id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.590 Rolnummer: A. 237224/IX-10110 Zaak: Arrest 254590 - Examens (onderwijs) - 23/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-26 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:30 Fiche Arrest nr 254.590 van 23 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.590 van 23 september 2022 in de zaak A. 237.224/IX-10.110 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie, Thomas Fiers en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 25 augustus 2022 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij op het examen 129 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.110-1/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2022, om 15.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Regelgeving en feiten 3.
- De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en IX-10.110-2/18 wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
- Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2022 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2022’ (hierna: het werkings- en examenreglement). IX-10.110-3/18 3.
- Verzoekster neemt op 5 juli 2022 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
- Initieel behaalt verzoekster een score van 56 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 57 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 113 op 240 punten in het totaal. Het verslag van de beraadslaging van de examencommissie van 12 juli 2022 over de examenresultaten vermeldt evenwel: “Het Besluit van de Vlaamse Regering tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts van 14 januari 2020 bepaalt een startquotum van 1276 voor arts […] met als doel het aantal startende studenten in de opleidingen arts [...] af te stemmen op het federaal bepaalde contingent voor artsen […]. Dit kadert in de zorg om het gewenste aantal artsen […] op te leiden in overeenstemming met de maatschappelijke noden en verwachtingen. Terzelfdertijd stelt de examencommissie vast dat het aantal geslaagden voor het toelatingsexamen arts ver onder het voorziene startquotum van 1276 ligt. Het slaagpercentage voor het toelatingsexamen arts in 2022 bedraagt 24,5%. Verder geldt ook de vaststelling dat het te lage slaagcijfer voor het toelatingsexamen arts en de toepassing van de bindende voorkeur voor beide toelatingsexamens een negatieve impact heeft op het bereiken van de quota voor arts […] en bijgevolg op het gewenst aantal studenten dat zich voor de opleidingen geneeskunde […] kan inschrijven. Gelet op het voorgaande, besluit de examencommissie om met deze elementen rekening te houden bij de vaststelling van de definitieve resultaten en het aantal gunstig gerangschikten. De examencommissie neemt bijgevolg de volgende beslissingen: - De examencommissie kent voor het toelatingsexamen arts 8 bijkomende punten toe aan het onderdeel KIW en 8 bijkomende punten aan het onderdeel GC met een maximum van 120 voor elk onderdeel en van 240 voor het totaal. Door 8 punten aan beide onderdelen toe te kennen hebben alle kandidaten een gelijk voordeel en dit voor zowel KIW als voor GC. Ook in de totale score hebben alle kandidaten eenzelfde voordeel. De toekenning van 8 punten aan beide onderdelen bewaart ook de eerdere rangschikking van de reeds gerangschikte kandidaten.” De score van verzoekster werd aldus opgetrokken tot 64 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 65 op IX-10.110-4/18 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 129 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 133 punten. De examencommissie besluit dat verzoekster niet gunstig gerangschikt is om te worden toegelaten tot de beoogde opleiding, omdat haar examenresultaat lager is dan de cesuur. 3.
- Verzoekster stelt op 29 juli 2022 tegen de beslissing van de examencommissie over haar examenresultaat een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die luidens artikel 67 van het werkings- en examenreglement is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. In haar beroepschrift voert zij aan: “Ik kan niet akkoord gaan met de bepaalde cesuur van 133 en de gehanteerde bijsturing van het aantal geslaagden. Namelijk: In het werkings- en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2022 staat onder artikel 17 ‘De examencommissie bepaalt geen cesuur als het aantal gerangschikte kandidaten kleiner is dan of gelijk is aan het vastgestelde startquotum’, onder artikel 18 staat ‘... In het geval er geen cesuur is bepaald omdat het aantal gerangschikte deelnemers kleiner is dan of gelijk is aan het startquotum, worden alle gerangschikte deelnemers gunstig gerangschikt.’ In het verslag van de beraadslagingsvergadering van 12 juli 2022 staat op pagina 14 onder punt A. Toelatingsexamen arts 2022: ‘Aantal deelnemers dat in aanmerking komt voor rangschikking : 970 (24,2%)’. Het startquotum voor arts is in 2022 vastgelegd op
