id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.578 Rolnummer: A. 237200/IX-10106 Zaak: Arrest 254578 - Examens (onderwijs) - 22/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-27 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 07:29 Fiche Arrest nr 254.578 van 22 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.578 van 22 september 2022 in de zaak A. 237.200/IX-10.106 In zake: Thimault COLLETT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-QUINTINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 7 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 31 augustus 2022 van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege waarbij aan Thimault Collett een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering Bedrijfswetenschappen TSO, Biotechnologische STEM-wetenschappen TSO, Biotechnologische wetenschappen TSO, Bouwwetenschappen TSO, Economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Humane Wetenschappen ASO, Latijn ASO, Moderne talen ASO, Natuurwetenschappen ASO, Rudolf Steinerpedagogie ASO, Sportwetenschappen ASO, Technologische wetenschappen TSO, Topsport-Economie ASO, Topsport-Natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO. IX-10.106-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op maandag 19 september 2022, om 12.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het eerste leerjaar van de tweede graad Moderne talen (ASO) in het Virga Jessecollege te Hasselt, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor wiskunde (47,5%), chemie (39%) en fysica (46,5%). De delibererende klassenraad beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering Bedrijfswetenschappen TSO, Biotechnologische STEM-wetenschappen TSO, Biotechnologische IX-10.106-2/13 wetenschappen TSO, Bouwwetenschappen TSO, Economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Humane Wetenschappen ASO, Latijn ASO, Moderne talen ASO, Natuurwetenschappen ASO, Rudolf Steinerpedagogie ASO, Sportwetenschappen ASO, Technologische wetenschappen TSO, Topsport-Economie ASO, Topsport-Natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Thimault, je onvoldoendes op jaarbasis voor 3 vakken (6 jaaruren – gewogen jaargemiddelde 59 %) maken het onmogelijk om over te gaan naar een 4de jaar in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit. Je behaalt onder andere jaaronvoldoendes voor het hoofdvak wiskunde en de algemene vakken fysica en chemie. Deze vakken zijn in elke domeinoverschrijdende doorstroomrichting belangrijk. Je tekort voor wiskunde maakt het onmogelijk om over te stappen naar een studierichting met het verdiept leerplan in het vierde jaar te volgen. Daarnaast haalde je bijzonder zwakke resultaten voor de richtingsvakken Engels en Frans. Dit alles maakt duidelijk dat de leerplandoelstellingen van het huidige schooljaar niet bereikt zijn.” Als advies geeft de klassenraad nog mee: “Thimault, de klassenraad adviseert een overstap naar de studierichting Bedrijf en organisatie D/A, indien je je hiervoor kan motiveren. In elke studierichting is een ernstige en volgehouden inzet noodzakelijk.” 3.
- Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 31 augustus 2022 beslist de beroepscommissie “om de beslissing van de delibererende klassenraad aan te houden in alle aspecten”. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: IX-10.106-3/13 “- Aangezien er op jaarbasis voor 3 vakken een onvoldoende werd behaald, waaronder voor wiskunde (47,5%), zijnde een vak van 4 jaaruren. - Aangezien deze 3 vakken in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit belangrijk zijn. Voor wiskunde is het namens de delibererende klassenraad onmogelijk om over te stappen naar een studierichting met het verdiept leerplan in het 4de jaar. - Aangezien er ook volgens de klassenraad zwakke resultaten zijn voor de richtingsvakken Engels en Frans. - Dat de overstap naar de studierichting Bedrijf en organisatie werd geadviseerd als B-attest. - Aangezien volgens de vader (zie verslag) echter voor verzoeker het probleem is dat hij daardoor niet op dezelfde locatie kan blijven (Virga Jessecollege). - Deze richting wel wordt aangeboden in twee andere locaties van dezelfde scholengemeenschap (SO SQ). - Dat door verzoeker wordt verwezen naar artikel 2.3.3.3 van het schoolreglement, waarbij de mogelijkheid wordt gesuggereerd om ondanks één of meer tekorten toch een positieve beslissing te nemen en een waarschuwing te geven, waarbij dan een positieve evolutie wordt verwacht. - Men verwijst daarbij naar het feit dat reeds een positieve evolutie in zijn resultaten heeft plaatsgevonden. - Daarnaast zijn er echter ook mindere resultaten waar te nemen bij de examens van het 3de trimester: geschiedenis (onvoldoende), chemie (onvoldoende), biologie (onvoldoende). Bovendien zijn er een aantal nipte resultaten bij de vakken Frans en Engels. - Aangezien verzoeker de mogelijkheid wenst te krijgen om Bedrijfswetenschappen (DGD) te willen volgen, dat daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat daar ook 4 uren wiskunde zijn geprogrammeerd. - Het moet ook genoteerd worden dat de 0/26 op een toets wiskunde geen tuchtsanctie was: hierover is niets terug te vinden. - Dat de voorgestelde richting ook een dubbele finaliteit heeft, waarbij dus ook de doorstroom mogelijk is. - Aangezien de delibererende klassenraad niet enkel met de onvoldoende heeft rekening gehouden, doch ook met de toekomstmogelijkheden.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat IX-10.106-4/13 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker beroept zich op de vaste rechtspraak van de Raad van State “met name dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd”. Hij stelt ook na “de kennisname van de [bestreden] beslissing […] voldoende diligent gehandeld [te hebben] bij het instellen van huidig schorsingsverzoek”.
