← België

Arrest 254517 - Examens (onderwijs) - 15/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.517 Rolnummer: A. 237198/IX-10104 Zaak: Arrest 254517 - Examens (onderwijs) - 15/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-19 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:27 Fiche Arrest nr 254.517 van 15 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.517 van 15 september 2022 in de zaak A. 237.198/IX-10.104 In zake: Rayan CHKHACHKHI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF PROVINCIAAL ONDERWIJS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het autonoom provinciebedrijf Provinciaal Onderwijs Antwerpen van 31 augustus 2022, waarbij aan Rayan Chkhachkhi een oriënteringsattest B wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.104-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op donderdag 15 september 2022, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het tweede jaar van de tweede graad ‘restaurant en keuken’ (BSO) in het Provinciaal Onderwijs Antwerpen. Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad tot een ‘geslaagd met voorbehoud’ en kent hij verzoeker een oriënteringsattest B toe met clausulering ‘restaurant en keuken BSO’ en ‘restaurant en keuken duaal BSO’. De motivering luidt: “De resultaten bleven een heel jaar op een onvoldoende niveau voor volgend(e) vak(ken): PV/TV Restaurant en Keuken. Extra informatie: Je bezit niet de nodige kennis en/of vaardigheden voor PV/TV Restaurant om een volgend leerjaar aan te vatten. Je hebt voldoende kansen om te slagen in een volgend leerjaar van een andere onderwijsvorm die beter aansluit bij je vastgestelde mogelijkheden.” IX-10.104-2/10 De klassenraad raadt voorts aan “om een studierichting zonder restaurantcomponent te kiezen” en verleent een bindend advies “het leerjaar niet te herdoen”. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad, waarop verzoeker bezwaar indient bij het schoolbestuur. Op 31 augustus 2022 beslist de beroepscommissie “het oorspronkelijk oriënteringsattest B te behouden maar de clausulering aan te passen naar enkel een clausulering Restaurant en keuken BSO”. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De beroepscommissie stelt vast dat de behaalde punten voor de algemene vakken (Islamitische godsdienst, Frans, Project Algemene vakken en Lichamelijke opvoeding) goed tot zelfs zeer goed zijn. Dit in tegenstelling tot de praktijkvakken. Reeds op het eerste rapport Dagelijks Werk (DW1) zijn er doelstellingen die niet behaald werden. Zo zijn er op DW1 2 doelstellingen waarbij het resultaat beneden de verwachting is en 18 doelstellingen die de verwachting benaderen. Op Dagelijks Werk 2 (DW2) worden 38 van in totaal 79 getoetste doelstellingen niet gehaald: zo is er l die niet geëvalueerd kan worden wegens afwezig of niet evalueerbaar ; bij 3 doelstellingen is de score beneden de verwachting en bij 34 doelstellingen is de score een benadering van de verwachting. Bij DW3 konden er 13 doelstellingen niet getoetst worden (afwezig/niet evalueerbaar); 6 keer was de score beneden de verwachting ; 14 keer benaderde de score de verwachting. Op het DW4 waren er 7 doelstellingen niet te evalueren (afwezig/niet evalueerbaar) ; l keer was de score beneden de verwachting en 40 keer benaderde de score de verwachting. Daar waar de vader aangeeft dat de vele afwezigheden te maken hebben met een traject dat Rayan bij Elegast dient te volgen, alsook met het vele weekendwerk in de horeca, is de aanwezigheid in de lessen natuurlijk wel een vereiste om de nodige praktijkervaring op te doen. Ook wat betreft de attitudes, nodig om deze opleiding met succes te voltooien, zijn er vanaf het eerste Dagelijks Werk werkpunten te noteren. Dit voor alle getoetste attitudes, zijnde stiptheid, materiaal, inzet en houding/naleven afspraken. Deze werkpunten blijven op DW2 en DW4 ; op DW3 wordt de attitude stiptheid zelfs een onvoldoende. Gezien de leeftijd van Rayan én de tijdens het schooljaar getoonde attitude en werkhouding, is de beroepscommissie van oordeel dat het niet opportuun is dat Rayan zijn schoolcarrière