← België

Arrest 254642 - Tucht (openbaar ambt) - 30/09/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.642 Rolnummer: A. 236166/XIV-39007 Zaak: Arrest 254642 - Tucht (openbaar ambt) - 30/09/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-06 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:32 Fiche Arrest nr 254.642 van 30 september 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 254.642 van 30 september 2022 in de zaak A. 236.166/XIV-39.007 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te 2390 Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 15 april 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en Informatie van de Federale politie van 14 februari 2022, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-39.007-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Iris Exelmans, die verzoeker bijstaat, en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
  6. Met een brief van 8 september 2020 meldt de afdelingsprocureur van het parket van de procureur des Konings van Limburg, afdeling Hasselt, aan hoofdcommissaris van politie C.P., die directeur van de directie van de Bescherming (hierna: de directeur DAP) is, dat lastens verzoeker een proces-verbaal “code 43” werd opgesteld. In die brief verduidelijkt hij kort de feiten (hierna: de brief van 8 september 2020). 3.
  7. Met een nota van 3 november 2020 stelt de directeur DAP, met verwijzing naar artikel 120, derde lid, van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: de wet van 7 december 1998), zijn wettelijke verhindering vast om zijn tuchtrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen ten opzichte van de personeelsleden van de Nederlandse taalrol. Met verwijzing naar artikel 66bis van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de XIV-39.007-2/17 politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) wijst hij voor de uitoefening van alle tuchtbevoegdheden die aan de directeur DAP zijn toegekend in de zaak, de eerste commissaris P.D. aan. 3.
  8. Met een nota van 3 november 2020 beslist de eerste commissaris P.D. de hogere tuchtoverheid te adiëren. Als datum van kennisneming van de feiten is in die nota gesteld: “De feiten werden mij op 15/10/2020 ter kennis gebracht middels de brief van het parket van de procureur des Konings Limburg, afdeling Hasselt, bedoeld in referentie 1.
  9. Deze datum dient in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de uiterste datum van betekening van een eventueel inleidend verslag door de hogere tuchtoverheid.” 3.
  10. Met een brief van 24 november 2020 zendt de afdelingsprocureur van het parket van de procureur des Konings van Limburg, afdeling Hasselt, aan de directeur DAP “een voor eensluidend verklaard afschrift van het afgesloten dossier waarin pretoriaanse probatie (vorming) werd voorgesteld.” 3.
  11. Op 6 april 2021 stelt de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op met daarin een voorstel van zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege. Als datum van kennisneming van de feiten is 15 oktober 2020 vermeld. Het inleidend verslag wordt bij ter post aangetekende zendingen van 7 en 8 april 2021 aan verzoeker betekend. 3.
  12. Op 19 mei 2021 stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. XIV-39.007-3/17 Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  13. In zijn advies van 16 december 2021 adviseert de Tuchtraad in hoofdorde dat het gepast voorkomt af te zien van een straf gelet op het verval van de tuchtvordering. 3.
  14. Op 12 januari 2022 formuleert de hogere tuchtoverheid haar intentie om van het advies van de Tuchtraad af te wijken. Op 19 januari 2022 dient verzoeker een aanvullend schriftelijk verweer in. 3.
  15. De hogere tuchtoverheid beslist op 14 februari 2022 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing stelt dat de gewone tuchtoverheid op 3 november 2020 kennis heeft genomen van de feiten. 3.
  16. Verzoeker bevindt zich sinds 1 januari 2022 in de administratieve stand van non-activiteit omwille van verlof voorafgaand aan pensioen (NAVAP). IV. Schorsingsvoorwaarden
  17. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-39.007-4/17 V. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen
  18. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet. Verzoeker zet uiteen dat de procureur des Konings op 8 september 2020 een brief zond aan de tuchtoverheid, de directeur DAP en dat het vaststaat dat de tuchtoverheid deze brief enkele dagen later, minstens uiterlijk 11 september 2020 heeft ontvangen. Met de ontvangst van die brief kan worden besloten dat de tuchtoverheid op 11 september 2020 kennis had van de belangrijkste gegevens en vaststellingen en de omstandigheden. Verzoeker wijst erop dat uit de nota van 3 november 2020 waarmee de hogere tuchtoverheid wordt geadieerd, kan worden besloten dat de tuchtoverheid van mening is dat de feiten zo ernstig zijn dat een zware tuchtstraf moet worden opgelegd. Daaruit blijkt dat de tuchtoverheid aan de hand van de brief van 8 september 2020 voldoende kennis had van de feiten. Voorts wijst hij erop dat de tuchtoverheid geen toepassing maakte van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en dat de tuchtoverheid nooit heeft betwist dat zij over voldoende kennis beschikte aan de hand van de voormelde brief van 8 september
  19. Aangezien de tuchtoverheid nooit heeft betwist dat, zoals uit het advies van de Tuchtraad blijkt, aangenomen moet worden dat zij de brief van 8 september 2020 ontving op 11 september 2020, is de termijn beginnen lopen op 12 september
  20. Het inleidend verslag werd op 8 april 2021 ter kennis gebracht van verzoeker wat buiten de termijn van zes maanden is voorzien in artikel 56 van de tuchtwet. Derhalve is de betekening van het inleidend verslag op 9 april 2021 laattijdig.
