← België

Arrest 254585 - Wapens - 23/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.585 Rolnummer: A. 228988/XIV-38140 Zaak: Arrest 254585 - Wapens - 23/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-06 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 07:30 Fiche Arrest nr 254.585 van 23 september 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 254.585 van 23 september 2022 in de zaak A. 228.988/XIV-38.140 In zake: Hubert MEEUS woonplaats kiezend te 3370 Boutersem Groenstraat 9 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 4 juli 2019 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 16 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van XIV-38.140-1/16 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022, om 13.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Sarah Elslander, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker dient op 27 november 2018 een aanvraag in tot erkenning als verzamelaar van laders. Het voorgestelde thema van de verzameling is: “Deze aanvraag heeft uitsluitend betrekking op het verzamelen/bezitten van laders die door de wet van 7 januari 2018 vergunningsplichtig zijn geworden en welke dienstig zijn voor vuurwapens waarvoor een bezitsvergunning kan worden verkregen via model 4 of model 9”. Verzoeker preciseert dat “deze aanvraag dient niet te worden verward met mijn verzamelaarvergunning welke in opvolging van mijn vorige aanvraag werd uitgebreid. Het gaat hier enkel om de vuurwapens in het kader van het sportief en recreatief schieten.” XIV-38.140-2/16 3.
  6. Op 16 januari 2019 weigert de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde erkenning. 3.
  7. Verzoeker dient administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Op 11 februari 2019 vraagt de gemachtigde van de minister van Justitie aan verzoeker “om aan de Federale Wapendienst een thema te willen bezorgen dat de uitbreiding van de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt en doet blijken van een rode draad doorheen de te verzamelen laders. Het thema kan bijvoorbeeld een beperking inhouden in de tijd, op geografisch of op technisch vlak.” Verzoeker antwoordt bij brief van 12 februari 2019, stellende dat hij het opgegeven thema integraal wenst te behouden. In fine van die brief is het thema verwoord als volgt: “Het verzamelen van laders die door de wet van 7 januari 2018 vergunningsplichtig zijn geworden en welke dienstig kunnen zijn voor vuurwapens welke kunnen worden verkregen op model 4, model 9 of jachtvergunning.” Met een brief van 23 mei 2019 biedt de gemachtigde van de minister van Justitie aan verzoeker “nogmaals de mogelijkheid om het thema zoals gevraagd enigszins te willen beperken alsook om [de] eventuele bijkomende verweermiddelen schriftelijk te bezorgen.” In een brief van 24 juni 2019 herneemt verzoeker de inhoud van zijn voormelde brief van 12 februari 2019 en behoudt hij het gekozen thema. 3.
  8. Met een beslissing van 4 juli 2019 weigert de gemachtigde van de minister van Justitie “ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid” verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning van een verzameling van laders met als thema “het verzamelen van laders die door de wet van XIV-38.140-3/16 7 januari 2018 vergunningsplichtig zijn geworden en welke dienstig kunnen zijn voor vuurwapens welke kunnen worden verkregen op model 4, model 9 of jachtvergunning.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure – onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert in het verzoekschrift in een enig middel de schending aan “van artikel 5, §3 van de […] Wapenwet […] inzake de mogelijke weigeringsgronden, alsook de schending, minstens de verkeerde toepassing van Art. 7 §1 en 2 van de Wapenwet inzake de erkenning, en ook genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de materiële motiverings- plicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en uit machtsmisbruik en machts- overschrijding”. Hij zet uiteen dat de “rode draad” doorheen de bestreden beslissing overduidelijk de “persoonlijke interpretatie” is van de verwerende partij inzake het thema van de vergunning en de voorwaarden waaraan een thema zou moeten voldoen om voor de verwerende partij aanvaardbaar te zijn in het kader van een vermeend mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid en dat, “zoals reeds overvloedig geargumenteerd in [zijn] briefwisseling” het opgegeven thema perfect voldoet aan het gestelde in de relevante wetgeving ter zake. Stellende dat de verwerende partij duidelijk in de bestreden beslissing vaststelt dat een aanvraag enkel kan worden geweigerd in verband met een gevaar voor de openbare orde en dat de vergunning is geweigerd ter “vrijwaring van de openbare orde”, doet verzoeker gelden dat echter nergens in de bestreden beslissing enig bewijs wordt geleverd – laat staan een begin ervan – dat hij een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou vormen indien de vergunning XIV-38.140-4/16 hem zou worden toegekend. Volgens verzoeker steunt de bestreden beslissing volledig op de persoonlijke interpretatie van de verwerende partij ten aanzien van de toe te passen wetgeving en gaat die tevens volledig voorbij aan de recente adviezen van de burgemeester en de lokale politie waarin duidelijk gesteld wordt dat er geen enkel gevaar bestaat voor de openbare orde en veiligheid en dat er derhalve geen enkel bezwaar is tegen het afleveren van de gevraagde vergunning. Het bestaan van het door de verwerende partij aangehaalde motief voor de weigering, met name “vrijwaring van de openbare orde”, is aldus nergens aangetoond en het wordt bijkomend manifest tegengesproken door de voornoemde recente adviezen. Volgens verzoeker worden de voor hem uiterst gunstige recente adviezen stilzwijgend in de vergeethoek geduwd en wordt “het totaal ‘outdated’ en niet relevant advies vanwege het OM-Parket Leuven” opnieuw “ten tonele gevoerd”. Tot slot wenst verzoeker eveneens aan te stippen dat een eerder verzoek tot het bekomen van een vergunning tot het verzamelen van laders ingevolge de publicatie van de wet van 7 januari 2018 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’ (hierna: de wet van 7 januari 2018) - zonder enige bijkomende vraagstelling of opmerking vanwege de gouverneur - heeft geleid tot de uitbreiding van verzoekers bestaande verzamelaarsvergunning van vuurwapens en munitie met de optie ‘laders’ en dit niettegenstaande een gevraagd thema dat volgens verzoeker in wezen overeenstemt met het huidige geweigerde thema.
  10. Om “enig misverstand” uit te sluiten verduidelijkt verzoeker in de memorie van wederantwoord dat hij ook de schending aanvoert van artikel 6 van de Wapenwet en van artikel 1, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2006). Hij voegt voorts toe dat de “enige mogelijke wettelijk voorziene grond voor weigering […] derhalve ‘ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid’ [is]”. Indien deze in het gedrang XIV-38.140-5/16 zou komen ten gevolge van bewezen negatieve elementen lastens verzoeker, [kan] er […] geen scheiding zijn van het begrip op zich (zoals aangevoerd door verwerende partij) en de verbondenheid met een bepaald natuurlijk persoon. Beide gaan altijd samen, zonder persoon geen mogelijke bedreiging.” Voorts gaat verzoeker dieper in op de adviezen in het dossier en bevindt hij “de door de federale wapendienst toegepaste tactiek, nml. de aanvrager dwingend te verzoeken – met recidive – telkens een nog meer beperkt thema over te maken met als stok achter de deur ‘anders weigeren we de aanvraag’ […] onmiskenbaar een schending van art. 6 en 7 van de Wapenwet”. Beoordeling
  11. Uit het dictum van de bestreden beslissing blijkt dat de gevraagde erkenning werd geweigerd “ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid”. Zij maakt derhalve toepassing van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3 van de Wapenwet. Artikel 5, § 3, van de Wapenwet luidt: “§
  12. De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om erkenning na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings en van de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de woonplaats van de aanvrager. De erkenning kan alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Elke beslissing tot weigering vanwege de gouverneur moet met redenen omkleed zijn.” De bestreden beslissing betreft de weigering van een vergunning tot het verzamelen van laders als bedoeld in artikel 6, § 1, van de Wapenwet. Beide bepalingen moeten derhalve worden samengelezen. Artikel 6, § 1, van de Wapenwet luidt: “Art.
