← België

Arrest 254527 - Examens (onderwijs) - 16/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.527 Rolnummer: A. 237189/IX-10103 Zaak: Arrest 254527 - Examens (onderwijs) - 16/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:27 Fiche Arrest nr 254.527 van 16 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.527 van 16 september 2022 in de zaak A. 237.189/IX-10.103 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KOBA REGIO HEIST-OP-DEN-BERG-LIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw KOBA regio Heist-op-den-Berg – Lier van 24 augustus 2022 waarbij het aan XXXX toegekende oriënteringsattest C wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.103-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september 2022, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Dirk Geens, die loco advocaat Jean Hendrickx verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het eerste leerjaar van de tweede graad ‘zorg en welzijn’ (BSO) in het Heilig-Hartcollege te Heist-op-den-Berg, een onderwijsinstelling waarvan de vzw Katholiek Onderwijs Bisdom Antwerpen (KOBA) regio Heist-op-den-Berg – Lier het schoolbestuur is. 3.
  5. Op 18 maart 2022 schrijft een arts een “afwezigheidsattest” voor verzoekster, dat aanvangt op 21 maart 2022 en loopt tot 30 juni 2022, waarin zij “onbekwaam [wordt] gevonden om […]: fysiek aanwezig te zijn tijdens de lessen door pesterijen. Online aanwezigheid is wel verplicht”. IX-10.103-2/22 Naar eigen zeggen wordt verzoekster op maandag en vrijdag op school verwacht “om de gemiste leerstof bij te schrijven”. Op woensdag moet zij opdrachten inzenden via het digitaal schoolplatform. 3.
  6. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een jaartotaal van 50% met jaartekorten voor lichamelijke opvoeding (42%) en zorg en welzijn (41%). De delibererende klassenraad kent aan verzoekster een oriënteringsattest C toe met de volgende motivering: “[Verzoekster] behaalt een onvoldoende voor de vakken Lichamelijke opvoeding (42%) en Zorg en Welzijn (41%), in totaal 19 weekuren. Zij behaalt een zwak resultaat voor de vakken Artistieke Vorming (51%), Nederlands (53%) en wiskunde (59%) in totaal 5 weekuren. De klassenraad baseert zich op de informatie over de resultaten en houdt ook rekening met de gezondheidstoestand van [verzoekster]. [Verzoekster] bereikt een groot aantal doelstellingen van de richting niet omwille van langdurige afwezigheid. Pogingen tot het behalen van deze doelstellingen werden niet ten volle benut: taken werden niet doorgestuurd, inhaalmomenten werden gemist door afwezigheid of te laat opdagen. Ook werden de inhaalmomenten niet ten volle benut door bezig te zijn met andere (niet schoolse) zaken.” Het advies van de klassenraad luidt: “De delibererende klassenraad heeft op basis van de resultaten, toetsen en praktijkopdrachten die door de leraren van de leerling werden afgenomen doorheen het schooljaar besloten tot het uitreiken van een C-attest. De klassenraad geeft [verzoekster] het advies het jaar over te doen in de richting Zorg en Welzijn aangezien de klassenraad ervan overtuigd is dat [verzoekster] mits een juiste studie-inzet, het naleven van de deadlines bij het indienen van opdrachten/taken en het regelmatig aanwezig zijn op de school, kans op slagen heeft in deze richting.” 3.
  7. Na overleg tussen – onder meer – de moeder van verzoekster en de directeur, laat deze laatste weten dat hij “onvoldoende elementen gevonden [heeft] in het globaal dossier om een herdeliberatie te verantwoorden teneinde de eindbeslissing te herzien”. IX-10.103-3/22 Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur. 3.
  8. Op 24 augustus 2022 bevestigt de beroepscommissie het C-attest. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Ten gronde
  9. [Verzoekster] haalt in totaal 50%. Zij voldoet niet voor 2 vakken die echter staan voor 19 van de 32 weekuren. • Zorg en welzijn (17 weekuren): 41% • LO (2 weekuren): 42% Zij voldoet voor de vakken Maatschappelijke vorming (75%), Godsdienst (66%), Frans (66%), Natuurwetenschappen (64%), Wiskunde (59%), Nederlands (53%) en artistieke vorming (51%). Het onvoldoende resultaat op het vak Zorg en welzijn verantwoordt reeds op zichzelf het toekennen van een oriënteringsattest C.