  21. De verwerende partij antwoordt in haar nota dat conform artikel 19, 2° van de tuchtwet, verzoekers gewone tuchtoverheid in principe de directeur DAP is. Conform artikel 56 van de tuchtwet moet de betekening van het inleidend verslag gebeuren binnen de zes maanden na de kennisneming of XIV-39.007-5/17 vaststelling van de feiten door een bevoegde overheid. Te dezen behoort de directeur DAP tot de Franse taalrol, hetgeen inhoudt dat die slechts in overeenstemming met de wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet) over verzoekers tuchtzaak kon beslissen indien het bewijs wordt voorgelegd dat hij zelfstandig de zaak in het Nederlands kon behandelen, wat betekent dat hij door een taalexamen het bewijs moet hebben geleverd van de daarvoor vereiste kennis van het Nederlands. Te dezen beschikt hoofdcommissaris van politie C.P – dit is de directeur DAP – niet over het daartoe vereiste Selor-attest, zijnde de enige wijze waarop die taalkennis kan worden aangetoond. Gelet op het ontbreken van het vereiste taalbrevet kon hoofdcommissaris van politie C.P. niet op een regelmatige wijze kennis nemen van het informatierapport, zoals is voorzien in artikel 56 van de tuchtwet. Hij kon met andere woorden deze bevoegdheid van de tuchtoverheid niet uitoefenen omdat hij hiertoe wettelijk verhinderd was. Artikel 66bis van de tuchtwet laat een delegatie toe van alle bij de tuchtwet toegewezen bevoegdheden door de persoon die de titularis vervangt bij, te dezen, diens verhindering. Op 3 november 2020 wordt eerste commissaris van politie P.D. door de directeur DAP aangewezen voor de uitoefening van alle tuchtbevoegdheden die aan de directeur DAP zijn toegekend. Het is op die datum dat eerste commissaris van politie P.D. kennis neemt van de brief van 8 september 2020 en dat de verjaringstermijn voorzien in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet een aanvang neemt. Bovendien wijst de verwerende partij erop dat er slechts sprake is van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Derhalve kan, zelfs al kon de directeur DAP kennis nemen van de brief van 8 september 2020, niet worden bewezen dat hoofdcommissaris van politie C.P., gelet op het gebrek aan bewijs van zijn taalkennis, de brief van 8 september 2020 op dezelfde wijze begreep als iemand die tot de Nederlandse taalrol behoort. Door het ontbreken van de vereiste taalkennis kan niet worden aangetoond dat hoofcommissaris van politie C.P. dan ook op dat ogenblik beschikte over XIV-39.007-6/17 voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens van de feiten opdat de termijn voorzien in artikel 56 van de tuchtwet een aanvang zou nemen. Verwijzend naar het arrest nr. 218.494 van 15 maart 2012 betoogt de verwerende partij ter zake dat het recht om te begrijpen en begrepen te worden bovendien impliceert dat de overheden die een beslissing nemen in het tuchtdossier van een personeelslid behoren tot dezelfde taalrol als dat personeelslid of minstens in de mogelijkheid verkeren om een objectief bewijs voor te leggen van hun kennis van het Frans of het Nederlands, die evenwaardig is aan de kennis van iemand die tot die taalrol behoort. Het vereiste van de taalkennis en het naleven van de bestuurstaalwetgeving is essentieel in elke stand van de procedure. Niet alleen wat het nemen van beslissingen betreft, maar ook wat betreft de kennisname van elk stuk in de tuchtprocedure of van elk stuk voorafgaand aan de tuchtprocedure, maar dat essentieel is voor die tuchtprocedure. Te dezen kan niet worden ontkend dat de brief van 8 september 2020 een essentieel stuk betreft van de tuchtprocedure. Tot slot wijst de verwerende partij naar de arresten nrs. 246.328, 246.329, 246.330 en 246.331 van 6 december 2019 waarin werd geoordeeld dat de kennisneming van het Franstalige informatieverslag betreffende een Nederlandstalig personeelslid de verjaringstermijn niet deed lopen. De in artikel 56 van de tuchtwet voorziene termijn van zes maanden nam in dat geval een aanvang op het ogenblik dat de tuchtoverheid kennis nam van de Nederlandstalige vertaling van het Franstalige informatieverslag. Volgens de verwerende partij geldt deze redenering naar analogie in het huidige dossier: gelet op het ontbreken van het vereiste taalbrevet, kon hoofdcommissaris van politie C.P. immers niet op een geldige wijze kennis nemen van de brief van 8 september
  22. Hoofdcommissaris van politie C.P, die op dat ogenblik wel aanwijzingen had van mogelijke tuchtfeiten, heeft deze brief overgemaakt aan eerste commissaris van politie P.D. die hij had aangewezen op grond van artikel 66bis van de tuchtwet en die wel over het vereiste taalbrevet beschikte en dus op een geldige wijze kennis kon nemen van de feiten. XIV-39.007-7/17 XIV-39.007-8/17 Beoordeling
