← België

Arrest 254505 - Energie - 15/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.505 Rolnummer: A. 236404/VII-41404 Zaak: Arrest 254505 - Energie - 15/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-22 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:26 Fiche Arrest nr 254.505 van 15 september 2022 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.505 van 15 september 2022 in de zaak A. 236.404/VII-41.404 In zake: Luc VERHILLE woonplaats kiezend te 3000 Leuven Sint-Jacobsplein 17, bus 0202 tegen: de VLAAMSE REGULATOR VAN DE ELEKTRICITEITS- EN GASMARKT (VREG) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cedric De Greef kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoekschrift

  1. Het verzoekschrift, ingediend op 13 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna: VREG) van 10 maart 2022 over een geschil met de distributienetbeheerder. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft op 31 mei 2022 een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het VII-41.404-1/5 koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cedric De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 10 maart 2022 beslist de VREG dat de klacht van verzoeker over de elektriciteitsfacturen van Engie Electrabel, opgemaakt op basis van de meetgegevens geregistreerd door Fluvius, moet worden verworpen en dat de openstaande elektriciteitsfacturen bijgevolg verschuldigd zijn. Deze beslissing steunt onder meer op de volgende overwegingen: “De VREG heeft het dossier uitgebreid onderzocht. De bevoegdheid van de VREG in deze geschillenprocedure beperkt zich volgens art. 3.1.4/3 Energiedecreet tot het nagaan of de distributienetbeheerder (Fluvius) gehandeld heeft conform de decretale en reglementaire bepalingen ter zake, zoals vervat in onder meer het Energiedecreet en -besluit en het Technisch Reglement voor de Distributie van Elektriciteit (hierna: ‘TRDE’). VII-41.404-2/5 Of energieleverancier ENGIE ELECTRABEL al dan niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen als energieleverancier, wordt dus niet onderzocht in het kader van deze geschillenprocedure. Het betreft hier uiteraard een betwisting van meetgegevens en de facturering van de leverancier is steeds gebaseerd op de meetgegevens die ze ontvangen van de distributienetbeheerder. Zoals hoger gesteld, gaf u een hele periode geen meterstanden door en heeft Fluvius opeenvolgende schattingen doorgevoerd. Fluvius maakte hier gebruik van de aangepaste schattingsmethodiek. De regels m.b.t. deze aangepaste schattingsmethodiek zijn opgenomen in het toenmalige art. V.3.6.1§3 van het TRDE[.] […] De door de VREG goedgekeurde methodiek waarvan sprake in alle versies van het TRD werd vastgelegd via beslissing door de VREG dd. 21 augustus 2015 (BESL 2015-38). Deze aangepaste schattingsmethodiek houdt in dat bij een tweede opeenvolgende schatting een correctie op die schatting kan toegepast worden. De concrete methodiek die de VREG hiertoe vastlegde houdt een percentuele vermeerdering van de oorspronkelijke schatting in. Op basis van de elementen in dit dossier stelt de VREG vast dat Fluvius inzake de schattingen en de gebruikte methodiek heeft gehandeld conform de toepasselijke regelgeving. U gaf in november opnieuw meterstanden door. Daarop voerde Fluvius een rechtzetting uit, waarbij de rechtzettingsperiode evenwel tot twee jaar werd beperkt. […] De VREG heeft begrip voor uw specifieke situatie, maar Fluvius dient de energieregelgeving toe te passen. Ook hier stelt de VREG vast dat Fluvius conform de geldende regelgeving heeft gehandeld door een rechtzetting voor de laatste twee periodieke meteropnames door te voeren (14/02/2018 - 14/02/2019 en 14/02/2019 - 14/02/2020). Aldus kan Fluvius geen inbreuk op de energieregelgeving worden verweten”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie
  6. Verzoeker zet in zijn verzoekschrift het volgende uiteen: “Ik heb niet de juridische kennis zoals je deze van een advocaat kunt verwachten. Ook heb ik niet de financiële middelen om daar een advocaat voor te betalen. Temeer dat een advocaat mij aanraadde om geen juridisch gevecht aan te gaan tegen energiebedrijven, omdat dit toch een hopeloze zaak is. VII-41.404-3/5 Daarom reken ik echt op de Raad van State, die het toch principieel moet opnemen voor de kleine man en zeker de wet moet laten toepassen zoals ze hoort aangewend te worden en niet kan gebruikt worden. Doorheen die jaren heeft Engie mij nooit laten weten dat ik mijn betaalde voorschotten dreigde te verliezen na die twee jaar. Dit hebben ze me nooit laten weten. Dit heb ik ook nooit ergens gelezen. Hadden ze mij hiervoor wel verwittigd dan had ik dit nooit zover laten komen. Zij beroepen zich op iets wettelijks maar hebben nooit mijn belang voor ogen gehouden. Nooit gewaarschuwd voor dit gevaar. Ik vind dit misleiding. Dit is niet oprecht en onredelijk. Ze kunnen met ‘enige goede wil’ dit volledig rechtzetten maar dit weigeren ze pertinent. Dit is machtsmisbruik waartegen de kleine consument ‘moet’ beschermd worden. Nu hebben ze mij laten betalen voor elektriciteit die absoluut nooit is geleverd. Dit kan niemand verantwoorden. Mag ik hopen dat jullie mijn ‘menselijke’ en ‘redelijke’ argumentatie ernstig nemen en rekening houden met het juiste gezichtspunt: wat niet betaald is kan ook niet worden aangerekend”. Beoordeling
  7. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. Onder middel in de zin van voormelde bepaling wordt verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de rechtsregel of het rechtsbeginsel waarvan de schending wordt ingeroepen, alsook van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Opdat een door haar aangevoerd middel ontvankelijk zou zijn, dient een verzoekende partij niet alleen duidelijk te maken welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden acht, maar ook op welke wijze, naar haar oordeel, die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing wordt miskend. Het verzoekschrift dient ten minste één ontvankelijk middel te bevatten. Het ontbreken van een middel in het verzoekschrift heeft de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg. VII-41.404-4/5
  8. Zelfs met de ruimste welwillendheid kan in het verzoekschrift geen middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement ontwaard worden.
  9. Het niet-ontvankelijke beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Dienvolgens moet de vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, eveneens worden verworpen. BESLISSING
  10. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.404-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.505 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.