondwet ingediend verzoek tot openbaarheid van bestuur zinledig maken. Er kunnen dan immers geen andere gegevens worden meegedeeld dan deze die reeds door de Vlaamse regering zijn openbaar gemaakt. Een dergelijk “rechtmatig vertrouwen” kan evenmin worden ontleend aan de geheimhoudingsplicht van artikel 50, § 4. Het absoluut karakter van deze uitzonderingsgrond ontheft de verwerende partij immers niet van haar verplichting overeenkomstig artikel 32 van de Grondwet om de weigering tot inzage aan verzoeker te verlenen in concreto, en niet in abstracto te motiveren. Om dezelfde reden kan evenmin worden aangenomen dat een gebeurlijke openbaarmaking negatieve gevolgen zou hebben voor de vertrouwensrelatie tussen de betrokken bedrijven en de overheid. Weliswaar kan die vertrouwensrelatie worden geschaad wanneer de geheimhoudingsplicht wordt miskend maar, zoals hoger is uiteengezet, ontheft de geheimhoudingsplicht de bevoegde overheidsinstantie er niet van de weigeringsbeslissing op afdoende wijze te motiveren waaraan een concrete beoordeling voorafgaat om na te gaan of de voorwaarde (geen schade aan de betrokken personen berokkenen) ook effectief is vervuld. Het kan mogelijks juist zijn dat de openbaarheid van de gevraagde XIV-38.064-27/30 openbaarheid tot imagoschade en bijgevolg financiële schade leidt doch in de bestreden beslissing wordt nergens concreet uiteengezet waarin die imagoschade in het licht van de gevraagde gegevens voor de betrokken rechtspersonen dan wel bestaat. Evenmin wordt aangetoond hoe de gevraagde openbaarheid deze schade zou kunnen veroorzaken. De verwerende partij kan zich niet verschuilen achter de algemene, allesomvattende wijze waarop de openbaarheidsvraag werd gesteld om geen verdere beoordeling in concreto te geven of deze motivering als “onmogelijk” te beschouwen (zie nog infra punt 16). Alhoewel de verplichting om afdoende te motiveren, niet perse met zich meebrengt dat voor elke rechtspersoon die een voorafgaande machtiging heeft gekregen of die zich heeft geregistreerd een aparte motivering moet worden opgenomen - er kan bijvoorbeeld worden overwogen met categorieën van (vergelijkbare) gevallen te werken -, is de gegeven motivering hoe dan ook te algemeen geformuleerd. Overigens is daarmee niet gezegd dat het onderzoek naar de toepassing van de uitzonderingsgrond (met name geen openbaarheid ingeval van schade voor de betrokken personen) niet, geval per geval, dit is per gemachtigde of per geregistreerde moet plaats vinden. Dat onderzoek, geval per geval, is wel degelijk vereist en moet ook kunnen blijken, minstens uit de stukken van het administratief dossier. Niets belet overigens dat daarvan een vertrouwelijk exemplaar wordt neergelegd ten behoeve van de (beoordeling door
  3. de)Raad van State. In haar laatste memorie lijkt de verwerende partij overigens wel te erkennen dat wel “casus per casus kon worden onderzocht en beoordeeld vanuit de betrokken uitzonderingsgrond”, wat haar te dezen echter “door de aard en omvang van de vraag onmogelijk werd gemaakt”. 16. In de mate de verwerende partij voor het eerst in de memorie van antwoord aanvoert dat de openbaarheidsvraag te algemeen werd geformuleerd “nu verzoeker de openbaarheid vroeg van alle verleende voorafgaande machtigingen (artikel 10 van het Wapenhandeldecreet) en van alle vergunningen (artikel 14 van hetzelfde decreet), telkens gekoppeld aan hun voorwerp, afgeleverd sinds de inwerkingtreding van het Wapenhandeldecreet, d.i. sinds 30 juni 2012, ergo over XIV-38.064-28/30 een periode van meer dan zeven jaar”, moet worden vastgesteld dat dit een a posteriori motivering uitmaakt, waar de Raad van State geen rekening mee kan houden. Die uitleg die de verwerende partij achteraf geeft, kan de onregelmatigheid van de motivering van de bestreden beslissing niet goedmaken. De motieven moeten immers (minstens) in het administratief dossier kunnen worden gevonden, wat hier niet het geval is. Tot slot, in de mate de verwerende partij in haar laatste memorie daaromtrent stelt dat zij niet de bedoeling had of heeft een beroep te doen op artikel II.42 van het Bestuursdecreet, kan dat de Raad van State niet beletten vast te stellen dat de argumentatie in de memorie van antwoord dat “[t]en aanzien van zulke algemene openbaarheidsvraag het voor[komt] dat een verdere beoordeling in concreto met betrekking tot het risico van schade (waarvan imagoschade als materiële schade overigens, zoals het departement BuZa terecht voorhoudt, deel van uitmaakt) voor de betrokkenen, elk op zichzelf gezien (en per machtiging of vergunning), maar tevens in onderling verband of verbanden […] een volkomen onmogelijke zaak is”, veeleer moet worden gerelateerd aan de facultatieve uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet. De verwerende partij bestrijdt overigens niet dat die argumentatie wel degelijk kan worden betrokken op genoemd artikel II.33, 1°. De Raad van State kan dan enkel vaststellen dat in dat geval, met name “als de aanvraag kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd” artikel II.42 van het Bestuursdecreet de bestuursinstantie er alsdan toe verplicht - het gaat er derhalve niet om dat de verwerende partij zich al dan niet op het bepaalde in artikel II.42 “wil” beroepen - alvorens de aanvraag af te wijzen, de aanvrager zo spoedig mogelijk, en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen, te verzoeken om zijn aanvraag te specificeren of te vervolledigen, wat hier niet is gebeurd. 17. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING XIV-38.064-29/30 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Vlaamse Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur van 25 maart 2019 (met referentie OVB/2019/33) waarbij het “beroepschrift van [verzoeker] d.d. 12 februari 2019 tegen de weigeringsbeslissing van het departement BuZa als ontvankelijk en ongegrond [wordt] beschouwd”. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.064-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.