id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.486 Rolnummer: A. 228197/XIV-38064 Zaak: Arrest 254486 - Wapens - 14/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 07:25 Fiche Arrest nr 254.486 van 14 september 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.486 van 14 september 2022 in de zaak A.228.197/XIV-38.064 In zake : Hans LAMMERANT wonende te 9040 Gent Aannemersstraat 11 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing nr. OVB/2019/33 van de Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur, van 25 maart 2019, houdende weigering van een afschrift van bestuursdocumenten. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. XIV-38.064-1/30 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sara Van Genechte, die loco advocaat Sohari Verstraeten verschijnt voor verzoeker, en Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker richt op 4 februari 2019 aan het departement Buitenlandse Zaken bij de Vlaamse Overheid een verzoek om een afschrift te bekomen van (
(7)jaar betreffende, voor alle voorafgaande machtigingen en alle registraties onder het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2012) niet het alles omvattend karakter hebben gekend zoals thans voorliggend”. Zij merkt in haar XIV-38.064-15/30 laatste memorie nog op dat “de verwerende partij in haar memorie van antwoord het artikel II.42 van het Bestuursdecreet niet [heeft] ingeroepen en dat nu ook niet [doet]), vermits dan casus per casus wel kon worden onderzocht en beoordeeld vanuit de betrokken uitzonderingsgrond. Maar het is precies die tussenweg die door de aard en omvang van de vraag onmogelijk werd gemaakt”. Zij vervolgt dat “[n]u zonder onderzoek casus per casus in voorliggend specifiek geval onmogelijk blijkt en een zgn. algemene motivering volgens het Auditoraat onvoldoende is, houdt het standpunt van het Auditoraat in dat altijd positief te antwoorden is op een zo algemene openbaarheidsvraag als voorliggend. De algemene motivering, zoals in het bestreden besluit, zo komt het voor, is immers niet vatbaar voor aanvulling”. Beoordeling Betreffende de ontvankelijkheid van het middel 6. Verzoeker roept in zijn inleidend verzoekschrift de schending in van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. De formelemotiveringsplicht strekt ertoe de bestemmeling van een beslissing in kennis te stellen van de redenen waarom een bepaalde beslissing genomen is. Al houdt de toetsing van een bestreden beslissing aan de formelemotiveringsplicht in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven dan blijkt te dezen uit verzoekers uiteenzetting in zijn verzoekschrift duidelijk dat hij met de door hem aangevoerde schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 niet het gebrek aan uitdrukkelijke motivering aanvoert maar de verstrekte motivering inhoudelijk betwist omdat zij “niet afdoende is” en derhalve de beslissing materieel-inhoudelijk niet kan schragen. Het afdoend karakter van de motivering betekent immers dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Verzoeker voert aldus in wezen de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarbij er voor elke bestuurshandeling rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, overigens met dien verstande dat die naar XIV-38.064-16/30 eis van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 “afdoende” (en dus draagkrachtige) motieven krachtens artikel 2 van diezelfde wet - wat een individuele bestuursbeslissing als de bestredene betreft - , “uitdrukkelijk” in de akte zelf moeten worden opgenomen. De verwerende partij heeft het middel ook vanuit dit materieel-inhoudelijk oogpunt weerlegt, waardoor zij geenszins verschalkt is in haar mogelijkheid om verweer te voeren. De kritiek van de verwerende partij dat verzoeker de motieven kent, is te dezen dan ook in rechte niet relevant ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het middel. 7. Verzoeker zet voorts in zijn verzoekschrift wel degelijk en van meet af aan - ook al is dat niet “bij het aandienen van het middel in één zin”, wat overigens geen vereiste is -, op inzichtelijke wijze uiteen waarom, naar zijn oordeel, artikel 32 van de Grondwet is geschonden, met name “door de veel te brede interpretatie van de uitzonderingsgrond op basis van artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet van 15 juni 2021 op een onevenredige wijze inbreuk maakt op artikel 32 van de Grondwet en het daarin gegarandeerde grondrecht”. 