- We bevinden ons duidelijk in een situatie waarin de examencommissie, volgens het door haar opgestelde reglement, geen cesuur bepaalt. Hoe verklaart men de cesuur van 133 voor het examen arts? Door deel te nemen aan het examen heb ik mijn akkoord gesteld met het werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts
- In dit reglement staat echter nergens beschreven, dat wanneer er zich een situatie voordoet zoals hierboven omschreven, de examencommissie de spelregels (naar eigen belang) kan aanpassen. Ik had perfect vrede kunnen nemen met de beslissing dat ik niet aan de opleiding arts kan beginnen aangezien ik niet geslaagd was voor het examen (zeker wetende dat de moeilijkheidsgraad van het examen dit jaar zeer hoog lag. De resultaten spreken IX-10.110-5/18 voor zich). Waar ik echter geen vrede mee kan nemen is dat de regels door de examencommissie eenzijdig worden aangepast en dit bovendien met een absoluut gebrek aan transparantie. Na het uitdelen van 16 extra punten (8+8), weliswaar aan elke deelnemer, wordt er een cesuur van 133 [bepaald]!? Ik kan begrijpen dat men tot inzicht is gekomen dat het examen moeilijker bleek te zijn dan aanvankelijk gedacht en dat men, net zoals in 2018 het geval was, aan iedere deelnemer extra punten geeft. In 2018 werd echter, zoals het reglement het voorziet, geen cesuur [bepaald] ook niet na het uitdelen van de extra punten! Wie in 2018 door het verkrijgen van de extra punten alsnog geslaagd was voor het examen mocht aan de opleiding beginnen. Waarom werd dit jaar dezelfde werkwijze niet gehanteerd? Wat als een deelnemer die dit jaar de (onterechte) cesuur van 133 heeft behaald of bepaald daadwerkelijk 16 (8+8) punten nodig had om alsnog geslaagd te zijn daar waar ik met 8 (4+4) punten voldoende had maar met een totaal resultaat van 129 punten (na het verkrijgen van de 16 extra punten) onder de onterechte cesuur van 133 bleef? Theoretisch is dit perfect mogelijk. U kan natuurlijk beweren dat dit niet het geval is geweest. Wie zal het zeggen? Welke controle hebben deelnemers hierover? Wel staat vast dat door het geven van 16 extra punten in combinatie met het vastleggen van een cesuur van 133 deze mogelijkheid kan bestaan of bestaat. Is het niet totaal onaanvaardbaar dat een deelnemer die meer onverdiende punten nodig heeft dan een andere deelnemer om alsnog te slagen mogelijks zou kunnen starten met de opleiding en de andere deelnemer niet???? Moet de examencommissie niet nagaan dat het systeem waarvoor ze kiezen van extra punten uitdelen en het onterecht bepalen van een cesuur op zijn minst waterdicht dient te zijn. De basisvoorwaarde om in aanmerking te komen voor een rangschikking is minstens 120 (60+60) op 240 behalen. Dit jaar was het behalen van deze basisvoorwaarde meteen ook voldoende om gunstig gerangschikt te worden. Waarom wordt na het uitdelen van (laat ons eerlijk zijn) 16 onverdiende punten plots gesteld dat er minstens 133 op 240 moet behaald worden? Ik benadruk nogmaals dat nergens in het reglement staat beschreven wat de examencommissie kan en/of mag doen in het geval het aantal gerangschikte deelnemers kleiner is of gelijk is aan het vastgestelde startquotum. Wel dat er op dat ogenblik geen cesuur wordt bepaald! Men kan vaststellen dat tweemaal (2018 + 2022) een verschillende werkwijze werd toegepast. De werkwijze uit 2018 heeft als groot verschil (geen cesuur) dat er geen deelnemers kunnen worden benadeeld zoals hierboven aangehaald. Wat in 2022 mogelijks is gebeurd. Alleen al de mogelijkheid maakt dat de bepaalde cesuur van 133 dit jaar dient te worden opgeheven en men dient net zoals in 2018 alle deelnemers, die alsnog geslaagd zijn na het ontvangen van de 16 extra punten, gunstig te rangschikken. Verder stel ik mij de vraag wat het nut is om de toelatingsexamens zo moeilijk te maken dat het aantal van de geslaagde deelnemers ontoereikend is om aan het startquotum te voldoen.” IX-10.110-6/18 3.