  10. Verzoekers putten zich uit in het aanreiken van redenen waarom het voor hun dochter onmogelijk was om de doelstellingen voor het vak Zorg en welzijn, en in ondergeschikte orde ook voor LO, te halen. Wat betreft de afwezigheden [Verzoekster] was in het eerste trimester 11 dagen afwezig, waarvan 5 problematisch. In het tweede trimester tellen wij 15 dagen, waarvan 9 problematisch. Vanaf 17 maart is zij constant afwezig, maar die afwezigheid blijkt gewettigd. Wat betreft de (vermeend ongewettigde) afwezigheid vanaf 21 maart
  11. Verzoekers leggen een niet gedateerde en niet ondertekende verklaring neer van een klinisch psycholoog, samen met een regulier afwezigheidsattest van de huisarts voor de periode van 2l/3 tot en met 30/
  12. De CLB-medewerker aanvaardde deze attesten niet: zij moesten verscheurd worden en er moesten nieuwe attesten opgemaakt worden (gesprek l april 2022 met de vader en de CLB-medewerker – blijkbaar had het CLB dat besproken met de huisarts). Hoewel er blijkbaar nooit een nieuw attest werd opgemaakt, laat staan bezorgd, staat het oorspronkelijke attest en dienen de ongewettigde afwezigheden geregulariseerd te worden (zie ook de regeling van 13 mei 2022). Wat betreft de online-lessen. Voor een goed begrip merkt de commissie op dat de huisarts niet vraagt om online lessen te organiseren voor de dochter van verzoekers. Wel zegt hij aan hen en aan de schoof dat zij in staat is om lessen online te volgen en dat zij zich daaraan niet kan onttrekken. Wat betreft het onderwijs aan huis (TOAH). IX-10.103-4/22 Tijdelijk onderwijs aan huis is aan reglementering onderworpen en dient schriftelijk aangevraagd te worden. Dat alles werd besproken in het reeds aangehaalde onderhoud van l april
  13. Eén van de criteria is inderdaad de afstand van de woning tot de school. Die is, voor het gewoon secundair onderwijs, vastgelegd op 10 km. Verzoekers wonen op 13 km van de school (kortste weg). Indien zij bezwaar hadden tegen het argument van de afstand, hadden zij dat toen, op l april, kunnen doen gelden. De afstand was echter niet het enige bezwaar. Ook het feit dat het om heel wat uren praktijk ging, speelde mee: onderwijs aan huis is immers beperkt tot 4 u per week. Blijkbaar had de psychiater een aanvraagformulier voor TOAH bezorgd aan verzoekers. Zij hebben echter geen aanvraag gedaan. In elk geval, rond thuisonderwijs was tijdens het gesprek op l april geen beslissing genomen: de optie bleef open maar een aanvraag in regel gebeurde niet. Wat verwachtte de school van [verzoekster]? Uiteindelijk komt men op 13 mei 2022 tot een regeling waarin verzoekers zich blijkbaar konden vinden (bij dat onderhoud waren aanwezig: de klassenleraar, de leerlingbegeleiding, het CLB, verzoekers en hun dochter): ‘Beslissing: doktersattest tem vandaag (CLB) ==> inhalen taken en toetsen van voorbije periode. [Verzoekster] zal maandag en vrijdag aanwezig zijn van 09.00 tem 7de lesuur – contact medeleerlingen moet vermeden worden, [verzoekster] zal in kantoortje naast secretariaat geplaatst worden. Doel: bijschrijven. Op di en don: toetsen afleggen/taken die nog niet zijn afgelegd moeten ingehaald worden. Indien [verzoekster] vroeger klaar is met bijschrijven, kan zij desgewenst de toetsen afleggen na het 7de uur op maandag en vrijdag. Woensdag dient ze thuis praktijkvakken uit te voeren: strijken, koken, ramen lappen: let op: duur moet idem zijn als op school dwz een gerecht maken van 2 uur allesomvattend, betekent 2 uur digitaal (film)materiaal, niet samengevat in 10 min.’ Het doktersattest verklaart: ‘Ondergetekende dokter verklaart persoonlijk te hebben ondervraagd en onderzocht [verzoekster] (…) en haar 100% onbekwaam gevonden om (te) fysiek aanwezig te zijn tijdens de lessen door pesterijen. Online aanwezigheid is wel verplicht.’ Verzoekers dochter mocht dus in staat geacht worden om al die opdrachten uit te (kunnen) voeren. Enkel fysieke aanwezigheid in de lessen op school werden uitgesloten. De beroepscommissie merkt hierbij op dat de betrokken leerkrachten geen ‘gemakkelijkheidsoplossing’ hebben gezocht. Het bekijken en quoteren van al dat (al dan niet gefilmd) materiaal zou hen vele uren extra werk kosten elke week. De opvolging van [verzoekster] gebeurde in essentie door de klassenleraar van week tot week. Toen bleek dat [verzoekster] niet deed wat gevraagd werd, zorgde de klassenleraar ervoor dat haar moeder eveneens de overzichten kreeg van de uit te voeren taken en opdrachten. IX-10.103-5/22 Het mailverkeer dienaangaande zoals aanwezig in het dossier spreekt voor zich. In het leerlingvolgsysteem vinden wij onder meer: ‘Mevrouw [V.R.] en ik bespreken met [verzoekster] haar