← België

Arrest 254533 - Overheidsopdrachten - 19/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.533 Rolnummer: A. 237096/XII-9260 Zaak: Arrest 254533 - Overheidsopdrachten - 19/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-20 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 07:28 Fiche Arrest nr 254.533 van 19 september 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 254.533 van 19 september 2022 in de zaak A. 237.096/XII-9260 In zake: de BV VERHOEVE GROEP BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Maeyaert kantoor houdend te 1000 Brussel Koloniënstraat 18-24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (OVAM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 25 augustus 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van OVAM van 9 augustus 2022 […] waarbij de opdracht ‘Mortsel – Electra: Uitvoering thermische bodemsanering’ […] wordt gegund aan Hannover Milieu- en Veiligheidstechniek bv, alsook van de impliciete beslissing om deze opdracht niet aan de verzoekende partij te gunnen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-9260-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september
  3. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Maeyaert, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Joris Wouters en Julie Van Roey, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp ‘Mortsel – Electra : Uitvoering thermische bodemsanering’. De opdracht wordt geplaatst met een openbare procedure, met de prijs als enig gunningscriterium. 3.
  6. In het toepasselijke bestek wordt het voorwerp van de opdracht als volgt omschreven: “Het voorwerp van deze opdracht is de thermische bodemsanering van de VOC1-verontreiniging, waarvan de kern van de verontreiniging voorkomt ter hoogte van de Statielei 105 tem 113 in Mortsel. De verontreiniging met gechloreerde solventen is afkomstig van de voormalige droogkuis Electra die gevestigd was ter hoogte van de Statielei
  7. De sanering dient te gebeuren conform het bodemsaneringsproject. De saneringstechiek is een thermische desorptie op hoge temperatuur (95°C) via ‘electrical resistance heating’ (ERH) in combinatie met een multifasenextractie (MFE). Doel van de sanering is om het humaan en XII-9260-2/15 verspreidingsrisico teniet te doen door de risicogebaseerde terugsaneerwaarden te behalen.” Onder punt 2.1.
  8. ‘Kwalitatieve selectiecriteria’ wordt in het bestek bepaald dat de inschrijvers hun technische en beroepsbekwaamheid dienen aan te tonen als volgt: “ - De inschrijver moet op het moment van de gunning van de opdracht in het bezit zijn van een certificaat voor de klasse ‘complexe in-situ werken’ van het Achilles zorgsysteem. Dit dient te worden toegevoegd aan de offerte of ten laatste op het moment van de gunning [te] worden overgemaakt. - De inschrijver heeft een erkenning als aannemer in categorie G in een klasse overeenkomstig het inschrijvingsbedrag. Het bewijs dient te worden toegevoegd aan de offerte. - De inschrijver legt minstens 3 referenties voor van thermische saneringsprojecten d.m.v. ERH [d.i. ‘electrical resistance heating’] waarvan minstens één met een minimale projectgrootte van 500.000,00 euro. - De inschrijver stelt een team voor met o.a. een projectleider en een werfleider. De voorgestelde projectleider moet beschikken over minstens 5 jaar ervaring met complexe in-situ saneringstechnieken. De voorgestelde werfleider moet beschikken over minstens 3 jaar ervaring met complexe in-situ saneringstechnieken. Dit wordt aangetoond op basis van het CV.” 3.
  9. Drie inschrijvers, waaronder de bv Hannover Milieu- en Veiligheidstechniek, zijnde de gekozen inschrijver, en de tv Verhoeve, die bestaat uit de bv Verhoeve Groep Belgium, zijnde de verzoekende partij, en de bv Verhoeve Milieu & Water, dienen een offerte in voor de opdracht. 3.
