← België

Arrest 254594 - Examens (onderwijs) - 26/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.594 Rolnummer: A. 237270/IX-10117 Zaak: Arrest 254594 - Examens (onderwijs) - 26/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-09-27 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 07:30 Fiche Arrest nr 254.594 van 26 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.594 van 26 september 2022 in de zaak A. 237.270/IX-10.117 In zake: Soulaimane HAMMOUD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Verbelen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 122 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD MORTSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het GTI Mortsel van 13 september 2022, waarbij aan Soulaimane Hammoud een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op maandag 26 september 2022, om 11.00 uur. IX-10.117-1/16 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Verbelen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het tweede jaar van de derde graad elektromechanica (TSO) in het GTI Mortsel. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker een totaalscore van 37,98% voor de geïntegreerde proef (GIP): “De leerling heeft geen werkende GIP kunnen opleveren. Niet alle functionele eisen van de opgave werden voldaan. Hierdoor is de jury genoodzaakt om een tweede kans te voorzien voor het opleveren van de GIP.” De delibererende klassenraad beslist tot “een uitgestelde beslissing”. De bijkomende proef is gepland op 30 augustus
  5. De delibererende klassenraad beslist vervolgens om aan verzoeker een C-attest toe te kennen; de GIP is “zwaar onvoldoende”: IX-10.117-2/16 “Motivering: Op het einde van het schooljaar behaalde de leerling een herkansing voor de GIP. Deze herkansing was zwaar onvoldoende. Dit heeft geleid tot deze beslissing. Remediëring: • De school heeft de mogelijkheid geboden de cursus ‘leren leren’ te volgen. • De school heeft de mogelijkheid geboden bijlessen te volgen. Er werd geen gebruik van gemaakt. • De school heeft de mogelijkheid geboden om tijdens de middag te studeren, te oefenen op PC en deel te nemen aan taalsteunsessies. • Op de tussentijdse rapporten werd aangehaald dat de leerling harder moet werken. De leerling werd intensief begeleid tijdens het GIP-proces en werd regelmatig bijgestuurd. Op regelmatige tijdstippen werd er steeds aangehaald wat nog niet in orde was. Met deze feedback werd weinig tot niets gedaan.” Overleg met de directie leidt niet tot een nieuwe bijeenroeping van de klassenraad, waarop verzoeker beroep aantekent bij het schoolbestuur. Hij laat gelden “dat een louter tekort voor de GIP geenszins afdoende is om een C-attest toe te kennen”. Op 13 september 2022 beslist de beroepscommissie, verzoeker gehoord, om het C-attest te bevestigen. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid IX-10.117-3/16
  7. Verzoeker voert terecht aan dat het dreigend verlies van een schooljaar niet afdoende kan worden afgewend met een gewone schorsingsprocedure en dat derhalve door hem een beroep mag worden gedaan op de uitzonderingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De verwerende partij trekt dit overigens niet in twijfel. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel 6.
  8. In een eerste middel voert verzeker de schending aan van artikel II.3, eerste lid, van het bestuursdecreet, de artikelen 115/6, § 4, en 123/15, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs en van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat hij “geen enkel document [ontving] waarin beroepsmogelijkheden en -instanties vermeld werden”. 6.