inzet van de afgelopen weken. We ontvingen wekelijks weinig of geen taken. Elke maandag werd ze hier op aangesproken, maar telkens werd er een reden aangehaald waarom ze geen taken kon doorsturen (gaan shoppen met de zus, pijnlijke menstruatie, te moe, ze vond een deeltje van de cursus niet,…)’ (…) ‘De ouders worden op de hoogte gebracht van de onvoldoende inzet van [verzoekster]. Dit gesprek vond plaats met Mevr. [V.R.] en mezelf. De ouders bevestigen dat [verzoekster] de taken perfect kan uitvoeren, maar dat het regelmatig aan de nodige motivatie ligt. (…) Moeder bevestigt dat [verzoekster] ‘te koppig is om hulp te vragen’ en dat ze al heel vaak tegen [verzoekster] heeft gezegd dat ze me maar gewoon te contacteren heeft.’ (…) ‘Ik vraag aan Mevr. [V.R.] om samen met mij het (oudercontact) te voeren. Mevr. [V.R.] luistert vooral en ondersteunt waar nodig. Ik verdedig het standpunt van de klassenraad. Ik leg uit dat we een praktijkrichting zijn waarbij er dus praktische zaken moeten ingeoefend worden. Wij hebben slechts 2x beeldmateriaal ontvangen. We ontbreken 22 taken/praktijkopdrachten. We hebben te weinig ontvangen om haar groei in kaart te brengen of na te gaan of ze doelstellingen ten volle bereikt heeft. De zus knikt meermaals en bevestigt dat [verzoekster] te weinig inzet vertoonde thuis. Ze zegt dat de ouders ook weinig tot niets konden doen om [verzoekster] de nodige motivatie te geven. Er werd meermaals tegen [verzoekster] gezegd dat ze taken moest maken/opdrachten moest doorsturen. Maar de zus vertelt dat [verzoekster] hier dan schouderophalend op reageerde. [Verzoekster] wilt hierdoor huilend de refter uitlopen, waarbij haar zus haar terugroept. [Nogmaals] wordt het standpunt van de klassenraad [verdedigd]. [Verzoekster] geeft toe dat ze te weinig heeft gedaan/doorgestuurd.’ Bijkomende proeven Verzoekers vragen om ‘bijkomende proeven’ en verklaren dat hun dochter bereid zou zijn om de 22 ‘ontbrekende taken’ te maken. In hun ogen zouden dat dan ‘bijkomende proeven’ zijn. De beroepscommissie vindt geen enkele objectieve reden om de gevraagde ‘bijkomende proeven’ toe te staan. Opdrachten en taken worden gemaakt en ingeleverd tegen een deadline, tijdens het schooljaar. Zeker in het beroepsonderwijs zijn werken naar een deadline en opdrachten afwerken binnen een bepaald tijdsbestek belangrijke attitudes die meegenomen worden in de evaluatie: een deadline niet halen (vaak: al te lang overschrijden) resulteert in een 0 voor de betrokken opdracht. Dat geldt IX-10.103-6/22 voor alle leerlingen, ook voor [verzoekster]. Daar komt nog bij dat zij voor 22 taken gewoon niets inleverde. Een bijkomende proef wordt gegeven wanneer er reeds een proef werd afgelegd tijdens het schooljaar, proef waarop een resultaat behaald werd dat, in de ogen van de klassenraad en bij uitbreiding een beroepscommissie, om de een of andere reden twijfels oproept. De bijkomende proef dient dan om de reeds behaalde onvoldoende als het ware te toetsen op zijn representativiteit. De bijkomende proef wordt een onderdeel van het ganse dossier en vervangt de originele toetsen niet, maar [plaatst] de resultaten ervan in een correctere context. Een bijkomende proef is geen ‘herexamen’, waarvan het resultaat dat van de oorspronkelijke proef vervangt. Maar zelfs als dat zo zou zijn, dan nog dient er eerst een (uiteraard onvoldoende) resultaat voor te liggen dat zo’n ‘herexamen’ zou noodzaken. In het geval van verzoekers zijn er echter geen resultaten die getoetst zouden moeten worden op hun merites. Zij heeft de bewuste 22 taken nooit gemaakt en er liggen geen resultaten voor. De vraag van verzoekers komt erop neer dat aan hun dochter de kans zou gegeven worden om de taken die zij tijdens het schooljaar niet heeft gemaakt, alsnog te mogen maken. Dergelijke ‘uitgestelde toetsen’ worden in een aantal gevallen toegestaan wanneer een leerling door ziekte, ongeval of een andere vorm van overmacht niet in staat was om een proef of toets af te leggen. [Verzoekster] was echter perfect in staat om de haar gevraagde opdrachten uit te voeren en in te leveren ter beoordeling tijdens het schooljaar, iets waarop de huisarts uitdrukkelijk wijst. Ten overvloede laat de beroepscommissie opmerken dat ook de onvoldoende voor Lichamelijke Opvoeding een gevolg was van het niet inleveren van vervangende taken. De redenen waarom de taken niet gemaakt en/of ingeleverd werden. Verzoekers leggen de ‘schuld’ daarvoor bij de school. Uit de neerslag in het leerlingvolgsysteem van gesprekken die, in tempore non suspecto, gevoerd werden met verzoekers en hun dochter blijkt echter dat de oorzaak daar niet gezocht moet