, § 2, eerste lid, 2°, 3°, en 4°, GerW een gemotiveerd schriftelijk advies gevraagd aan: - de waarnemend voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent; - de vertegenwoordigers van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaten werkzaam zijn als magistraat; - de eerste voorzitter en de algemene vergadering van het hof van beroep te Gent. IX-9722-3/39 Op 15 december 2019 vraagt verzoekster aan de minister van Justitie dat alsnog advies zou worden gevraagd aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent, aangezien zich volgens haar de situatie voordoet dat de (waarnemend) korpschef zoals bedoeld in artikel
, § 2, eerste lid, 1° en 2°, GerW dezelfde persoon is en er aldus ook advies verleend moet worden door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege met toepassing van artikel
, § 2, tweede lid, GerW. Op 18 december 2019 wordt vervolgens ook nog om advies gevraagd aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent. 3.
, § 2, eerste lid, 1° Ger. W. IX-9722-6/39 zodat er dienvolgens overeenkomstig deze bepaling dan ook geen advies kon worden gevraagd. Artikel
, § 2, eerste lid, 1°, Ger.W. luidt als volgt: ‘De minister van Justitie vraagt binnen vijfendertig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad door middel van een standaardformulier vastgesteld door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de artikelen 287sexies een gemotiveerd schriftelijk advies, al naar gelang het geval aan: 1° de nog in functie zijnde uittredende korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden’. Artikel 19 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek […] bepaalde als volgt: ‘In artikel
, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 21 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in § 2, eerste lid, l°, worden de woorden ‘de uittredende korpschef’ vervangen door de woorden ‘de nog in functie zijnde uittredende korpschef’; […] In de memorie van toelichting bij voormelde wet staat het volgende te lezen: ‘Het lijkt vanzelfsprekend dat met ‘uittredende korpschef’, een korpschef wordt bedoeld die nog in die hoedanigheid actief is en die daarenboven de leeftijd voor inruststelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, nog niet bereikt heeft.’ [...] Artikel
, § 2, eerste lid, 1°, Ger.W. kan niet anders dan strikt te worden gelezen waardoor enkel een advies kan worden gevraagd wanneer er nog een in functie zijnde uittredende korpschef is. Dit is bv. het geval wanneer een korpschef niet om de verlenging van zijn mandaat heeft verzocht en hij nog in dienst is wanneer de aanwijzingsprocedure en dus ook de adviesprocedure reeds is opgestart. Wanneer in dat geval een kandidaat van binnen het korps zich kandidaat stelt voor het mandaat van korpschef dan zal ‘de nog in functie zijnde uittredende korpschef’ dezelfde zijn als ‘de korpschef van de kandidaat’, zodat het advies cf. artikel
, § 2, eerste lid, 1° en 2°, Ger.W. door één en dezelfde persoon dient te worden verstrekt. In dat specifieke geval gaat men vervolgens advies vragen aan deze persoon én aan de hiërarchisch hogere korpschef dit op grond van artikel
, § 2, tweede lid, Ger.W. […]. In andere gevallen, men denke bv. aan de niet-inwilliging door de Hoge Raad voor de Justitie van een verzoek tot verlenging van een mandaat van korpschef of indien de Raad van State een aanwijzing in een mandaat van korpschef vernietigt (zoals te dezen het geval is), is er geen sprake meer van een ‘nog in functie zijnde uittredende korpschef’, waardoor artikel
, § 2, eerste lid, 1°, Ger.W. niet speelt, er bijgevolg overeenkomstig die bepaling geen advies kan worden gevraagd en artikel IX-9722-7/39
, § 2, tweede lid, Ger.W. niet dient te worden toegepast ingeval de kandidaat-korpschef deel uitmaakt van het korps. De commissie is dan ook van oordeel dat de adviezen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent, anders dan zijn adviezen in verband met de benoeming in post-mandaat, zonder wettelijke basis en ten andere ingaand tegen de gangbare adviespraktijk door de minister van Justitie werden gevraagd en dat met deze adviezen geen rekening mag worden gehouden. Te dezen trouwens heeft de minister van Justitie ook buiten de wettelijk voorziene termijn van artikel
, § 2, eerste lid, Ger.W.[…], met name buiten de termijn van vijfendertig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad, de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent om advies verzocht cf. artikel
, § 2, eerste lid, 1°, Ger.W. De vacature werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 2019 en het advies werd gevraagd bij mail van 18 december 2019 en dus buiten de wettelijk voorziene termijn van 35 dagen. […] Tijdens het onderhoud met de commissie werd aan elk van de kandidaten de mogelijkheid geboden mondeling hun opmerkingen te maken betreffende kwestieuze adviezen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent. Kandidate Nuytinck stelt dienaangaande dat ze getwijfeld had schriftelijke opmerkingen in te dienen. De adviesaanvraag is volgens haar laattijdig en de termijnen vervat in artikel 259ter Ger.W. zijn dwingend waardoor met het advies geen rekening kan worden gehouden. […] Kandidate XXXX geeft aan, wat de laattijdigheid van de adviesaanvraag aan de eerste voorzitter van het hof van beroep betreft, dat er aanvankelijk geen advies door de minister van Justitie gevraagd was maar dat ze de minister er schriftelijk op heeft gewezen dat dit volgens haar wel moest gebeuren waarop de minister het advies dan alsnog (zij het buiten de termijn van vijfendertig dagen) gevraagd heeft en dat naar haar oordeel het advies vervolgens tijdig door de eerste voorzitter werd verstrekt. Ze voert aan dat de aanvraagtermijn voor de minister van Justitie geen vervaltermijn maar een termijn van orde is, dit in tegenstelling tot de termijn van dertig dagen voor de korpschef om het advies te verstreken waarop een expliciete sanctie staat in het Ger.W., namelijk dat bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn aan het advies wordt voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat. […] De commissie neemt kennis van zowel de schriftelijke als de mondelinge opmerkingen en is van oordeel dat de termijn voor adviesaanvraag, ofschoon aan de overschrijding ervan geen uitdrukkelijke sanctie is verbonden, geen loutere termijn van orde is. Het komt aan de minister van Justitie toe om de wettelijke termijnen voor de adviesaanvraag te respecteren, dit voor het goede en deugdelijke verloop van de aanwijzingsprocedure. IX-9722-8/39 Naar het oordeel van de commissie kan omwille van deze laattijdige adviesaanvraag door de minister met de adviezen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent geen rekening worden gehouden. Evenwel, nog los van de vraag naar de eventuele laattijdigheid van het advies, is het advies – zoals hoger uiteengezet – onwettig aangezien er te dezen, zo weze het herhaald, door het gebrek van een nog in functie zijnde uittredende korpschef geen wettelijke basis voorhanden was voor het vragen van een advies aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent. Met deze door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent in strijd met artikel
, § 2, eerste lid, 1°, Ger.W. afgeleverde adviezen wordt bijgevolg om hoger uiteengezette redenen geen rekening gehouden, al dient te worden benadrukt dat zelfs indien deze adviezen ten gronde bij de beoordeling zouden worden betrokken, zij niet van aard zijn om de genomen beslissing van de commissie in deze of gene wijze te beïnvloeden of te wijzigen. Immers de adviezen, – ofschoon ze door de wetgever uitdrukkelijk voorgeschreven gegevens van het aanwijzingsdossier zijn, die de benoemings- en aanwijzingscommissie bij haar taak om een voordracht te doen voorlichten en ondersteunen en dus geenszins vrijblijvend zijn –, zijn noch voor de benoemings- en aanwijzingscommissie noch voor de benoemende overheid bindend […]. Geheel ten overvloede kan op dit punt nog worden meegegeven dat geen van de kandidaten een ongunstig advies vanwege de eerste voorzitter van het hof van beroep ontving […]. Vervolgens komt het verzoek tot wraking van de voorzitter van de benoemings- en aanwijzingscommissie, zoals ingediend door kandidate XXXX, aan bod. […] Het verzoekschrift tot wraking is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. […].” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
, §§ 2 en 3, en 259ter, § 2, eerste tot derde lid, en § 4, GerW, van “de motiveringsverplichting opgelegd door [artikel] 151 § 5 van de Grondwet en door [artikel] 259ter § 4 [GerW]” en van “de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het fair playbeginsel en de plicht tot eerbiediging van de rechten van verdediging als beginselen van behoorlijk bestuur”: “doordat de BAC ten onrechte de adviezen van de eerste voorzitter van het hof van beroep over het mandaat als korpschef heeft geweerd uit de debatten, waarvoor zij niet bevoegd is, en doordat ook de minister van justitie geen rekening heeft gehouden met die adviezen, waardoor het bestreden besluit is genomen zonder rekening te houden met een wettelijk verplicht in te winnen advies, waardoor verzoekende partij manifest is benadeeld, aangezien zij als enige een ‘zeer gunstig’ advies verkreeg; en doordat verzoekster bovendien niet vooraf geïnformeerd werd over het feit dat er tijdens de hoorzitting van de BAC een debat zou worden gevoerd over het al dan niet weren van de adviezen van de eerste voorzitter, waarbij verzoekster bovendien geen kennis had van de stukken die andere kandidaten hierover aan het dossier hadden toegevoegd en van eventuele nota’s die voorafgaandelijk aan de leden van de BAC werden bezorgd.” Verzoekster licht dit standpunt toe als volgt. IX-9722-10/39 In strijd met artikel
GerW heeft de minister van Justitie aanvankelijk geen advies gevraagd aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent over het mandaat als korpschef. Op deze onwettigheid heeft verzoekster de minister op 15 december 2019 gewezen. Op 18 december 2019 is dan alsnog dat advies gevraagd. Verzoekster heeft een advies ‘zeer gunstig’ verkregen. Tijdens de hoorzitting van de BAC van 4 februari 2020 werd dan een debat gevoerd over het al dan niet weren van deze adviezen, zonder dat verzoekster hierover vooraf werd geïnformeerd en zonder dat zij kennis had van de stukken die de andere kandidaten hierover aan het dossier hadden toegevoegd, noch van nota’s die vooraf aan de leden van de BAC werden bezorgd. De beslissing van de BAC om deze adviezen te weren uit het debat en dus geen rekening te houden met een wettelijk verplicht advies is naar het oordeel van verzoekster onwettig. De BAC is niet bevoegd om adviezen uit de door de minister bezorgde aanwijzingsdossiers te weren. Artikel 259ter, § 4, eerste lid, GerW bepaalt dat het de minister van Justitie is die het aanwijzingsdossier samenstelt en bezorgt aan de BAC. De minister heeft beslist om dit advies wél te vragen. Indien er redenen bestaan om adviezen te weren, is het de bevoegdheid van de minister – en niet van de BAC – om zich daarover uit te spreken en moet dit uitdrukkelijk en schriftelijk ter kennis worden gebracht van de kandidaten. Naar het oordeel van verzoekster was er ook geen enkele geldige reden om dit advies uit het debat te weren. In casu was de (waarnemend) korpschef in de zin van artikel
, § 2, eerste lid, 1° en 2°, GerW immers dezelfde persoon, zodat er ook advies moest worden verleend door de korpschef van het onmiddellijk hoger rechtscollege, namelijk het hof van beroep te Gent. De BAC is er ten onrechte van uitgegaan dat de waarnemend korpschef met toepassing van artikel
, § 2, 1°, GerW niet kan worden beschouwd als de “nog in functie zijnde uittredende korpschef”: IX-9722-11/39 1. Er is geen enkele objectieve grond om het begrip ‘korpschef’ in artikel
, § 2, 1°, GerW anders te interpreteren dan in artikel
, § 2, 2°, GerW. De waarnemend korpschef “is de huidige, in functie doch binnenkort uittredende korpschef”. Indien dit niet het geval is, dan zou hij ook geen advies kunnen verlenen als korpschef van het college waar de kandidaten werkzaam zijn.