binnen het reguliere onderwijs IX-10.104-3/10 verderzet. Overstappen naar een duaal traject, waar de leerplekcomponent een bijzonder belangrijk onderdeel is, zal er toe leiden dat de verwachte attitudes (stiptheid, motivatie, inzet, aanwezigheid, ...) duidelijker verworven kunnen worden. De beroepscommissie vindt het door de klassenraad toegekende B-attest een correcte beslissing maar is van mening dat er te eng geclausuleerd werd. Met toepassing van artikel 123/15, § 3, 2° van de Codex Secundair Onderwijs besluit de beroepscommissie, in voltallige samenstelling, dan ook om op grond van voormelde feiten en overwegingen, het oorspronkelijk oriënteringsattest B te behouden maar de claus[ul]ering aan te passen naar enkel een clausulering Restaurant en keuken BSO.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Een “eerste” maar ook enig middel put verzoeker uit de schending van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, “met een IX-10.104-4/10 schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel tot gevolg”. Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie geen rekening gehouden met zijn beroepsargumenten, inzonderheid de “bijzondere omstandigheden” die hij heeft aangevoerd welke een “nefaste impact” hadden op zijn praktijklessen. Zo was verzoeker meermaals en langdurig afwezig omwille van een traject dat hij verplicht diende te doorlopen. De beroepscommissie stelt deze afwezigheden ook vast, maar besluit dat de tekorten het gevolg zijn van deze afwezigheden, in plaats van vast te stellen dat er cruciale informatie ontbreekt ingevolge uitzonderlijke omstandigheden. De bestreden beslissing bespreekt voorts wel de behaalde tekorten maar relateert die helemaal niet aan het volgende jaar, noch legt de beslissing uit waarom de beroepscommissie de clausulering te streng vindt en de ene richting dan toch nog openlaat, maar vervolgens wel de richting uitsluit die verzoeker wenst te volgen. Verzoeker stelt, tot slot, dat in de bestreden beslissing alleen naar het tekort voor het praktijkvak wordt verwezen. Dat vak “is natuurlijk maar één aspect van de richting die Rayan wil volgen en men kan moeilijk thans op basis hiervan besluiten dat de gehele richting volstrekt onhaalbaar zou zijn in een volgend jaar, te meer daar hij dit jaar wel als geslaagd wordt beschouwd en de omstandigheden volgend jaar veel gunstiger zullen zijn”. De bestreden beslissing doet niet blijken van enig prospectief onderzoek naar verzoekers slaagkansen in een volgend jaar. Beoordeling IX-10.104-5/10
  8. Verzoeker trekt de door hem behaalde resultaten en meer bepaald de vastgestelde tekorten voor het praktijkvak niet in twijfel. Er bestaat op het eerste gezicht ook geen betwisting over het feit dat dit attest uitsluitend gesteund is op de resultaten van verzoeker voor het praktijkvak. Enkel reeds de vaststelling dat dit opleidingsonderdeel twintig lesuren van de 32 te volgen lesuren per week uitmaakt in een praktijkgerichte opleiding, volstaat om te begrijpen dat aan een tekort voor ‘praktijk hotel: restaurant/keuken’ een doorslaggevend gewicht toegekend mag worden, niettegenstaande de goede tot zelfs zeer goede resultaten voor de algemene vakken. Dat verzoeker niettemin geslaagd wordt verklaard, heeft hij op het eerste gezicht vooral – enkel? – te danken aan die goede resultaten voor de vier andere vakken (godsdienst, Frans, project algemene vakken en lichamelijke opvoeding) – die de beroepscommissie ook uitdrukkelijk in ogenschouw heeft genomen, zodat het verwijt dat de beroepscommissie met die resultaten geen rekening hield geen doel treft. 8.
  9. Terwijl verzoeker zijn resultaten niet betwist, betoogt hij wel dat, zo zijn prestatie beneden de verwachting is, dit te verklaren is door zijn afwezigheden en hij meent dat die afwezigheden “bijzondere omstandigheden” vormen. Hij voert aan dat hij die “bijzondere omstandigheden” – afwezigheden die verzoeker zelf omschrijft als “meermaals en langdurig” – heeft doen gelden om die (onvoldoende) resultaten te verklaren maar dat daarop geen antwoord zou zijn gekomen in de bestreden beslissing. 8.