8. De excepties zijn ongegrond. Wat de gegrondheid van het middel betreft 9. Artikel 32 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de ordonnantie. Het Grondwettelijk Hof heeft uit de algemene omschrijving van deze grondwetsbepaling afgeleid dat de grondwetgever het recht op openbaarheid van de bestuursdocumenten heeft ingeschreven als een grondrecht. Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de XIV-38.064-17/30 voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd ( zie o.m. GwH 25 maart 1997, arrest nr. 17/97, B.2.1 en 2.2; GwH 15 september 2004, arrest nr. 150/2004, B.3.2.; GwH 19 december 2013, arrest nr. 169/2013, B.16.2; GwH 29 november 2018, arrest nr. 167/2018, B.7.2.3; GwH 12 maart 2020, arrest nr. 43/2020, B.39.6). De Raad van State heeft zich in verschillende arresten aangesloten bij deze rechtspraak. Elk beroep op een uitzonderingsbepaling moet zodoende concreet worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren. 10. Het algemene beginsel van de toegang tot bestuursdocumenten zoals vervat in artikel 32 van de Grondwet wordt ook tot uitdrukking gebracht met artikel II.31, eerste lid, van het Vlaamse Bestuursdecreet dat bepaalt dat de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, van datzelfde decreet verplicht zijn aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen. Ter uitvoering van artikel 32 van de Grondwet voorziet de Vlaamse decreetgever met de artikelen II.33 tot II.39 van het Bestuursdecreet in uitzonderingen op dit principieel recht. Artikel II.39, eerste lid, van dat Bestuursdecreet bepaalt inzake de in dat decreet vermelde uitzonderingsgronden op de openbaarheid uitdrukkelijk dat deze “geval per geval restrictief [worden] uitgelegd”. Artikel II.39, tweede lid, bepaalt voorts dat “[d]e uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, gelden met behoud van de toepassing van de andere uitzonderingen die bij de wet, het decreet of de ordonnantie bepaald zijn en die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid of andere gemeenschappen of gewesten.” XIV-38.064-18/30 De uitzonderingsgronden vervat in artikel II.34 van het Bestuursdecreet vormen een absolute uitzonderingsgrond. Krachtens artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet wijzen - tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie -, de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als: “1° de openbaarmaking afbreuk doet aan een geheimhoudingsverplichting, vastgesteld in een aangelegenheid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is.” In de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling leest men daarover dat “[d]e geheimhoudingsverplichting wel degelijk [dient] te zijn vastgelegd in een materie waarvoor de gemeenschap of het gewest bevoegd is. Dit kan dus in een decreet zijn geregeld, maar tevens in een federale wet, op voorwaarde dat het een aangelegenheid betreft die intussen is overgedragen naar de gemeenschappen of de gewesten. Ofschoon deze uitzondering duidelijk een absoluut karakter heeft en bijgevolg geen afwegingsproces vereist, dient deze uitzonderingsgrond bekeken te worden in het licht van de geheimhoudingsverplichtingen die in andere wetgeving bestaat, en de manier waarop deze geheimhouding is opgelegd. Deze uitzondering geldt niet voor milieu-informatie.” (Parl.St. Vl.Parl. 2002-03, nr. 1732/1, 25). Dat er geen belangenafweging dient plaats te vinden ingeval van toepassing van een decretale geheimhoudingsplicht zoals bedoeld in artikel II.34, 1°, van het Bestuursdecreet, neemt niet weg dat de beslissing houdende (gehele of gedeeltelijke) weigering tot openbaarheid op grond van deze verplichte uitzonderingsgrond, in concreto, geval per geval, gemotiveerd moet worden. Het voorgaande impliceert dat te dezen uit de motivering van de bestreden beslissing dient te blijken in welke mate de opgevraagde gegevens wel of niet vallen onder deze uitzonderingsgrond, evenals in welke mate de toegang tot deze gegevens door verzoeker afbreuk zou doen aan de door de geheimhoudingsplicht geboden bescherming, te dezen “erover waken dat geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden” (zie infra). 