- De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering niet en stelt zich “naar de wijsheid” van de Raad van State te gedragen. Beoordeling
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat met een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden afgewend. Voorts heeft verzoeker diligent gehandeld doordat hij de zesde dag nadat de bestreden beslissing hem is betekend, zijn vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft ingesteld. IX-10.106-5/13 VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (hierna: het organisatiebesluit), “met een schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel tot gevolg”. Verzoeker wijst erop dat hem een oriënteringsattest B werd toegekend. Dit betekent dat hij het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en dus bekwaam wordt geacht om zijn studies in het volgende leerjaar verder te zetten. Wanneer hem dan de toegang tot welbepaalde studierichtingen wordt ontzegd, moeten de redenen daarvoor kenbaar worden gemaakt. Die motieven moeten de opgelegde clausulering zorgvuldig verantwoorden. In dat verband betoogt verzoeker onder meer dat hij in zijn bezwaar voor de beroepscommissie heeft aangekaart de studierichting ‘bedrijfswetenschappen’ TSO te willen volgen en dat het hem niet duidelijk is waarom die studierichting uitgesloten is. 9.
- In haar nota stelt de verwerende partij vooreerst dat verzoeker niet aantoont in hoeverre de bestreden beslissing artikel 38 van het organisatiebesluit schendt. In zoverre verzoeker zich daarbij ook beroept op de schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als gevolgtrekking van de vermeende schending van artikel 38 van het organisatiebesluit, stelt de verwerende partij dat “[i]n de mate dat dit als zelfstandige middelonderdelen moeten worden beschouwd in het licht van de IX-10.106-6/13 beginselen van behoorlijk bestuur, […] ze feitelijke en juridische grondslag [missen]”. 9.
- De verwerende partij benadrukt vervolgens dat verzoeker de examenresultaten als zodanig niet betwist, met uitzondering van de score voor het vak wiskunde. In de mate dat verzoeker stelt dat het tekort van 0/26 op twee toetsen wiskunde het gevolg is van een tuchtsanctie en daardoor “zijn goed resultaat plots een slecht resultaat [is] geworden”, betoogt de verwerende partij dat de bewering van de vermeende tuchtstraf verzonnen is en door geen enkel objectief gegeven wordt gestaafd. De beroepscommissie heeft dan ook door te stellen dat de “0/26 op een toets wiskunde geen tuchtsanctie was” en dat “hierover […] niets [is] terug te vinden”, voldaan aan de formele- en materiëlemotiveringsplicht. 9.
- Daarnaast stelt de verwerende partij dat niettegenstaande verzoeker op jaarbasis een onvoldoende scoorde voor drie vakken (6 jaaruren - gewogen gemiddelde 59%), namelijk voor het hoofdvak wiskunde en de algemene vakken fysica en chemie en dit door verzoeker niet wordt betwist, de beroepscommissie echter bij haar beoordeling ook rekening heeft gehouden “met het feit dat er ‘een positieve evolutie’ in de resultaten heeft plaatsgevonden”. Dit toont aan dat de bewering van verzoeker dat de commissie enkel heeft gefocust op de tekorten, feitelijke grondslag mist. 9.