  10. De beroepscommissie antwoordt hierop dat “de aanwezigheid in de lessen natuurlijk wel een vereiste [is] om de nodige praktijkervaring op te doen”. IX-10.104-6/10 Verzoeker weerspreekt die vaststelling niet. Het is een kort, maar prima facie doeltreffend antwoord op verzoekers argumentatie. De Raad van State bedenkt dat het traject dat aan verzoeker was opgelegd door de jeugdrechter blijkens de eigen verklaring van verzoeker inhield dat hij “elke week twee uren opdrachten moest maken”, zodat niet duidelijk is of hij daarvoor lessen heeft moeten missen. In elk geval laat verzoeker na dit nader uit te werken, namelijk wat die opdrachten precies inhouden, of en welke lessen hij heeft moeten missen en de precieze weerslag daarvan op het (niet) behalen van sommige doelstellingen en dus zijn resultaat. Verzoeker verduidelijkt met andere woorden op geen enkele manier hoe het traject dat hij door de jeugdrechter kreeg opgelegd, zou hebben geïnterfereerd met zijn verplichte schoolse aanwezigheid en opdrachten. Hoe dan ook hebben de afwezigheden van verzoeker, zo lijkt, vooral te maken met de eigen keuze van verzoeker om te werken in de horecazaken van zijn familie. Die afwezigheden dienen aldus volledig aan verzoeker zelf aangerekend te worden. Dat kan, zo lijkt, bezwaarlijk een excuus zijn om afwezig te zijn bij de praktijkvakken waardoor sommige doelstellingen zelfs niet getoetst konden worden. Bovendien gebeurde dit, steeds nog volgens de eigen verklaring van verzoeker, “in zijn vrije dagen” en tijdens weekends, zodat dit geen inzicht biedt waarom hij afwezig bleef tijdens de normale lestijden. Het een met het ander laat begrijpen dat de beroepscommissie vooral wijst op een onvoldoende voor de attitudes “nodig om deze opleiding met succes te voltooien”: stiptheid, materiaal, inzet en houding/naleven afspraken. Verzoeker komt er niet toe in zijn verzoekschrift dit motief te bespreken, laat staan het te weerleggen. IX-10.104-7/10
  11. Verzoeker overtuigt vooralsnog niet dat “cruciale informatie ontbreekt” in zijn leerlingendossier. Welke verklaring verzoeker heeft voor zijn afwezigheden, overigens, kan zijn resultaten niet beter maken dan wat ze zijn.
  12. Dit leidt ten slotte tot de vaststelling, door de beroepscommissie, dat verzoeker meer gebaat is met “een duaal traject, waar de leerplekcomponent een bijzonder belangrijk onderdeel is”. Het stelt verzoeker in staat alsnog de opleiding die hij wenst te volgen zonder verlies van een schooljaar te doorlopen in een centrum voor deeltijds onderwijs én ondertussen ook in de praktijk te staan op een reële werkplek – zoals hij de facto deed tijdens het afgelopen schooljaar. Dat de beroepscommissie haar keuze voor de aanpassing van de clausulering niet heeft gemotiveerd, mist aldus feitelijke grondslag. Het lijkt ook niet zo dat de beroepscommissie hierbij nalaat een prospectief onderzoek te doen naar verzoekers slaagkansen in een volgend jaar. De clausulering is immers net beperkt tot die ene richting waarvan zij nu eenmaal heeft vastgesteld dat verzoeker zwaar onvoldoende presteert. Dat verzoeker voor het geheel van de opleiding geslaagd wordt verklaard, neemt niet weg dat hij nu net niét geslaagd is voor het opleidingsonderdeel restaurant en keuken. Met de resultaten die verzoeker voorlegt voor het betrokken praktijkvak lijkt het voor eenieder duidelijk te moeten zijn dat de slaagkansen van verzoeker in het daaropvolgende leerjaar haast uitgesloten zijn, precies wegens het aandeel van het vak in de totale studie, het belang ervan voor de gekozen richting en de specifieke kunde die het wil en moet uittesten. Welke “prospectieve vooruitblik” verzoeker in die omstandigheden nog verwacht, maakt hij niet duidelijk en is evenmin evident zichtbaar.
  13. Verzoeker citeert of parafraseert uitvoerig arresten van de Raad van State, die volgens hem “integraal” op zijn zaak kunnen worden toegepast. Aan IX-10.104-8/10 die arresten liggen evenwel telkens andere feitelijke gegevens ten gronde, die elke vergelijking met huidige zaak kaduuk maakt. De overtuigingskracht van een verzoekschrift volgt niet uit het aantal geciteerde (vermeende) precedenten, maar uit een secure ontleding van de feitelijke gegevens die aan de zaak eigen zijn.
  14. Een schending van de aangehaalde bepaling en beginselen is vooralsnog niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. Er is aldus niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt de vordering.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.104-9/10 Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.104-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.517 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.