11. De te dezen door de verwerende partij in de bestreden beslissing ingeroepen absolute uitzonderingsgrond betreft de geheimhoudingsplicht die is vervat in artikel 50, § 4 van het Wapenhandeldecreet. Artikel 50 van dat decreet dat XIV-38.064-19/30 ook voorziet in een actieve rapportering aan het Vlaams Parlement (zie infra), luidt in zijn geheel genomen als volgt: “§ 1. De Vlaamse Regering brengt ieder jaar verslag uit aan het Vlaams Parlement over de toepassing van dit decreet. Dat verslag bevat onder meer de volgende elementen : 1° de gegevens over de Vlaamse in-, uit- en doorvoer; 2° de gegevens over de Vlaamse overbrengingen; 3° de gegevens over de toegekende vrijstellingen; 4° de gegevens over de in-, uit- en doorvoer op Europees en wereldniveau; 5° de eventuele wijzigingen van de reglementering en de procedures in het Vlaamse Gewest; 6° de internationale en Europese initiatieven en embargo’s; 7° de maatregelen opgelegd met toepassing van artikel 43/1.]1 § 2. In het jaarlijks verslag, vermeld in paragraaf 1, brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over het gebruik van de algemene vergunningen, vermeld in artikel 14, § 2, en van globale vergunningen als vermeld in artikel 15. Per algemene vergunning wordt een overzicht gegeven van het aantal personen dat van de vergunning heeft gebruikgemaakt en van de totale waarde in euro van de verrichte overbrengingen, uitgesplitst in de lidstaat van bestemming, de categorie van de bestemmeling, het land van eindgebruik, als dat verschillend is van het land van bestemming, de categorie van de eindgebruiker, als die verschillend is van de bestemmeling, en de categorie van de defensiegerelateerde producten. Per globale vergunning wordt een overzicht gegeven van de totale waarde in euro van de verrichte overbrengingen, uitgesplitst in de lidstaat van bestemming, de categorie van de bestemmeling, het land van eindgebruik, als dat verschillend is van het land van bestemming, de categorie van de eindgebruiker, als die verschillend is van de bestemmeling, en de categorie van de defensiegerelateerde producten. § 3. In het jaarlijkse verslag, vermeld in paragraaf 1, en in een halfjaarlijks verslag brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over de toegekende vrijstellingen, over andere vergunningen die toegekend en geweigerd zijn dan de vergunningen, vermeld in paragraaf 2, en over de toegekende en geweigerde verlengingen van die vergunningen. Per land wordt een overzicht gegeven van het aantal vrijstellingen, vergunningen en verlengingen die zijn toegekend en geweigerd, en van de totale waarde daarvan in euro. Per toegekende vrijstelling en per toegekende of geweigerde vergunning of verlenging voor dat land worden vervolgens de volgende gegevens opgelijst: 1° de categorie van de defensiegerelateerde producten, het ander voor militair gebruik dienstig materiaal, het ordehandhavingsmateriaal, de civiele vuurwapens, de onderdelen of de munitie in kwestie; 2° het land van eindgebruik, als dat verschillend is van het land van bestemming; 3° de categorieën van de bestemmelingen; 4° de categorieën van de eindgebruikers, als die verschillend zijn van de bestemmelingen; 5 de waarde in euro van de vrijstelling, vergunning of verlenging; 6° als dat van toepassing is, het criterium of de criteria, vermeld in artikel 26 en 28, op basis waarvan de vergunning of verlenging is geweigerd]1. XIV-38.064-20/30 § 3/1. In het jaarlijkse verslag, vermeld in paragraaf 1, en in een halfjaarlijks verslag brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over de afgeleverde voorlopige adviezen, vermeld in artikel 9, § 1, en over de toegekende en geweigerde schriftelijke bevestigingen, vermeld in artikel 9, § 2. Per voorlopig advies worden vervolgens de volgende gegevens opgelijst: 1° het type van de aanvraag:
- a)in-, uit-, doorvoer of overbrenging;