- In zoverre verzoeker aanvoert dat het hem niet duidelijk is waarom de studierichting ‘bedrijfswetenschappen’ TSO wordt uitgesloten en dat meer rekening moet worden gehouden met de positieve elementen, stelt de verwerende partij dat de clausulering voor die richting in casu concreet gemotiveerd en gestoeld is op objectieve gegevens die door verzoeker niet worden betwist. Zo wordt in de bestreden beslissing benadrukt dat de studieresultaten van verzoeker niet toelaten “over te stappen naar een IX-10.106-7/13 studierichting met het verdiept leerplan in het 4de jaar” en dat met betrekking tot de mogelijkheid om de studierichting bedrijfswetenschappen te volgen er “wordt voorbijgegaan aan het feit dat daar ook 4 uren wiskunde zijn geprogrammeerd”. Beoordeling
- Verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Hij bestrijdt niet het feit dát hem een oriënteringsattest B werd toegekend. Verzoeker bekritiseert alleen de omvang van de daarmee gepaard gaande clausulering. Hij heeft namelijk de wens geuit om in het tweede jaar van de tweede graad de studierichting ‘bedrijfswetenschappen’ TSO te volgen, terwijl de bestreden beslissing hem de toegang daartoe ontzegt. 11.
- Een oriënteringsattest B betekent, luidens artikel 39 van het organisatiebesluit, dat de leerling voor het betrokken leerjaar geslaagd is of, meer precies, “dat de leerling het leerjaar met vrucht heeft beëindigd in de school in kwestie en bijgevolg tot het volgende leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen of onderverdelingen”. Artikel 38, 1°, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling “met vrucht” het eerste leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. De definitie van een oriënteringsattest B doet vooralsnog aannemen dat de jaartekorten die verzoeker heeft behaald, geen reden zijn om hem als niet-geslaagd voor het betrokken leerjaar te beschouwen. Het doet ook aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht om zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de beroepscommissie toch de toegang tot welbepaalde richtingen of zelfs een ganse onderwijsvorm moet worden ontzegd. Het aanvechten van het oriënteringsattest B in het raam van de administratieve beroepsprocedure verplicht IX-10.106-8/13 met andere woorden de beroepscommissie ertoe om in de veruitwendigde motieven de clausulering in dit attest zorgvuldig te verantwoorden. Dat laatste geldt des te meer wanneer de leerling te kennen geeft dat hij een welbepaalde richting ambieert en daaromtrent specifieke kritieken doet gelden. 11.
- Het toekennen van een B-attest vereist van de beroepscommissie daarom een ‘prospectief’ – dit wil zeggen: een vooruitziend en de toekomst verkennend – onderzoek. De leerling is immers geslaagd, hij heeft de leerplandoelstellingen van dat leerjaar alles bij elkaar “in voldoende mate” bereikt en hij wordt geacht zijn studies te kunnen voortzetten. Toch oordeelt de beroepscommissie dat de betrokken leerling in het volgende schooljaar bepaalde studierichtingen niet aankan. Met dit oordeel substitueert de beroepscommissie zich als het ware aan de delibererende klassenraad van het volgende schooljaar, tot wiens autonomie het immers behoort om over het al dan niet slagen voor dat schooljaar te oordelen. De clausulering beperkt ook de principiële vrijheid van studiekeuze van de leerling. Een beroepscommissie kan op basis van zwakke studieresultaten aan de leerling een onderbouwd advies geven om een richting te ontraden, of zelfs een formele waarschuwing, of zij kan vakantietaken opleggen, maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten bij de leerling die, het weze herhaald, geslaagd is verklaard. De beroepscommissie die een oriënteringsattest B toekent evenwel, verkiest in de plaats van die leerling de studiekeuze gedeeltelijk te bepalen. Zo een inschatting van de toekomstige studies van een leerling is geen nattevingerwerk. Een beroepscommissie moet haar ‘prospectieve’ beslissing om een oriënteringsattest B uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een beroepscommissie die haar noodzakelijk ook deels subjectieve vooruitblik over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de beschikbare objectieve gegevens van het dossier – in het bijzonder IX-10.106-9/13 de bagage waarover de leerling thans beschikt – zou de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid overschrijden.