worden. Integendeel, de school is in hoge mate tegemoet gekomen aan vragen van verzoekers en heeft naar een oplossing gezocht om hun dochter, die niet meer naar school wilde komen, alsnog een kans te bieden haar schooljaar met vrucht te beëindigen. [Verzoekster] was elke maandag en vrijdag in de school aanwezig of moest althans aanwezig zijn. Dat was het moment om de vermeende problemen met het inleveren van bestanden of maken van opdrachten aan te kaarten. De manieren om een bestand mee te brengen naar school op een drager en zo in te leveren zijn legio. Kortom er is geen enkele plausibele reden te bedenken waarom [verzoekster] haar taken niet maakte of inleverde, tenzij een ongeziene nonchalance in de omgang met alles wat de school aanbelangt. De beroepscommissie is geschokt bij het lezen van de manier waarop met de betrokken personeelsleden en de directie werd gehandeld. De in juli doorgestuurde 11 bestanden IX-10.103-7/22 Dit zijn bestanden die tijdens het schooljaar reeds ingeleverd waren en gequoteerd. Reden waarom de directeur de delibererende klassenraad niet meer heeft samengeroepen.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  15. De verwerende partij betwist terecht niet dat de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”) en van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. IX-10.103-8/22 Zij betoogt in dat verband dat zij na het overleg met de directeur alsnog “taken en filmpjes” heeft ingestuurd “die klaarblijkelijk niet werden meegerekend in het resultaat”. Zij verbaasde zich erover dat er voor ‘zorg en welzijn’ tweeëntwintig taken zouden ontbreken. Nadien besliste de directeur – voor verzoekster “onbegrijpelijk” – dat er onvoldoende elementen waren om de klassenraad opnieuw samen te roepen. In haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie heeft zij aangevoerd dat met de “nagestuurde taken en filmpjes” geen rekening is gehouden. De beroepscommissie is daar niet op teruggekomen, maar heeft impliciet geoordeeld dat de taken niet werden ingeleverd, “ook niet laattijdig”. Volgens verzoekster kan de beroepscommissie “misschien” oordelen dat de na het overleg ingeleverde bestanden laattijdig zijn, maar ze kan “niet zomaar” oordelen dat nog steeds tweeëntwintig taken ontbreken: ofwel moeten ze in het resultaat voor ‘zorg en welzijn’ worden verdisconteerd, ofwel moet de commissie motiveren waarom dat niet is gebeurd. De enige motivering die de beroepscommissie bijbrengt is dat de elf nagezonden bestanden al tijdens het schooljaar waren ingeleverd en gequoteerd en dat daarom de klassenraad niet meer opnieuw was samengeroepen. Als dat klopt, zo stelt verzoekster, dan ontbreken slechts elf taken en dan is de beoordeling foutief. De beroepscommissie had moeten nagaan of de nagezonden bestanden taken en filmpjes bevatten die deel uitmaakten van het dossier opdat een eventuele herbeoordeling hiervan zich opdringt. Door louter aan te nemen dat ze al gequoteerd waren, zonder dat dit blijkt uit het dossier, mist de bestreden beslissing een afdoende motivering. Verzoekster is ervan overtuigd dat die taken niet werden gequoteerd en dat haar resultaat van 41% dus geen rekening houdt met de betrokken bestanden. Volgens verzoekster is de bestreden beslissing ook subjectief omdat ze “talrijke beweringen van de school die geen steun vinden in het dossier” heeft aangenomen. In dat verband refereert zij, bij wijze van voorbeeld, aan de opmerking in de bestreden beslissing dat verzoekster “niet meer naar school wilde komen”, terwijl zij een doktersattest en een attest van een klinisch psycholoog kan voorleggen waaruit blijkt dat het voor haar niet mogelijk was om naar school te gaan. Verzoekster neemt ook aanstoot aan de opmerking dat zij “een ongeziene IX-10.103-9/22 nonchalance [vertoont] in de omgang van alles wat de school aanbelangt” en dat de beroepscommissie geschokt is door de wijze waarop de personeelsleden en directie werden behandeld. De commissie had door nazicht kunnen vaststellen dat dergelijke uitlatingen geen steun vinden in het dossier, minstens had zij verzoekster hierover kunnen bevragen tijdens de zitting. Beoordeling
  17. De beroepscommissie schrijft in de bestreden beslissing: “Het onvoldoende resultaat op het vak Zorg en welzijn verantwoordt reeds op zichzelf het toekennen van een oriënteringsattest C.” Dat betekent dat het tekort voor dit opleidingsonderdeel het dragend motief is van de bestreden beslissing. Als dit motief deugdelijk is, betekent dat ook dat eventuele andere, aanvullende motieven overtollig zijn en dat kritiek op die andere motieven, zelfs al ware ze gegrond, de wettigheid van de beslissing niet aantast. 8.