  13. §
  14. De natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die als museum of verzamelaar een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige XIV-38.140-6/16 vuurwapens of van munitie of laders wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945.” De woorden “of laders” in artikel 6, § 1, van de Wapenwet zijn ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 7 januari
  15. De voornoemde wet maakt immers, door de wijziging van artikel 22 van de Wapenwet, via de toevoeging van laders van vuurwapens, “komaf [...] met de vrije verkrijgbaarheid van laders van vuurwapens” (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2709/001, 21) en neemt, “gelet op de introductie in de Wapenwet van het begrip ‘laders”’, deze term onder meer op in artikel 6 van de Wapenwet (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54- 2709/001, 11). In de commissie voor de Justitie verklaart de minister van Justitie inzake het voornoemde artikel 5 van de wet van 7 januari 2018 het volgende (Parl. St. Kamer 2017-2018, nr. 54-2709/4, 21-22): “Dit artikel strekt ertoe artikel 6, § 1, van dezelfde wet te wijzigen. De heer [G. C.] (MR) vraagt of men minstens vijf laders moet bezitten om als verzamelaar te worden beschouwd. De minister antwoordt dat het niet gaat om het aantal laders dat men in zijn bezit heeft. De bepaling is erop gericht voor een kleine minderheid van personen die te goeder trouw zijn en interesse voor wapens hebben, een wijze mogelijk te maken om in het bezit van laders te zijn. Men kan niet bepalen of nagaan of iemand verzamelaar is. De heer [S. V. H.] (Ecolo-Groen) vindt dat de betrokken ambtenaar zal moeten weten vanaf wanneer men van een verzamelaar spreekt. Dat kan toch niet aan individuele interpretatie worden overgelaten, vooral in een zo belangrijke wetgeving. De minister benadrukt dat in dit geval de rode draad doorheen de collectie van belang is, niet het aantal dat men in zijn bezit heeft. Dat is het element dat de administratie moet onderzoeken. Artikel 5 wordt eenparig aangenomen”. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 26/2020 van 20 februari 2020 ten aanzien van de bij de voornoemde wet van 7 januari 2018 XIV-38.140-7/16 ingevoerde regeling inzake het verhandelen en voorhanden hebben van laders, het volgende overwogen: “Ten aanzien van het verhandelen en voorhanden hebben van laders Wat betreft de bestreden bepalingen B.5.
  16. Bij de wet van 7 januari 2018 wordt een einde gemaakt aan de vrije verkrijgbaarheid van laders van vuurwapens. De wetgever wil hiermee misbruiken door personen betrokken bij terroristische misdrijven voorkomen: ‘In de huidige wetgeving zijn laders met een ‘normale’ capaciteit (vastgesteld door de minister van Justitie op grond van artikel 3, § 1, 15°, tweede streepje wapenwet) vrij verkrijgbaar. Dit betekent dat ze vrij kunnen worden aangekocht, zonder enige controle van de identiteit van de koper of van het feit dat deze over de vereiste vergunning beschikt. Tijdens recente gerechtelijke onderzoeken naar feiten van terrorisme is gebleken dat malafide individuen hiervan misbruik maken. De speurders hebben vastgesteld dat terroristen hun handlangers vaak meerdere – en legale – aankopen laten doen van laders met een normale capaciteit, geschikt voor bv. Kalasjnikovs. Zo kunnen ze op korte termijn grote hoeveelheden laders vergaren, die ze plannen te gebruiken bij een aanslag. Aangezien de terroristen de vuurwapens zelf vaak illegaal halen, en de aankoop van normale laders op de legale markt gebeurt door verschillende personen en gespreid over verschillende wapenhandelaars, blijven ze onder de radar voor de opsporingsdiensten. Het voorliggende wetsontwerp wil aan dit soort misbruik remediëren door de verkoop van laders te onderwerpen aan dezelfde regels als de verkoop van munitie. Voortaan zullen laders voor vergunningsplichtige vuurwapens slechts kunnen aangeschaft worden op vertoon van een geldige wapenvergunning (daaronder begrepen een jachtverlof, sportschutterslicentie, ...), en enkel die laders die geschikt zijn voor de wapens waarvoor de vergunning is verleend’ (Parl. St. Kamer, 2017-2018, DOC54-2709/001, p. 22). B.5.