, § 2, eerste lid, GerW is te lezen dat de bedoelde adviezen moeten worden ingewonnen “al naar gelang het geval”, met andere woorden wanneer dit mogelijk is. Welnu, in de ondernemingsrechtbank Gent is er geen “nog in functie zijnde uittredende korpschef” in de zin van artikel
, § 2, eerste lid, 1°, GerW. Daarom werd dit advies op 5 december 2019 niet ingewonnen. In navolging van de door verzoekster aan de minister van Justitie gemaakte bemerkingen op 15 december 2019 wordt op 18 december 2019 veiligheidshalve toch advies gevraagd aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent. Op 17 januari 2020 worden deze adviezen verleend. De verwerende partij merkt op dat deze adviezen pas werden ingewonnen naar aanleiding van de verkeerde juridische argumentatie van verzoekster. De verwerende partij was van meet af aan van oordeel dat dit niet vereist was, doch heeft ze naar aanleiding van verzoeksters bemerkingen veiligheidshalve ingewonnen. Op grond van de elementen van het dossier heeft de BAC – en vervolgens ook het bestreden koninklijk besluit – uiteindelijk geoordeeld dat er geen rechtsgrond bestond voor deze adviezen zodat ze geweerd moesten worden. De BAC ging uitvoerig in op deze rechtsvraag. Dit alles getuigt IX-9722-14/39 naar het oordeel van de verwerende partij net van een zorgvuldige besluitvorming. Verzoekster gaat er verkeerdelijk van uit dat uit artikel
, § 2, tweede lid, GerW volgt dat wanneer de (waarnemend) korpschef van het rechtscollege waar het vacante mandaat betrekking op heeft in de zin van artikel
, § 2, eerste lid, 1°, GerW dezelfde is als de (waarnemend) korpschef van het rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is in de zin van artikel
, § 2, eerste lid, 2°, GerW, het advies van de korpschef van het onmiddellijk hoger rechtscollege gevraagd moet worden. Artikel
, § 2, tweede lid, GerW heeft namelijk betrekking op een situatie waarbij een bepaalde korpschef twee keer advies zou moeten verlenen: één keer in de hoedanigheid van korpschef van de vacante betrekking en één keer in de hoedanigheid van korpschef van het rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is. In casu gaat het echter niet om een dergelijk geval. Gezien het verschil in gebruikte terminologie tussen het 1° en het 2°, en het feit dat de verwijzing naar “de nog in functie zijnde uittredende korpschef” in het 1°, het gevolg is van een uitdrukkelijke wetswijziging – artikel 19 van de wet van 3 mei 2003 ‘tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek’ – moet artikel
, § 2, eerste lid, 1°, GerW strikt gelezen worden. Aldus kan enkel een advies worden gevraagd wanneer er nog een “in functie zijnde uittredende korpschef” is. Welnu, het aanwijzingsbesluit van PVI werd vernietigd door de Raad van State en dus is er geen sprake meer van een “nog in functie zijnde uittredende korpschef” en kan er evident ook geen sprake van zijn dat de “nog in functie zijnde uittredende korpschef” zich in de “onmogelijkheid” bevindt om advies te verstrekken. Evenmin kan sprake zijn van een “persoonlijk tegenstrijdig belang”. De BAC en de bestreden beslissing besluiten aldus terecht dat ook geen adviezen konden worden gevraagd aan de korpschef van het hof van beroep. IX-9722-15/39 Bij gebrek aan rechtsgrond hiertoe mochten de adviezen van de korpschef van het hoger rechtscollege niet worden ingewonnen, zo stelt de verwerende partij. Zij wijst erop dat er in de ene bepaling sprake is van “de nog in functie zijnde uittredende korpschef” en in de andere bepaling van “de korpschef”. Het gaat om andere begrippen met een andere draagwijdte. De waarnemend korpschef oefent de taken van de korpschef tijdelijk uit op grond van artikel 319 GerW. en is dus de “korpschef” in de zin van artikel
, § 2, eerste lid, 2°, GerW. De waarnemend korpschef is evenwel om voormelde reden geen “nog in functie zijnde uittredende korpschef” in de zin van het 1°. Ook uit de memorie van toelichting bij artikel 19 van de wet van 3 mei 2003 blijkt dat het begrip ‘nog in functie zijnde, uittredende korpschef’ restrictief geïnterpreteerd moet worden. Hieronder valt niet de hypothese van een vernietiging door de Raad van State. Evenmin wijst verzoekster dienstig naar de voorbereidende werken in de Kamer 1997-98, nr. 1677/1, 72. Hieruit blijkt niet dat indien er geen “uittredende korpschef” is – zoals in casu – het advies van de korpschef van het hof van beroep ingewonnen moet worden. Voor zover verzoekster stelt dat het tot de bevoegdheid van de Koning behoort, en niet van de BAC, om adviezen te weren, gaat zij er naar het oordeel van de verwerende partij aan voorbij dat de BAC gehouden is om de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek toe te passen. Wanneer de BAC vaststelt dat er zich in het aanwijzingsdossier een advies bevindt dat strijdig is met artikel
