← België

Arrest 254541 - Examens (onderwijs) - 20/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.541 Rolnummer: A. 237201/IX-10107 Zaak: Arrest 254541 - Examens (onderwijs) - 20/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-22 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:28 Fiche Arrest nr 254.541 van 20 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.541 van 20 september 2022 in de zaak A. 237.201/IX-10.107 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de vzw ONDERWIJSINRICHTING VAN DE URSULINEN TE ONZE-LIEVE-VROUW-WAVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Sint-Ursula-Instituut van 25 augustus 2022 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op maandag 19 september 2022, om 14.00 uur. IX-10.107-1/12 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het eerste jaar van de derde graad Humane Wetenschappen (ASO). Op het einde van het schooljaar heeft verzoekster drie jaartekorten (32,4% voor aardrijkskunde, 49,4% voor cultuurwetenschappen en 49,1% voor natuurwetenschappen). Daarnaast laat het jaarrapport 50% voor wiskunde en 50,9% voor toegepaste onderzoeksvaardigheden optekenen en 53,3% voor gedragswetenschappen. Voor de andere vakken behaalt verzoekster cijfers tussen 57,7% en 84,6%. De delibererende klassenraad kent verzoekster een oriënteringsattest C toe. Na vergeefs overleg met de directie stelt verzoekster beroep in bij het schoolbestuur. IX-10.107-2/12 Met de thans bestreden beslissing bevestigt de beroepscommissie op 25 augustus 2022 het C-attest. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. Terecht betwist de verwerende partij niet dat de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. In een “eerste”, maar ook enig middel voert verzoekster de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel “alsook” van de artikelen 38 en 39 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“organisatiebesluit”). Verzoekster stelt dat “er [op] geen enkele wijze wordt geantwoord op de meest cruciale grieven”, “terwijl [zij] in het kader van het intern beroep zeer duidelijke en pertinente grieven [heeft] opgeworpen” met betrekking tot haar medische problematiek. Dit “en alle andere grieven” werden zeer uitvoerig IX-10.107-3/12 uiteengezet in het bezwaarschrift – dat verzoekster in extenso aanhaalt in het verzoekschrift. De beroepscommissie antwoordt kort en vaag en bovendien niet in overeenstemming met de realiteit. De school heeft immers wel degelijk onvoldoende maatregelen getroffen nadat zij half mei op de hoogte werd gebracht van de medische problematiek. Er waren geen tijdige signalen, er was onvoldoende remediëring en begeleiding. Verzoekster geeft voorbeelden. Volgens verzoekster had de beroepscommissie moeten vaststellen dat de leerstoornis aan de basis ligt van de tekorten. Zij had dan ook de nodige onderzoeksmaatregelen kunnen treffen “zoals verzoekers ten overvloede hebben verzocht”. De beroepscommissie had minstens een bijkomende proef moeten opleggen, als zij vaststelt dat de resultaten van verzoekster niet representatief zijn. Ook de uiteenzetting dat de problemen van het afgelopen jaar het volgende jaar niet meer aan de orde zijn, is niet in rekening gebracht. De commissie negeert “de duidelijke vraag naar bijkomende proeven […] die tijdens de hoorzitting werd benadrukt”. De beroepscommissie geeft voorts geen “globale beoordeling” en focust enkel op de tekorten. Zij moet ook de positieve resultaten van de leerling in de beslissing betrekken. Een tekort is slechts één element van het dossier. Verzoekster eindigt haar betoog met enkele bladzijden algemene beschouwingen over de opdracht van de beroepscommissie. IX-10.107-4/12 Beoordeling a. ontvankelijkheid
  8. Een verzoekschrift dient een uiteenzetting van de middelen te bevatten. Onder middel moet worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving zowel van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel als van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Voldoende duidelijk betekent dat het niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij te maken, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en de Raad van State ertoe gebracht worden het verzoekschrift op te stellen in de plaats van de verzoekende partij. Die uiteenzetting is een essentieel onderdeel van de inleidende akte omdat het de andere partijen toelaat zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van de bestreden beslissing worden aangevoerd en de Raad van State in staat stelt de gegrondheid van die grieven te beoordelen. Een uiteenzetting die beperkt is tot een opsomming van een aantal feiten en grieven kan niet worden beschouwd als een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement. Evenmin is ontvankelijk, het middel dat enkel de schending aanvoert van een regel of beginsel, zonder nader toe te lichten hoe het bestuur door het aannemen van de bestreden beslissing volgens de verzoekende partij die regel of dat beginsel heeft geschonden. Wanneer niet met genoegzame zekerheid kan worden opgemaakt aan welke precieze rechtsregel een verzoekende partij bedoelt te appelleren of hoe de verwerende partij, door zo te handelen als zij concreet gedaan heeft, die IX-10.107-5/12 rechtsregel overtreden zou hebben, is het “middel” onontvankelijk (obscuri libelli).