  9. Het volstaat om vast te stellen dat verzoeker klaarblijkelijk geen belang heeft bij deze grieven, aangezien hij feilloos de weg heeft gevonden naar de beroepscommissie en vervolgens naar de Raad van State. Het middel lijkt bijgevolg onontvankelijk bij gebrek aan belang en mist alle ernst. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  10. Het tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 5, § 5, en 57 van het organisatiebesluit (besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke IX-10.117-4/16 motivering van de bestuurshandelingen’ en van “het zorgvuldigheidsbeginsel en de formele en materiële motiveringsplicht”. De toelichting bij het middel beslaat twaalf bladzijden van het inleidend verzoekschrift, waarin verzoeker regelmatig zichzelf herhaalt. In wezen voert verzoeker aan dat “er geen afdoende motivering voor het toekennen van het C-attest” is. Het loutere tekort voor de GIP vormt de grond voor het C-attest. Uit artikel 56 van het organisatiebesluit volgt evenwel dat het resultaat van de GIP “een belangrijk element” is doch geenszins een doorslaggevend element. Dit betekent dat een tekort voor de GIP, zelfs al is het resultaat voor deze proef ondermaats, slechts één element van zijn dossier is. Het ontslaat de beroepscommissie niet van de verplichting om bij de beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier af te wegen tegenover dit ene tekort. Een tekort zelfs voor “het meest gegeven vak” sluit het bereiken van de finaliteit van de algemene vorming van het secundair onderwijs niet noodzakelijk uit. De beroepscommissie moet een concrete afweging maken. In de bestreden beslissing leest verzoeker een “uitgebreide doch nietszeggende motivering”, waarbij geenszins geantwoord wordt op de argumenten die in zijn nota gericht aan de beroepscommissie opgenomen zijn. De bestreden beslissing “geeft geen globale beoordeling zoals nochtans vereist, houdt geen rekening met de ingeroepen elementen en faalt in zijn motivering”. De beroepscommissie moet niet alleen rekening houden met de resultaten die onvoldoende zijn, “maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen waarvoor wel slaagcijfers voorliggen, desgevallend ook met de evolutie van deze resultaten, de remediëringsmaatregelen die tijdens het jaar werden genomen, de inzet van de leerling, zijn medisch dossier of andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling”. Dit beeld ontbreekt.
  11. In haar nota met opmerkingen antwoordt de verwerende partij dat de verwijzing naar de “zwaar onvoldoende” uiteraard moet worden gelezen in IX-10.117-5/16 samenhang met de beoordeling van de GIP. Voor de herkansing met presentatie voor de jury op 30 augustus 2022 behaalde verzoeker 7 punten op 35, ofwel 20 procent. Voor elk evaluatiecriterium behaalde hij 1 op
  12. Uit de geschreven feedback blijkt omstandig en duidelijk wat de beoordeling van de jury was bij elke tussentijdse evaluatie, wat de pijnpunten en tekorten waren, en waaraan verzoeker moest werken. Dit wordt niet betwist door verzoeker. Uit het geheel van deze evaluaties en, feedback doorheen het schooljaar, samen met de eindbeoordeling van de herkansing, blijkt manifest waarom verzoeker niet slaagde voor de GIP en waarom het eindoordeel ‘zwaar onvoldoende’ luidde. Dit oordeel slaat niet uitsluitend op de resultaten behaald bij de herkansing op 30 augustus 2022, maar ook op de resultaten doorheen het schooljaar. In het laatste jaar elektromechanica wordt de leerling beoordeeld op de vakken, de GIP en de stage. Om te kunnen slagen moet de leerling in beginsel voor de drie onderdelen geslaagd zijn. De verwerende partij beschrijft vervolgens welke ondersteuning voor verzoeker beschikbaar was in de aanloop naar 30 augustus