  10. Met een aangetekende brief van 30 juni 2022 vraagt de verwerende partij aan de tv Verhoeve, naast een prijsverantwoording voor het totaalbedrag van haar offerte en een aantal posten, om verduidelijking te geven over het aantal en de inhoud van de opgegeven referenties, als volgt: “- Wat is het aandeel van ERH qua budget in de eerste referentie (Site Dunant Gardens)? In welk conformverklaard bodemsaneringsproject werd dit opgenomen? - Wat is de locatie van de tweede referentie? In welk conformverklaard bodemsaneringsproject werd dit opgenomen? Betreft het hier een pilootproef of een saneringsproject? XII-9260-3/15 - In welk conformverklaard bodemsaneringsproject werd de derde referentie opgenomen? Betreft het hier een pilootproject of een saneringsproject?” De tv Verhoeve bezorgt een prijsverantwoording en bijkomende toelichtingen met een aangetekende brief van 7 juli
  11. Wat de referenties betreft, wordt het volgende toegelicht: “Verduidelijking betreffende de referenties: Ons inziens is de gevraagde bijkomende verduidelijking betreffende de referenties niet relevant. De ingediende referenties zijn in overeenstemming met de omschrijving in het bestek. Ter informatie kunt u de gevraagde informatie hieronder wel terug vinden. Referentie Dunant Gardens Totale project grootte: € 1.525.424,23 ( incl. BTW) € 1.260.681,18 (excl. BTW) Aandeel ERH: € 630.410,- (incl BTW) € 521.000,- (excl. BTW) Bodemsaneringsproject Dunant Invest NV, voormalige site Vedis nv; Projectnr. Envirosoil NV: E61302/028; opgemaakt april
  12. Conformverklaring Referentie C-8319, datum 08-07-2014 Referentie ERH Gent: Locatie Einde Were te Gent Er was conform de toen gangbare richtlijnen geen bodemsaneringsproject nodig voor de pilootproef, bijgevolg is hier ook geen conformiteitsattest voor. De pilootproef werd wel voorafgaandelijk aan OVAM gemeld. Referentie ERH Hooglede: Dit betreft een piloot project. Deze piloot werd uitgevoerd in het kader van risicobeheer en gerapporteerd in een tussentijds rapport. Er was geen BSP noodzakelijk voor de pilootproef (en dus geen conformiteitsattest) Naast deze Vlaamse referenties hebben we tevens nog referenties uit Nederland beschikbaar.” 3.
  13. Op 25 juli 2022 wordt een gunningsverslag opgesteld. Inzake de kwalitatieve selectie van de tv Verhoeve wordt gesteld: “TV Verhoeve geeft 1 referentie van een groter saneringsproject waarbij het aandeel van de ERH-techniek meer dan 500.000 euro bedraagt. Daarnaast geeft men 2 referenties op van pilootproeven met XII-9260-4/15 ERH-techniek. 1 van de pilootproeven blijkt te gaan over hetzelfde project als de eerstgenoemde referentie. Er worden dus geen 3 verschillende referenties toegevoegd. Bovendien kunnen piloottesten niet als saneringsprojecten worden beschouwd. Voor de uitvoering van een saneringsproject moet eerst een bodemsaneringsproject worden opgesteld. Hierin evalueert men verschillende saneringstechnieken en kiest men dan de beste techniek om de bodemverontreiniging te verwijderen. Een piloottest is vaak aangewezen om na te gaan of één van voorgestelde technieken kans heeft op slagen. Dit is dus nog maar een test en niet de uitvoering van een volledig saneringsproject. Het opgeven van pilootproeven volstaat daarom niet om te voldoen aan de eis van het voorleggen van referenties van saneringsprojecten met ERH-techniek. De inschrijver TV Verhoeve voldoet niet aan de selectiecriteria vermeld in het bestek.” Er wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv Hannover Milieu- en Veiligheidstechniek, die de laagste regelmatige offerte heeft ingediend. 3.
  14. Op 9 augustus 2022 beslist de verwerende partij, verwijzend naar het gunningsverslag, om de opdracht te gunnen aan de bv Hannover Milieu- en Veiligheidstechniek. Dit is de bestreden gunningsbeslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  15. Op 9 september 2022 legt de verzoekende partij een “nota” neer, waarin zij uitvoerig repliceert op de exceptie van gebrek aan hoedanigheid en belang aangevoerd in de nota met opmerkingen van de verwerende partij. 4.
  16. De procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid om een aanvullende nota als een processtuk neer te leggen, noch werd erom gevraagd door de Raad van State of het Auditoraat. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de beoordeling van de middelen, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de aanvullende nota een reactie vormt op dergelijke nieuwe feiten, kan ze bij de zaak worden betrokken. In zoverre de aanvullende nota geen betrekking XII-9260-5/15 heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van het pleidooi ter zitting van de verzoekende partij, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  17. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie inzake het belang en de hoedanigheid van de verzoekende partij. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  18. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  19. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van artikel 65, laatste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), en van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het patere legem-beginsel, het XII-9260-6/15 rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij licht toe dat zij drie referenties van thermische saneringsprojecten door middel van ERH heeft ingediend, en de verwerende partij haar niet heeft geselecteerd omdat de referenties 1 en 2 “hetzelfde project” zouden vormen, en de referenties 2 en 3 piloottesten betreffen die niet als saneringsproject kunnen worden beschouwd. De discussie concentreert zich volgens de verzoekende partij aldus rond de begrippen “referentie” en “saneringsproject”. 7.
