← België

Arrest 254506 - Bewakingsondernemingen - 15/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.506 Rolnummer: A. 236432/VII-41414 Zaak: Arrest 254506 - Bewakingsondernemingen - 15/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-22 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 07:26 Fiche Arrest nr 254.506 van 15 september 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.506 van 15 september 2022 in de zaak A. 236.432/VII-41.414 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stéphane Gevers kantoor houdend te 2100 Deurne Bisschoppenhoflaan 645 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 mei 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Algemene Directie Veiligheid & Preventie, d.d. 25 maart 2022 [waarbij] werd bepaald dat verzoeker niet zou voldoen aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 36, eerste lid 5° van het Koninklijk Besluit van 23 mei 2018, waardoor het [hem] verboden is de functie van lesgever uit te oefenen en de goedkeuringen als lesgever in te trekken, alsook een verzoek tot goedkeuring en uitbreiding van de goedkeuring te weigeren”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.414-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft op 27 juni 2022 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jean-Marie Van Exem, die loco advocaat Stéphane Gevers verschijnt voor verzoeker en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Een erkende opleidingsinstelling, waar onder meer verzoeker aangesteld is als lesgever, staat in voor de opleiding ‘Algemeen bekwaamheidsattest bewakingsagent’. 3.
  6. Uit een proces-verbaal blijkt dat verzoeker sedert 11 juni 2014 ook leidinggevende activiteiten uitoefent bij een bewakingsonderneming zonder houder te zijn van een identificatiekaart zoals voorgeschreven door de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: bewakingswet van 2 oktober 2017). 3.
  7. Met een aangetekend schrijven van 12 maart 2019 wordt aan verzoeker een minnelijke schikking voorgesteld. Dit aangetekend schrijven wordt teruggestuurd aan de afzender met de vermelding ‘niet afgehaald’. VII-41.414-2/7 3.
  8. Op 2 mei 2019 wordt aan verzoeker meegedeeld dat ten aanzien van hem een administratieve sanctieprocedure wordt aangevat. 3.
  9. Op 17 februari 2020 wordt hij in kennis gesteld van de beslissing van 12 februari 2020 waarbij hem een boete van 750 euro wordt opgelegd. 3.
  10. Verzoeker stelt tegen voormelde beslissing geen beroep in. 3.
  11. Op 6 april 2021 en 28 februari 2022 dienen andere sectorondernemingen aanvragen in voor de erkenning van verzoeker als lesgever. 3.
  12. Met de thans bestreden beslissing van 25 maart 2022 weigert de verwerende partij de erkenning van verzoeker als lesgever. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “U bent goedgekeurd als lesgever voor de opleidingsinstelling […] tot 19 maart
  13. […] vroeg een uitbreiding van deze erkenning aan op 28 februari
  14. Daarnaast diende […] voor u een aanvraag tot goedkeuring als lesgever in op 6 april
  15. Artikel 36, eerste lid, 5° van voornoemd Koninklijk besluit van 23 mei 2018 bepaalt dat de vakken enkel kunnen gedoceerd worden door lesgevers die geen administratieve geldboetes, schorsing of intrekking van een identificatiekaart in toepassing van de wet hebben opgelopen. Bij onderzoek van uw dossier is gebleken dat de dienst Geschillen en Juridische Ondersteuning van de Algemene Directie Veiligheid en Preventie op 17 februari 2020 u een administratieve geldboete in toepassing van de wet heeft opgelegd ten bedrage van € 750 op basis van proces-verbaal nr. VL037/
  16. Bijgevolg voldoet u niet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 36, eerste lid, 5° van voornoemd Koninklijk besluit van 23 mei
  17. Het is u bijgevolg verboden de functie van lesgever uit te oefenen en de goedkeuringen als lesgever die voor uw persoon werd toegekend, worden ingetrokken. De aanvragen tot goedkeuring als lesgever ingediend door [...] en de uitbreiding aangevraagd door […], worden omwille van bovenstaande reden geweigerd”. IV. Onderzoek van de vordering VII-41.414-3/7
  18. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid Uiteenzetting van verzoeker