  13. Uit de GIP-infobundel blijkt dat de GIP een “heel belangrijk onderdeel” is om te slagen voor het zesde jaar. Verzoeker wist dit want hij kreeg het vorige schooljaar eveneens een C-attest wegens een onvoldoende voor de GIP, terwijl hij een eindresultaat behaalde van 61% en ook voor alle vakken afzonderlijk een voldoende algemeen totaal behaalde, zij het nipt voor elektriciteit. Voor dat “heel belangrijk onderdeel” behaalt verzoeker het afgelopen schooljaar zowel in juni, als bij de herkansing in augustus een ruime onvoldoende en in de schriftelijke feedback van juni leest hij dat hij “een laatste kans” krijgt. Zijn algemeen eindtotaal (59%) is lager dan het voorgaande schooljaar. Gelet op dit alles is het voor verzoeker dan wel degelijk duidelijk waarom hij een C-attest krijgt IX-10.117-6/16 én blijkt ook dat dit een terecht oordeel is. Aan de materiëlemotiveringsplicht is dus alleszins voldaan. Na de beslissing van de delibererende klassenraad op 31 augustus 2022 heeft verzoeker uitvoerig feedback gekregen over de beslissing. Minstens is het doel van de formelemotiveringsplicht bereikt. Het is inderdaad zo dat om een A-attest te krijgen in principe niet vereist is dat de leerling voor alle vakken geslaagd is. De verwerende partij heeft dit wel degelijk in ogenschouw genomen. De Raad van State oordeelt evenwel ook dat één tekort ook niet belet dat een leerling niet-geslaagd wordt verklaard. Ook een tekort voor de GIP kan een C-attest verantwoorden. Dit is in casu ontegensprekelijk het geval. Zoals aangegeven in de bestreden beslissing met verwijzing naar het leerplan moet de leerling met de geïntegreerde proef kunnen aantonen dat hij creatief met kennis en techniek/vaardigheden kan omgaan in een realistische context: probleemoplossend, innovatief en toekomstgericht. De GIP is geen momentopname, maar een proces dat over een langere periode tijdens het schooljaar plaatsvindt. Door deze procesgerichte opvolging kan er bij eventueel minder gunstige ontwikkelingen nog altijd bijgestuurd worden. Uit het dossier blijkt ook dat verzoeker wel degelijk van nabij werd opgevolgd en feedback kreeg. Het uiteindelijke doel van de GIP is om de leerling bewust te maken van zijn kennen en kunnen, interesses en vaardigheden, en hem zo te helpen op weg naar de arbeidsmarkt of een verdere studiekeuze. Wanneer dan wordt vastgesteld dat verzoeker een zeer zware onvoldoende behaalt voor de GIP, dan is in combinatie met de verwijzing naar het doel en het belang van de GIP volgens het leerplan een C-attest wel degelijk gerechtvaardigd en is het voor verzoeker wel degelijk duidelijk waarop dit C-attest steunt. Gelet op het belang dat zowel in het leerplan, als door de school wordt gehecht aan de GIP zoals blijkt uit de GIP-infobundel en uit de bestreden beslissing – en de zware onvoldoende voor de GIP, zelfs na herkansing, kunnen de resultaten voor de andere vakken de balans niet in de richting van een A-attest doen overhellen. IX-10.117-7/16 Verzoeker bekritiseert dat geen aandacht werd besteed aan het totale beeld van zijn prestaties. Dit beeld is echter niet dermate positief dat het de zware tekorten voor de GIP doorheen het volledige schooljaar zou compenseren of zou moeten nopen tot een A-attest, onafgezien het gewicht dat de bestreden beslissing terecht aan de GIP hecht. Verzoeker behaalde een algemeen jaartotaal van 59 procent, maar voor de richtingspecifieke vakken – elektriciteit, mechanica en project elektromechanica – vertoont hij doorheen het schooljaar enkele tekorten op dagelijks werk en examens en daardoor haalt hij op het einde van het schooljaar slechts respectievelijk 53, 56 en 50 procent. Beoordeling
  14. Verzoeker heeft voor de beroepscommissie in wezen laten gelden, met verwijzing naar artikel 56 van het organisatiebesluit, “dat een louter tekort voor de GIP geenszins afdoende is om een C-attest toe te kennen” en dat als hem slechts één jaartekort wordt verweten, dit moet aanzetten tot extra zorgvuldig onderzoek.
  15. Hierop antwoordt de beroepscommissie in de bestreden beslissing als volgt: “
  16. Belang van het GIP, in afweging met de andere resultaten die de leerling heeft behaald: De beroepscommissie verwijst naar het door de Vlaamse overheid goedgekeurde leerplan secundair onderwijs van de onderwijskoepel OVSG waarin volgende elementen worden opgenomen en waartoe de school verplicht is deze te realiseren. Enkele opsommingen uit dit leerplan: 5.
