← België

Arrest 254496 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.496 Rolnummer: A. 234249/VII-41185 Zaak: Arrest 254496 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:26 Fiche Arrest nr 254.496 van 15 september 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.496 van 15 september 2022 in de zaak A. 234.249/VII-41.185 In zake : de BVBA HOUTZAGERIJ PELEMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim De Hertogh kantoor houdend te 2800 Mechelen Van Benedenlaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partij : Pieter DEMECHELEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karolien Beké en Karlien Vernieuwe kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1155 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 juli 2021 in de zaak 1920-RvVb-0879-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 30 september
  3. VII-41.185-1/8 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Pieter Demecheleer heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 november
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 25 februari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 juni
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim De Hertogh, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Karlien Vernieuwe, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-41.185-2/8 III. Feiten
  7. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) verleent op 2 juli 2020 aan Demecheleer een omgevingsvergunning “voor het verbouwen van een woning tot een bedrijf met bedrijfswoning”.
  8. Het bestreden arrest verwerpt de drie middelen en bijgevolg het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij
  9. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.4.8/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 8.2.1.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), artikel 1 van het bij besluit van de Vlaamse regering van 24 april 2009 definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “bestaand regionaal bedrijf houtzagerij Peleman te Puurs en Bornem” (hierna: RUP), en “het beginsel dat de rechter geen uitspraak mag doen over feiten die niet door de partijen zijn aangebracht en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren”, “Schending van artikel 4.4.8/1 VCRO, artikel 8.2.1.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, artikel 1 van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Bestaand regionaal bedrijf ‘Houtzagerij Peleman’ te Puurs en Bornem zoals vastgesteld door het Besluit van de Vlaamse Regering van 24/04/2009 (hierna ‘het RUP’), en het beginsel dat de rechter geen uitspraak mag doen over feiten die niet door de partijen zijn aangebracht en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren, Doordat het bestreden arrest stelt dat de gewestplanbestemmming milieubelastende industrie enkel geldt voor de percelen van de tussenkomende partij Demecheleer en dat voor de overige percelen die bestemming is komen te vervallen door de aanname van het RUP VII-41.185-3/8 (overweging 3.2, p. 9 en overweging 1, p. 16 van het arrest), om daaruit af te leiden dat voor de toepassing van artikel 4.4.8/1 VCRO geen rekening moet worden gehouden met de percelen die onder het RUP vallen, en het arrest aldus op eigen gezag en zonder debat tussen de partijen aanneemt dat de percelen die binnen het RUP vallen niet meer bestemd zouden zijn voor milieubelastende industrie; doordat het arrest ook stelt ‘dat in het RUP geen sprake is van enig milieubelastend karakter voortvloeiend uit de bedrijvigheid van de houtzagerij waar bomen (voornamelijk eiken) worden verzaagd tot planken’ (p.19, tweede alinea arrest); Terwijl, eerste onderdeel, de toepassing van artikel 4.4.8./1 VCRO en artikel 8.2.1.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, artikel 1 van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Bestaand regionaal bedrijf ‘Houtzagerij Peleman’ te Puurs en Bornem, alleen kan worden uitgesloten voor de percelen die vallen onder het genoemde RUP als vaststaat dat dit RUP aan de percelen die bestemd waren voor milieubelastende industrie een daarmee onverenigbare bestemming had gegeven, wat niet blijkt uit de bestemming en voorschriften van het RUP (schending van de aangehaalde bepalingen), en terwijl, tweede onderdeel, het arrest aldus op eigen gezag aanneemt dat het RUP aan de percelen van de verzoekende partij een andere bestemming dan die van milieubelastende industrie heeft gegeven, en dat de bedrijvigheid van de verzoekende partij niet milieubelastend is, zonder dat partijen over deze beweringen tegenspraak hebben kunnen voeren (schending van het beginsel dat de rechter zijn oordeel niet mag steunen op feiten waarvan hij zelf kennis heeft, en die niet door de partijen zijn aangebracht en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren). ” Zij licht toe in verband met het eerste middelonderdeel dat het bestreden arrest “in strijd met de gewestplanbestemming en de bestemming van het RUP” zonder meer alleen aanneemt dat enkel de percelen van Demecheleer “nog bestemd zijn voor milieubelastende industrie, terwijl haar “bedrijf […] wel degelijk thuishoort in een gebied voor milieubelastende industrie”. Beoordeling
  10. Het middel is gericht tegen de beoordeling door de RvVb van het eerste middel van de verzoekende partij, in randnummer 3.2 van het bestreden arrest, dat overweegt: “Wat het voorliggend dossier betreft, moet worden vastgesteld dat enkel nog de betrokken twee percelen van de tussenkomende partij ingekleurd zijn met de gewestplanbestemming milieubelastende industrie. Voor alle overige percelen is de gewestplanbestemming komen te vervallen met de VII-41.185-4/8 aanname van het RUP, waarbinnen de volledige site van de verzoekende partij ligt. In die zin is haar stelling dat artikel 4.4.8/1 VCRO niet kan toegepast worden omdat ze haar industrie daar nog steeds uitbaat, niet relevant. Aangezien deze site niet meer ligt binnen een gewestplanbestemming speelt de al dan niet stopzetting ervan niet voor de toepassing van artikel 4.4.8/1 VCRO. De tekst van artikel 4.4.8/1 VCRO vereist trouwens niet dat de milieubelastende industrie volledig wordt stopgezet om gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbepaling.”