  20. De verzoekende partij betoogt in de eerste plaats dat het begrip “referentie” in het bestek niet wordt verduidelijkt, doch volgens haar dient er sprake te zijn van “in het verleden uitgevoerde taken of opdrachten”. Referenties 1 en 2 betreffen afzonderlijke “opdrachten”, ze betreffen verschillende – op zichzelf bestaande – contracten waarvoor verschillende offertes werden ingediend, die afzonderlijk uitgevoerd werden én nog eens afzonderlijk gefactureerd werden. Het feit dat de referenties 1 en 2 betrekking hebben op saneringswerken op dezelfde locatie in Gent en uitgaan van dezelfde opdrachtgever is volgens de verzoekende partij niet dienstig. Zij benadrukt dat dient te worden nagezien of er al dan niet sprake is van afzonderlijke opdrachten, dan wel van afzonderlijk van elkaar uitgevoerde taken, waaruit de technische bekwaamheid van een inschrijver kan blijken, wat hier volgens haar het geval is. Het criterium “locatie” is dus niet dienstig. Het pilootproject onder referentie 2 vormt bovendien een afzonderlijk contract dat losstaat van het project onder referentie 1, in de zin dat een positieve evaluatie van het pilootproject niet automatisch zou hebben geleid tot de saneringswerken onder referentie
  21. De vraag wie als opdrachtgever van de opdracht optrad, is volgens de verzoekende partij evenmin dienstig. Afzonderlijke opdrachten of taken kunnen perfect door éénzelfde opdrachtgever worden georganiseerd. Bovendien, zo merkt zij hieromtrent nog, werden die twee opdrachten wel XII-9260-7/15 degelijk op vraag van afzonderlijke juridische personen met aparte rechtspersoonlijkheid, en dus afzonderlijke opdrachtgevers, uitgevoerd. De niet-selectie van de verzoekende partij op grond van de stelling dat er geen drie referenties voorliggen, mist aldus volgens de verzoekende partij feitelijke grondslag. 7.
  22. De verzoekende partij betwist in de tweede plaats de stelling dat de twee pilootprojecten die in haar offerte als referentie worden vermeld (de referenties 2 en 3), niet als saneringsprojecten zouden kunnen worden beschouwd. Zij wijst erop dat in het bestek niet werd bepaald dat piloottesten niet als saneringsprojecten kunnen worden beschouwd. Indien de verwerende partij de bedoeling had om onder referenties geen piloottesten te aanvaarden, dan diende ze dit in het bestek te vermelden. De verwerende partij handelt in strijd met artikel 65 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, vermits het selectiecriterium inzake referenties niet op voldoende duidelijke wijze is opgesteld. De verwerende partij voegt zodoende ook op onwettige wijze een voorwaarde toe aan het bestek. Volgens de verzoekende partij is een piloottest van een saneringsproject, anders dan de verwerende partij voorhoudt, gewoon een saneringsproject, (per definitie) omtrent hetzelfde type werk, maar dan op beperkte of kleinere schaal. Inzake die schaal of het “niveau” werden door de verwerende partij geen beperkingen opgelegd, behalve dat minstens één een minimale projectgrootte van 500.000 euro dient te hebben, referentie die de verzoekende partij ook heeft voorgelegd. Door piloottesten niet als referenties in de zin van het bestek te aanvaarden, heeft de verwerende partij haar bestek geschonden, minstens gaf zij hieraan niet de lezing die een normaal en zorgvuldige inschrijver redelijkerwijze mag verwachten. 7.