  23. Verzoeker voert aan dat de in het eerste lid van artikel 56 van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn is miskend. Te dezen wordt niet betwist dat geen toepassing is gemaakt van de mogelijkheid voorzien in het tweede lid van artikel 56 van de tuchtwet, zodat enkel moet worden onderzocht of de tuchtvordering op grond van het eerste lid van die bepaling is verjaard.
  24. Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet luidt: “Art.
  25. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de bevoegde tuchtoverheid om binnen zes maanden de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Of die kennisneming of de vaststelling van de feiten gebeurt door de gewone dan wel de hogere tuchtoverheid, is te dezen niet van belang: beiden zijn bevoegde overheden in de zin van artikel 17 van de tuchtwet.
  26. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. XIV-39.007-9/17 Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelings- bevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
  27. Niet wordt betwist dat de brief van 8 september 2020 (zie supra, punt 3.2) gericht aan hoofdcommissaris van politie C.P, voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens bevat betreffende de wezenlijke elementen met betrekking tot de tuchtfeiten. Evenmin wordt het standpunt van de Tuchtraad betwist dat, vermits de datum van kennisneming door voornoemde niet is gekend, er mag van worden uitgegaan dat die de brief van 8 september 2020 op 11 september 2020 heeft ontvangen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat die kennisneming door de directeur DAP op 11 september 2020 de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn van zes maanden doet ingaan. Hieruit volgt dat het inleidend verslag, betekend op 9 april 2021 laattijdig is en de tuchtvordering derhalve op dat ogenblik verjaard is. De verwerende partij van haar kant betwist dit en plaatst zich in de bestreden beslissing op het standpunt dat de tuchtoverheid op 3 november 2020 kennisnam van die brief en dus van de tuchtfeiten, in welk geval de tuchtvordering derhalve niet verjaard is. XIV-39.007-10/17
  28. Ter adstructie van haar standpunt betwist de verwerende partij in hoofdorde dat, in essentie, hoofdcommissaris van politie C.P. een bevoegde overheid is in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet omdat, gelet op het feit dat die niet over de wettelijk vereiste kennis van het Nederlands beschikte en derhalve niet op een regelmatige wijze kennis kon nemen van de brief van 8 september 2020 zoals voorzien in artikel 56, eerste lid, van de tuchwet. Hij kon volgens de verwerende partij deze bevoegdheid van de tuchtoverheid “met andere woorden niet uitoefenen omdat hij hiertoe wettelijk verhinderd was.” Op het eerste gezicht overtuigt dit argument niet. Op grond van artikel 19, 2°, a) van de tuchtwet, is hoofdcommissaris van politie C.P., in zijn hoedanigheid van directeur DAP, de gewone tuchtoverheid van verzoeker. Hij is dus een bevoegde overheid in de zin van artikel 56 van de tuchtwet. Het betreft een door de tuchtwet toegewezen bevoegdheid. Anders dan hoe de verwerende partij het ziet, is de vaststelling dat hoofdcommissaris van politie C.P. geen blijk geeft van voldoende taalkennis in de zin van de bestuurstaalwetgeving, geen zaak van (on)bevoegdheid van de door de tuchtwet aangewezen overheid. Desgevallend belet deze vaststelling weliswaar dat die op wettige wijze zijn tuchtbevoegdheid kan uitoefenen ten aanzien van Nederlandstalige personeelsleden – in welk geval hij met toepassing van artikel 66bis van de tuchtwet voor de betrokken tuchtzaak die bevoegdheid kan delegeren om reden dat hij wettelijk is verhinderd – maar zulks maakt de hoofdcommissaris van politie C.P., als titularis van de door de tuchtwet toegewezen bevoegdheid als gewone tuchtoverheid, niet onbevoegd in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet, om kennis te nemen van de brief van 8 september
  29. Overigens blijkt prima facie uit het feit dat de gewone tuchtoverheid zijn bevoegdheid heeft moeten delegeren aan de persoon die hem vervangt alvorens eerste commissaris van politie P.D. tuchtrechtelijk kon optreden, dat hij ter zake als titularis de bevoegde overheid is, maar dat hij om XIV-39.007-11/17 taalredenen, die bevoegdheid niet wettig kon uitoefenen en dus hierdoor in de uitoefening ervan was verhinderd.