, § 2, eerste lid, en derde lid, c), GerW en zich dus niet in het dossier mag bevinden, moet de BAC die adviezen evident weren. Oordelen dat de BAC onwettige adviezen niet zou mogen weren, zou overigens absurd zijn. Het zou betekenen dat de BAC de onwettige adviezen in haar oordeel zou moeten betrekken en aldus verplicht wordt om een voordracht te doen die zelf onwettig is niettegenstaande de BAC weet dat die adviezen onwettig zijn. Artikel 259ter, § 2, eerste tot derde lid, GerW belet ook niet dat de BAC onwettige adviezen weert uit IX-9722-16/39 haar voordracht. Uit deze bepalingen volgt louter dat de adviezen overgezonden worden naar de minister van Justitie en de betrokken kandidaat, wat de gevolgen zijn van het niet-uitbrengen van het advies en dat de kandidaten binnen vijftien dagen hun opmerkingen kunnen formuleren. Voor zover verzoekster aanvoert dat het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent onterecht werd geweerd omdat de adviesaanvraag van de minister laattijdig is, wijst de verwerende partij erop dat dit advies geweerd werd omdat het zonder wettelijke basis is. Dit vormt een afdoende en decisief motief. Verzoekster heeft dan ook geen belang bij dit argument, omdat het geen afbreuk doet aan het feit dat de adviezen terecht werden geweerd bij gebrek aan rechtsgrond en het verzoekster aldus geen voordeel kan opleveren. 6. De tussenkomende partij sluit zich in eerste instantie aan bij de memorie van antwoord, ook wat de onontvankelijkheid van het middel betreft. Voor zover verzoekster in haar memorie van wederantwoord aangeeft dat de BAC niet de intentie had objectief te zijn, stelt de tussenkomende partij dat de BAC niet zonder meer voorbijgegaan is aan het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent. De inhoud van dit ene advies is niet van aard dat het de andere motieven en overwegingen van de BAC in de weg staat. Zij merkt nog op dat het de minister van Justitie zelf is die in zijn memorie van antwoord bevestigt dat dit advies “veiligheidshalve” en “volledigheidshalve” werd ingewonnen. Het is niet aan verzoekster om de intenties van de minister beter te kennen of te verwoorden dan de minister zelf. Ook wijst zij erop dat de aanwijzing van PVI als voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent bij koninklijk besluit van 22 december 2016 eveneens plaatsvond op advies van – enkel – de korpschef van het korps waar de IX-9722-17/39 kandidaat werkzaam was en een vertegenwoordiger van de balie. Immers, ingevolge de vernietiging van de eerste aanwijzing van PVI bij arrest nr. é.077 van de Raad van State van 30 november 2015, was in het kader van de aanwijzingsprocedure die aanleiding gaf tot het bij arrest van de Raad van State nr. 245.565 van 30 september 2019 vernietigde koninklijk besluit van 22 december 2016, inderdaad evenmin een “nog in functie zijnde uittredende korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden” voorhanden en werd derhalve evenmin advies gevraagd met toepassing van artikel
, § 2, eerste lid, 1°, GerW, noch een advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent met toepassing van artikel
, § 2, tweede lid, GerW. De tekst van artikel
, § 2, tweede lid, GerW is duidelijk en de parlementaire bespreking spreekt de letterlijke betekenis van dit artikel niet tegen. In de memorie van toelichting wordt het geval bedoeld waarbij een korpschef niet om de verlenging van zijn mandaat heeft verzocht en hij nog in dienst is wanneer de aanwijzingsprocedure voor de aanwijzing van een opvolger en dus ook de adviesprocedure reeds is opgestart. Wanneer in dat geval een kandidaat van binnen het korps zich kandidaat stelt voor het mandaat van korpschef dan zal ‘de nog in functie zijnde uittredende korpschef’ dezelfde persoon zijn als ‘de korpschef van de kandidaat’ zodat dan het advies bedoeld in 1° en 2° van artikel
, § 2, eerste lid, door één en dezelfde persoon zou moeten worden verstrekt: “Ten onrechte meent Verzoekende partij dat bij het ontbreken van een ‘nog in functie zijnde uittredende korpschef bij het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden’ de adviesregel van art.