  17. TV/PV Elektromechanica/mechanica/elektriciteit: ‘De nieuwe vakbegrippen kunnen gebruiken, mondeling en/of schriftelijk kunnen omschrijven.’; ‘een aangereikt schema kunnen aanvullen’; ‘een schriftelijke en/of mondelinge opdracht bij een luister- of waarnemingsoefening kunnen vervullen’; ‘het eigen werk zelfstandig efficiënt kunnen plannen en organiseren’; ‘bij elke realisatie en/of onderzoek van een elektromechanisch systeem de opeenvolgende stappen in het technisch proces doorlopen’; ‘proefopstellingen kunnen realiseren’; ‘zelfstandig en efficiënt IX-10.117-8/16 metingen/materiaalbeproevingen kunnen uitvoeren met de gevraagde nauwkeurigheid’.
  18. Geïntegreerde proef (GIP): De GIP-opdracht bevat een realistische probleemstelling waarop de leerling een antwoord zoekt. Met de geïntegreerde proef moet de leerling kunnen aantonen dat hij/zij creatief met kennis en techniek/vaardigheden kan omgaan in een realistische context: probleemoplossend, innovatief en toekomstgericht. De GIP is geen momentopname, maar een proces dat over een langere periode tijdens het schooljaar plaatsvindt. Dit impliceert dat bij een beoordeling zowel proces als product geregeld (tussentijds) zal beoordeeld en bijgestuurd worden. In een GIP ligt de nadruk zowel op de realisatie van een kwaliteitsvol eindproduct als op het leerproces dat de leerling doorloopt. De leerling zal opgevolgd en (tussentijds) geëvalueerd worden op basis van uitgeschreven evaluatiecriteria. Door deze procesgerichte opvolging kan er bij eventueel minder gunstige ontwikkelingen nog altijd bijgestuurd worden. Het resultaat van de GIP zal een belangrijk element zijn in de beslissing van de delibererende klassenraad over de leerling. De uiteindelijke beslissing van de geïntegreerde proef is om de leerling bewust te maken van zijn/haar kennen en kunnen, interesses en vaardigheden, en hem/haar zo te helpen op weg naar de arbeidsmarkt of een verdere studiekeuze. De vertaling van deze leerplandoelen wordt vanuit de school meegegeven in alle afspraken die met de leerling en de ouders worden gemaakt over de GIP. We verwijzen hiervoor naar de GIP-bundel, die ter kennisname wordt ondertekend, en waarin duidelijk wordt opgenomen wat van de leerling wordt verwacht.”
  19. Verzoeker heeft voor de beroepscommissie ook kritiek gegeven over een beweerd gebrek aan feedback en begeleiding door de leerkrachten. Hierop heeft de beroepscommissie ook geantwoord. In de huidige schorsingsprocedure komt verzoeker hierop niet meer terug. Wat de verwerende partij in haar nota daaromtrent nog uiteenzet, is dus zonder pertinentie voor de beoordeling van dit middel.
  20. Op het einde van het schooljaar “heeft [verzoeker] geen werkende GIP kunnen opleveren”. Zijn totaalscore was, afgerond, 38%. Hij kreeg een “tweede kans” op 30 augustus
  21. De opgave voor die “herkansing” is aan verzoeker schriftelijk meegedeeld en hij heeft die opgave ondertekend voor IX-10.117-9/16 kennisname. Volgens de opgave moet op 30 augustus 2022 aan de volgende functionele eis zijn voldaan: “De machine werkt volgens de beschrijving die in het logboek geplaatst werd op 11 oktober 2021.” In de opgave kon verzoeker ook lezen op welke data hij bijkomende info kon krijgen of op school aan de GIP kon werken, dat het toegestaan was om thuis aan de opstelling te werken, wanneer en hoe hij de jury kon contacteren met vragen en dat de opstelling op 30 augustus 2022 terug op school werd verwacht. In de bestreden beslissing merkt de beroepscommissie op: “Tijdens de presentatie voor de jury bleek dat het werkstuk niet was afgewerkt. Nochtans stond in het opgaveblad met betrekking tot de uitgestelde proef dat de machine moest werken volgens een voorafgaande beschrijving.”