  18. In wat begrepen kan worden als een eerste middelonderdeel, bekritiseert verzoekster het standpunt van de beroepscommissie omtrent de tweeëntwintig ontbrekende taken voor ‘zorg en welzijn’. 8.
  19. Verzoekster mag in haar verzoekschrift dan wel nog steeds stellen dat haar moeder over het ontbreken van die taken “uiterst verbaasd” is. Het is op het eerste gezicht veelzeggend dat verzoekster die verbazing niet aan zichzelf toeschrijft. Hoe dan ook heeft verzoekster prima facie niet de minste inspanning geleverd om aan de beroepscommissie, laat staan thans aan de Raad van State, de bewijzen voor te leggen van haar bewering dat zij de betrokken taken wél en tijdig aan de betrokken leerkrachten had bezorgd. In haar bezwaarschrift dat aan de beroepscommissie is voorgelegd, erkent zij integendeel dat “de filmpjes […] klaarblijkelijk niet tijdig bij de school waren geraakt”. IX-10.103-10/22 De beroepscommissie, zoals die in de artikelen 123/15 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Door de devolutieve werking van het beroep heeft de beroepscommissie de beslissingsmacht over de zaak in haar geheel verworven. Zij oefent die uit op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. De aard van de hervormingsbevoegdheid van de beroepscommissie impliceert dat zij zich een eigen beeld mag vormen van de dossiergegevens van een leerling. Hieruit volgt, zo lijkt, dat de beroepscommissie rechtmatig kon oordelen dat bij haar het geval voorlag van een leerlinge die voor een vak dat zeventien uren per lesweek omvat, in de loop van het schooljaar tweeëntwintig taken niet had ingeleverd. Verzoekster wijst prima facie geen rechtsgrond aan, op basis waarvan de beroepscommissie ertoe gehouden is rekening te houden met niet of manifest laattijdig ingediende taken. 8.
  20. Dat de beroepscommissie niet zou hebben gemotiveerd “waarom deze taken – zelfs in de aanname dat ze nadien werden nagestuurd – niet konden worden opgenomen in het resultaat voor ‘Zorg en Welzijn’” berust, zo lijkt, op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing. Daarin wordt immers – onder meer – uiteengezet dat “[o]pdrachten en taken worden gemaakt en ingeleverd tegen een deadline, tijdens het schooljaar” en dat “[z]eker in het beroepsonderwijs […] werken naar een deadline en opdrachten afwerken binnen een bepaald tijdsbestek belangrijke attitudes [zijn] die meegenomen worden in de evaluatie: een deadline niet halen (vaak: te lang overschrijden) resulteert in een 0 voor de betrokken opdracht. Dat geldt voor alle leerlingen, ook voor [verzoekster]”. IX-10.103-11/22 Daarmee geeft de beroepscommissie dus op het eerste gezicht wel degelijk aan waarom geen rekening wordt gehouden met de “nagestuurde” taken, namelijk omdat de deadline werd overschreden. Een dergelijk oordeel lijkt niet van iedere redelijkheid ontdaan, wat verzoekster overigens ook niet beweert. 8.
  21. De kritiek die verzoekster nog levert op de passus in de bestreden beslissing in verband met “[d]e in juli doorgestuurde 11 bestanden” – verzoekster vraagt zich af of er nu elf of tweeëntwintig taken ontbreken, maar denkt dat voor haar jaarcijfer met geen enkele van de tweeëntwintig taken rekening werd gehouden – lijkt zonder relevantie, nu de beroepscommissie hoe dan ook uitgaat van een nulcijfer voor laattijdig ingeleverde taken. Louter ten overvloede daarom, mag met de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoekster in de huidige stand van de procedure geenszins aantoont dat de nagestuurde bestanden betrekking hebben op de ontbrekende taken. De moeder van verzoekster heeft op 6 juli 2022 na het overleg met de directeur een link gestuurd, volgens het begeleidend e-mailbericht met “alle filmpjes en documenten [...] die we hebben gevonden op alle pc’s, laptops en gsm”, waarbij zij aangeeft: “in totaal denk ik dat het hier gaat om 11 of 12 opdrachten”. Zij vraagt dat verzoekster “de kans krijgt om de lijst volledig af te werken” en herinnert aan de elementen die zij heeft aangehaald “waardoor [verzoekster] sommige taken niet kon doen”. Zij geeft aldus niet aan dat de nagestuurde bestanden de ontbrekende opdrachten zou betreffen, maar enkel een verzameling van wat zij “hebben gevonden”. De verwerende partij merkt voorts prima facie terecht op “dat het voor de verzoekende partij eenvoudig zou moeten zijn om aan te geven welke thema’s ten onrechte niet in de evaluatie zouden betrokken zijn, omdat de opdrachten wel tijdig werden gemaakt maar niet kon[den] ingeleverd worden. Dit IX-10.103-12/22 standpunt ontbreekt echter. Uit de bestandsnamen van de doorgestuurde documenten via We Transfer kan niet worden afgeleid dat deze betrekking hebben op opdrachten voor het vak ‘Zorg en Welzijn’ die de verzoekende partij niet heeft gemaakt of heeft binnengebracht.”