W. zou dienen toegepast te worden indien zou blijken dat de waarnemend korpschef van het rechtscollege waar de aanwijzing dient te geschieden, dezelfde persoon is als ‘de korpschef van het rechtscollege waarbij de kandidaat werkzaam is’ ex art.
W.: De adviesregel van art.
, §2, tweede lid, is slechts van toepassing wanneer er door de toepassing van de bepalingen van art.
, §2, eerste lid, 1° en 2° tweemaal aan dezelfde ‘persoon’ advies zou moeten gevraagd worden, hetgeen terzake niet het geval is vermits er bij gebrek aan in casu een ‘nog in dienst zijnde uittredende korpschef’, IX-9722-18/39 materialiter geen toepassing kan gemaakt worden van de adviesaanvraag voorzien in art.
, §2, eerste lid, 1°. Een waarnemend korpschef is inderdaad geen ‘in functie zijnde uittredende korpschef” zoals bedoeld in de regels van de rechterlijke organisatie sinds de wijziging van het artikel
, §2, eerste lid, 1° ingevoerd bij wet van 3 mei 2003: De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, Deel II, Boek I ‘Organen van de rechterlijke macht’, waaronder de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk Vter ‘Benoemings- en aanwijzingsprocedure’ met inbegrip van art.
ressorteren, zijn van openbare orde […] en moeten dus strikt geïnterpreteerd worden. Een waarnemend korpschef kan niet zonder meer gelijk gesteld worden met een ‘nog in functie zijnde uittredende korpschef’: een ‘nog in functie zijnde uittredende korpschef’ is een magistraat die bij K.B. ingevolge het doorlopen van de procedure tot aanwijzing ex art.
W. is aangewezen tot het mandaat van korpschef voor een duurtijd van vijf jaren. Een waarnemend korpschef is daarentegen degene die tot taak heeft een korpschef te vervangen met toepassing van artikel 319 Ger. W. maar die daardoor geenszins ooit de hoedanigheid van ‘nog in functie zijnde uittredend korpschef’ kan hebben, nu hij nooit werd aangewezen tot het mandaat van korpschef na het doorlopen van de daartoe noodzakelijke procedure. Wanneer er – om welke reden dan ook – op het ogenblik van de adviesaanvraag geen ‘nog in functie zijnde uittredende korpschef’ is, is de in art.
geviseerde adviesverlener onbestaande, en kan die bij evidentie ook niet vervangen worden door een waarnemend voorzitter die niet beantwoord[t] aan de beide duidelijke voorwaarden van artikel
W. zodat het daarin bedoelde advies niet kan/moet gevraagd worden. Ook de logische samenhang met de overige inhoud van art.
is duidelijk.” De wetgever heeft met de vervanging van de term ‘uittredende korpschef’ door ‘de nog in functie zijnde uittredende korpschef’ doelbewust gekozen voor de nieuwe term/een nieuw begrip. De twee voorwaarden die in de nieuwe terminologie ‘de nog in functie zijnde uittredende korpschef’ zijn opgenomen, moeten derhalve met toepassing van artikel
, § 2 , eerste lid, 1°, GerW in hoofde van de bedoelde magistraat vervuld zijn, namelijk hij moet uittredend korpschef zijn én op het ogenblik van de adviesaanvraag nog professioneel actief. Door expliciet belang te hechten aan de aanwezigheid op het ogenblik van de adviesaanvraag van een uittredende korpschef, die nog professioneel actief is als korpschef, heeft de wetgever de adviesverlener ex 1° IX-9722-19/39 een specifieke identiteit gegeven die verschilt van de identiteit van een waarnemend voorzitter met toepassing van artikel 319 GerW. Vermits er op 5 december 2019 geen “in functie zijnde uittredende korpschef” bij de ondernemingsrechtbank Gent voorhanden was, was er ook geen rechtsgrond aanwezig die de minister van Justitie zou hebben verplicht om met toepassing van artikel
, § 2, tweede lid, GerW, een advies te vragen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent in hoedanigheid van korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege. 7. De verwerende partij volhardt in haar laatste memorie in haar exceptie van onontvankelijkheid zoals opgeworpen in de memorie van antwoord. Zelfs wanneer zou komen vast te staan dat de adviezen van de eerste voorzitter van het hof van beroep onterecht geweerd werden en rekening gehouden moet worden met deze adviezen, blijft de vaststelling overeind dat dit geen invloed heeft gehad op de aanwijzing van de tussenkomende partij als korpschef van de ondernemingsrechtbank. Zij herhaalt voorts dat uit artikel
, § 2, GerW noch uit enige andere bepaling volgt dat in casu het advies van de korpschef van het hoger rechtscollege ingewonnen moest worden ter vervanging van het ontbreken van het advies van de “nog in functie zijnde uittredende korpschef”. Door de adviezen van de voorzitter van het hof van beroep te Gent omtrent de aanwijzing van de kandidaten als korpschef bij de ondernemingsrechtbank te Gent niet (in hoofdorde) te betrekken, heeft de BAC in de gemotiveerde voordracht van 4 maart 2020 aldus niets meer gedaan dan toepassing gemaakt van artikel
, § 2, eerste lid, en artikel