  22. Verzoeker bestrijdt geen van de zo-even gedane vaststellingen. Hij betwist bijgevolg niet dat hem terecht 38% is toegekend voor de GIP en dat de klassenraad mocht oordelen dat zijn prestatie, zelfs nadat verzoeker een herkansing is gegeven op 30 augustus 2022, “zwaar onvoldoende” is gebleven. Er is met andere woorden geen reden om aan te nemen dat de toegekende totaalscore van 38% dankzij de bijkomende inspanningen van verzoeker verhoogd zou moeten worden.
  23. Artikel 56 van het organisatiebesluit kwalificeert de GIP als “een belangrijk element” in de beslissing van de delibererende klassenraad. Er is geen reden, zo lijkt, waarom het dat niet zou zijn in de beslissing van de beroepscommissie. IX-10.117-10/16
  24. Aangenomen wordt, dat zelfs één tekort reden kan zijn om een leerling niet geslaagd te verklaren, als ten minste daarvoor specifieke redenen voorhanden zijn, waarbij de Raad reeds in tal van arresten overwoog en heden andermaal overweegt dat die reden te vinden kan zijn in de aard van het vak zelf, bijvoorbeeld wegens het aandeel ervan in de totale studie, omwille van het belang ervan voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten; dat men bij wijze van voorbeeld kan denken aan opleidingsonderdelen zoals een stage, een thesis of voor de opleiding noodzakelijke praktische vaardigheden. Welnu, artikel 56 van het organisatiebesluit spreekt alleszins niet tegen dat aan de resultaten voor de GIP een zodanig belang wordt toegemeten dat het in grote mate het eindresultaat van de leerling bepaalt. Zulks kan met des te meer reden worden gesteld nu verzoekers tekort op de GIP ondermaats te noemen is. Andersom wordt evenwel óók aangenomen dat het slagen voor de GIP niet als een absolute vereiste mag worden beschouwd, in die zin dat een onvoldoende hoe dan ook tot een C-attest moet leiden. Dat de verwerende partij – zo stelt zij in haar nota – als “beleidslijn” hanteert “dat om te kunnen slagen de leerling in principe voor de 3 onderdelen geslaagd moet zijn”, doet daaraan geen afbreuk. Zoals zij zelf aangeeft, is een beleidslijn een richtlijn “in principe” en kan ervan worden afgeweken, als daartoe grond bestaat. Steeds nog wordt over elke leerling een individuele beoordeling verwacht.
  25. In de voorliggende zaak heeft verzoeker in zijn beroepschrift zeer nadrukkelijk opgeworpen dat zijn ene tekort, gesteld tegenover zijn slaagcijfers voor de andere opleidingsonderdelen, niet volstaat voor een C-attest. De beroepscommissie ziet het anders. Volgens haar, zo blijkt uit de bestreden beslissing, vormt het tekort op de GIP in deze zaak wél een voldoende rechtsgrond om een C-attest toe te kennen. Een andere reden is er immers niet, zo lijkt. IX-10.117-11/16 De beroepscommissie laat daarbij uitschijnen, volgens het opschrift van het besproken motief, dat zij het belang van de GIP zal bespreken “in afweging met de andere resultaten die de leerling heeft behaald”. In wat dan volgt – en hiervóór is aangehaald – lijkt van een dergelijke afweging echter niets terug te vinden. Er wordt enkel, zo lijkt, in herinnering gebracht dat de GIP “een belangrijk element” is – wat verzoeker niet in twijfel trekt – dat verzoeker door hiervoor niet te slagen niet heeft voldaan aan de leerplandoelstellingen op dat punt – wat verzoeker evenmin betwist – en dat tijdens het schooljaar duidelijk is gemaakt “wat van de leerling wordt verwacht” – wat al evenzeer buiten betwisting staat. Waarom evenwel de GIP in de concrete omstandigheden van deze zaak niet enkel een “belangrijk”, maar zelfs een “doorslaggevend” element is, kon verzoeker prima facie niet lezen in de beslissing. Het antwoord is weinig doorgrondelijk en lijkt veeleer naast de kwestie. Kortom, indien de beroepscommissie de mening aankleeft dat de overige resultaten van verzoeker niet opwegen tegen de ook na herkansing “zwaar onvoldoende” gebléven resultaten voor de GIP en dat zijn tekortschieten hiervoor óók in acht genomen zijn andere cijfers tot de vaststelling moet leiden dat verzoeker niet “in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs” (artikel 38, 3°, van het organisatiebesluit) en aldus verantwoordt dat hij geen diploma krijgt, dan lag het op haar weg dit aan verzoeker inzichtelijk te maken.
