id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.666 Rolnummer: A. 237290/IX-10120 Zaak: Arrest 254666 - Examens (onderwijs) - 04/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-04 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:34 Fiche Arrest nr 254.666 van 4 oktober 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.666 van 4 oktober 2022 in de zaak A. 237.290/IX-10.120 In zake: Abdülkadir SUNAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Myriam Van den Abeele kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SCHOLENGROEP VAN HET KATHOLIEK ONDERWIJS IN GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Scholengroep van het Katholiek Onderwijs in Gent van 2 september 2022, waarbij het aan Abdülkadir Sunar toegekende oriënteringsattest B, met clausulering voor het technisch secundair onderwijs, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.120-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op donderdag 29 september 2022 om 10.30 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Myriam Van den Abeele, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Joost Van Damme, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 vanaf januari 2022 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad ‘marketing en ondernemen’ in het Sint-Lievenscollege Business te Gent, een onderwijsinstelling waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor aardrijkskunde, Engels, wiskunde en bedrijfseconomie 1 en
- De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest B toe met clausulering voor het technisch secundair onderwijs. Hij motiveert zijn beslissing op basis van: “- de resultaten op jaarbasis voor het vak/de vakken aardrijkskunde, bedrijfseconomie 1, bedrijfseconomie 2, Engels en wiskunde; IX-10.120-2/16 - de resultaten van de (partiële) proefwerken van aardrijkskunde, bedrijfseconomie 1, bedrijfseconomie 2, Engels, Frans en wiskunde; - de leerling heeft belangrijke doelstellingen van het leerplan niet in voldoende mate bereikt voor de vakken met een jaartekort; - de leerinhouden waarop verder gebouwd wordt, zijn niet verworven voor het vak bedrijfseconomie 1; - de adviezen van de begeleidende klassenraden.” 3.
- Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 24 augustus 2022 beslist de beroepscommissie om verzoeker aan bijkomende proeven te onderwerpen voor Engels en bedrijfseconomie 1 en
- Verzoeker behaalt op die bijkomende proeven de volgende scores: - Engels: 46,2% - bedrijfseconomie 1: 42,6% - bedrijfseconomie 2: 54,4% 3.
- Op 2 september 2022 bevestigt de beroepscommissie het oriënteringsattest B met clausulering voor het TSO. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de resultaten van [de] bijkomende proeven bedrijfseconomie 1 (66/155 of 42,6%), bedrijfseconomie 2 (92,5/170 of 54,4%) en Engels (67/145 of 46,2%); Gelet op het feit dat bedrijfseconomie 1 en bedrijfseconomie 2 als één opleidingsonderdeel dienen beschouwd te worden, het resultaat 48,5% is; oordeelt de beroepscommissie het volgende: 1 [Verzoeker] is niet geslaagd voor de bijkomende proeven; 2 de beroepscommissie beslist om het B-attest van de delibererende klassenraad van juni te bevestigen. Die beslissing was: - Geslaagd met voorbehoud - Studiebewijs: oriënteringsattest B - Clausulering: technisch secundair onderwijs IX-10.120-3/16 - Motivering: de delibererende klassenraad motiveert haar beslissing op basis van: de resultaten op jaarbasis voor het vak/de vakken aardrijkskunde, bedrijfseconomie 1, bedrijfseconomie 2, Engels en wiskunde; de resultaten van de (partiële) proefwerken van aardrijkskunde, bedrijfseconomie 1, bedrijfseconomie 2, Engels, Frans en wiskunde; de leerling heeft belangrijke doelstellingen van het leerplan niet in voldoende mate bereikt voor de vakken met een jaartekort; de leerinhouden waarop verder gebouwd wordt, zijn niet verworven voor het vak bedrijfseconomie 1; de adviezen van de begeleidende klassenraden. 3 de beroepscommissie beslist om het advies jaar overzitten aan te passen naar ‘gunstig’.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Terecht betwist de verwerende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering niet – zij stelt in haar nota zich “naar de wijsheid” van de Raad van State te gedragen. Het mag immers vaste rechtspraak van de Raad van State heten dat het dreigende verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden gekeerd. IX-10.120-4/16 Verzoeker heeft bovendien niet getalmd bij het instellen van zijn vordering. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is dan ook vervuld. VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
- In het enige middel voert verzoeker de schending aan van het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 5, § 5, en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’.