- Op 25 augustus 2022 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ontvankelijk, maar ongegrond is en dat de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij een score van 129 op 240 punten behaalt en niet gunstig gerangschikt is, wordt bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven (met weglating van de voetnoot): “De beroepsinstantie heeft integraal kennisgenomen van de argumenten zoals die zijn opgenomen in het beroepschrift en formuleert hiernavolgende beschouwingen. Middel 1 U gaat niet akkoord met het aantal bijkomend toegekende punten. Bij +4 punten voor elk onderdeel had u voldoende om geslaagd te zijn op beide onderdelen en in aanmerking te komen voor gunstige rangschikking. Door meer punten toe te kennen, zijn deelnemers die bij +4 punten niet geslaagd waren op een van beide onderdelen maar met een hogere totaalscore u alsnog voorbij gestoken in de rangschikking. U vraagt om meer uitleg en transparantie bij de beslissing. Het toelatingsexamen arts vond plaats op dinsdag 5 juli
- Op 12 juli 2022 vond de beraadslagingsvergadering van de examencommissie plaats, dewelke bevoegd is voor de vaststelling van de examenresultaten en gunstig gerangschikte deelnemers. Op grond van de resultaten van het toelatingsexamen arts is gebleken dat initieel slechts 970 deelnemers geslaagd waren op beide onderdelen en in aanmerking kwamen voor rangschikking. Het startquotum van 1276 werd dus niet behaald. Gelet op het feit dat het decretaal vastgelegde startquotum voor het jaar 2022 niet werd behaald, heeft de examencommissie toepassing gemaakt van artikel 29 van het Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts van 2 februari
- Dit houdt in dat de examencommissie bepaalt of er een herziening van de vastgelegde examenresultaten van de deelnemers gebeurt. De doorgevoerde herziening streeft een legitiem doel na, i.e. ervoor te zorgen dat de startquota worden behaald zoals zij bij Besluit van de Vlaamse Regering werden vastgesteld. Indien dit aantal niet wordt behaald en er bijgevolg minder studenten starten aan de opleiding arts of tandarts, zal dit op termijn voor een tekort aan afgestudeerden zorgen in deze beroepen, hetgeen een impact heeft op de maatschappij. Het is dan ook noodzakelijk dat de examencommissie een herzieningsmaatregel neemt. De maatregel mag echter niet verder gaan dan noodzakelijk om het vooropgestelde doel te bereiken (evenredigheidsbeginsel). De examencommissie heeft 8 bijkomende punten toegekend aan het onderdeel KIW en 8 bijkomende punten aan het onderdeel GC met een IX-10.110-7/18 maximum van 120 voor elk onderdeel en van 240 voor het totaal. De examencommissie kent aan beide examenonderdelen dus evenveel punten toe, zodanig dat alle deelnemers een gelijk voordeel halen uit deze maatregel. De maatregel heeft tot gevolg dat het aantal deelnemers dat ten minste de helft van de punten heeft behaald op elk van beide onderdelen stijgt tot 1370 te rangschikken deelnemers. Dit overstijgt het startquotum voor de opleiding tot arts. Het aantal gunstig gerangschikte deelnemers, rekening houdend met de bepaling van de cesuur (133 op 240), komt hierbij op
- De genomen maatregel heeft dan ook zijn doel bereikt. De examencommissie heeft de voormelde maatregel genomen teneinde ervoor te zorgen dat het startquotum werd behaald en voldoende studenten aan de opleiding tot arts of tandarts zullen kunnen starten in het academiejaar 2022-