- b)tijdelijke of definitieve in-, uit-, doorvoer of overbrenging; 2° de categorie van de defensiegerelateerde producten, het ander voor militair gebruik dienstig materiaal, of het ordehandhavingsmateriaal in kwestie; 3° de landen van afzending; 4 de landen van bestemming; 5° de landen van eindgebruik, als die verschillend zijn van de landen van bestemming; 6° de categorieën van de bestemmelingen; 7° de categorieën van de eindgebruikers, als die verschillend zijn van de bestemmelingen; 8° het positieve of negatieve oordeel over de voorgelegde in-, uit-, doorvoer of overbrenging; 9° als dat van toepassing is, het criterium of de criteria, vermeld in artikel 11, 26 en 28, waarop het negatieve oordeel is gebaseerd. Per toegekende en geweigerde schriftelijke bevestiging wordt vervolgens een technische beschrijving gegeven van de goederen waarvoor de schriftelijke bevestiging is gevraagd. § 3/2. Maandelijks wordt een verslag met een overzicht van de in de afgelopen maand toegekende vrijstellingen en de toegekende en geweigerde vergunningen en verlengingen gepubliceerd op de website van de Vlaamse overheid. Het verslag, vermeld in het eerste lid, bevat dezelfde gegevens als de gegevens, vermeld in paragraaf 2. § 4. Met behoud van de toepassing van de bovenstaande paragrafen, wordt erover gewaakt dat er geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden.”. 12. Het Vlaamse Bestuursdecreet voorziet tot slot ook in een aantal facultatieve uitzonderingsgronden. Zo bepaalt artikel II.33, 1°, van het Vlaamse Bestuursdecreet dat “[t]enzij het belang van de openbaarheid primeert, de overheidsinstanties een aanvraag mogen afwijzen als deze “kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42”. Bij een facultatieve uitzonderingsgrond heeft de overheid niet de verplichting om de openbaarheid te weigeren. Zij beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, waarbij zij na de afweging van de betrokken belangen beslist om al dan niet de bestuursdocumenten openbaar te maken. De aanvraag afwijzen mag, maar moet niet. In dat geval, vooraleer een afwijzingsbesluit te nemen, is het bestuur overeenkomstig artikel II.42 Bestuursdecreet evenwel XIV-38.064-21/30 verplicht om eerst aan de aanvrager te vragen om zijn of haar verzoek opnieuw te formuleren. 13. Te dezen, beoogt verzoeker een afschrift te bekomen van enerzijds een overzicht van rechtspersonen die een voorafgaande machtiging gekregen hebben, zoals voorzien in artikel 10 van de Wapenhandeldecreet en, anderzijds, van een overzicht van rechtspersonen die zich registreerden voor het gebruik van een algemene vergunning voor de overbrenging van defensiegerelateerde goederen, zoals voorzien in artikel 14, § 6, van het Wapenhandeldecreet (cfr. supra punt 3.1). Dit verzoek tot openbaarheid wordt geweigerd op grond van de geheimhoudingsplicht in artikel 50, § 4, Wapenhandeldecreet om te beletten dat er “informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan berokkend worden” (cfr. supra punt 3.3). Wanneer blijkt dat de openbaarheid de betrokken personen schade kan berokkenen, wat in concreto, geval per geval, moet worden beoordeeld op het ogenblik dat om inzage wordt gevraagd, moet het verzoek hiertoe worden verworpen, waarbij de bestuursinstantie voorts nog moet nagaan of het bestuursdocument gedeeltelijk openbaar mag worden gemaakt (cfr. artikel II.45, § 2 van het Bestuursdecreet). In de mate in de nota van het departement Buitenlandse Zaken - en daarmee in de bestreden beslissing die deze motivering bijtreedt -, wordt geoordeeld dat de weigering steun vindt in de openbaarheidsregeling zoals die is uitgewerkt in artikel 50, §§ 1-3/2 van het Wapenhandeldecreet (en de erbij aansluitende geheimhoudingsverplichting van artikel 50, §4) “dat erop is gericht identificatiegegevens van zowel natuurlijke personen als rechtspersonen buiten de openbaarheid te houden”, kan de verwerende partij niet worden bijgetreden. Het komt de decreetgever weliswaar toe in het kader van het voeren van een rapporteringsbeleid aan het Vlaamse Parlement over de wapenhandel en de toepassing van het Wapenhandeldecreet op een algemene wijze te voorzien in actieve openbaarheid van bestuur zoals hij heeft gedaan in artikel 50, XIV-38.064-22/30 §§ 1 tot 3/2 van het Wapenhandeldecreet. Een dergelijke door de decreetgever ingerichte actieve openbaarheidsregeling doet echter geen afbreuk aan de passieve openbaarheid van bestuur, zoals die voortvloeit uit artikel 32 van de Grondwet. Er valt dan ook niet in te zien waarom de burger voor de bestuursdocumenten (en de daarin vervatte gegevens) die op grond van een bijzondere actieve openbaarheidsregeling niet actief op - eigen initiatief van de overheid - worden vrijgegeven, waarover niet actief wordt gerapporteerd of die niet actief worden gecommuniceerd, niet zou kunnen raadplegen via de procedure die in uitvoering van artikel 