  17. Krachtens artikel 2 van de wet van 7 januari 2018 is een lader ‘een uitneembare patroonhouder voor een vuurwapen die voor de toevoer van patronen zorgt’. De wetgever heeft ervoor gekozen om die laders te onderwerpen aan dezelfde regeling als munitie. Artikel 22, § 1, van de Wapenwet, zoals gewijzigd bij artikel 18 van de wet van 7 januari 2018, bepaalt: ‘Het is verboden aan particulieren munitie of laders voor vergunningsplichtige vuurwapens te verkopen of over te dragen, tenzij voor het wapen waarvoor de vergunning bepaald in artikel 11 is verleend en op vertoon van het stuk, of voor het wapen dat een persoon bedoeld in artikel 12 mag voorhanden hebben en op vertoon van het stuk dat die hoedanigheid bewijst. Het is verboden munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens te verkopen of over te dragen aan personen in het bezit van een vergunning die niet geldig is voor de aankoop van munitie. Particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12 mogen geen munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben. De bepalingen van de vorige leden zijn ook van toepassing op de patroonhulzen en de projectielen, tenzij zij onbruikbaar gemaakt zijn. Particulieren die voldoen aan artikel 11, mogen enkel laders voorhanden hebben die horen bij het vuurwapen waarvoor de vergunning bepaald in dat artikel is verleend. Particulieren die voldoen aan artikel 12, mogen enkel laders voorhanden hebben die horen bij de vergunningsplichtige vuurwapens van het type dat ze voorhanden XIV-38.140-8/16 mogen hebben. Zij mogen deze laders bovendien verder voorhanden hebben gedurende de termijn bedoeld in artikel 13, tweede lid, 1° of 2°, naargelang het geval. Particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12, en die zich niet bevinden in de situatie bedoeld in artikel 13, tweede lid, mogen geen laders voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben’. Daarnaast wijzigt de wet van 7 januari 2018 een aantal bepalingen van de Wapenwet, zodat die niet enkel naar munitie, maar ook naar laders verwijzen. B.5.
  18. Die wijzigingen hebben tot gevolg dat het bezit en de aankoop van laders afhankelijk worden van het legaal voorhanden hebben van een vuurwapen waarvoor de betrokken laders geschikt zijn. Het bezit of de aankoop van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens door personen die niet in het bezit zijn van een dergelijke vergunning, is enkel mogelijk in het kader van een erkenning als verzamelaar in de zin van artikel 6, § 1, van de Wapenwet, dat, na wijziging bij artikel 5 van de wet van 7 januari 2018, bepaalt: ‘De natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die een museum of een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie of laders wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945’.” Het voorhanden hebben en de aankoop van laders zijn derhalve afhankelijk geworden van het legaal voorhanden hebben van een vuurwapen waarvoor de betrokken laders geschikt zijn. Het voorhanden hebben of de aankoop van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens door personen die niet in het bezit zijn van een dergelijke vergunning, is enkel mogelijk in het kader van een erkenning als verzamelaar in de zin van artikel 6, § 1, van de Wapenwet. De natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die aldus een verzameling wil uitbouwen van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens waarvoor hij niet in het bezit is van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan, moet derhalve voor die activiteit een erkenning aanvragen bij de gouverneur bevoegd voor zijn vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Zulks is gebeurd in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december
  19. XIV-38.140-9/16 Uit deze bepaling volgt dat het opgeven van een thema voor de verzameling een essentiële erkenningsvoorwaarde is, waaraan moet zijn voldaan op het moment van de indiening van de aanvraag tot erkenning. Het thema moet beantwoorden aan twee vereisten: enerzijds “de uitbreiding van […] de verzameling rechtvaardigen” en anderzijds “tevens beperken”. Het verzamelthema dient dus zodanig te zijn geformuleerd dat het als objectief richtsnoer – door de minister tijdens de genese van de wijziging van artikel 6, § 1 van de Wapenwet door de wet van 7 januari 2018 de “rode draad” geheten (zie supra, punt 6) –, kan worden gebruikt om te beoordelen welke laders op basis van de laderverzameling voorhanden mogen worden gehouden, maar ook welke laders niet onder de erkenning vallen. Het thema moet derhalve voldoende zijn afgelijnd, hetgeen tot de appreciatiebevoegdheid van, te dezen, de beroepsinstantie behoort. De regelgever bepaalt geen voorwaarden of criteria wat de vereiste nauwkeurigheid betreft van het beperkend aspect waaraan het opgegeven thema moet voldoen. Het komt aan, te dezen, de beroepsinstantie toe om, binnen haar discretionaire bevoegdheid, te bepalen of het door de aanvrager in de aanvraag opgegeven thema beantwoordt aan de voornoemde in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 gestelde eis tot “rechtvaardiging van de uitbreiding” en tot “beperking”. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om hiervan zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Luidens artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet waarnaar zoals is gesteld, artikel 6, § 1, van de Wapenwet verwijst, kan de erkenning alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde en moet elke beslissing tot weigering met redenen zijn omkleed. XIV-38.140-10/16 De beroepsinstantie oefent bij de beoordeling van de vraag of de in artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet bedoelde redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde voorhanden zijn en van die aard zijn dat de erkenning moet worden geweigerd, een discretionaire bevoegdheid uit. Op het aanwenden van deze bevoegdheid oefent de Raad van State het hiervoor bepaalde wettigheidstoezicht uit. Op grond van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 kan de gouverneur in eerste administratieve aanleg en de beroepsinstantie in tweede aanleg (zie supra, punt 6), “ongeacht het gekozen thema” dit thema in het belang van de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt. Deze mogelijkheid tot beperking van het thema laat de voormelde in artikel 5, § 3, van de Wapenwet voorziene mogelijkheid tot weigering van de aanvraag onverlet. Aldus sluit de Raad van State zich met deze interpretatie aan bij die welke hij in zijn eerder arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021 had aangenomen.
  20. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de beroepsinstantie zich op het standpunt stelt dat het door verzoeker voorgestelde thema – waaraan hij uitdrukkelijk vasthoudt ook na de meervoudige vragen tot beperking ervan (zie supra, punt 3.4) – “zo ruim [was] dat er niet werkelijk sprake was van een beperking”. Volgens de beroepsinstantie omvat het thema immers (nagenoeg) alle laders en voorziet het in geen enkele andere beperking dan deze die wettelijk werd voorgeschreven en zou “het afleveren van een erkenning met dergelijk thema […] bijgevolg neerkomen op het erkennen van het verzamelen en dus het voorhanden mogen hebben van nagenoeg alle laders.” Verzoeker van zijn kant is het niet eens met de verwerende partij, doch beperkt zich tot het eigen standpunt dat “zoals reeds overvloedig geargumenteerd in verzoekers briefwisseling”, het “opgegeven thema voldoet XIV-38.140-11/16 “aan het gestelde in de relevante wetgeving ter zake.” Los van het feit dat het aan verzoeker toekomt met de nodige precisie aan te geven welke argumenten uit zijn (omstandige) briefwisseling relevant zijn ter adstructie van zijn standpunt en hij het niet aan de Raad van State vermag over te laten die briefwisseling te deployeren en de relevante elementen er uit te halen, nodigt verzoeker met zijn betoog aldus de Raad van State uit tot een opportuniteitsonderzoek van de vraag of het opgegeven thema voldoet aan de hiervoor (zie supra, punt 6) gegeven interpretatie van de geschonden geachte bepalingen van de wapenwetgeving, hetgeen niet tot zijn bevoegdheid behoort. In de mate dat verzoeker doet gelden dat de bestreden beslissing uitgaat van de “persoonlijke interpretatie van verwerende partij inzake het ‘thema’ van de vergunning en de voorwaarden waaraan een thema zou moeten voldoen om voor verwerende partij ‘aanvaardbaar’ te zijn in het kader van een vermeend mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid” kan die kritiek niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