- Hiermee heeft zij haar bevoegdheid uitgeoefend op een wijze die niet verder gaat dan noodzakelijk (proportionaliteitsbeginsel). Indien de examencommissie aan beide onderdelen minder dan 8 bijkomende punten zou toekennen aan de deelnemers, zouden er – na toepassing van de bindende voorkeur – minder dan 1276 personen gunstig gerangschikt zijn en zou het startquotum niet opgevuld zijn. Pas vanaf 8 extra punten per onderdeel zijn er voldoende deelnemers geslaagd om het startquotum op te vullen. Het startquotum wordt bij Besluit van de Vlaamse Regering bepaald, rekening houdend met onder andere het federale contingent. Dit kadert in de zorg om het gewenste aantal artsen op te leiden, in overeenstemming met de maatschappelijke noden en verwachtingen. Het is belangrijk voor alle deelnemers dat een dergelijk ingrijpen door de examencommissie op een redelijke, zorgvuldige en gemotiveerde wijze wordt uitgevoerd. De redenen en de wijze waarop de examenresultaten herzien werden, werden dan ook aan de deelnemers ter kennis gebracht op hetzelfde moment als de bekendmaking van de definitieve examenresultaten. De beroepsinstantie wijst in het bijzonder op volgende overweging van de examencommissie (zie verslag beraadslagingsvergadering van 12 juli 2022): ‘Door 8 punten aan beide onderdelen toe te kennen hebben alle kandidaten een gelijk voordeel en dit voor zowel KIW als voor GC. Ook in de totale score hebben alle kandidaten eenzelfde voordeel. De toekenning van 8 punten aan beide onderdelen bewaart ook de eerdere rangschikking van de reeds gerangschikte kandidaten.’ Ten overvloede stipt de beroepsinstantie nog aan dat u zonder toekenning van bijkomende punten door de examencommissie niet geslaagd zou blijven voor beide examenonderdelen. Zonder de toekenning van bijkomende punten door de examencommissie kan u met andere woorden hoe dan ook niet tot de gerangschikte kandidaten behoren, laat staan tot de gunstig gerangschikte kandidaten. Het eerste middel is ongegrond. Middel 2 U stelt dat er geen cesuur mocht getrokken worden indien er niet voldoende deelnemers geslaagd zijn en verwijst daarvoor naar het werkings- en examenreglement, artikel
- De examencommissie heeft tijdens de beraadslagingsvergadering initieel vastgesteld dat er slechts 980 deelnemers geslaagd waren voor beide onderdelen IX-10.110-8/18 van het toelatingsexamen arts, waarvan er 970 wilden opgenomen worden in de rangschikking. De examencommissie had dan inderdaad het examenreglement kunnen volgen, waardoor er – na toepassing van de bindende voorkeur – slechts 937 deelnemers in aanmerking kwamen voor gunstige rangschikking voor het toelatingsexamen arts. U behoorde niet tot de groep van 937 deelnemers die in aanmerking kwamen voor gunstige rangschikking, gezien u initieel niet geslaagd was voor beide examenonderdelen. Zoals meegedeeld in het eerste middel heeft de examencommissie beslist om 8 bijkomende punten per examenonderdeel toe te kennen, zodat het startquotum wordt opgevuld en er over zes jaar niet veel te weinig studenten afstuderen in de basisopleiding geneeskunde. Na het toekennen van de extra punten voor beide examenonderdelen, zijn er 1382 deelnemers geslaagd voor beide onderdelen, waarvan er 1370 willen opgenomen worden in de rangschikking. Van de 1370 geslaagde deelnemers zijn er 50 die geslaagd én gunstig gerangschikt zijn voor het toelatingsexamen tandarts. Met 1320 geslaagde deelnemers is het startquotum van 1276 ruim overschreden. De examencommissie is door de Vlaamse regelgeving gebonden aan het startquotum dat bepaalt hoeveel deelnemers maximaal mogen starten. De examencommissie heeft dus de cesuur toegepast. De deelnemer op plaats 1276 in de rangschikking heeft een totaalscore van 133 punten. Alle geslaagde deelnemers die minstens 133 punten behaalden, gerangschikt willen worden en niet gunstig gerangschikt zijn voor hun voorkeursopleiding tandheelkunde, zijn gunstig gerangschikt. De groep van 937 deelnemers die initieel in aanmerking kwamen voor gunstige rangschikking zijn ook effectief gunstig gerangschikt. Deze groep is dus niet benadeeld door het toekennen van de bijkomende punten en het bepalen van een cesuur. Bovendien herhaalt de beroepsinstantie dat u zich alleszins niet zelf in deze situatie bevindt. De beroepsinstantie bevestigt de beslissing van de examencommissie om bijkomende punten toe te kennen en een cesuur te bepalen. Tot slot wijst de beroepsinstantie erop dat de beslissingen van de examencommissie in 2018 (toekennen van bijkomende punten en nadien geen bepaling van een cesuur) niet zonder meer vergeleken kunnen worden