  22. In wat begrepen kan worden als een tweede middelonderdeel, citeert verzoekster enkele zinsneden uit de bestreden beslissing om tot de “subjectiviteit” van de beroepscommissie te besluiten. Die zinsneden lijken echter geen decisieve elementen te zijn. Kritiek op overtollige motieven is, zoals hiervóór opgemerkt, onontvankelijk.
  23. Wat, ten slotte, determinerend is om de verantwoordelijkheid voor het niet maken en inleveren van de opdrachten bij verzoekster te leggen, is de overweging dat verzoekster “elke maandag en vrijdag in de school aanwezig [was] of moest […] aanwezig zijn”, dat dit “het moment [was] om de vermeende problemen met het inleveren van bestanden of maken van opdrachten aan te kaarten”, dat “[d]e manieren om een bestand mee te brengen naar school op een drager en zo in te leveren […] legio [zijn]” en dat er dus “geen enkele plausibele reden te bedenken [is] waarom [verzoekster] haar taken niet maakte of inleverde”. Daarop levert verzoekster in dit middel geen kritiek, zo lijkt; zij spreekt die motieven op het eerste gezicht in dit middel niet tegen.
  24. De schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen is voorshands niet aangetoond. Het middel is in genen dele ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel IX-10.103-13/22
  25. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 123/15 van de Codex Secundair Onderwijs en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hoewel de feitelijke omstandigheden door de beroepscommissie niet worden ontkend, heeft zij toch geoordeeld dat er geen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn die het opleggen van bijkomende proeven verantwoorden. De beroepscommissie erkent dat verzoekster tijdens het derde trimester (gewettigd) afwezig was. De afwezigheid van een leerling gedurende meer dan drie maanden betreft een uitzonderlijke situatie. Er wordt ten onrechte – want in strijd met artikel 117/1, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs – niet ingegaan op de vraag naar onderwijs via internet en ook tijdelijk onderwijs aan huis werd niet georganiseerd. De beroepscommissie heeft daarover niet, minstens niet afdoende gemotiveerd. Verzoekster moest twee volle dagen per week “in een afzonderlijk piepklein lokaal” doorbrengen en op woensdag zelfstandig opdrachten uitvoeren en de resultaten ervan doorsturen. De fysieke onmogelijkheid voor verzoekster om tijdens het derde trimester de lessen bij te wonen, waardoor zij door de school verplicht werd om gedurende twee dagen in een klein niet verlucht lokaal plaats te nemen en waarbij zij de rest van de week aangewezen was op het zelfstandig uitvoeren van opdrachten voor ‘zorg en welzijn’, is nefast geweest voor haar punten. Dat had volgens verzoekster voor de beroepscommissie voldoende moeten zijn om de bijzondere omstandigheden aan te nemen en bijkomende proeven op te leggen. IX-10.103-14/22 Daarbij komt nog dat dit ervoor gezorgd heeft dat verzoekster niet kon rekenen op de gepaste opvolging en begeleiding. Verzoekster benadrukt dat zij weet dat een gebrek aan begeleiding in beginsel geen dienstig argument is. Maar het wordt volgens haar een “zinvol argument”, “bijvoorbeeld om bijkomende proeven af te dwingen of om een school te doen erkennen dat de leerling met meer gepaste begeleiding een volgend schooljaar wél aan zou kunnen en dus zou kunnen slagen”. Verzoekster herhaalt dat zij het niet mogelijk acht dat voor ‘zorg en welzijn’ de “11 gemaakte opnames […] reeds meegerekend zijn in het resultaat”. Volgens verzoekster zijn de restricties die de beroepscommissie heeft geformuleerd met betrekking tot het opleggen van bijkomende proeven in strijd met artikel 123/15, § 3, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs, omdat die bepaling aan de commissie “met volheid van bevoegdheid” toelaat om te oordelen over het al dan niet opleggen van bijkomende proeven. De beroepscommissie geeft dus een verkeerde lezing aan die bepaling, als zou die een en ander niet toestaan. De beroepscommissie stelt volgens verzoekster ook “volledig foutief” dat zij perfect in staat was om de opdrachten uit te voeren en in te leveren. Daarmee “sluit [de commissie] de ogen voor de realiteit van een puberende minderjarige die geconfronteerd wordt met een pestproblematiek en daarvoor een volledig trimester afwezig is”. Voor verzoekster zijn dat “niet de ideale omstandigheden om taken en/of toetsen uit te voeren”. Daaruit leidt verzoekster af dat de beroepscommissie de feiten niet juist kadert en het ziektebeeld van verzoekster, ingegeven