  21. Verzoeker voert ook aan dat de door hem aangevoerde formelemotiverings- en materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden omdat nergens in de bestreden beslissing enig bewijs wordt geleverd van het feit dat hij een gevaar voor de openbare orde zou vormen indien de vergunning zou worden toegekend. Ook gaat volgens hem de verwerende partij volledig voorbij aan de recente positieve adviezen waarin duidelijk wordt gesteld dat er geen enkel gevaar bestaat voor de openbare orde en veiligheid, dat het motief van weigering niet is aangetoond en bijkomend manifest wordt tegengesproken door die adviezen. Ook wordt de materiëlemotiveringsplicht geschonden door het “totaal ‘outdated’ en niet relevant advies vanwege het OM-Parket Leuven” opnieuw “ten tonele” te voeren. Ook deze grief wordt niet bijgetreden. XIV-38.140-12/16 Anders dan hoe verzoeker het blijkbaar ziet, vereist artikel 5, § 3, van de Wapenwet niet dat de concrete feiten waaruit blijkt dat de aangevraagde laderverzameling een gevaar voor de openbare orde kan inhouden dienen te bestaan in hoofde van verzoeker. Niets belet immers dat een reden die verband houdt met de handhaving van de openbare orde, ongeacht de moraliteit die de aanvrager kenmerkt, is gelegen in de aard en de omvang van het voorgestelde thema. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat het opgegeven thema dermate ruim is dat het (nagenoeg) alle laders omvat. Ten aanzien van een verzameling met een dergelijk ruim thema dat in wezen geen enkele beperking inhoudt die een “ongebreideld laderbezit” zou beletten, oordeelt de beroepsinstantie, in het licht van de door haar uiteengezette en niet-betwiste doelstelling van de wetgever met het instellen van het verbod op het vrij voorhanden hebben van en verkoop van de laders, dat het “ongebreideld laderbezit een gevaar stelt voor de openbare veiligheid en omdat aldus het toekennen van verzamelerkenningen voor een onvoldoend afgebakend geheel van laders neerkomt op het erkennen van ongebreideld laderbezit.” Aldus geeft de beroepsinstantie op afdoende concrete wijze de reden aan die verband houdt met de handhaving van de openbare orde op grond waarvan zij de erkenning weigert. De omstandigheid dat zij voorbijgaat aan de (voor verzoeker gunstige) adviezen wat de persoonlijke moraliteit van verzoeker betreft, doet hieraan geen afbreuk nu niet blijkt dat de persoonlijke moraliteit van verzoeker het motief is waarom in de voorliggende zaak de beroepsinstantie de aanvraag weigert, maar wel het verband tussen het “ongebreideld” ruim thema van de verzameling en het gevaar dat dit ongebreideld bezit, in het licht van de bedoeling van de regelgeving, kan opleveren voor de openbare orde. Aldus blijkt niet dat motivering niet “afdoende” is door geen rekening te houden met die gunstige adviezen. XIV-38.140-13/16 Tot slot leidt het gegeven dat met een beslissing van 17 april 2018 verzoekers bestaande privé-verzameling van historische aard van vuurwapens en munitie werd uitgebreid met laders, niet tot een ander besluit. Het thema van die (bestaande en vergunde) verzameling is verschillend van het voorwerp van de aanvraag die leidde tot de thans bestreden beslissing, zodat het feit dat die verzameling werd uitgebreid met laders niet inhoudt dat de thans bestreden weigeringsbeslissing voor een verzameling met een ander (ruimer) thema de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen schendt. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de weigering van de aangevraagde erkenning niet steunt op redenen van openbare orde die relevant en afdoende zijn, noch dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, niet relevant zijn. Voorts is de bestreden beslissing afdoende formeel gemotiveerd. De loutere omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de motieven maakt die daarom nog niet onwettig.
  22. In de mate dat verzoeker ook de schending aanvoert van artikel 7 van de Wapenwet, betreft deze bepaling de beperking van de erkenning (§ 1) en de schorsing, de intrekking of het beperken van de erkenning (§ 2). Te dezen volstaat de vaststelling dat de verwerende partij de bestreden beslissing heeft geweigerd op grond van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3, van de Wapenwet. Zij is aldus niet tot een erkenning gekomen, zodat de schending van artikel 7 van de Wapenwet die uitgaat van een erkenning, niet dienstig kan worden opgeworpen.
  23. Wat de overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. XIV-38.140-14/16 Met tot slot de voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde argumenten wordt geen rekening gehouden. Verzoeker toont immers niet aan dat hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
  24. Het enig middel is ongegrond. XIV-38.140-15/16 V. Conclusie
  25. Het beroep is ongegrond. Het auditoraat heeft, zich steunend op het arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021, terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.140-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.585 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.