id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.532 Rolnummer: A. 237199/IX-10105 Zaak: Arrest 254532 - Examens (onderwijs) - 19/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 07:27 Fiche Arrest nr 254.532 van 19 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.532 van 19 september 2022 in de zaak A. 237.199/IX-10.105 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Caroline De Jonge en Thomas Vermeesch kantoor houdend te 9790 Wortegem-Petegem Kortrijkstraat 35A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de vzw SKOBO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1.
- De vordering, ingesteld op 7 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw SKOBO van 24 augustus 2022 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B met clausulering van de doorstroomfinaliteit wordt toegekend, alsook van de impliciete weigering om aan XXXX een oriënteringsattest A toe te kennen. 1.
- Tevens wordt gevorderd dat “daarbij navolgende voorlopige maatregelen worden opgelegd”: “° de beroepscommissie van de [vzw SKOBO] te bevelen dat [zij] onverwijld en uiterlijk 3 dagen na de betekening van het tussen te komen arrest samenkomt en aan [XXXX] minstens in afwachting tot een uitspraak ten gronde, een IX-10.105-1/16 oriënteringsattest A uit te reiken zodat zij het derde middelbaar ‘Humane Wetenschappen’ kan aanvatten; minstens, ° de beroepscommissie van de [vzw SKOBO] te bevelen dat [zij] onverwijld en uiterlijk 3 dagen na de betekening van het tussen te komen arrest samenkomt om [haar] beslissing te heroverwegen, in aanmerking nemend het beschikkend gedeelte van het tussen te komen arrest en de overwegingen die er onlosmakelijk mee verbonden zijn; ° de beroepscommissie van de [vzw SKOBO] te bevelen dat [zij] uiterlijk daags nadien het resultaat van deze beraadslaging aan verzoekster en aan de directeur van SIBE betekent bij aangetekend schrijven; ° de raad van bestuur van de [vzw SKOBO] te bevelen de directeur daaropvolgend opdracht te geven onverwijld en uiterlijk 3 dagen na de betekening van zijn nieuwe beslissing de delibererende klassenraad opnieuw te laten samenkomen en uitdrukkelijk te laten beslissen over de clausulering doorstroomfinaliteit in die zin dat [XXXX] wel wordt toegelaten tot het derde middelbaar ‘Humane Wetenschappen’, in aanmerking nemend het beschikkend gedeelte van het tussen te komen arrest en de overwegingen die er onlosmakelijk mee verbonden zijn.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 september 2022, om 13.30 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Caroline De Jonge, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-10.105-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling van het tweede leerjaar van de eerste graad, onderwijsvorm A, basisoptie ‘maatschappij en welzijn’, in het Sint-Bernardusinstituut te Knokke-Heist, een onderwijsinstelling waarvan de vzw Scholengroep Katholiek Onderwijs Brugge en Ommeland (SKOBO) het schoolbestuur is. 3.
- Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een jaartotaal van 66%, met jaartekorten voor wiskunde (41%) en aardrijkskunde (49%). De delibererende klassenraad kent aan verzoekster een oriënteringsattest B toe, met clausulering van de doorstroomfinaliteit. Die beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “[Verzoekster] heeft een tekort voor aardrijkskunde (49%) en behaalt de eindtermen niet voor wiskunde (41% in totaal, 39% voor haar basis over het hele jaar heen). Hierdoor kan zij het volgend schooljaar niet overstappen naar een studierichting met een doorstroomrichting. [Verzoekster] kan wel overschakelen naar een volgend schooljaar in een richting met een dubbele finaliteit.” Het advies van dezelfde klassenraad luidt: “De klassenraad stelt een studierichting voor met een dubbele finaliteit die aansluit bij de interesse en mogelijkheden van [verzoekster]. De studierichtingen Maatschappij en welzijn of Mode en creatie behoren tot de mogelijkheden.” Verzoekster betwist de voormelde evaluatiebeslissing. IX-10.105-3/16 3.