  30. Het ondergeschikte aangevoerde argument dat niet kan worden bewezen dat hoofdcommissaris van politie C.P. - gelet op het gebrek in zijn hoofde aan bewijs van de vereiste taalkennis van het Nederlands - de brief van 8 september 2020 op dezelfde wijze heeft begrepen als iemand die wel tot de Nederlandse taalrol behoort, leidt op het eerste gezicht evenmin tot een andere conclusie. De vraag die zich ter zake stelt is niet of hoofdcommissaris van politie C.P. de brief van 8 september 2020 wel heeft begrepen (zoals iemand die wel tot de Nederlandse taalrol behoort), maar wel of die brief een voldoende kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet inhoudt derwijze dat de tuchtoverheid bij die kennisneming met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Dat laatste wordt niet betwist en volstaat op het eerste gezicht nu hiervoor is gebleken dat betrokkene als titularis een bevoegde overheid is om kennis te nemen van feiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet. Evenmin kan prima facie te dien einde een beroep worden gedaan op de (analogische toepassing van de) leer die volgens de verwerende partij blijkt uit de door haar aangehaalde arresten nrs. 246.328, 246.329, 246.330 en 246.331 van 6 december
  31. Zij gaat op het eerste gezicht immers uit van een verkeerde lezing van de leer die volgens haar uit die arresten moet worden getrokken. Anders dan wat het geval was in de voornoemde arresten, betreft de brief van 8 september 2020 immers geen essentieel stuk dat (om taalredenen) niet wettig bij de besluitvorming zou mogen worden betrokken en dus, als niet- bewijskrachtig stuk, de verjaringstermijn niet kon doen ingaan. Integendeel blijkt uit wat voorafgaat dat de in Nederlandse taal gestelde brief van 8 september 2020 een essentieel stuk betreft waarvan de kennisneming de verjaringstermijn bepaald in artikel 56, eerste lid, doet ingaan. De vermeende “analogie” gaat derhalve op het eerste gezicht niet op. XIV-39.007-12/17
  32. Uit wat voorafgaat volgt dat prima facie verzoeker kan worden bijgevallen in zijn standpunt dat, te rekenen vanaf de datum van kennisneming van de brief van 8 september 2020 door hoofdcommissaris van politie C.P, de betekening van het inleidend verslag laattijdig is en de tuchtvordering derhalve op dat ogenblik reeds was verjaard. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
  33. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing een einde stelt aan zijn tewerkstelling met enorme financiële nadelen, alsook met psychische problemen tot gevolg, die moeilijk zullen kunnen worden hersteld door de toekomstige loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing. Hij licht toe dat hij niet meer kan gaan werken aangezien hij arbeidsongeschikt is ingevolge van knie-operaties. Hij heeft al zijn rechten opgebouwd in het kader van zijn werkzaamheden binnen de politie en door de bestreden beslissing vallen die allemaal weg. Hij kan geen ocmw-uitkering genieten want hij heeft nog de helft van de eigendom van een gemeenschappelijk appartement dat nog moet worden verkocht in het kader van de vereffening-verdeling na echtscheiding, hetgeen een beletsel vormt om ocmw-uitkeringen te genieten zodat hij enkel een beroep kan doen op noodhulp. Hij kan geen ziekte-uitkering genieten ingevolge zijn ontslag. Ook geniet hij geen werkloosheidsuitkeringen doordat hij ingevolge het ontslag is geschorst. Hij kan die nadien na enkele maanden genieten nadat hij minstens een periode vast werk heeft uitgevoerd, maar dat is onmogelijk ten gevolge van zijn fysieke gebreken. Voorts wijst hij erop dat bezwaarlijk kan worden betwist dat het volledig wegvallen van zijn wedde hem in een moeilijke situatie plaatst, zeker gelet op het feit dat hij alleenstaande is en reeds op het einde van zijn loopbaan is, waardoor zijn kansen op de arbeidsmarkt quasi onbestaande zijn. Bovendien moet ook in rekening worden gebracht het gegeven dat hij enorme XIV-39.007-13/17 psychische schade lijdt ten gevolge van de bestreden beslissing die eveneens moeilijk te herstellen is als ze langdurig optreedt.