met de beslissingen van de examencommissie in 2022 (toekennen van bijkomende punten en nadien bepaling van cesuur). De context was immers fundamenteel verschillend. In 2018 was het systeem van de bindende voorkeur voor arts dan wel tandarts nog niet in voege getreden. Als gevolg hiervan waren er deelnemers die voor beide toelatingsexamens gunstig gerangschikt werden en potentieel aan de opleiding geneeskunde of de opleiding tandheelkunde konden beginnen. Met het oog op een adequate invulling van het aantal startende studenten in de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde diende de examencommissie dus een inschatting van de studiekeuze van de gunstig gerangschikten te maken. Hierdoor was het de facto niet zinvol om een cesuur te bepalen. Deze redenering is uitvoerig beschreven in het beraadslagingsverslag van de examencommissie van 9 juli
- Sinds de invoering van de bindende voorkeur voor arts dan wel tandarts in 2020 zijn er geen dubbel gunstig gerangschikten meer, waardoor de relatie tussen het aantal gunstig gerangschikten en het aantal startende studenten in de opleiding veel strikter is. In deze situatie kan er dus wel op een zinvolle wijze IX-10.110-9/18 een cesuur bepaald worden indien het aantal te rangschikken kandidaten effectief het startquotum overschrijdt, zoals ook voorgeschreven door de regelgeving. Het tweede middel is ongegrond.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018), alsook van “de motiveringsplicht”, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij wijst er vooreerst op dat artikel 8 van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering erin voorziet dat de examencommissie geen cesuur bepaalt als het aantal geslaagde kandidaten onder het vastgestelde startquotum ligt. In dit geval blijkt uit de bestreden beslissing dat er initieel slechts 970 deelnemers geslaagd waren, terwijl het startquotum was vastgesteld op
- Derhalve mocht de examencommissie geen cesuur opleggen, zo stelt verzoekster. Het is voor haar IX-10.110-10/18 volstrekt onduidelijk op welke rechtsgrond de examencommissie steunt om alsnog een cesuur te bepalen. Voorts doet verzoekster gelden dat de verwerende partij ten onrechte ervan uitgaat dat het startquotum niet mag worden overschreden. Zij meent het tegendeel te mogen afleiden uit “artikel 187, § 4,” (versta: artikel II.187, § 4) van de Codex Hoger Onderwijs en volgens haar is nergens bepaald dat een overschrijding beperkt moet zijn. In dit geval zou het startquotum met 44 kandidaten worden overschreden. Dat deze kandidaten extra de opleiding zouden mogen starten, berokkent volgens verzoekster geen maatschappelijk nadeel dat de handelwijze van de examencommissie zou kunnen rechtvaardigen. Voorts beklaagt verzoekster zich erover dat de bestreden beslissing geen antwoord geeft op haar argument dat er zich duidelijk een situatie voordoet waarin de examencommissie volgens het door haar opgestelde werkings- en examenreglement geen cesuur bepaalt. Verzoekster voert ten slotte aan dat de kwaliteit van het examen dit jaar opnieuw te wensen overliet. Volgens haar was het examen “simpelweg te moeilijk” en is de examencommissie verantwoordelijk voor het daaruit volgend probleem van het tekort aan gunstig gerangschikten. Zij besluit dat de examencommissie haar verantwoordelijkheid dient op te nemen wanneer “de enige correcte oplossing van het probleem (16 extra punten) inhoudt dat het startquotum wordt overschreden met 44 kandidaten”. Beoordeling
- Artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 luidt als volgt: “De examencommissie bepaalt jaarlijks voor het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts een afzonderlijke cesuur als het aantal geslaagde kandidaten boven het respectievelijk vastgestelde startquotum ligt. IX-10.110-11/18 De examencommissie bepaalt geen cesuur als het aantal geslaagde kandidaten onder het vastgestelde startquotum ligt.” Artikel 17, tweede en derde lid, van het werkings- en examenreglement herhaalt onder meer deze regeling.
