id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.601 Rolnummer: A. 237259/IX-10115 Zaak: Arrest 254601 - Examens (onderwijs) - 27/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-03 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:31 Fiche Arrest nr 254.601 van 27 september 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.601 van 27 september 2022 in de zaak A. 237.259/IX-10.115 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KITOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Forier en Frank Goossens kantoor houdend te 3700 Tongeren Bilzersteenweg 243 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Kitos van 31 augustus 2022, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op maandag 26 september 2022, om 11.00 uur. IX-10.115-1/6 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Frank Goossens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is in het schooljaar 2021-2022 leerling in het derde jaar van de derde graad Kinderzorg (BSO) bij de Ursulinen te Mechelen, onderwijsinstelling waarvan de verwerende partij het bevoegd gezag is. Verzoekster loopt tijdens het schooljaar stage in twee verschillende instellingen, te weten kinderdagverblijf De Zonnebloem en de buitenschoolse kinderopvang Zandjanneke. Op het einde van het schooljaar blijkt zij niet geslaagd te zijn voor de stage en evenmin voor de geïntegreerde proef (GIP). Zij heeft eveneens tekorten op twee van de vier “casusproefwerken” in juni. 3.
- De delibererende klassenraad kent verzoekster een C-attest toe. Na overleg met de directie wordt de klassenraad opnieuw samengeroepen, evenwel zonder gunstiger resultaat voor verzoekster. IX-10.115-2/6 Verzoekster is het met deze beslissing niet eens en zij stelt hiertegen beroep in bij het schoolbestuur. Op 31 augustus 2022 beslist de beroepscommissie met de thans bestreden beslissing om het C-attest te bevestigen. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoekster betoogt: “Geconfronteerd met de bestreden beslissing, ziet verzoekster zich genoodzaakt om het derde jaar van de derde graad over te doen. Verzoekster wil werken als kinderverzorgster, hetgeen enkel kan mits het behalen van het diploma Kinderzorg. Verzoekster meent echter dat zij geslaagd zou moeten worden verklaard zodat zij dit jaar niet opnieuw moet afleggen. Intussen is het schooljaar gestart en gevorderd en mist verzoekster belangrijke leerstof. Indien zij niet spoedig uitsluitsel krijgt over de wettigheid van de bestreden beslissing, wordt zij geconfronteerd met een moeilijk in te halen achterstand.”
- De verwerende partij werpt op: “
- Verzoekster stelt dat ze een belang heeft bij het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid omdat zij desgevallend het derde IX-10.115-3/6 jaar van de derde graad zal overdoen en dus spoedig uitsluitsel wil over de wettigheid van de bestreden beslissing van de beroepscommissie. Ze stelt dat ze aldus een gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten. Verzoekster heeft reeds een diploma Thuis- en Bejaardenzorg. Dit is een zesjarige opleiding met een zevende jaar specialisatie Thuis- en Bejaardenzorg. In het schooljaar 2021-2022 volgde ze een bijkomend zevende jaar specialisatie Kinderzorg.
- Op de zitting van de beroepscommissie dd. 31 augustus 2022 deelde verzoekster mee dat zij de dag nadien, op 1 september 2022, aan het werk zou gaan in een buitenschoolse kinderopvang. Ze heeft blijkbaar niet de intentie om desgevallend het zevende jaar specialisatie Kinderzorg over te doen. In dat geval kan ze een gewone schorsingsprocedure wel afwachten omdat ze zich niet in een situatie bevindt met zogenaamd onherroepelijke nadelige gevolgen. Haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is in dat geval niet ontvankelijk.”
- Op de terechtzitting preciseert verzoekster dat zij momenteel werkt met een studentencontract, zoals zij dat ook de vorige jaren deed. Als de huidige procedure voor haar slecht afloopt, dan zal zij haar studies hervatten – mogelijk in avondonderwijs. Zij wijst erop dat de bestreden beslissing dateert van eind augustus, maar dat de verwerende partij haar twee weken in het ongewisse heeft gelaten. Beoordeling
- Op een verzoekende partij rust een verplichting om, zolang de rechter niet heeft gesproken, zich te gedragen naar de administratieve beslissing die over haar is getroffen. Daarenboven moet een verzoekende partij die de Raad van State bij deze uitzonderingsprocedure ertoe wil brengen een schorsing te bevelen omwille van de ernstige benadeling die uitgaat van een onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan, zelf ook de nodige ijver aan de dag leggen om de schade te beperken. IX-10.115-4/6
- Dat verzoekster “belangrijke leerstof” mist en geconfronteerd wordt “met een moeilijk in te halen achterstand”, is het gevolg van verzoeksters eigen keuze om zich na de kennisneming van het C-attest niet dadelijk opnieuw in te schrijven in het specialisatiejaar Kinderzorg in afwachting van de uitkomst van de huidige procedure. Dat zij ondertussen werkt met een studentencontract maakt deze keuze des te minder begrijpelijk.
- Kortom, verzoekster schrijft dat zij zich genoodzaakt ziet om het derde jaar van de derde graad over te doen, maar dat doet zij niet, aangezien zij momenteel blijkbaar enkel werkt. Er is alvast geen “dreigend verlies van een schooljaar”, verzoekster ambieert immers niet voort te studeren in een vervolgopleiding. Een gunstige afloop van een gewone schorsingsvordering, maar ook van een annulatieberoep kan ertoe leiden dat zij alsnog het diploma van kinderverzorgster verwerft en zij legt niet uit hoe het wachten daarop haar in die mate grieft dat zij een beroep moet kunnen doen op de uiterst dringende noodzakelijkheid of hoe zij zich onderscheidt van álle verzoekende partijen wier lot het is te moeten wachten op de uitkomst van hun geding. Loopt haar beroep slecht af, dan moet zij het jaar alleszins overdoen, wil zij het diploma behalen; in dat geval heeft zij er belang bij dat zo vlug mogelijk te doen, maar de omstandigheid dat ondertussen het schooljaar is aangevangen en zij “belangrijke leerstof” mist, is toe te schrijven aan haar eigen keuze om zich niet opnieuw in te schrijven en te gaan werken, niet aan de bestreden beslissing. Als verzoekster écht het diploma wenst te behalen, dan moest zij in het kader van de schadebeperking in afwachting van het arrest het jaar herbeginnen; door dit niet te doen en te gaan werken geeft zij aan dat haar prioriteit elders ligt.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet genoegzaam aangetoond. IX-10.115-5/6
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.115-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.