32 van de Grondwet is geregeld in hoofdstuk 3 (“Toegang tot bestuursdocumenten) van titel II van het Vlaamse Bestuursdecreet zoals verzoeker ten deze doet (zie GwH, 12 maart 2020, arrest nr. 43/2020 van 2020, B.21.2). Het is in dat opzicht ook niet “vreemd” dat die - in zijn algemeenheid gemaakte - keuze inzake actieve openbaarheid wordt “overruled” naar aanleiding van een concreet verzoek om inzage in het kader van de uitoefening door een burger van zijn grondrecht op (passieve) openbaarheid van bestuur om inzage te verkrijgen in bestuursdocumenten onder de voorwaarden en met de beperkingen waarin (te dezen) de decreetgever heeft voorzien, met dien verstande uiteraard dat die voorwaarden en beperkingen ook bestaanbaar moeten zijn met het bepaalde in artikel 32 van de Grondwet. De decreetgever heeft dat ook zo begrepen, wat blijkt uit de wijze waarop de ingeroepen geheimhoudingsplicht zoals vervat in artikel 50 § 4, van het Wapenhandeldecreet is geredigeerd of, met andere woorden, “de manier waarop deze geheimhouding is opgelegd” (zie supra punt 10). Daarin wordt immers gesteld dat “met behoud van de toepassing van de bovenstaande paragrafen”, zijnde de actieve openbaarheid als uitgewerkt in artikel 50, §§ 1 tot 3/2, “erover [wordt] gewaakt dat er geen informatie zal worden meegedeeld waardoor aan de betrokken personen schade kan worden berokkend”. Er staat dus niet dat er geen andere informatie wordt of kan worden meegedeeld dan deze waarover actief wordt gerapporteerd doch dat geen informatie zal worden meegedeeld “waardoor aan de betrokken personen schade kan worden berokkend”, XIV-38.064-23/30 wat meteen inhoudt conform de vaste rechtspraak inzake de absolute uitzonderingsgronden op de passieve openbaarheid van bestuur, dat zulks in concreto, geval per geval, moet worden beoordeeld en restrictief worden uitgelegd. Met een bij decreet uitgewerkte actieve openbaarheidsregeling kan immers geen afbreuk worden gedaan aan het aan eenieder grondwettelijk gewaarborgd recht op (passieve) openbaarheid van bestuur. Enkel in die zin sluit de geheimhoudingsplicht vervat in artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet aan bij het bepaalde in artikel II. 39, eerste lid (iuncto tweede lid), van het Bestuursdecreet waaruit volgt dat uitzonderingen op de openbaarheid “geval per geval restrictief [worden] uitgelegd”. 14. Zo oordeelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 43/2020 dat door het mogelijk te maken dat een wetgever kan bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van het beginsel van de administratieve transparantie de grondwetgever niet heeft uitgesloten dat de toegang tot bepaalde documenten aan voorwaarden wordt gekoppeld of wordt beperkt, voor zover die beperkingen redelijk verantwoord zijn en geen onevenredige gevolgen met zich meebrengen. In dat opzicht dient voorts te worden onderstreept, aldus het Grondwettelijk Hof, dat de administratieve transparantie bijdraagt tot het daadwerkelijke karakter van de uitoefening van het recht van beroep van de bestuurden voor de Raad van State of voor de justitiële gerechten. En het Grondwettelijk Hof vervolgt: “B.39.8. Wanneer de Grondwetgever artikel 32 van de Grondwet heeft aangenomen, is onderstreept dat de uitzonderingen op dat recht in beginsel een onderzoek geval per geval van de verschillende aanwezige belangen vereisen : « telkens [moet] in concreto het belang van de openbaarmaking […] worden afgewogen tegen het belang beschermd door een uitzonderingsgrond » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 839/1, p. 5). De Grondwetgever verduidelijkte vervolgens: « Wanneer bijvoorbeeld de veiligheid van de Staat een uitzonderingsgrond zou zijn, moet nagegaan worden of het verlenen van inzage in een bepaald document in concreto de veiligheid aantast of niet. Het is mogelijk dat dit op een bepaald moment wel het geval is terwijl hetzelfde document op een later tijdstip zonder enig probleem openbaar kan worden gemaakt » (ibid.). Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de Grondwetgever beperkingen op de toegang tot bestuursdocumenten toelaatbaar achtte, op voorwaarde dat er steeds een afweging plaatsvindt van het belang van de openbaarmaking van bestuursdocumenten tegen het belang dat wordt beschermd in de XIV-38.064-24/30 uitzonderingsgrond. Voorts is er steeds een beoordeling in concreto vereist om na te gaan of er een daadwerkelijke aantasting is van het beschermde belang en, indien die afweging nog niet door de wetgever zelf is gemaakt, om na te gaan of het belang van de openbaarheid opweegt tegen het beschermde belang.” Het Grondwettelijk Hof gaat in datzelfde arrest ook in op het te dezen relevante onderscheid tussen, eensdeels, de absolute uitzonderingsgronden zoals de geheimhoudingsplicht bedoeld in artikel II.34, 1° van het Bestuursdecreet en in artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet er een is en, anderdeels, de relatieve uitzonderingsgronden: “B.40.1. Het bestreden artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet, dat is overgenomen uit het vroegere artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 «betreffende de openbaarheid van bestuur», bevat uitzonderingsgronden. Krachtens die bepaling moeten de overheidsinstanties een aanvraag tot openbaarmaking afwijzen wanneer de aangevraagde informatie onder de daarin vermelde uitzonderingsgrond valt. Zoals is verduidelijkt in de in B.36 vermelde parlementaire voorbereiding, houdt het « absolute » karakter van de in artikel II.34 vermelde uitzonderingsgronden aldus in dat de overheidsinstantie geen belangenafweging moet doorvoeren tussen de door die uitzonderingsgronden beschermde belangen en het openbaar belang dat met de openbaarmaking van een bestuursdocument is gediend. De decreetgever heeft voor die uitzonderingsgronden zelf vastgesteld dat het beschermde belang steeds opweegt tegen het belang van de openbaarheid. De decreetgever heeft aldus een verschil in behandeling ingesteld tussen de personen die willen kennisnemen van bestuursdocumenten die onder een in artikel II.34 vermelde absolute uitzonderingsgrond ressorteren en personen die willen kennisnemen van bestuursdocumenten die onder in de artikelen II.35 en II.36 bedoelde relatieve uitzonderingsgronden ressorteren, waarvoor de overheidsinstantie zelf een belangenafweging moet doorvoeren tussen het beschermde belang en het belang van de openbaarmaking. Een dergelijk verschil in behandeling is op zich niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien dat verschil in behandeling een onevenredige beperking van het recht op toegang tot bestuursdocumenten met zich zou meebrengen. B.40.2. Het « absolute » karakter van de in artikel II.34 vermelde uitzonderingsgronden impliceert niet dat die uitzonderingsgronden systematisch kunnen worden aangevoerd en op een automatische wijze kunnen worden toegepast. Daarentegen dienen die uitzonderingsgronden beperkend te worden geïnterpreteerd, en dient de betrokken overheidsinstantie steeds in concreto te beoordelen of de openbaarmaking afbreuk doet aan één van die in die bepaling beschermde belangen. In die zin werd ook in de omzendbrief nr. 2006/26 van 1 december 2006 betreffende openbaarheid van bestuur, inzake de uitzonderingsgronden vermeld in het vroegere decreet van 26 maart 2004, uiteengezet dat « alle uitzonderingen […] in ieder geval strikt en limitatief te interpreteren [zijn] en de beoordeling […] in concreto [moet] plaatsvinden op het moment van de aanvraag om openbaarmaking ». Wat specifiek de « absolute » uitzonderingsgronden in het vroegere artikel 13 van het decreet van 26 maart 2004 betreft, die nagenoeg XIV-38.064-25/30 letterlijk werden overgenomen in het bestreden artikel II.34, werd in die omzendbrief verduidelijkt dat « deze absolute uitzonderingsgronden [niet] toelaten om zomaar bepaalde informatie niet openbaar te maken. De instanties zullen in concreto moeten aantonen dat de openbaarmaking afbreuk doet aan één van de hierna opgesomde belangen ». Ook de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State benadrukt dat « elk beroep op een uitzonderingsbepaling […] concreet [moet] worden gemotiveerd met verwijzing naar de specifieke gegevens, eigen aan de zaak. Geen enkele uitzonderingsgrond kan de grondslag vormen om aan een bestuurde systematisch de openbaarheid van bestuur te weigeren » (RvSt, 7 februari 2019, nr. 243.607). Wat in het bijzonder de « absolute » uitzonderingsgrond ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft (artikel II.34, 2°, van het bestreden decreet, voordien artikel 13, 2°, van het openbaarheidsdecreet van 26 maart 2004), stelt de Raad van State dat die uitzonderingsgrond ook een relatief aspect heeft: « Het volstaat […] niet die uitzonderingsgrond op abstracte wijze in te roepen om de openbaarmaking te weigeren. Vereist is dat concreet wordt nagegaan of de openbaarmaking op het ogenblik dat ze wordt gevraagd daadwerkelijk afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer » (RvSt, 2 mei 2016, nr. 234.609). B.40.3. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.40.2, doet artikel II.34 van het Vlaamse Bestuursdecreet niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op toegang tot bestuursdocumenten, zoals dat wordt gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.”. De geheimhoudingsplicht zoals die is voorzien in het genoemde artikel 50, § 4, van het Wapenhandeldecreet vermag aldus evenmin op onevenredige wijze afbreuk te doen aan het recht op toegang tot bestuursdocumenten. Verzoeker erkent dat het om een absolute uitzonderingsgrond handelt, maar stelt dat de bestreden beslissing de weigering niet in concreto motiveert waarin de schade aan de betrokken personen bij openbaarmaking is gelegen. In de bestreden beslissing neemt de Beroepsinstantie de uitleg aan van het departement waarbij op algemene wijze “in abstracto” wordt gesteld : “Het gaat hier vooral over de mogelijkheid tot imagoschade en daaruit voortvloeiend het afschrikken van potentiële klanten, wat kan leiden tot financiële schade. … Overigens is het ook zo dat een aanvrager van een voorafgaande machtiging momenteel een gerechtvaardigd vertrouwen mag hebben dat zijn identificatiegegevens vertrouwelijk blijven.” XIV-38.064-26/30 15. Vooraf dient opgemerkt dat er kan worden aangenomen dat er een gewettigd vertrouwen bestaat in hoofde van de betrokken ondernemingen dat in de jaar- en maandverslagen waarbij de Vlaamse regering uit eigen beweging informatie openbaar maakt, geen andere (identificatie)gegevens worden meegedeeld dan deze bepaald in artikel 50, §§ 1-3/2. Zoals hiervoor onder punt 13 is uiteengezet, vermag een actieve openbaarheidsregeling geen afbreuk te doen aan het door artikel 32 van de Grondwet aan eenieder gewaarborgde recht op (passieve) openbaarheid van bestuur om inzage te krijgen in bestuursdocumenten. Aan die actieve openbaarheidsregeling kan dan ook geen rechtmatig vertrouwen worden ontleend dat gegevens, te dezen identificatiegegevens waarover niet actief wordt gerapporteerd in ieder geval, op elk ogenblik of systematisch ontoegankelijk zullen zijn. De passieve openbaarheid van bestuur is niet beperkt tot de gegevens in voormelde rapporteringsbepalingen, maar kan ook slaan op gegevens die niet zijn opgenomen in die verslagen. Hierover anders oordelen, zou een krachtens artikel 32 van de Grondwet ingediend verzoek tot openbaarheid van bestuur zinledig maken. Er kunnen dan immers geen andere gegevens worden meegedeeld dan deze die reeds door de Vlaamse regering zijn openbaar gemaakt. Een dergelijk “rechtmatig vertrouwen” kan evenmin worden ontleend aan de geheimhoudingsplicht van artikel 50, § 4. Het absoluut karakter van deze uitzonderingsgrond ontheft de verwerende partij immers niet van haar verplichting overeenkomstig artikel 32 van de Grondwet om de weigering tot inzage aan verzoeker te verlenen in concreto, en niet in abstracto te motiveren. Om dezelfde reden kan evenmin worden aangenomen dat een gebeurlijke openbaarmaking negatieve gevolgen zou hebben voor de vertrouwensrelatie tussen de betrokken bedrijven en de overheid. Weliswaar kan die vertrouwensrelatie worden geschaad wanneer de geheimhoudingsplicht wordt miskend maar, zoals hoger is uiteengezet, ontheft de geheimhoudingsplicht de bevoegde overheidsinstantie er niet van de weigeringsbeslissing op afdoende wijze te motiveren waaraan een concrete beoordeling voorafgaat om na te gaan of de voorwaarde (geen schade aan de betrokken personen berokkenen) ook effectief is vervuld. Het kan mogelijks juist zijn dat de openbaarheid van de gevraagde XIV-38.064-27/30 openbaarheid tot imagoschade en bijgevolg financiële schade leidt doch in de bestreden beslissing wordt nergens concreet uiteengezet waarin die imagoschade in het licht van de gevraagde gegevens voor de betrokken rechtspersonen dan wel bestaat. Evenmin wordt aangetoond hoe de gevraagde openbaarheid deze schade zou kunnen veroorzaken. De verwerende partij kan zich niet verschuilen achter de