  34. De verwerende partij betwist het spoedeisend karakter van de vordering. Zij voert aan dat verzoeker stelt dat er sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doch dat dit criterium niet onverkort van toepassing is op het thans geldende criterium van de spoedeisendheid. Zij erkent dat de bestreden beslissing een ernstig nadeel veroorzaakt, maar zij doet gelden dat het aan verzoeker toekomt om in concreto aan te tonen dat hij door de bestreden beslissing in een situatie dreigt te bevinden, c.q. zich bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen en dat hij dus de annulatieprocedure niet kan afwachten. De spoedeisendheid wordt niet vermoed. Wat te dezen de aangevoerde ingrijpende gevolgen betreft op materieel-financieel vlak doet de verwerende partij gelden dat verzoeker geen enkel bewijs voorlegt van zijn familiale situatie noch van zijn maandelijkse kosten en waaruit zou blijken dat in de persoonlijke financiële situatie waarin verzoeker zich bevindt, deze financiële schade onherroepelijk dreigt te worden indien moet worden gewacht op de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. Ook inzake de aangevoerde psychische schade preciseert verzoeker niet waaruit die “enorme” psychische schade dan wel in concreto bestaat. Beoordeling
  35. Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met XIV-39.007-14/17 onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
  36. De omstandigheid dat verzoeker, spijts de wetswijziging van meer dan acht jaar geleden, noch steeds in zijn geschriften ten onrechte de opgeheven terminologie en voorwaarden hanteert, belet niet dat de verwerende partij en de Raad van State zich in de mogelijkheid bevonden om de aangevoerde gegevens te toetsen aan de thans geldende eis van spoedeisendheid. De kritiek van de verwerende partij op dat punt is derhalve niet ter zake. De opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft voor verzoeker ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak wat op zich niet wordt ontkend door de verwerende partij. Het kan immers bezwaarlijk worden betwist dat het volledig wegvallen van verzoekers maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast en dat het volledig verlies aan wedde hem in een moeilijke financiële situatie zal plaatsen te meer dat niet wordt betwist dat hij, gelet op zijn leeftijd, eindeloopbaan en arbeidsongeschiktheid, niet vlot aan (vast) werk zal geraken. Evenmin wordt betwist dat hij zijn gehele levensstandaard heeft opgebouwd (zijn “rechten”) op zijn loopbaan als politieambtenaar. Verzoeker wijst er ook op dat hij alleenstaande is, aan het einde van zijn loopbaan is en dat hij geen ocmw- uitkering geniet doordat hij nog mede-eigenaar is van een onroerend goed dat in het raam van een lopende echtscheidingsprocedure zal worden vereffend en verdeeld. In het licht van dit alles is voldoende concreet aannemelijk gemaakt dat in het licht van verzoekers persoonlijke situatie zijn ontslag, met de ermee gepaard gaande wezenlijke daling van de levensstandaard tot aan de datum van de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, of indien die eraan voorafgaat, tot aan verzoekers pensioendatum, een ernstige precaire financieel- vermogensrechtelijke situatie doet ontstaan, die door het wegvallen van de uit het ontslagen ambt verkregen inkomsten, onherroepelijk dreigt te worden indien verzoeker zou dienen te wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. XIV-39.007-15/17
  37. Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie
  38. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten
  39. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
  40. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en Informatie van de Federale politie van 14 februari 2022, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
  41. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-39.007-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.007-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.642 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.258 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.