  23. Volledigheidshalve merkt de verzoekende partij nog het volgende op. De verwerende partij tracht voor de interpretatie van het begrip “saneringsproject”, dat een niet-juridisch afgelijnd begrip betreft, ten onrechte te XII-9260-8/15 verwijzen naar het begrip “bodemsaneringsproject” in de zin van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet). De verwerende partij haalt volgens de verzoekende partij beide termen door elkaar. In het bestek wordt ter controle van de technische bekwaamheid niet gevraagd naar een bodemsaneringsproject, doch wel naar een saneringsproject, terwijl het begrip bodemsaneringsproject wel op diverse andere plaatsen van het bestek wordt vermeld. Bijgevolg geldt voor de invulling van de kwestieuze referenties de niet-juridisch afgelijnde betekenis. Indien de verwerende partij dit anders zag, dan diende zij dit overeenkomstig artikel 65, laatste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 te verduidelijken. Het transparantiebeginsel strekt ertoe inschrijvers de mogelijkheid te bieden om met afdoende kennis van zaken in te schatten of het zinvol is om op een welbepaalde opdracht, eerder dan op een andere, in te schrijven, terwijl de hiervoor geschetste werkwijze van de verwerende partij haaks staat op die doelstelling. De verzoekende partij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State volgens dewelke een aanbesteder dient te handelen naar de door hem gegeven omschrijving van de selectiecriteria zoals bepaald in het bestek, zoniet voegt deze aanbesteder een voorwaarde aan het bestek toe na de bekendmaking en na de indiening van de offertes. Een analoog besluit dringt zich volgens de verzoekende partij ook te dezen op. Ten slotte benadrukt de verzoekende partij nog dat een aanbesteder het proportionaliteitsbeginsel en artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016 dient na te leven, en zodoende geen selectiecriteria mag aanwenden waarin een te hoog eisenniveau wordt gehanteerd vermits hij de mededinging in dat geval dreigt te beperken, en dat hier het mededingingskader al uiterst beperkt blijkt, gelet op de gevraagde minder courante techniek voor sanering (de ERH). Ondanks de Europese bekendmaking, hebben slechts drie inschrijvers een offerte ingediend. Beoordeling XII-9260-9/15
  24. Overeenkomstig artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016 behandelen de aanbesteders de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen zij op een transparante en proportionele wijze. Artikel 65, laatste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, luidt als volgt: “Elk [selectie]criterium moet geformuleerd worden op een voldoende duidelijke wijze teneinde de selectie van de kandidaten of van de inschrijvers toe te laten.” Bij de beoordeling van de voorgelegde referenties op hun overeenstemming met het gevraagde in het bestek, beschikt de aanbestedende overheid in beginsel over een aanzienlijke beoordelingsruimte. Het komt de Raad van State niet toe om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de aanbestedende overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht kan de Raad van State desgevraagd wel nagaan of de beoordeling door de overheid berust op voldoende veruitwendigde en in feite en in rechte draagkrachtige motieven, of die motieven na een zorgvuldig onderzoek van het dossier tot stand zijn gekomen, en of de overheid de perken van haar beoordelingsruimte niet te buiten is gegaan.
  25. De beslissing om de verzoekende partij niet te selecteren is gegrond op twee motieven. De verzoekende partij voert kritiek op de invulling van het begrip “referentie”, enerzijds, dat het eerste motief betreft, en op het begrip “piloottest”, anderzijds, dat het tweede motief betreft.
  26. Kritiek op het tweede motief
  27. In het gunningsverslag wordt als tweede motief gesteld dat de twee pilootprojecten die de verzoekende partij in haar offerte als referentie vermeldt (de referenties 2 en 3) niet als saneringsprojecten kunnen worden beschouwd. XII-9260-10/15 Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, dienen selectiecriteria verband te houden met het voorwerp van de opdracht en strekt het overleggen van referenties er precies toe de technische bekwaamheid van de inschrijvers na te gaan teneinde enige garantie te verkrijgen dat de opdracht naar behoren uitgevoerd zal worden. Luidens punt 1.4.2 van het administratief deel van het bestek is het voorwerp van de huidige opdracht “de thermische bodemsanering van de VOCI-verontreiniging, waarvan de kern van de verontreiniging voorkomt ter hoogte van de Statielei 105 tem 113 in Mortsel”, en dient de sanering te gebeuren “conform het bodemsaneringsproject”, dat werd ingediend ter conformverklaring bij OVAM en als bijlage is gevoegd aan het technisch bestek. Voorts is het doel van de sanering “om het humaan en