algemene, allesomvattende wijze waarop de openbaarheidsvraag werd gesteld om geen verdere beoordeling in concreto te geven of deze motivering als “onmogelijk” te beschouwen (zie nog infra punt 16). Alhoewel de verplichting om afdoende te motiveren, niet perse met zich meebrengt dat voor elke rechtspersoon die een voorafgaande machtiging heeft gekregen of die zich heeft geregistreerd een aparte motivering moet worden opgenomen - er kan bijvoorbeeld worden overwogen met categorieën van (vergelijkbare) gevallen te werken -, is de gegeven motivering hoe dan ook te algemeen geformuleerd. Overigens is daarmee niet gezegd dat het onderzoek naar de toepassing van de uitzonderingsgrond (met name geen openbaarheid ingeval van schade voor de betrokken personen) niet, geval per geval, dit is per gemachtigde of per geregistreerde moet plaats vinden. Dat onderzoek, geval per geval, is wel degelijk vereist en moet ook kunnen blijken, minstens uit de stukken van het administratief dossier. Niets belet overigens dat daarvan een vertrouwelijk exemplaar wordt neergelegd ten behoeve van de (beoordeling door
- de)Raad van State. In haar laatste memorie lijkt de verwerende partij overigens wel te erkennen dat wel “casus per casus kon worden onderzocht en beoordeeld vanuit de betrokken uitzonderingsgrond”, wat haar te dezen echter “door de aard en omvang van de vraag onmogelijk werd gemaakt”. 16. In de mate de verwerende partij voor het eerst in de memorie van antwoord aanvoert dat de openbaarheidsvraag te algemeen werd geformuleerd “nu verzoeker de openbaarheid vroeg van alle verleende voorafgaande machtigingen (artikel 10 van het Wapenhandeldecreet) en van alle vergunningen (artikel 14 van hetzelfde decreet), telkens gekoppeld aan hun voorwerp, afgeleverd sinds de inwerkingtreding van het Wapenhandeldecreet, d.i. sinds 30 juni 2012, ergo over XIV-38.064-28/30 een periode van meer dan zeven jaar”, moet worden vastgesteld dat dit een a posteriori motivering uitmaakt, waar de Raad van State geen rekening mee kan houden. Die uitleg die de verwerende partij achteraf geeft, kan de onregelmatigheid van de motivering van de bestreden beslissing niet goedmaken. De motieven moeten immers (minstens) in het administratief dossier kunnen worden gevonden, wat hier niet het geval is. Tot slot, in de mate de verwerende partij in haar laatste memorie daaromtrent stelt dat zij niet de bedoeling had of heeft een beroep te doen op artikel II.42 van het Bestuursdecreet, kan dat de Raad van State niet beletten vast te stellen dat de argumentatie in de memorie van antwoord dat “[t]en aanzien van zulke algemene openbaarheidsvraag het voor[komt] dat een verdere beoordeling in concreto met betrekking tot het risico van schade (waarvan imagoschade als materiële schade overigens, zoals het departement BuZa terecht voorhoudt, deel van uitmaakt) voor de betrokkenen, elk op zichzelf gezien (en per machtiging of vergunning), maar tevens in onderling verband of verbanden […] een volkomen onmogelijke zaak is”, veeleer moet worden gerelateerd aan de facultatieve uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet. De verwerende partij bestrijdt overigens niet dat die argumentatie wel degelijk kan worden betrokken op genoemd artikel II.33, 1°. De Raad van State kan dan enkel vaststellen dat in dat geval, met name “als de aanvraag kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd” artikel II.42 van het Bestuursdecreet de bestuursinstantie er alsdan toe verplicht - het gaat er derhalve niet om dat de verwerende partij zich al dan niet op het bepaalde in artikel II.42 “wil” beroepen - alvorens de aanvraag af te wijzen, de aanvrager zo spoedig mogelijk, en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen, te verzoeken om zijn aanvraag te specificeren of te vervolledigen, wat hier niet is gebeurd. 17. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING XIV-38.064-29/30 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Vlaamse Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur van 25 maart 2019 (met referentie OVB/2019/33) waarbij het “beroepschrift van [verzoeker] d.d. 12 februari 2019 tegen de weigeringsbeslissing van het departement BuZa als ontvankelijk en ongegrond [wordt] beschouwd”. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.064-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div