- In een eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat de beroepscommissie in de bestreden beslissing slechts de motieven van de delibererende klassenraad heeft hernomen en aangevuld met de “loutere feitelijke vaststelling dat [hij] niet slaagde voor de bijkomende proeven”. Dit kan volgens hem “onvoldoende” de beslissing schragen, “zeker gelet op de veelvuldige kritieken die [hij], middels zowel zijn intern beroep als de aanvullende zittingsnota, geformuleerd heeft tijdens de interne beroepsprocedure ten aanzien van de oorspronkelijke motieven van de delibererende klassenraad”. Verzoeker stelt ook dat het motief dat hij niet geslaagd zou zijn voor de bijkomende proeven “feitelijk incorrect” is. Volgens hem slaagde hij wel voor de proef voor bedrijfseconomie
- Het tekort van 1,5% dat hij – door bundeling van de cijfers voor bedrijfseconomie 1 en 2 – voor het ene vak bedrijfseconomie laat optekenen, is hoe dan ook “zeer beperkt”. De beroepscommissie motiveert niet waarom zo een beperkt tekort tot een oriënteringsattest B moet leiden en waarom remediëring in het begin van het volgende schooljaar of extra taken geen soelaas kunnen bieden. IX-10.120-5/16 Verzoeker wijst daarnaast op de “verschillende, zeer pertinente elementen […] die het afgelopen schooljaar hebben bemoeilijkt” en die hij voor de beroepscommissie heeft aangevoerd. Namelijk “een school- en onderwijsvorm- en richtingverandering, elementen die afwezig zullen zijn [in] het huidige schooljaar, waaruit de rechtmatige verwachting volgt dat [verzoeker] het huidige schooljaar in staat zal zijn meer studiesucces te boeken” en het feit “dat hij reeds meerderjarig is en het afleveren van een B-attest met clausulering voor TSO sowieso zal leiden tot een verlenging van zijn schoolloopbaan met nog twee schooljaren […] en dat zulks zijn schoolse motivatie en motivatie om na het secundair verder te gaan studeren niet ten goede zal komen”. Daarop verneemt verzoeker naar eigen zeggen geen antwoord in de bestreden beslissing. Verzoeker argumenteert ook dat het “niet [is] omdat een beroepscommissie bijkomende proeven oplegt en de leerling niet slaagt voor een deel van deze bijkomende proeven dat zij kan volstaan met een verwijzing naar de behaalde resultaten van die proeven te samen met een loutere herhaling van de motieven van de delibererende klassenraad, motieven die ruim werden bekritiseerd, om de beslissing tot handhaving van de oorspronkelijke beslissing van de delibererende klassenraad te schragen”. Hij stelt dat de commissie daardoor de indruk heeft gegeven “een blinde toepassing te maken van een regel waarbij het niet slagen in een uitgestelde proef ipso facto moet leiden tot een beslissing tot niet slagen, wat precies op gespannen voet staat met […] genoemd artikel 57 van het organisatiebesluit”. Verzoeker had er trouwens al op gewezen dat het enige motief dat volgens hem overeind kon blijven – “de overweging dat ‘de leerinhouden waarop verder gebouwd wordt, niet verworven zijn voor het vak bedrijfseconomie 1’” – “onvoldoende basis vormt om het […] B-attest, dat meteen de uitsluiting van een volledige onderwijsvorm betreft, te schragen”. Verzoeker doet in dat verband gelden dat hij de beroepscommissie een analyse heeft voorgelegd van de vakken waarvoor hij niet slaagde, dat hij – afgaande op zijn cijfers voor dagelijks werk – voor wiskunde, Engels en aardrijkskunde wel degelijk de leerplandoelstellingen in voldoende mate IX-10.120-6/16 heeft behaald, dat “enkel de leerstof in een groter geheel verwerken nog moeilijker lukt”, maar dat hij daarbij verwezen heeft naar de “COVID-19-pandemie die ervoor gezorgd heeft dat leerlingen minder dan normaal het geval is groeikansen hebben gekregen om deze vaardigheid verder te kunnen ontwikkelen”, dat hij voor geschiedenis en Duits wel heeft aangetoond grotere leerstofgehelen te kunnen verwerken en dat dit voor de andere vakken “enkel […] meer tijd, oefenkansen en een normaal verloop van een schooljaar” zou vergen. De tekorten zelf, zo voerde hij al aan voor de beroepscommissie, blijven – “vrij” of “heel” – beperkt. Daarom moet volgens verzoeker worden besloten dat hij voor wiskunde “over voldoende basis beschikt” om het volgende leerjaar in dezelfde richting aan te vatten, hij voor Engels – “mits een tand bij” – “in staat [moet] zijn bij te benen” in dat volgende leerjaar en dat “[r]emediëring bij aanvang van het nieuwe schooljaar of een vakantietaak” voor aardrijkskunde “hem in staat [moet] stellen aan het einde van het zesde jaar de graaddoelstellingen te behalen”. Ook heeft hij de commissie gewezen op de “juridische betekenis van een B-attest”. Hij had, tot slot, ook opgemerkt dat een verwijzing naar de adviezen van de begeleidende klassenraad slechts was toegestaan “indien deze stukken toegevoegd worden aan de beslissing”, wat niet het geval was. Op geen van deze argumenten is een antwoord gekomen.