door een pestproblematiek op school, miskent. Verzoekster betoogt dat zij belangrijke achtergrondinformatie miste, die nodig was voor de uitvoering van bepaalde opdrachten, dat zij vragen stelde aan leerkrachten, maar daarop geen antwoord kreeg, dat wanneer een filmpje niet werkte er geen oplossing kwam, dat één taak nooit volledig werd bekeken door de leerkracht, dat niemand tijd had om haar opdracht in de kleuterschool – aan de overzijde van de straat – te komen bekijken, dat opnames ook aan het secretariaat werden bezorgd IX-10.103-15/22 maar dat die niet werden doorgestuurd, dat zij voor een opdracht om babyspeelgoed te desinfecteren had opgemerkt dat zij geen dergelijk speelgoed meer in huis had en dat zij voor die opdracht dan een nul scoorde. Verzoekster wijst ook erop dat zij tijdens de andere trimesters mooie resultaten behaalde voor ‘zorg en welzijn’, wat aantoont dat haar eindcijfer niet representatief is voor haar kunnen. De determinerende reden om de bijkomende proeven te weigeren is de “ongeziene nonchalance” die de beroepscommissie aan verzoekster toedicht “in de omgang met alles wat de school aanbelangt”. Dat is nochtans op geen enkel objectief gegeven gesteund. Beoordeling
  26. In haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie heeft verzoekster “ondergeschikt” gevraagd om bijkomende proeven opgelegd te krijgen, weliswaar alleen voor ‘zorg en welzijn’ en niet voor lichamelijke opvoeding, waar zij omwille van een recente ingreep “herkansing niet mogelijk” achtte. Ter ondersteuning van haar vraag heeft verzoekster daarbij aangegeven “bereid [te zijn] de 22 taken te maken zodat zij kan bewijzen dat zij wel degelijk geslaagd moet worden verklaard”. Dat bezwaarschrift en die argumentatie voor ogen, kan verzoekster thans de beroepscommissie prima facie bezwaarlijk verwijten haar vraag op die manier te hebben onderzocht.
  27. Anders dan verzoekster het ziet, lijkt de beroepscommissie twee gevallen te zien waarin zij bijkomende proeven mogelijk acht: 1) in het geval waarin getwijfeld wordt over de representativiteit van een onvoldoende resultaat en 2) in het geval cijfers ontbreken door ziekte, ongeval of een andere vorm van overmacht. IX-10.103-16/22 De commissie was van oordeel dat het eerste geval niet van toepassing kon zijn op verzoekster omdat er “geen resultaten [voorliggen]”: “[z]ij heeft de bewuste 22 taken nooit gemaakt en er liggen geen resultaten voor”. De commissie zag de situatie van verzoekster evenmin inpasbaar in het tweede geval, omdat noch ziekte, noch ongeval, noch een andere vorm van overmacht haar had verhinderd in het uitvoeren van de opdrachten. Of zoals de commissie het stelde: “[Verzoekster] was echter perfect in staat om de haar gevraagde opdrachten uit te voeren en in te leveren ter beoordeling tijdens het schooljaar, iets waarop de huisarts uitdrukkelijk wijst”.
  28. Met dat oordeel handelt de beroepscommissie op het eerste gezicht eveneens binnen de bepalingen van artikel 123/15, § 3, 2°, van de Codex Secundair Onderwijs waaruit de beroepscommissie een ruime discretionaire bevoegdheid put om te beoordelen of bijkomende proeven in een concreet geval kunnen worden toegekend of niet.
  29. Verzoekster slaagt er evenmin in, zo lijkt, om te overtuigen dat de beroepscommissie nalaat rekening te houden met rechtens relevante “bijzondere omstandigheden” die kunnen verantwoorden waarom zij de haar opgelegde taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Noch dat zij een “puberende minderjarige” is, noch dat zij het slachtoffer was van pesterijen op school, noch dat zij daardoor een volledig trimester afwezig was, lijken immers elementen te zijn die het oordeel van de beroepscommissie onderuithalen. Voor zover verzoekster van zichzelf aangeeft een “puberende minderjarige” te zijn, verduidelijkt zij op het eerste gezicht niet waarom haar dat heeft verhinderd om de haar opgelegde opdrachten uit te voeren. Overigens zijn IX-10.103-17/22 leerlingen in een eerste jaar van de tweede graad in de regel “puberende minderjarigen”. De pestproblematiek op school lijkt dan weer geneutraliseerd te zijn doordat verzoekster afwezig bleef, minstens niet in contact kwam met de pester. Waarom zij dan de opdrachten toch niet kon uitvoeren, maakt zij evenmin duidelijk. Het loutere feit dat zij op school afwezig was, lijkt evenmin het niet-uitvoeren van de opdrachten te kunnen rechtvaardigen. Het waren net taken die zij thuis of op verplaatsing diende te volbrengen en daarvan desgevallend een filmpje bezorgen aan de school.