, § 2, derde lid, c), GerW. 8. De tussenkomende partij herneemt in haar laatste memorie eveneens haar argumenten zoals opgenomen in de memorie van tussenkomst met betrekking tot de onontvankelijkheid en – in ondergeschikte orde – de ongegrondheid van het eerste middel. IX-9722-20/39 Gelet op het feit dat de BAC “in de meest expliciete overwegingen” in hoofdorde aangenomen heeft dat de adviezen van de eerste voorzitter geen wettelijke basis hebben, zodat hiermee geen rekening kon of moest worden gehouden, was het volgens de tussenkomende partij niet nuttig noch nodig dat de BAC haar in de meest ondergeschikte orde geformuleerde overweging, dat de adviezen evenmin ten gronde van aard waren om haar beslissing tot voordracht van de tussenkomende partij in deze of gene zin te beïnvloeden of te wijzigen, alsnog verder zou uitwerken en motiveren. Dat dit slechts in de meest ondergeschikte orde is overwogen, doet er voorts geen afbreuk aan dat er geenszins compleet werd voorbijgegaan aan die adviezen en dat de BAC en vervolgens de aanwijzende overheid hebben aangegeven dat bij het betrekken van deze adviezen ten gronde dit hun beoordeling niet beïnvloedt of wijzigt. Een nietigverklaring van het bestreden besluit op basis van het eerste middel zal niet kunnen leiden tot een nieuwe kans voor verzoekster om zelf aangewezen te worden. Ten gronde herhaalt de tussenkomende partij dat de in artikel
W bedoelde adviesverleners (“de nog in functie zijnde uittredende korpschef” versus “de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is”) ingevolge de uitdrukkelijke wil van de wetgever, andere personen betreffen en niet zonder meer vertaald kunnen worden als “de korpschef” van het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden enerzijds dan wel van het rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is anderzijds. Een waarnemend korpschef ex artikel 319 GerW kan onmogelijk geïdentificeerd worden met een “nog in functie zijnde uittredende korpschef”, omdat een waarnemend korpschef slechts een vervangende en tijdelijke rol heeft en in dat opzicht bezwaarlijk gezien kan worden als “nog in functie zijnde” en “uittredend”. De zienswijze van verzoekster gaat “tegen de tekst van de wet en tegen alle logica in”. IX-9722-21/39 Beoordeling
, § 2, tweede lid, GerW, zou betekenen dat als de in 1° en 2° bedoelde korpschef dezelfde persoon is, deze helemaal geen advies mag verlenen, maar dat “het advies” verstrekt wordt door de korpschef van het hogere rechtscollege. Terecht pleit zelfs de tussenkomende partij niet voor deze lezing. IX-9722-22/39 De Raad van State valt verzoekster bij dat de ratio legis van artikel
GerW is, dat er altijd twee adviezen verleend moeten worden, namelijk één advies van de korpschef waar de magistraat werkzaam is en één advies van de korpschef waar de plaats vacant is. Daarnaast zijn er het advies van de balie en het advies over het “post-mandaat”. De verplichting om twee adviezen in te winnen blijkt in de eerste plaats al uit die regel zelf, neergeschreven in de punten 1° en 2° van artikel
, § 2, eerste lid, GerW. Die ratio legis blijkt vervolgens uit het tweede lid van dezelfde paragraaf, waarin de wetgever rekening houdt met de gevallen waarin het resultaat van de toepassing van de punten 1° en 2° niet zou leiden tot twee adviezen: dat is zo als de adviesverlener éénzelfde persoon is – omdat de kandidaat voor de vacante functie in het rechtscollege zelf werkzaam is – maar óók als de ene of de andere korpschef “om enige reden” in de onmogelijkheid is om advies te verstrekken en nog, als in zijnen hoofde een persoonlijk tegenstrijdig belang bestaat. In al die gevallen blijven twee adviezen vereist, maar wordt hiervoor een andere persoon of een ander orgaan ingeschakeld. Voor benoemingen bevat artikel 259ter, § 1, derde lid, GerW een vergelijkbare regeling. Overigens laat ook artikel 259ter, § 1, vijfde lid, GerW begrijpen dat de wetgever in elk geval een advies wenst: zo al niet van de effectieve titularis, dan van diens vervanger ex artikel 319 GerW en als die evenmin beschikbaar is, van de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege. Kortom, zoals wordt gepreciseerd in de parlementaire stukken, is één advies volgens de wetgever “niet voldoende” (Parl.St. Kamer 1997-98, nr. 1677/1, 72-73): “Aldus worden eveneens een aantal gemotiveerde adviezen ingewonnen ten einde zich een beeld te kunnen vormen over de bekwaamheid en de IX-9722-23/39 mogelijkheden van de kandidaten. In die optiek ligt het voor de hand dat men zich daarvoor richt tot de korpschef van het rechtscollege waar de magistraat werkzaam is […]. Ook de korpschef in wiens opvolging wordt voorzien, wordt gevraagd de kandidaten in te schatten. Indien de kandidaat voor het mandaat van korpschef deel uitmaakt van het rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden, is de uittredende korpschef tevens de functionele korpschef. In dat geval zou er over die kandidaat maar één advies uitgebracht worden, wat niet voldoende is. Vandaar dat in dit geval een correctie wordt voorzien door te bepalen dat in die situatie ook de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of het openbaar ministerie bij dit rechtscollege advies uitbrengt.” Steeds, samengevat, worden twee adviezen verleend en in voorkomend geval verleent hetzij de vervanger van de titularis, hetzij “de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of het openbaar ministerie bij dit rechtscollege” advies.