- Na het overleg met verzoekster is de schooldirecteur van oordeel dat de door haar aangevoerde elementen geen nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen “omdat de leerplandoelen, basiscompetenties voor het vak wiskunde in de A-stroom van de 1e graad niet werden behaald (wiskunde 39% voor de basis op jaartotaal) en dit desondanks de aangeboden bijsprong, remediëringstaken, extra oefeningen en op maat gegeven bijlessen (privé)”. Verzoekster stelt vervolgens een beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 24 augustus 2022 bevestigt de beroepscommissie het aan verzoekster toegekende B-attest, “inclusief clausulering”. Die beslissing steunt, benevens op de verwijzing naar de beslissing van de delibererende klassenraad, de toepasselijke wetgeving en de procedurele voorgaanden, op de volgende motieven: “- De beroepscommissie erkent dat [verzoekster] voor in totaal een goed resultaat van 66% behaalt, alwaar het klasgemiddelde 70% is - De beroepscommissie erkent dat er een licht positieve evolutie in de resultaten van [verzoekster] merkbaar was voor wiskunde. Maar de beroepscommissie stelt tegelijkertijd ook vast dat deze er gekomen is, weliswaar door een heel stevige inzet van [verzoekster] in combinatie met een zeer intensief begeleidingstraject van de school. Dit hield in: 3 x zorgstudie per week waar [verzoekster] individueel werd begeleid om de leerstof onder de knie te krijgen, de inspanning rond het begeleidingsplan en de verschillende hulpmiddelen die werden aangereikt tijdens het maken van taken en toetsen. Dit werd verder aangevuld met privé-bijlessen. - De beroepscommissie is van oordeel dat zelfs met een continue inzet en een bijzonder intensieve begeleiding vanuit de school, [verzoekster] er nog steeds niet in slaagt om de leerplandoelen wiskunde te behalen, ze grote moeilijkheden zal ervaren met het abstracte en complexe karakter van de wiskunde-doelen in alle doorstroomrichtingen.” Dit is de bestreden beslissing. IX-10.105-4/16 Verzoekster onderkent daarin de “impliciete weigering om haar een oriënteringsattest A te verlenen”, die zij mede tot voorwerp van haar vordering tot schorsing maakt. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet). Zij herinnert aan de verplichting die op de beroepscommissie rust om haar eindbeslissing formeel te motiveren. Zij stelt dat de bezwaarprocedure, wil ze enig nut hebben, ertoe moet leiden dat een leerlinge in de loop van die procedure een antwoord krijgt op haar bezwaren of toch minstens op die grieven welke, indien ze gegrond zouden blijken, tot een gunstiger resultaat kunnen leiden. De beroepscommissie moet het bezwaarschrift zorgvuldig onderzoeken en voor de verwerping ervan “goede redenen” hebben. Volgens verzoekster, moet in de beslissing van de beroepscommissie “formeel aandacht IX-10.105-5/16 [worden besteed] aan de wezenlijke en fundamentele grieven van de beroepsindiener” en moeten aan haar de antwoorden worden gegeven die laten verstaan waarom haar beroep wordt verworpen. In geval van een B-attest, zo voert verzoekster nog aan, wordt een “sterk doorgedreven motivering” verwacht. Verzoekster beklaagt zich erover dat zij in haar bezwaarschrift een aantal argumenten heeft aangevoerd waarop zij in de bestreden beslissing “geen enkele respons” terugvindt. Volgens verzoekster spoort de motivering van de bestreden beslissing op verschillende punten niet met het dossier. Zo wordt de toekenning van het B-attest doorslaggevend gesteund op het feit dat zij de leerplandoelen voor wiskunde niet heeft behaald. Nochtans scoort zij goed voor alle andere vakken, zo betoogt verzoekster, en heeft de beroepscommissie ook haar jaartotaal als goed bestempeld. Bovendien heeft de beroepscommissie gewezen op een “licht positieve evolutie in haar resultaten voor wiskunde”. Verzoekster besluit dat de beroepscommissie “[n]iettemin” en “zonder enige nadere motivering” heeft geoordeeld dat zij er niet in slaagt de leerplandoelen voor wiskunde te behalen. Verzoekster doet ook gelden dat de beroepscommissie “zonder meer” een clausulering van de doorstroomfinaliteit heeft opgelegd, maar niet heeft geantwoord op “haar […] argumentatie inzake concreet voorgestelde remediëringen”. Zij heeft niet stilgestaan, zo stelt verzoekster, bij “de mogelijkheid en effectiviteit van minder verregaande maatregelen”. Verzoekster stelt zich voorts vragen bij de coherentie van de beslissing van de beroepscommissie. Enerzijds wordt haar jaartotaal als goed beschouwd en wordt een “licht positieve evolutie” waargenomen in haar resultaten voor wiskunde, maar anderzijds wordt toch geoordeeld dat de leerplandoelen niet bereikt zijn. Er wordt niet nader beargumenteerd waarom een studierichting met vier uren wiskunde per week – in het bijzonder: de studierichting ‘humane wetenschappen’ – niet tot de mogelijkheden zou behoren. IX-10.105-6/16 Ten slotte voert verzoekster aan dat de beroepscommissie niet vermag te oordelen dat zij “grote moeilijkheden zal ervaren met het abstracte en complexe karakter van de wiskunde-doelen in alle doorstroomrichtingen”. Dit is volgens haar niet alleen “een bijzonder voorbarige en op niets gebaseerde veronderstelling”, bovendien komt het enkel de klassenraad van het volgende leerjaar toe om daarover te oordelen. Beoordeling
- De bestreden beslissing kent aan verzoekster een B-attest toe met clausulering van de studierichtingen met een doorstroomfinaliteit. Verzoekster behaalt weliswaar twee jaartekorten: voor wiskunde (41%) en aardrijkskunde (49%). De bestreden beslissing steunt echter op het eerste gezicht wezenlijk op het onvoldoende resultaat voor wiskunde. 7.