- Terwijl de objectieve gegevens van het leerlingendossier, in voorkomend geval aangevuld middels de eigen onderzoeksmogelijkheden waarover de commissie beschikt, de materiële grondslag moeten vormen waarop de beroepscommissie haar overtuiging steunt – namelijk dat de betrokken leerling geen redelijke slaagkansen heeft in welbepaalde richtingen – dient de commissie die overtuiging ook uitdrukkelijk te motiveren. Daarbij komt nog, aangezien de leerling gebruikmaakt van de door de decreetgever verleende verhaalmogelijkheid en hij aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, dat de formelemotiveringsplicht ten volle betekenis krijgt omdat de beroepscommissie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze moet beantwoorden. Daarmee is niet gezegd dat de beroepscommissie noodzakelijk op elke grief apart moet antwoorden. Wel is vereist dat de formele motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Maar wat de commissie zeker niet mag doen, is de argumenten zonder meer terzijde laten. 13.
- Het voorgaande, toegepast op de thans bestreden beslissing, leert op het eerste gezicht wat volgt. 13.
- Verzoeker heeft in zijn beroepschrift voor de beroepscommissie onder meer aangevoerd dat hij een clausulering voor bijna elke richting in het ASO en het TSO heeft gekregen en dat hij specifiek niet begrijpt waarom hij een IX-10.106-10/13 clausulering krijgt voor de studierichting ‘bedrijfswetenschappen’ TSO, terwijl hij voor de poolvakken van deze richting zeer goed scoort en dat het tekort voor wiskunde geenszins representatief is. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de beroepscommissie de clausulering voor de studierichting ‘bedrijfswetenschappen’ TSO in essentie heeft gesteund op de vaststelling dat verzoeker op jaarbasis een onvoldoende heeft behaald voor het vak wiskunde (47,5%) “zijnde een vak van 4 jaaruren” en dat in acht genomen de uitdrukkelijke vraag van verzoeker om hem toe te laten voornoemde studierichting te mogen volgen daarop is geantwoord dat “daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat daar ook 4 uren wiskunde zijn geprogrammeerd”. Verzoeker heeft in zijn beroepschrift die onvoldoende voor wiskunde trachten te nuanceren, door er onder meer op te wijzen dat zijn punten voor dit vak zijn gestegen ingevolge een aanpassing van zijn studiemethode en studiebegeleiding. Zo behaalde hij in het derde trimester op zijn examen voor dit vak 66%. Als verzoeker op het eerste gezicht aannemelijk maakt dat dit cijfer inderdaad genuanceerd moet worden en zijn cijfers voor wiskunde in stijgende lijn gaan, ligt het op de weg van de beroepscommissie om dit in haar argumentatie te betrekken en desgevallend aan te geven – ook formeel – waarom dit element dat werd aangebracht, haar niet tot een ander standpunt kon brengen. Dit doet de beroepscommissie niet. Uit geen enkel gegeven blijkt op het eerste gezicht dat de beroepscommissie oog heeft gehad voor de stijgende evolutie van de cijfers voor het vak wiskunde. Met de verwijzing, naast een positieve evolutie in zijn resultaten, naar de mindere resultaten voor het examen van het derde trimester, namelijk voor geschiedenis, chemie en biologie enerzijds en met de stelling dat de voorgestelde richting een dubbele finaliteit heeft anderzijds, antwoordt de beroepscommissie niet op dit specifiek argument. Met een bijkomende argumentatie, door de verwerende partij post factum in haar nota met opmerkingen uiteengezet, kan geen rekening worden gehouden. IX-10.106-11/13 13.
- Op het eerste gezicht moet dan ook worden vastgesteld dat de beroepscommissie geen afdoende antwoord heeft geboden op de voormelde grief van verzoeker en dat de commissie evenmin de vereiste zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd bij de motivering van die specifieke clausulering.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het enige middel in de aangegeven mate ernstig is.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 31 augustus 2022 van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege waarbij aan Thimault Collett een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering Bedrijfswetenschappen TSO, Biotechnologische STEM-wetenschappen TSO, Biotechnologische wetenschappen TSO, Bouwwetenschappen TSO, Economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Humane Wetenschappen ASO, Latijn ASO, Moderne talen ASO, Natuurwetenschappen ASO, Rudolf Steinerpedagogie ASO, Sportwetenschappen ASO, Technologische wetenschappen TSO, Topsport-Economie ASO, Topsport-Natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO. IX-10.106-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.106-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.578 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.488 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.538 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.