  9. Om met het einde van verzoeksters toelichting te beginnen: de algemene beschouwingen over de opdracht van de beroepscommissie (bladzijden 18 en 19 van het verzoekschrift) zijn een soort slotbeschouwing, die verzoekster op het eerste gezicht niet in verband brengt met de bestreden beslissing van de over haar oordelende beroepscommissie. In zoverre lijkt het middel onontvankelijk obscuri libelli en is het niet ernstig.
  10. Ofschoon het middel een schending van de artikelen 38 en 39 van het organisatiebesluit aanvoert, komen deze bepalingen in de toelichting geheel niet meer ter sprake. Ook in die mate lijkt het middel onontvankelijk en is het dus niet ernstig.
  11. Eenzelfde conclusie dringt zich op wat het redelijkheidsbeginsel betreft, dat op het eerste gezicht door verzoekster eveneens onbesproken blijft, met uitzondering dan van de bijzonder summiere vermelding op bladzijde 12 dat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel de bestreden beslissing ook “manifest kennelijk onredelijk” maakt.
  12. Voor zover verzoekster aanvoert dat niet op haar argumenten is ingegaan, heeft zij het in wezen over de formelemotiveringsplicht waarvan de schending – zoals de verwerende partij terecht opwerpt in de nota met opmerkingen – in het middel niet is aangevoerd. De verwerende partij heeft het middel – in haar woorden spijts “niet uitblinkend in duidelijkheid” – echter ook zo begrepen en beantwoord, zodat het hierna ten gronde vanuit dat oogpunt wordt onderzocht. b. ten gronde IX-10.107-6/12
  13. Zoals de Raad van State het inderdaad ongelukkig gestructureerde betoog van verzoekster begrijpt – en hierna zal onderzoeken – valt het uiteen in drie klachten: er is niet of foutief geantwoord op de argumenten in haar bezwaarschrift over de weerslag van verzoeksters leerstoornis, er is niet teruggegrepen naar de onderzoeksmogelijkheden waarover de beroepscommissie beschikt en er is niet gemotiveerd waarom geen bijkomende proeven zijn toegekend. 13.
  14. Verzoekster beweert, wat de eerste klacht betreft, dat zij voor de beroepscommissie “zeer duidelijke en pertinente grieven” heeft opgeworpen, maar zij laat na in het verzoekschrift precies aan te geven wélke van die grieven in strijd met de formelemotiveringsplicht zonder antwoord zijn gebleven. Bovendien, zo stelt verzoekster, zijn er verschillende elementen “die niet overeenstemmen met de realiteit”, wat verband houdt met de materiëlemotiveringsplicht. 13.
  15. Verzoekster citeert het bezwaarschrift in het inleidend verzoekschrift in extenso. Dat betoog lijkt op het eerste gezicht primordiaal te zijn gewijd aan wat zich heeft afgespeeld tijdens het schooljaar, waaruit verzoekster afleidt dat de school is tekortgeschoten in begeleiding en remediëring en heeft gefaald in het tijdig informeren van haar ouders. Ook in de toelichting bij het middel hamert verzoekster erop dat de school geen, minstens onvoldoende maatregelen heeft genomen. 13.
  16. Met verzoekster kan worden ingestemd, als zij opmerkt dat de beroepscommissie wel heel beknopt is geweest in haar antwoord op het zes bladzijden tellende bezwaarschrift. Die vaststelling kan verzoekster echter op het eerste gezicht niet baten. Immers, zoals de Raad al in tal van arresten heeft gewezen – en daargelaten de vraag of die argumentatie in feite juist is, wat de verwerende partij IX-10.107-7/12 betwist – faalt ze in rechte. Grieven over een gebrek aan begeleiding en remediëring kunnen mogelijk aantonen dat de school medeaansprakelijk is voor het minder gunstig resultaat, maar vermogen niet aan te tonen dat dit resultaat ten onrechte als minder gunstig werd beschouwd. Immers, één zaak is of een leerling bewezen heeft de van hem verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als hij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die hem op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zulks betekent dat, indien een leerling de school terecht verwijt geen opmerkingen op de onvoldoende resultaten in de loop van het schooljaar te hebben gemaakt en geen passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorgesteld, dat op zijn hoogst kan betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van de leerling, maar niet dat dat resultaat gunstiger wordt. De Raad van State ziet met andere woorden niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd, laat staan dat van de weeromstuit aan de leerling, ook al heeft zij het schooljaar niet met vrucht beëindigd, ter genoegdoening maar een A-attest verleend moet worden. 13.
  17. Om uitzondering te genieten op het beginsel dat falende begeleiding inroepen geen nuttig rechtsmiddel is, verwacht de Raad van State dat de verzoekende partij in staat is om, met de nodige precisie, aan te tonen dat de school tekortgeschoten is in welbepaalde vooraf individueel gemaakte afspraken – bijvoorbeeld in een individueel begeleidingsplan – waarbij dat feilen daarenboven door de aard van die afspraken in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht kan worden met de wettigheid van de door haar bestreden beslissing. Verzoekster komt niet tot deze bewijsvoering; zij beweert zelfs niet dat er een begeleidingsplan is opgesteld, laat staan dat afspraken niet zijn nageleefd. Vooralsnog blijkt niet dat de school is tekortgeschoten in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken die onmiskenbaar in een rechtstreeks oorzakelijk IX-10.107-8/12 verband staan met de behaalde resultaten en aldus met de wettigheid van de betwiste evaluatiebeslissing.