  19. Onder de hoofding ‘Moeilijk te herstellen ernstig nadeel’ wordt in het verzoekschrift het volgende uiteengezet: “Dat verzoeker zijn erkenning als lesgever werd ingetrokken en dat hierdoor vanzelfsprekend een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanwezig is. Dat verzoeker immers ten gevolge van deze erkenning een substantieel deel van zijn inkomen verliest en daarbij een ernstig financieel nadeel ondervindt. Dat door dit inkomstenverlies eveneens de levensstandaard van verzoeker reeds op korte termijn wordt verminderd. Het gezin van verzoeker bestaat uit drie personen en rekent op een volwaarding inkomen in hoofde van verzoeker. Voorts heeft verzoeker ook geïnvesteerd in opleidingen, zowel financieel als qua tijdsbesteding, net om les te kunnen en mogen geven. Daarnaast is er de onherstelbare reputatieschade. De intrekking van de erkenning als lesgever zou tot gevolg zou hebben dat verzoeker geen lessen meer mag geven, waarbij hij vragen zal krijgen van de onderwijsinstellingen, andere lesgevers en cursisten omtrent het waarom van deze beslissing. Het zou zijn reputatie en geloofwaardigheid als lesgever ondergraven. Dat bovendien de bewakingssector een relatief kleine wereld is en een dergelijke beslissing een negatieve impact heeft op de goede naam en reputatie van verzoeker binnen de sector. Deze beslissing kan dan ook gevolgen hebben inzake commerciële samenwerkingen. Men staat in de sector immers op een onberispelijke reputatie. Dat dan ook het ernstig moreel aspect in hoofde van verzoeker dient te worden benadrukt, gezien de negatieve perceptie die een dergelijke intrekking met zich meebrengt. Dat verzoeker dit immers moet vertellen tegen collega’s en bedienden met wie hij al vele jaren samenwerkt. Deze zullen zich vragen stellen indien verzoeker plots geen lesgever mag zijn. Voor verzoeker is dit de facto een beroepsverbod, althans wat het lesgeven betreft. Die gedachte is voor verzoeker ondraaglijk. Dat ter zake kan worden verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State waarbij werd bepaald dat een afzetting in zichzelf, behoudens uitzonderlijke VII-41.414-4/7 omstandigheden, het risico inhoudt van een ernstig moeilijk te herstellen nadeel enerzijds vanuit materieel oogpunt aangezien deze maatregel in de praktijk van aard is om degene die het voorwerp ervan is, te verhinderen een betrekking te vinden, en anderzijds vanuit moreel oogpunt, gezien de schande die het meebrengt. (R.v.St. nr. 49.444, 5 oktober 1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.)”. Beoordeling
  20. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een -voortdurende- tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt. De Raad van State mag alleen rekening houden met hetgeen in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. Hij mag geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting door de verzoekende partij bijkomend nog wordt bijgebracht. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen VII-41.414-5/7 in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is.
  21. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Een dergelijk nadeel kan immers in principe na een annulatiearrest hersteld worden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van het financiële nadeel op de situatie van verzoeker een zodanige impact heeft dat hij dit niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde. Opdat een financieel nadeel de spoedeisendheid van de vordering zou kunnen aantonen is vereist dat verzoeker concreet aannemelijk maakt dat hij de duur van de annulatieprocedure niet zou kunnen overbruggen zonder dat hij door de bestreden beslissing in een dermate precaire situatie terechtkomt dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet kan worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure. In dit geval brengt verzoeker in zijn uiteenzetting geen concrete, verifieerbare gegevens bij nopens zijn financiële toestand, noch over de precieze impact van het beweerde financieel nadeel. Aldus geeft hij geen inzicht in het aandeel dat zijn inkomen als lesgever vormt in zijn totale beroepsinkomen, hetgeen verhindert de beweerde impact op de levensstandaard van verzoeker en diens gezin in te schatten. Voorts zijn de investeringen die gedaan zouden zijn voor het geven van de opleidingen definitieve uitgaven die door de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet zouden kunnen worden afgewend.
  22. Ook wat betreft de ingeroepen reputatieschade en de gevolgen voor “commerciële samenwerkingen”, laat verzoeker na die vermeende (morele) schade zodanig uit te werken dat met concrete gegevens aannemelijk wordt gemaakt dat de beweerde spoedeisendheid zou zijn verantwoord en het normale verloop van de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond. VII-41.414-6/7
  23. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt de vordering.
  25. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.414-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.506 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.