, § 2, eerste lid, GerW moet de minister de bedoelde adviezen inwinnen binnen vijfendertig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Staatsblad. Gewis heeft de minister die termijn niet gerespecteerd: de bekendmaking dateert van 31 oktober 2019 en zijn adviesaanvraag dateert van 18 december
, §§ 2 en 3, en 259ter, § 5, GerW, van “de motiveringsverplichting opgelegd door [artikel] 151 § 5 van de Grondwet en door [artikel] 259ter § 4 [GerW]” en van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur: “doordat de BAC de beoordeling van de kandidaten onder meer heeft gebaseerd op de resultaten van een assessment, wat in strijd is met art.
Ger.W. dat de stukken opsomt waaruit het aanwijzingsdossier uitsluitend mag bestaan en wat bovendien ook niet werd aangekondigd bij de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad; en doordat de assessments niet zijn overgemaakt aan de minister, waardoor de bestreden beslissing is genomen op basis van een onvolledig dossier, zonder kennis van alle stukken waarop de voordracht door de BAC is gebaseerd; en dat bovendien de leden van de BAC zelf niet eens alle relevante stukken ter beschikking hebben gekregen, aangezien blijkbaar bij het advies van de eerste voorzitter over het post-mandaat het proces-verbaal van de algemene vergadering werd weggelaten.” Uit het in artikel
, § 2, GerW opgenomen woord ‘uitsluitend’ leidt verzoekster af dat limitatief bepaald wordt welke stukken deel mogen uitmaken van het aanwijzingsdossier. Nochtans steunt de BAC de beoordeling van de kandidaten onder meer op de resultaten van een assessment, wat niet tot het aanwijzingsdossier behoort. De organisatie van psychotechnische proeven en een assessment werd bovendien niet aangekondigd bij de IX-9722-27/39 bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Dit klemt des te meer omdat de BAC voor de voordracht van de tussenkomende partij niet steunt op een vergelijking van de verleende adviezen – die gunstiger waren voor verzoekster – doch wel op de indrukken op de hoorzitting en in het assessmentrapport. En zelfs al zou de BAC mogen steunen op de resultaten van de assessments, dan zijn deze niet bezorgd aan de minister van Justitie, zo laat verzoekster nog gelden. De bestreden beslissing is aldus genomen op basis van een onvolledig dossier. Zonder kennis van de assessments kan de minister de voordracht niet beoordelen en kan hij niet nagaan of de BAC haar bevoegdheid correct heeft uitgeoefend – wat kan resulteren in een weigering van de voordracht. Ten slotte hebben ook de leden van de BAC zelf niet eens alle relevante stukken ter beschikking gekregen. Het proces-verbaal van de algemene vergadering bij het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent over het post-mandaat werd immers weggelaten. Aangezien de leden van de BAC over de kandidaturen hebben geoordeeld zonder kennis van alle relevante stukken, is de voordracht naar het oordeel van verzoekster niet regelmatig tot stand gekomen. 19.1. Verzoekster betoogt in de memorie van wederantwoord dat het niet de bedoeling van de wetgever was om bij elke benoemingsprocedure van een korpschef de BAC een beroep te laten doen op psychologen om de persoonlijkheid van de kandidaten te evalueren. De vermelding “uitsluitend” en “onverminderd de toepassing van artikel 259bis-6, § 4, [Ger W]” in artikel
, § 2, laatste lid, GerW impliceert dat enkel de informatie waarover een andere commissie van de Hoge Raad voor de Justitie beschikt, toegevoegd kan worden. Volgens verzoekster volstaan de diverse ingewonnen adviezen en de evaluatie van de kandidaten om de persoonlijkheid van de kandidaten correct in te schatten. Daarenboven zijn alle in de wet opgesomde stukken van het aanwijzingsdossier van een kandidaat tegensprekelijk, wat niet het geval is voor IX-9722-28/39 de assessmentrapporten. De assessmentrapporten worden ook niet aan andere kandidaten bezorgd. Verzoekster beklemtoont voorts dat de Koning geen kennis had van de assessmentrapporten en ze dan ook onmogelijk kon bijvallen. De Koning kan aldus onmogelijk nagaan of de BAC haar bevoegdheid correct heeft uitgeoefend – inzonderheid of zij alle relevante gegevens in de vergelijking van de kandidaten heeft betrokken en ze op een redelijke wijze heeft beoordeeld. In de motivering van de BAC wordt expliciet geciteerd uit het assessmentrapport van verzoekster. De Koning heeft evenwel geen kennis van de negatieve punten die worden opgeworpen in het assessment van de tussenkomende partij. 19.