- Het door verzoekster behaalde jaarcijfer voor wiskunde lijkt moeilijk anders dan als een omvangrijk tekort te kunnen worden beschouwd. Een dergelijk cijfer moet worden geacht, zo lijkt, een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Gelet op het vermoeden van deskundigheid dat tot de weerlegging ervan kleeft aan de hoedanigheid van leerkracht, mag ervan worden uitgegaan dat de leerkrachten tijdens het schooljaar de aan de eindtermen gerelateerde en door het leerplan vereiste leerstof – kennisinhouden, vaardigheden en attitudes – volledig en bekwaam hebben onderwezen, dat zij de vorderingen van de leerling correct hebben geobserveerd en geëvalueerd tijdens het dagelijks werk, dat zij examens hebben opgesteld die niet eenzijdig zijn maar representatief voor de effectief onderwezen leerstof zowel wat leerinhoud als moeilijkheidsgraad betreft, dat zij die examens objectief en vakkundig hebben verbeterd en aan de hand van een valide puntenspreiding over de leeronderdelen hebben gequoteerd teneinde over de bereikte kennis en IX-10.105-7/16 vaardigheden (en eventueel attitudes) van de leerling te rapporteren en dat de relatieve waarde van de punten voor dagelijks werk en de proefwerken weloverwogen het leerproces van de leerling tijdens het jaar en diens capaciteit tot verwerking van afgewerkte en grotere gehelen weergeeft. Bijgevolg mag ook worden aangenomen dat het voor een opleidingsonderdeel ordentelijk toegekende jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan procesevaluatie en aan verwerking van grotere gehelen en de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het betrokken vak in de loop van het jaar aan bod zijn gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen. Daaruit volgt, in beginsel, dat de leerling die niet een voldoende jaarresultaat behaalt, voor dat vak de leerplandoelstellingen ook niet op een voldoende wijze heeft bereikt. Een verwijzing naar een bij veronderstelling ordentelijk vastgelegd jaartekort lijkt dan ook in de regel als formele motivering voor die vaststelling te volstaan. De klassenraad – of na bezwaar: de beroepscommissie – lijkt derhalve niet verplicht om daarbovenop een opsomming te geven van alle niet behaalde eindtermen of leerplandoelstellingen. 7.
- De beroepscommissie kon, op het eerste gezicht, op grond van het door verzoekster behaalde jaarcijfer voor wiskunde dan ook besluiten dat zij “er nog steeds niet in slaagt om de leerplandoelen wiskunde te behalen”. Anders dan verzoekster het ziet, moesten haar slaagcijfers voor andere vakken of zelfs een “licht positieve evolutie” in de resultaten voor wiskunde de beroepscommissie op dat vlak niet tot een ander oordeel brengen. Uit wat voorafgaat volgt dat daarvoor, naast het jaarcijfer op zich, ook geen bijzondere motivering vereist lijkt. IX-10.105-8/16 8.
- Verzoekster herinnert terecht aan de motiveringsverplichting die op de beroepscommissie rust wanneer zij zich als beroepsinstantie uitspreekt over een bezwaar inzake een leerlingenevaluatie. 8.
- In dat verband stelt verzoekster vooreerst dat haar grief dat de clausulering “te ruim” is en dat er “andere mogelijkheden dan een B-attest [zijn] om tekorten of zwakke punten weg te werken” onbeantwoord is gebleven. Dit geldt volgens verzoekster ook voor de specifieke omstandigheden die zij heeft aangevoerd: het klasgemiddelde, de positieve evolutie voor wiskunde en het gegeven dat zij voor alle andere vakken goed scoort. Evenmin is er een antwoord gekomen op haar grief dat de twee door de klassenraad voorgestelde studierichtingen “absoluut niet tot haar interessegebied” behoren. Voorts zou niet geantwoord zijn op verzoeksters argumenten in verband met de mogelijkheid om remediëring op te leggen. Bij de mogelijkheid en effectiviteit van minder verregaande maatregelen zou de beroepscommissie niet eens zijn blijven stilstaan. Ten slotte zou ook niet nader toegelicht zijn waarom een studierichting met vier uren wiskunde per week – verzoekster heeft de wens uitgedrukt in de tweede graad de studierichting ‘humane wetenschappen’ te volgen – voor haar niet tot de mogelijkheden behoort. 8.