  26. Waar verzoeker zijn bar slechte resultaat voor de GIP niet tegenspreekt, betwist hij wél dat dit ene tekort, afgewogen tegenover zijn andere cijfers, tot een C-attest moet leiden en vraagt hij daarover een standpunt van de beroepscommissie. IX-10.117-12/16 In de huidige stand van de rechtspleging oordeelt de Raad van State dat verzoeker dit antwoord van de beroepscommissie niet gekregen heeft. Voor zover de verwerende partij thans in haar nota een poging daartoe onderneemt, mag de Raad daarmee geen rekening houden aangezien dit antwoord post factum is gegeven en uit niets blijkt dat het aan de beroepscommissie is toe te schrijven.
  27. Dat verzoeker feedback heeft gekregen over de beslissing van de klassenraad, doet niet anders besluiten. Hij heeft nu eenmaal zijn dossier aan de beroepscommissie voorgelegd voor een nieuwe, autonome beoordeling zodat uitleg over de motieven van de klassenraad niet relevant lijkt. In dat verband past het nog eraan te herinneren dat het niet aan de Raad van State toevalt om zijn oordeel over het slagen van de leerling in de plaats te stellen van de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het ligt ook niet op zijn weg om in de plaats van de beroepscommissie aan verzoeker opheldering te geven over de ingeroepen bezwaren. De formelemotiveringsplicht is in de aangegeven mate geschonden en het middel is in die mate ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  28. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Immers, zo stelt verzoeker, had hij uitgezonderd het tekort voor de GIP geen enkel tekort in totaliteit. Dienvolgens voldoet hij wel degelijk aan de leerplandoelstellingen van het zesde jaar en is hij alzo in staat om zijn opleiding af te ronden. Door het C-attest zou hij het leerjaar ten onrechte moeten overdoen terwijl hij wel degelijk beschikt over de nodige kennis en capaciteiten om af te IX-10.117-13/16 studeren. Een C-attest zou betekenen dat hij ten onrechte een (school)jaar verliest, hetgeen een disproportioneel, moeilijk te herstellen en ernstig nadeel impliceert voor verzoeker en geenszins redelijk is. IX-10.117-14/16 Beoordeling
  29. Er is sprake van een schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer een beslissing berust op op zich feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing.
  30. Verzoeker, die de schending van het redelijkheidsbeginsel hierin ziet dat de beslissing “ten onrechte” is, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting over het redelijkheidsbeginsel. Ter beoordeling van de redelijkheid of proportionaliteit moeten immer, zo lijkt, de motieven noodzakelijk geacht worden feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven te zijn, zo niet zou immers niet de aangevoerde onredelijkheid, maar wel het gebrek aan materiële draagkracht ter discussie moeten staan. Het middel lijkt te falen naar recht en is niet ernstig.
  31. Louter ten overvloede mag nog worden opgemerkt dat verzoeker – wellicht precies wegens zijn verkeerde rechtsopvatting – in de toelichting bij het middel nergens uitlegt waarom, naar zijn mening, het ondenkbaar is dat een redelijk handelend bestuur in dezelfde feitelijke omstandigheden ooit een dergelijke beslissing zou nemen. Zo bekeken, is het middel onontvankelijk en evenmin ernstig. D. Conclusie
  32. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX-10.117-15/16 BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van het GTI Mortsel van 13 september 2022, waarbij aan Soulaimane Hammoud een oriënteringsattest C wordt toegekend. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.117-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.594 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.446 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.