, § 2, in fine, GerW “uitsluitend” mag bestaan. Deze bepaling van het Gerechtelijk Wetboek betreft evenwel het aanwijzingsdossier, zoals het door de minister van Justitie wordt samengesteld en aan de BAC wordt bezorgd. De assessments gaan evenwel uit van de BAC nadat zij de aanwijzingsdossiers heeft ontvangen. Als aan die assessments al enige onregelmatigheid kleeft, kan dat niet gelegen zijn aan artikel
, § 2, GerW. Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het naar recht. 22. Louter ten overvloede mag nog worden opgemerkt dat een assessment een meetinstrument is. Luidens artikel 151, § 5, van de Grondwet moet de BAC een voordracht doen na “afweging van bekwaamheid en geschiktheid”. Die voordracht geschiedt luidens artikel 259ter, § 4, tiende lid, GerW “op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat” en luidens artikel
, § 3, tweede lid, 1°, GerW “tevens op basis van het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13”. Laatstvermeld artikel geeft aan dat de wetgever heeft gewild dat de standaardprofielen – die beoordelingscriteria bevatten – worden aangenomen door de Hoge Raad voor de Justitie zelf – en niet door de wetgever, zoals verzoekster in haar laatste memorie beweert. Binnen dat kader beschikt de BAC over een ruime discretionaire bevoegdheid inzake de beoordeling van de kandidaten. IX-9722-31/39 Noch de voormelde grondwetsbepaling, noch een bepaling uit het Gerechtelijk Wetboek, noch het zorgvuldigheidsbeginsel vormt een obstakel voor de BAC om de uitvoering van haar opdracht mede te steunen op een assessment dat als analysetool een hulpmiddel is om de meest bekwame en meest geschikte kandidaat voor de functie te detecteren. Verzoekster overtuigt geenszins dat het doorlopen van een assessment op zich een onwettig onderdeel is van een aanwijzingsprocedure. Het ligt dan op de weg van verzoekster om aan te tonen dat wat in de huidige procedure met interview, persoonlijkheidsvragenlijst of rollenspel gemeten is – of hoe het concreet gemeten is – geen verband vertoont met de criteria van het standaardprofiel van deze functie van korpschef, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 november 2015, of niet dienstig is om de “bekwaamheid en geschiktheid” na te gaan. Dat bewijs levert verzoekster niet.
, § 2, in fine. Die bepaling vermeldt wel “de schriftelijke adviezen bedoeld in het eerste lid en in voorkomend geval de opmerkingen van de kandidaat, alsmede de stukken waaruit de ontvangst van deze adviezen door de kandidaat blijkt”, maar niet het proces-verbaal van de stemming in de algemene vergadering. Het advies vermeldt voorts dat het is goedgekeurd door de meerderheid van de aanwezige magistraten op de algemene vergadering. Verzoekster voert geen bepaling aan die ertoe verplicht de precieze stemuitslag te vermelden. Als verzoekster voorts in haar memorie van wederantwoord poogt verklaringen te geven voor de stemuitslag, dan valt daarover alleszins niets te lezen in – en dus te leren uit – voormeld proces- verbaal, dat enkel verslag doet van het verloop van de stemverrichting zonder enige inhoudelijke beoordeling van de kandidaten te bevatten. IX-9722-33/39 Overigens moet worden bedacht dat het advies over het post- mandaat op zich niet relevant is in het kader van een aanwijzing in het mandaat van voorzitter van een ondernemingsrechtbank, aangezien het de leden van de BAC enkel toevalt om de geschiktheid en bekwaamheid van de kandidaat voor dat specifieke mandaat – en dus niet zozeer voor het post-mandaat – te beoordelen.
GerW en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “doordat de BAC de zeer gunstige adviezen van verzoekster onvoldoende concreet weerlegt en geen afdoende motivering geeft voor het voordragen van een kandidaat die geen enkel zeer gunstig advies kreeg boven een kandidaat met allemaal zeer gunstige adviezen, en doordat de BAC de adviezen naast zich IX-9722-35/39 neerlegt louter omwille van een beweerd gebrek aan objectiviteit zonder dit concreet te onderbouwen”. In het vijfde middel voert verzoekster andermaal de schending aan van artikel 151, § 5, van de Grondwet, van de artikelen 259ter en
GerW en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “doordat de BAC niet is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, waarbij zij de grenzen van de redelijkheid is te buiten gegaan, aangezien het PV van voordracht tal van feitelijke onjuistheden bevat, die zo veelvuldig zijn dat ze de motivering van de bestreden beslissing aantasten, aantonen dat de beslissing niet zorgvuldig tot stand is gekomen en bevestigen dat de BAC de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden”.
van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 […], van het algemeen rechtsbeginsel van de IX-9722-36/39 onpartijdigheid van de rechter, zoals ook verankerd in de artikelen 32 en 34 van het Huishoudelijk Reglement van de Hoge Raad voor de Justitie […], van de artikelen 828 tot en met 842 van het Gerechtelijk Wetboek, van het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel en beginsel van behoorlijk bestuur en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”, “doordat de BAC ten onrechte niet heeft beslist tot wraking van de voorzitter van de BAC, terwijl die nochtans niet onpartijdig kon oordelen, en doordat de BAC het wrakingsverzoek evenmin correct of zorgvuldig heeft behandeld, onder meer omdat de voorzitter alleen bij de behandeling van het schriftelijk wrakingsverzoek de zaal heeft verlaten en dus aanwezig was tijdens de behandeling van het eerst mondeling geuite wrakingsverzoek”.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.