id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.501 Rolnummer: A. 235031/VII-41380 Zaak: Arrest 254501 - Niet begeleide minderjarigen - 15/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-19 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 07:26 Fiche Arrest nr 254.501 van 15 september 2022 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.501 van 15 september 2022 in de zaak A. 235.031/VII-41.380 In zake: Ziarmal STANIKZAI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sébastien Delhez kantoor houdend te 5530 Yvoir avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 15 november 2021 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 1 september 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-41.380-1/9 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 9 mei 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 23 juni
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 13 augustus 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 3 maart
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. VII-41.380-2/9 Op vraag van de dienst Voogdij ondergaat verzoeker op 26 augustus 2021 in het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 1 september 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 1 tot 4 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van artikel 7, § 1 en § 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 149 van de Grondwet, van “het algemene beginsel van behoorlijk bestuur en van de zorgvuldigheid” en “een kennelijke beoordelingsfout van de administratie en een fout in de motiveringen”. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat er sprake is van een motiveringsgebrek aangezien de motivering van de bestreden beslissing, te weten de redenen waarom verzoekers verklaringen betreffende zijn leeftijd terzijde worden gelegd en de resultaten van de botanalyses voorrang zouden hebben en erop zouden wijzen dat hij wel degelijk meerderjarig zou zijn, stereotiep is en hem niet in staat stelt te begrijpen waarom hij als meerderjarig wordt VII-41.380-3/9 beschouwd en niet in aanmerking kan komen voor de voogdij als niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Voor zover in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat verzoeker moet worden geacht ouder dan 18 jaar te zijn en dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van de voogdijwet, beschouwt verzoeker deze redenering als gebrekkig, clichématig, onvolledig, ontoereikend en onjuist, zonder ernstige analyse van deze zaak en van het probleem in het algemeen van de identificatie van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verzoeker wijst er meer bepaald op dat de bestreden beslissing geen melding maakt van de bijzonderheden van de verschillende medische onderzoeken en zich enkel baseert op de conclusie van het medisch verslag, die duidelijk ontoereikend en onjuist is. Bovendien blijkt volgens verzoeker geen informatie te zijn gevraagd aan de consulaire of diplomatieke post in het land van herkomst. Evenmin blijkt uit het dossier dat er een persoonlijk onderhoud met de dienst Voogdij heeft plaatsgevonden of dat het personeel of de maatschappelijk werkers van het centrum waar verzoeker verblijft, om advies werd(en) gevraagd. Verzoeker verwijst dienaangaande naar twee arresten van de Raad van State waarbij wel een schending van de motiveringsplicht is vastgesteld. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat het in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van redelijkheid, evenredigheid, voorzorg en zorgvuldigheid om geen bijzondere zorg te besteden aan kwetsbare personen bij wie twijfel bestaat over hun minderjarigheid en die volgens de geest van de voogdijwet moeten worden beschermd, en om verzoeker niet het voordeel van de twijfel te geven. Bovendien worden volgens verzoeker de aanbevelingen van de Orde der Artsen, die in 2010 een standpunt heeft ingenomen tegen het gebruik van deze bottesten om een precieze leeftijd te bepalen en die dit in 2017 opnieuw heeft bevestigd, niet in aanmerking genomen. In een derde middelonderdeel trekt verzoeker de betrouwbaarheid van het medisch onderzoek in twijfel. Hij verwijst nogmaals naar het standpunt van de Orde der Artsen en verder naar een verslag van het Platform Minderjarigen in Ballingschap, waarin de factoren worden blootgelegd die leiden VII-41.380-4/9 tot onbetrouwbaarheid en verschillen met de werkelijkheid, alsmede de details van de gebruikte methoden en de zwakke punten ervan. Verzoeker verwijst ook naar een soortgelijk verslag van de Raad van Europa. Tot slot wijst verzoeker erop dat het besluit niet de naam vermeldt van de arts of artsen die elke test hebben uitgevoerd. Elke test had echter moeten worden verricht door een deskundige in functie van zijn eigen specialisatie, wat op grond van de bestreden beslissing niet kan worden nagegaan. Beoordeling Eerste middelonderdeel
- Artikel 149 van de Grondwet is van toepassing op jurisdictionele beslissingen doch niet op zuiver administratieve beslissingen zoals de bestreden beslissing.
- Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Overigens bevindt het verslag van het medisch onderzoek, waarin wordt aangegeven welke onderzoeken zijn uitgevoerd en welke deviatiemarge wordt gehanteerd, zich in het administratief dossier. Verzoeker toont niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen.
- Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Het medisch onderzoek is door VII-41.380-5/9 de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker beperkt zich tot vage kritiek omtrent de betrouwbaarheid van dergelijk medisch onderzoek zonder evenwel in te gaan op de concrete vaststellingen van dat onderzoek. Hij toont derhalve geen schending aan van artikel 7, § 1, van de voogdijwet doordat de bestreden beslissing is gesteund op het resultaat van dergelijk onderzoek.
- Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting hiertoe bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch de voornoemde bepaling, noch een door verzoeker aangehaald algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel.
- In de mate dat verzoeker verwijst naar twee arresten van de Raad van State, dient te worden opgemerkt dat in de huidige zaak bij geen van de drie uitgevoerde deelonderzoeken sprake is van een leeftijd, lager dan 18 jaar. De vergelijking met zaken waarin dit bij minstens één van de uitgevoerde tests wel het geval was, is dan ook niet dienstig (daargelaten de vaststelling dat als “jongste leeftijd” de minimum leeftijd van het eindresultaat in aanmerking moet worden genomen doch niet van de afzonderlijke tests). Tweede middelonderdeel
- Verzoeker beroept zich op een voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling en verwijst daartoe naar kritiek uit de medische wereld. Hij beperkt zich hierbij tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, VII-41.380-6/9 etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 26 augustus 2021 om een leeftijd van “ouder dan 18 jaar, vermoedelijk 23,40 jaar, met een standaarddeviatie van 1,82 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker gaat niet in op de concrete bevindingen van het leeftijdsonderzoek. Hij ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. VII-41.380-7/9
- Gezien de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek, diende verzoeker niet “het voordeel van de twijfel” te worden gegeven dat hem als niet-begeleide minderjarige zou toekomen. Derde middelonderdeel
- In de mate dat verzoeker opnieuw op algemene wijze de betrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling aanhaalt, kan worden verwezen naar de behandeling van het tweede middelonderdeel.
- In tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, worden in het medisch verslag de namen vermeld van de twee artsen die het deskundig onderzoek hebben uitgevoerd, namelijk, dr. K. C. en dr. S. G. S. Aldus heeft verzoeker zicht op de artsen die de onderzoeken hebben uitgevoerd. Dat de namen van de artsen niet bij elk deelonderzoek worden vermeld doet niet ter zake. Verzoeker wijst geen dergelijke rechtsplicht aan. Hij toont evenmin aan dat het medisch onderzoek niet met de juiste deskundigheid is uitgevoerd. Conclusie
- Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
- Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII-41.380-8/9 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.380-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div