- De motivering van de bestreden beslissing mag inderdaad summier worden genoemd. Dat betekent op het eerste gezicht ipso facto evenwel niet dat de beroepscommissie de grieven van verzoekster niet op een afdoende wijze zou hebben ontmoet. 8.
- Vooreerst erkent en waardeert de beroepscommissie het globale jaarresultaat van verzoekster en het klasgemiddelde en zij ziet ook een “licht positieve evolutie in de resultaten van [verzoekster] voor wiskunde”. IX-10.105-9/16 Daaruit blijkt op het eerste gezicht dat de beroepscommissie álle resultaten van verzoekster bij haar beoordeling in ogenschouw heeft genomen en heeft betrokken. Daaraan heeft de beroepscommissie echter “tegelijkertijd” toegevoegd dat die “licht positieve evolutie” voor wiskunde er gekomen is “weliswaar door een heel stevige inzet van [verzoekster] in combinatie met een zeer intensief begeleidingstraject van de school”. Dat “intensief begeleidingstraject” hield in: “3x zorgstudie per week waar [verzoekster] individueel werd begeleid om de leerstof onder de knie te krijgen, de inspanning rond het begeleidingsplan en de verschillende hulpmiddelen die werden aangereikt tijdens het maken van taken en toetsen”. Bovendien werd dat alles “aangevuld met privé-bijlessen”. De beroepscommissie komt tot de vaststelling dat verzoekster, spijts die “continue inzet” en een “bijzonder intensieve begeleiding vanuit de school”, de leerplandoelstellingen voor wiskunde niet heeft behaald. Dat oordeel lijkt verzoekster, zoals hiervóór gezien, niet met succes te hebben betwist. Daaraan heeft de beroepscommissie dan weer haar oordeel verbonden dat kan worden verwacht dat verzoekster “grote moeilijkheden zal ervaren met het abstracte en complexe karakter van de wiskunde-doelen in alle doorstroomrichtingen”. 8.
- De beroepscommissie viseert in de clausulering én in de motivering álle studierichtingen met een doorstroomfinaliteit, omdat in die studierichtingen “het abstracte en complexe karakter van de wiskunde-doelen” voor verzoekster een struikelblok zal vormen. Daarmee heeft zij, zo lijkt, ook aangegeven dat het feit dat in bepaalde studierichtingen met een doorstroomfinaliteit het wiskundepakket beperkt blijft tot vier lesuren per week – bijvoorbeeld in de studierichting ‘humane IX-10.105-10/16 wetenschappen’ – geen afbreuk doet aan het “abstracte en complexe karakter van de wiskunde-doelen”. Die zienswijze betwist verzoekster op het eerste gezicht dan weer niet. Verzoeksters grief dat de clausulering “te ruim” zou zijn, lijkt daardoor eveneens beantwoord. 8.
- Dat andere, minder verregaande mogelijkheden dan een B-attest voorlagen en dat eventueel remediëringsmaatregelen konden worden genomen, heeft de beroepscommissie op het eerste gezicht afdoende weerlegd. De beroepscommissie heeft immers uitdrukkelijk verwezen naar alle begeleidingsmaatregelen die tijdens het voorbije schooljaar reeds werden ingezet en die klaarblijkelijk geen of minstens niet voldoende vruchten hebben afgeworpen. Waarom dat volgens verzoekster in een volgend leerjaar in een studierichting met een doorstroomfinaliteit wél het geval zou zijn, verduidelijkt zij niet en is evenmin zonder meer zichtbaar. 8.
- Wat verzoekster precies beoogde met haar argument dat zij tot voor twee jaar schoolliep in de Verenigde Staten van Amerika, met een ander schoolsysteem en andere eindtermen voor wiskunde, is dan weer niet duidelijk. Voor zover zij daarmee wilde doen blijken van uitzonderlijke omstandigheden die bij haar evaluatie in rekening dienden te worden gebracht, moet erop worden gewezen dat die omstandigheden op het eerste gezicht bezwaarlijk van aard kunnen zijn om het (ruim) onvoldoende resultaat van verzoekster voor wiskunde bij te stellen tot een slaagcijfer. Dergelijke ‘uitzonderlijke omstandigheden’ kunnen op het eerste gezicht hoogstens nuttig worden aangevoerd om ofwel een ongunstige attestering te doen ombuigen naar een gunstig attest met bijkomende maatregelen zoals een IX-10.105-11/16 vakantietaak of op te leggen remediëringsmaatregelen, ofwel één of meer bijkomende proeven uit te lokken. Hiervóór is al vastgesteld dat de beroepscommissie op het eerste gezicht op een afdoende wijze heeft toegelicht waarom minder verregaande maatregelen en remediëringsmaatregelen in het geval van verzoekster niet aan de orde waren. Om bijkomende proeven heeft verzoekster, zo lijkt, in haar bezwaarschrift voor de beroepscommissie niet verzocht. 8.