- Krachtens artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 vermag de examencommissie te bepalen dat er een herziening van de vastgelegde examenresultaten van de kandidaten gebeurt. Op het eerste gezicht houdt die bevoegdheid van de examencommissie de bevoegdheid in om op wettige gronden bijkomende punten toe te kennen. In dit geval heeft de examencommissie, blijkens het verslag van haar beraadslaging van 12 juli 2022, vastgesteld dat op basis van de initieel behaalde resultaten slechts 970 deelnemers in aanmerking kwamen voor rangschikking en dat dit aantal ver onder het startquotum van 1276 ligt. Zij heeft erop gewezen dat het startquotum als doel heeft het aantal startende studenten in de opleiding tot arts af te stemmen op het federaal bepaalde contingent voor artsen en dat dit kadert in de zorg om het gewenste aantal artsen op te leiden in overeenstemming met de maatschappelijke noden en verwachtingen. Op die grond heeft de examencommissie beslist om aan elke deelnemer aan het examen acht bijkomende punten toe te kennen voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en acht bijkomende punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’. Precies die bijkomende punten bleken nodig om het startquotum te kunnen bereiken. Met minder bijkomende punten was dat niet het geval, aldus de verwerende partij, en verzoekster betwist dit niet. Verzoekster heeft er op het eerste gezicht alvast geen belang bij om de toekenning van bijkomende punten te betwisten, aangezien zij zelf hoe dan ook bijkomende punten nodig had om te slagen voor het examen. Ten gevolge van de toekenning van die bijkomende punten nam het aantal te rangschikken deelnemers luidens het verslag van de beraadslaging van IX-10.110-12/18 de examencommissie toe tot
- Aangezien dat aantal dan weer het startquotum overschreed, was er voor de examencommissie aanleiding om met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 en artikel 17, tweede lid, van het werkings- en examenreglement alsnog de cesuur te bepalen. Artikel 8, tweede lid, van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering en artikel 17, derde lid, van het werkings- en examenreglement zijn in dit geval derhalve niet van toepassing. Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt in zoverre in rechte.
- Artikel II.187, § 4, van de Codex Hoger onderwijs bepaalt onder meer: “De startquota voor de gunstig gerangschikte kandidaten worden afzonderlijk bepaald voor de opleiding arts en tandarts op basis van beroeps- en opleidingsgerelateerde parameters. Het aantal kandidaten dat jaarlijks gunstig gerangschikt kan worden, bedraagt voor het toelatingsexamen arts 1102 en voor het toelatingsexamen tandarts
- Afhankelijk van de door de kandidaten behaalde examenresultaten kan het startquotum overschreden worden. De cesuur wordt principieel getrokken tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat.” Verzoekster leidt eruit af dat het startquotum kan worden overschreden. Daargelaten dat de overschrijding van het startquotum, waarvan sprake, betrekking lijkt te hebben op de mogelijkheid dat meerdere kandidaten het aantal punten kunnen hebben behaald dat overeenstemt met de cesuur, toont verzoekster alleszins niet aan, zo lijkt, dat uit de aangehaalde bepalingen of enige andere normatieve bepaling in dit geval de verplichting volgt voor de IX-10.110-13/18 examencommissie of de beroepsinstantie om alle na de bijkomende puntentoekenning geslaagde kandidaten toe te laten tot de opleiding van arts. In zoverre is het middel evenmin ernstig.
- Anders dan verzoekster het ziet, kan in de bestreden beslissing op het eerste gezicht zeer duidelijk en uitdrukkelijk worden gelezen waarom, in tegenstelling tot wat verzoekster voor de beroepsinstantie aanvoerde, de cesuur toch diende te worden bepaald. Verzoekster lijkt dan ook tevergeefs te doen gelden dat de bestreden beslissing op dat punt “de motiveringsplicht” schendt.
- Verzoeksters grieven met betrekking tot de gebrekkige kwaliteit van het examen tonen de onwettigheid van de ten aanzien van haar genomen beslissing niet aan. Op het eerste gezicht mag er evenmin worden uit afgeleid, wat verzoekster doet, dat “de enige correcte oplossing van het probleem (16 extra punten) inhoudt dat het startquotum wordt overschreden met 44 kandidaten”.
- Het eerste middel is in genen dele ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 en artikel 17 van het werkings- en examenreglement, alsook van het beginsel patere legem quam ipse fecisti en van “de motiveringsplicht”. Zij betoogt dat zij zich “exact” in de situatie bevindt waarin artikel 17 van het werkings- en examenreglement voorziet, maar volgt de IX-10.110-14/18 examencommissie deze bepaling niet en lijkt zij, zonder dat expliciet te vermelden, zich te steunen op artikel 19 van datzelfde reglement. Dat artikel, aldus verzoekster, heeft evenwel betrekking op een zeer specifieke situatie die in dit geval niet van toepassing is. Verzoekster herhaalt dat de examencommissie voor haar handelwijze – het toekennen van extra punten en het alsnog bepalen van de cesuur – geen grond vindt in het voormelde reglement. Zij besluit dat de examencommissie aldus de in het middel aangevoerde reglementaire bepalingen en beginselen schendt. Beoordeling
- Bij de beoordeling van het eerste middel is er reeds op gewezen dat de examencommissie krachtens artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 vermag te bepalen dat er een herziening van de vastgelegde examenresultaten van de kandidaten gebeurt en dat die bevoegdheid van de examencommissie op het eerste gezicht de bevoegdheid inhoudt om op wettige gronden bijkomende punten toe te kennen. Eveneens werd geoordeeld dat de examencommissie in dit geval op grond van artikel 8, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 en artikel 17, tweede lid, van het werkings- en examenreglement alsnog de cesuur mocht bepalen. Dienvolgens kan de in het tweede middel aangevoerde schending van de vermelde reglementaire bepalingen op het eerste gezicht niet worden aangenomen, net zomin als de aangevoerde schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti en van “de motiveringsplicht”.