verspreidingsrisico teniet te doen door de risicogebaseerde terugsaneerwaarden te behalen”. In het licht van dit voorwerp van de opdracht – een (bodem)saneringsproject en niet een pilootproject – lijkt de referentievereiste op het eerste gezicht voldoende duidelijk: de aanbestedende overheid vereist minstens drie referenties van bodemsaneringen waarbij de saneringsdoelstellingen werden behaald. Blijkens de ‘Standaardprocedure Bodemsaneringsproject versie 2020’ gepubliceerd door OVAM, wordt met een pilootproef daarentegen de haalbaarheid van een bodemsaneringstechniek getest in geval van complexe of ongunstige locatiespecifieke omstandigheden of bij gebruik van innovatieve saneringstechnieken, en wordt deze in de regel voorafgaand aan een bodemsaneringsproject uitgevoerd; een pilootproef is uit zijn aard voorbereidend, (en meestal) kleinschalig en beperkt in omvang en complexiteit. Een pilootproef strekt bijgevolg op het eerste gezicht niet tot het behalen van saneringsdoelstellingen. Uit het feit dat (enkel) in de kwestieuze besteksbepaling wordt verwezen naar de term “saneringsproject” en niet, zoals elders in het bestek, naar de term “bodemsaneringsproject” in de zin van het bodemdecreet, lijkt op het eerste gezicht niet te kunnen worden afgeleid, zoals de verzoekende partij XII-9260-11/15 betoogt, dat ook een pilootproject als referentie voor een “saneringsproject” zou mogen worden voorgelegd. Het argument van de verzoekende partij dat in het bestek geen beperkingen in waarde worden opgelegd voor twee van de drie gevraagde referenties en bijgevolg ook een pilootproject als referentie mocht worden voorgelegd vermits dit per definitie ook een “saneringsproject” is omtrent hetzelfde type werk, maar dan op beperkte of kleinere schaal, kan om voormelde redenen evenmin worden bijgevallen. Met de verwerende partij lijkt op het eerste gezicht te kunnen worden gesteld dat het uitvoeren van een pilootproject, waaruit niet kan worden afgeleid dat de ERH-saneringstechniek succesvol werd toegepast, niet zomaar kan worden gelijkgesteld met het succesvol uitvoeren van een volwaardig “saneringsproject”.
  28. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht niet aan dat de verwerende partij in het licht van het voorwerp van de opdracht disproportioneel zou hebben gehandeld door pilootprojecten niet te aanvaarden als volwaardige “saneringsprojecten”, of dat zij door die invulling van het betrokken selectiecriterium overdreven veeleisend of stringent zou zijn. Zij maakt evenmin op het eerste gezicht aannemelijk dat de verwerende partij plots een nieuwe invulling zou hebben gegeven aan het betrokken selectiecriterium en aldus aan het bestek op onrechtmatige wijze een voorwaarde zou hebben toegevoegd. Er blijkt in dat licht niet dat het bestek tekort zou schieten door pilootprojecten niet uitdrukkelijk uit te sluiten als geldige referenties. Uit het gunningsverslag blijkt overigens op het eerste gezicht – de verzoekende partij lijkt dit alvast niet te betwisten – dat de twee andere inschrijvers er wel in geslaagd zijn minstens drie referenties voor te leggen waaruit hun ervaring met de EHR-techniek in het kader van saneringsprojecten blijkt. De verzoekende partij maakt bijgevolg op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de verwerende partij door het aldus hanteren van het betrokken selectievereiste de mededinging in deze gespecialiseerde sector disproportioneel zou beperken. XII-9260-12/15
  29. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door te besluiten dat de twee pilootprojecten die de verzoekende partij in haar offerte als referentie vermeldt niet als saneringsprojecten kunnen worden beschouwd, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden.
  30. Kritiek op het eerste motief
  31. In het gunningsverslag wordt als eerste motief voor de niet-selectie gesteld dat twee van de opgegeven referenties (referenties 1 en 2) op eenzelfde project te Gent betrekking hebben en er dus in totaal slechts twee referenties worden voorgelegd. Uit de beoordeling hiervoor blijkt dat het tweede motief op zichzelf genomen reeds volstaat om de bestreden beslissing – dat de verzoekende partij niet minstens drie referenties voorlegt van thermische saneringsprojecten door middel van EHR – te schragen, zodat het eerste motief een overtollig motief is. Kritiek op een overtollig motief is onontvankelijk, bij gebrek aan belang. VIII. Besluit
  32. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt de vordering.
  34. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht XII-9260-13/15 van 200 euro, een bijdrage van 22 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9260-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Patricia De Somere XII-9260-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.533 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.