- Zoals verzoekster blijkens haar uiteenzetting in haar inleidend verzoekschrift zeer wel weet, wordt op grond van de formelemotiveringswet vanwege de beroepscommissie verwacht dat zij een (uitdrukkelijk) antwoord biedt op die grieven of vragen van een leerling welke volgens het beroepschrift van wezenlijk belang zijn én die, mochten ze terecht gesteld zijn, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Aan die voorwaarden lijkt de grief dat de twee door de delibererende klassenraad in zijn advies voorgestelde studierichtingen “absoluut niet tot [verzoeksters] interessegebied” behoren, niet te voldoen. Een dergelijke opmerking heeft immers geen uitstaans met de beoordeling van de resultaten van verzoekster in het voorbije schooljaar en de gevolgen die daaraan volgens de klassenraad – en na bezwaar: de beroepscommissie – moeten worden gehecht. 9.
- De stelling van verzoekster dat de beroepscommissie niet mocht oordelen dat zij “grote moeilijkheden zal ervaren met het abstracte en complexe karakter van de wiskunde-doelen in alle doorstroomrichtingen” in een volgend leerjaar, faalt op het eerste gezicht. Het is immers de essentie van een B-attest, zo lijkt, dat de daartoe beslissende instantie zich waagt aan een vooruitblik, op grond van de beschikbare IX-10.105-12/16 objectieve gegevens over de betrokken leerling, in het bijzonder diens resultaten van het voorbije schooljaar, om de redelijke slaagkansen – of beter: het gebrek daaraan – van die leerling in een volgend leerjaar in te schatten. Dat kan niet anders dan door zich als het ware – maar dus noodzakelijkerwijze – in de plaats van de delibererende klassenraad van het volgende leerjaar te stellen. 9.
- Dat het hiervóór aangehaalde oordeel van de beroepscommissie een “bijzonder voorbarige en op niets gebaseerde veronderstelling” zou zijn, is al eerder bij de beoordeling van het middel tegengesproken.
- Uit al wat voorafgaat volgt dat het eerste middel niet ernstig is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat zij niet betwist dat een sterke richting wiskunde voor haar niet aangewezen is. Zij erkent het bestaan van het jaartekort voor wiskunde, maar dat is volgens haar niet van die aard dat haar de toegang tot alle richtingen met een doorstroomfinaliteit moet worden ontzegd. Verzoekster herinnert er nog eens aan dat zij voor alle andere vakken goed scoort. Volgens haar zou het dan ook logisch zijn, mocht haar alleen de toegang tot studierichtingen met een sterke wiskundige component worden ontzegd. Verzoekster stelt dat de motieven die de beroepscommissie tot uitdrukking heeft gebracht, geen reden kunnen zijn om haar de toegang tot de studierichting ‘humane wetenschappen’ te ontzeggen, aangezien die studierichting slechts een wiskundepakket van vier lesuren per week omvat. IX-10.105-13/16 Zij doet ten slotte gelden dat de beroepscommissie geen rekening heeft gehouden met alle relevante elementen van het leerlingendossier. Zij verwijst in dat verband naar haar jaartotaal en de “licht positieve evolutie” voor wiskunde. IX-10.105-14/16 Beoordeling
- Verzoekster voert in het tweede middel op het eerste gezicht wezenlijk geen andere grieven aan dan die welke al in het eerste middel aan bod zijn gekomen. Zij omschrijft die grieven nu als een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
- Om overeenkomstige redenen als uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel, is die kritiek niet van aard om tot een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel te besluiten. Evenmin maakt verzoekster in de huidige stand van de rechtspleging ermee aannemelijk dat de beroepscommissie in de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan.
- Het tweede middel is evenmin ernstig.
- Er is aldus niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. VI. Voorlopige maatregelen
- Bij gebrek aan een ernstig middel moeten ook de door verzoekster gevorderde voorlopige maatregelen worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.105-15/16
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-10.105-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.532 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.