- Het tweede middel is evenmin ernstig. IX-10.110-15/18 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, het “motiveringsbeginsel” en het vertrouwensbeginsel. Zij voert vooreerst een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling aan in vergelijking met “de kandidaten van de toelatingsexamens van eerdere jaren […] waarin geen onrechtmatige cesuur werd opgelegd”. Volgens verzoekster hebben laatstgenoemden daardoor “een enorm voordeel gehad” ten aanzien van haar. Daarvoor ligt geen pertinent motief voor en er wordt tekortgedaan aan het vertrouwen dat zij erin mocht hebben om op dezelfde manier te worden behandeld. Volgens verzoekster doet zich tevens een ongelijkheid voor “tussen de studenten van de lichting 2022 onderling”, die zij als volgt toelicht: “De bepaling van de onterechte cesuur heeft bovendien mogelijks tot gevolg dat men de beide onderdelen van het examen niet meer als gelijkwaardig aanschouwt. Als een deelnemer als resultaat 117 (52+65) had door het toekennen van de 16 (8+8) extra punten, komt zijn resultaat uit op 133 (60+73) en wordt hij gunstig gerangschikt. Een andere kandidaat met bv. als resultaat 116 (58+58) komt na de 16 extra punten op een resultaat van 132 (66+66) en komt niet in aanmerking voor een gunstige rangschikking ook al heeft deze deelnemer minder onverdiende punten nodig om geslaagd te zijn. Men kan stellen dat bij de eerste deelnemer het resultaat van één onderdeel zwaarder doorweegt en bepalend is voor zijn gunstige rangschikking. Ook al heeft hij veel meer onverdiende punten nodig, dan de tweede deelnemer, op het andere deel om geslaagd te kunnen zijn.” Beoordeling
- De beroepsinstantie zet in de bestreden beslissing uitvoerig uiteen waarom verzoekster volgens haar ten onrechte aanvoert ongelijk IX-10.110-16/18 te worden behandeld in vergelijking met de kandidaten van het toelatingsexamen van 2018 toen geen cesuur werd bepaald. Zij legt namelijk uit dat de context toen wezenlijk anders was dan nu. Verzoekster betwist dat motief van de bestreden beslissing niet. Zij beperkt zich ertoe te stellen dat er geen pertinent motief voorligt dat de ongelijke behandeling kan rechtvaardigen, zonder aan te geven waarom de redengeving van de beroepsinstantie niet volstaat. Voor zover verzoekster aanvoert dat er ook een ongelijkheid is tussen de studenten van de lichting 2022 onderling, doordat “[d]e bepaling van de onterechte cesuur […] mogelijks tot gevolg [heeft] dat men de beide onderdelen van het examen niet meer als gelijkwaardig aanschouwt”, dient vooreerst te worden opgemerkt dat hiervóór reeds werd geoordeeld dat de cesuur niet “onterecht” werd opgelegd. Voorts slaagt verzoekster er niet in ervan te overtuigen dat “men de beide onderdelen van het examen niet meer als gelijkwaardig aanschouwt”. Integendeel behoudt in haar voorbeeld de eerstvermelde deelnemer na de toekenning van de bijkomende punten zijn betere totaalscore in vergelijking met de laatstvermelde deelnemer. De omstandigheid dat de eerstvermelde deelnemer meer bijkomende punten nodig had om het slaagcijfer te bereiken voor één van de twee examenonderdelen is in dit opzicht op het eerste gezicht niet relevant.
- Het derde middel is evenmin ernstig.
- Er is aldus niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING IX-10.110-17/18
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-10.110-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div