  30. Verzoekster haalt in dat verband in haar verzoekschrift ook nog andere elementen aan: zij zou belangrijke achtergrondinformatie, nodig voor de uitvoering van bepaalde opdrachten, hebben gemist, haar vragen werden niet beantwoord door de leerkrachten, één taak werd nooit volledig bekeken door de leerkracht, niemand had tijd om haar opdracht in de kleuterschool te komen bekijken, opnames die aan het secretariaat werden bezorgd werden niet doorgestuurd naar de leerkracht, voor de opdracht om babyspeelgoed te desinfecteren had zij geen speelgoed ter beschikking, enzovoort. Die elementen lijkt verzoekster niet aan de beroepscommissie te hebben voorgelegd. Zij kan dan op het eerste gezicht bezwaarlijk aan de commissie verwijten die elementen niet in haar oordeel te hebben betrokken, laat staan er geen uitdrukkelijk antwoord op te hebben geboden.
  31. Verzoekster leest op het eerste gezicht de bestreden beslissing ook verkeerd waar zij betoogt dat het determinerend motief voor de weigering van bijkomende proeven alleen gelegen is in, wat de commissie noemt, “ongeziene nonchalance in de omgang met alles wat de school aanbelangt”. IX-10.103-18/22 Die zinsnede komt niet voor onder de rubriek waarin de vraag om bijkomende proeven wordt beoordeeld, maar wel waar de redenen voor het niet-maken en niet-inleveren van de taken tijdens het schooljaar worden onderzocht.
  32. Dat verzoekster het niet mogelijk acht dat voor ‘zorg en welzijn’ de nagestuurde “11 gemaakte opnames” “reeds meegerekend zijn in het resultaat”, is sub 8.4 bij de bespreking van het eerste middel, vooralsnog niet relevant bevonden. Het is dat evenmin, zo lijkt, wat de vraag naar bijkomende proeven betreft.
  33. Waar verzoekster nog argumenteert dat ten onrechte niet werd ingegaan op haar vraag naar synchroon internetonderwijs en dat ook tijdelijk onderwijs aan huis niet werd georganiseerd, dient er prima facie op gewezen dat dit kritiek betreft die verzoekster wel erg laat formuleert. Dat geldt eveneens voor het door haar voorgehouden gebrek aan “gepaste opvolging en begeleiding”. In de eerste plaats wijst de verwerende partij in dit verband terecht naar de verwijzing in de bestreden beslissing naar het “onderhoud van 1 april 2022” en naar de regeling van 13 mei 2022 “waarin verzoekers zich blijkbaar konden vinden”. In dat verband verduidelijkt verzoekster overigens niet hoe de weigering van synchroon internetonderwijs in de weg staat van het thuis uitvoeren, opnemen en inleveren, door verzoekster, van praktijktaken. Zij weerspreekt voorts niet dat zij een aanvraagformulier heeft gekregen voor tijdelijk onderwijs aan huis, maar geen aanvraag te hebben gedaan. Zij weerspreekt niet de overweging in de bestreden beslissing dat dit onderwijs beperkt is tot 4 uur per week en dus niet kon volstaan voor de uren praktijk. Bovenal weerlegt zij niet de overweging dat de regeling van 13 mei 2022 toelaat aan te nemen dat zij zich kon vinden in de afspraak om de praktijkvakken thuis uit te voeren en aan de school te bezorgen. IX-10.103-19/22 Uit de citaten uit het leerlingvolgsysteem in de bestreden beslissing blijkt alvast op het eerste gezicht dat de school na de afspraken van 13 mei 2022 zelf contact heeft opgenomen met de ouders in de loop van mei en juni over de “afwachtende houding” van verzoekster (3 juni 2022) en het ontbreken van taken (20 juni 2022) en dat hierover op 20 juni 2022 ook een gesprek op school is geweest met de ouders van verzoekster. Voorts wordt aangenomen dat de betrokken personen die vaststellen dat een school een bepaalde verplichting niet nakomt of niet voorziet in passende begeleiding, die problematiek onmiddellijk moet aankaarten. Zo om welke reden ook naderhand zou blijken dat de regeling van 13 mei 2022 niet werkzaam was – bijvoorbeeld, naar zeggen van verzoekster, omdat zij twee dagen per week op school in een “klein niet verlucht lokaal” moest werken – dan lag het op de weg van verzoekster – of haar ouders – om dit tijdig aan te kaarten. Het gaat, zo lijkt, niet op dat zij de school daarover eerst in het ongewisse laten en nadien, nadat de prestaties door de leerling zijn geleverd – of net niet of niet in voldoende mate – de school daarmee confronteren, zelfs tot bij de rechter.
  34. Het tweede middel mist eveneens de vereiste ernst.
  35. Er is bij gebrek aan een ernstig middel niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  36. De Raad van State verwerpt de vordering.
  37. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.103-20/22
  38. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.103-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.103-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.