  11. Het bestreden arrest stelt onaantastbaar vast dat de percelen van Demecheleer die het voorwerp zijn van de door de verzoekende partij voor de RvVb bestreden omgevingsvergunning, “ingekleurd zijn met de gewestplanbestemming milieubelastende industrie” en dat “de gewestplanbestemming [is] komen te vervallen met de aanname van het RUP” voor “alle overige percelen […] waarbinnen de volledige site van de verzoekende partij ligt”.
  12. Artikel 7.4.4, § 1, VCRO bepaalt dat de voorschriften van de plannen van aanleg hun verordenende kracht behouden tot zij worden vervangen. Artikel 7.4.5 VCRO bepaalt dat de voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van de plannen van aanleg vervangen, tenzij het ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt.
  13. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat het RUP bij ontstentenis van een uitdrukkelijke andersluidende bepaling, de gewestplanbestemming voor dat plangebied vervangt. Het RUP bestemt het plangebied deels tot “bedrijventerrein voor bestaand regionaal bedrijf” luidens artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften.
  14. Het middel dat ervan uitgaat dat het bedrijf van de verzoekende partij “wel degelijk thuishoort in een gebied voor milieubelastende industrie”, faalt naar recht. VII-41.185-5/8
  15. Artikel 4.4.8/1, eerste lid VCRO bepaalt onder meer dat ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen kunnen worden toegelaten in gebieden die niet groter zijn dan drie hectare en die op de gewestplannen zijn aangewezen als gebied voor milieubelastende industrieën. Door deze bepaling wordt “als het ware een vermoeden van bestemmingsconformiteit ingevoerd waardoor in gebieden voor […] milieubelastende industrieën met een oppervlakte van 3 ha of minder in principe ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen kunnen ingepland worden. Artikel 4.3.1 VCRO (dat de beoordelingsgronden inzake vergunningen bevat), is ook van toepassing op de aanvragen in toepassing van artikel 4.4.8/1 VCRO” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2371, 35).
  16. Het bestreden arrest verwerpt de stelling van de verzoekende partij: – “dat artikel 4.4.8/1 VCRO niet kan toegepast worden omdat ze haar industrie daar nog steeds uitbaat”, als “niet relevant”; – dat de betrokken percelen die “nog als enige onder het gewestplan vallen” complementair zouden moeten zijn omdat “door de toepassing van artikel 4.4.8/1 VCRO de regels voorgeschreven voor de gewestplanbestemming niet langer gelden, zodat het niet terzake doet of het voorwerp van de aanvraag complementair is met” het bedrijf van de verzoekende partij “waarvan de bestemming wordt geregeld door een afzonderlijk RUP”. Het bestreden arrest schendt met deze redenen artikel 4.4.8/1 VCRO niet.
  17. Uit artikel 14, § 2, RvS-wet volgt dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is om uitspraak te doen over cassatieberoepen die worden ingesteld “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”. VII-41.185-6/8 Het middel dat de schending aanvoert van “het beginsel dat de rechter geen uitspraak mag doen over feiten die niet door de partijen zijn aangebracht en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren”, voert geen overtreding van de wet of de schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen aan zoals vereist in voormelde wetsbepaling en is bijgevolg onontvankelijk.
  18. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 8.2.1.2 van het inrichtingsbesluit en van artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP is niet ontvankelijk wegens het ontbreken van een uiteenzetting van de wijze waarop het bestreden arrest deze bepalingen schendt.
  19. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.185-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.185-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.496 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.