  18. Het ligt niet op de weg van de Raad van State in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, om het bezwaarschrift van zes bladzijden zelf in detail te analyseren om in de plaats van verzoekster te achterhalen of er ergens misschien toch een argument in voorkomt dat losstaat van de grieven met betrekking tot begeleiding en remediëring. Als verzoekster op de terechtzitting pleit over het gewicht van de tekorten – en los van de vraag of dat argument wel voldoende duidelijk als grief is voorgelegd aan de beroepscommissie om er ook een afzonderlijk antwoord op te mogen verwachten – is dat niet als dusdanig in het inleidend verzoekschrift aangebracht en uitgewerkt, en dus laattijdig.
  19. De beroepscommissie steunt haar evaluatiebeslissing op de motieven dat er verschillende tekorten zijn, dat veel leerplandoelen niet zijn gehaald waardoor er onvoldoende basis is voor een 6de jaar, dat er vragen zijn bij de studiemethode, dat grote gehelen moeilijk zijn om te verwerken en dat verzoekster er niet in slaagt om een overzicht te bewaren en daardoor sommige deadlines niet haalt. Aldus heeft de beroepscommissie haar beslissing formeel gemotiveerd. Verzoekster kent de motieven en kan zich er in rechte tegen verweren. Zij voert in het middel wel een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, maar brengt die in haar toelichting niet specifiek in verband met de voormelde veruitwendigde motieven. Met betrekking tot de niet-vermelding van de positieve resultaten van verzoekster, valt de Raad de verwerende partij bij waar zij in de nota opmerkt: “In het licht van drie jaartekorten en enkel andere zeer nipte jaarresultaten biedt het ook weinig meerwaarde dat de beroepscommissie de slaagcijfers voor andere vakken zou herhalen, nu uit de bestreden beslissing – impliciet IX-10.107-9/12 maar zeker – blijkt dat de vastgestelde tekorten van dien aard zijn dat zij op zichzelf reeds een C-attest verantwoorden.”
  20. Wat vervolgens de tweede klacht omtrent de medische problematiek betreft als element van het leerlingendossier en de onderzoeksbevoegdheid van de beroepscommissie, betwist verzoekster niet dat de school van de diagnose laat op de hoogte werd gebracht. De volheid van bevoegdheid van de beroepscommissie gaat niet zover dat zij de klok kan terugdraaien. Verzoekster maakt niet duidelijk hoe het gegeven dat haar tekorten nu mogelijk een verklaring hebben gekregen door de medische toestand, vermag aan te tonen dat zij het leerjaar wél met vrucht heeft beëindigd en de leerplandoelstellingen in voldoende mate heeft bereikt. Dat verzoekster de beroepscommissie om “onderzoeksmaatregelen” heeft verzocht, lijkt voorts een bewering in strijd met het dossier. Noch in het bezwaarschrift, noch in het proces-verbaal van de hoorzitting lijkt een verzoek in die zin terug te vinden. Verzoekster laat ook opvallend na te vermelden wélke “onderzoeksmaatregel” zij dan wel gevraagd zou hebben. In fine van haar bezwaarschrift vraagt verzoekster enkel om “een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad”. Zoals opgemerkt door de verwerende partij, strijdt dergelijke vraag hoe dan ook met artikel 123/15, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs, naar luid waarvan de beroepscommissie een nieuwe evaluatiebeslissing neemt. De beroepscommissie lijkt ook de medische diagnose op zich niet in twijfel te trekken, zodat het een vraag blijft wat verzoekster precies bedoelt met “de nodige onderzoeksmaatregelen”. Enig onzorgvuldig handelen van de beroepscommissie lijkt dus niet aangetoond.
  21. Wat verzoekster óók niet gedaan lijkt te hebben, is de beroepscommissie verzoeken om bijkomende proeven. Ook hiervan is geen spoor terug te vinden in het bezwaarschrift of in het verslag van de hoorzitting. Alweer lijkt verzoekster te pleiten tégen het dossier – wat op zich al reden zou moeten zijn IX-10.107-10/12 om de vordering af te wijzen, aangezien zij de rechter een argumentatie voorlegt die steunt op pertinent verkeerde feiten. Mogelijk heeft de beroepscommissie voor zichzelf stilgestaan bij het nut van bijkomende proeven, maar als haar daaromtrent geen uitdrukkelijke vraag is gesteld, moet zij haar overwegingen daaromtrent ook niet veruitwendigen.
  22. Verzoekster heeft de schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen niet aangetoond. Zij heeft evenmin een schending van de formelemotiveringsplicht aangetoond. Het middel mist ernst en die vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt de vordering.
  24. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  25. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door IX-10.107-11/12 Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.107-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.541 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.