- In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan, onder de noemer van de schending van het redelijkheidsbeginsel, dat hij voor dagelijks werk én voor de bijkomende proef van bedrijfseconomie 2 geslaagd is en dat hij voor dit onderdeel dus in voldoende mate voldaan heeft aan de leerplandoelstellingen. Als verzoeker het resultaat van de bijkomende proef voor Engels verrekent met de cijfers voor dagelijks werk, behaalt hij een voldoende jaartotaal. Ook daar heeft hij de leerplandoelstellingen dus in voldoende mate bereikt. Wat bedrijfseconomie 1 betreft, “erkent” en “betreurt” verzoeker dat hij de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft behaald, maar hij wijst erop dat dit op zich onvoldoende is om het B-attest te verantwoorden. Er zijn volgens hem “veelvuldige redenen” waarom hij in het volgende leerjaar beter zal IX-10.120-7/16 scoren. Een school-, onderwijsvorm- en studierichtingverandering zullen niet aan de orde zijn. Hij zal een heel jaar bedrijfseconomie volgen en niet plots moeten inhaken in het tweede semester. Hij zal evenmin moeten wennen aan een nieuwe school, nieuwe medeleerlingen en nieuwe onderwijsmethoden. Ook een nieuwe leraar zal niet aan de orde zijn. Vervolgens wijst verzoeker op het belang van een leerlingendossier en benadrukt hij dat de klassenraad en de beroepscommissie met alle relevante gegevens van het dossier rekening moeten houden. Verzoeker geeft ook aan dat hij via de rapportcommentaren werd verwittigd voor de tegenvallende resultaten voor bedrijfseconomie. Hij heeft echter geen enkele vorm van remediëring aangeboden gekregen. Ook voor de bijkomende proef kreeg hij niet de nodige begeleiding. De beroepscommissie heeft, zelfs na de kennisname van de resultaten van de bijkomende proeven, ten onrechte nagelaten te overwegen of het zeer beperkte tekort voor het vak bedrijfseconomie niet op te vangen valt via remediëring tijdens het “vervolgleerjaar”. Hijzelf is er alvast van overtuigd dat hij, in een normaal schooljaar, mits deze remediëring en eventuele externe opvolging, in staat zal zijn om definitief bij te benen voor dit vak. Ten slotte benadrukt verzoeker dat schooluitval en ongekwalificeerde uitstroom moeten worden vermeden. Het jaar overdoen in een klas met leerlingen die twee jaar jonger zijn dan hem zou dan weer nefast zijn voor zijn zelfvertrouwen, zelfbeeld en zijn professionele toekomst. Verzoeker stelt dat hij “een normaal schooljaar [verdient], op zijn thans vertrouwde school, waar hij zich goed voelt, waar hij verder zal kunnen openbloeien op schools vlak en waar leraren de tijd krijgen om hem te steunen en in hem te geloven”.
- In haar nota doet de verwerende partij specifiek met betrekking tot “de aangevoerde miskenning van het motiveringsbeginsel” gelden dat verzoeker kennis heeft van de “motieven en evaluatiekritiek” die aan de bestreden IX-10.120-8/16 beslissing ten grondslag liggen. Zij citeert integraal de bestreden beslissing en besluit dat de beroepscommissie daarmee haar beslissing “naar recht” heeft gemotiveerd. Voorts stelt de verwerende partij dat, hoewel de beroepscommissie haar beslissing moet motiveren, zij niet noodzakelijk op alle grieven van de leerling moet antwoorden, “zeker niet wanneer ze niet van aard zijn dat ze – mochten ze gegrond zijn – mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat zouden leiden”. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker in zijn bezwaarschrift aan de beroepscommissie gevraagd “een uitgestelde beslissing te nemen en hem voor de opleidingsonderdelen bedrijfseconomie 1 en 2 bijkomende proeven op te leggen, en hem na het afleggen van die proeven een A-attest toe te kennen”. De beroepscommissie heeft verzoeker aan bijkomende proeven onderworpen, maar hij is voor die proeven niet geslaagd. Aangezien verzoeker het verkrijgen van een A-attest “blijkens de tekstredactie van zijn verzoekschrift” zelf “onlosmakelijk verbonden” heeft met het slagen voor de bijkomende proeven, was de commissie volgens haar “ervan ontslaan aanvullend of bijzonder te motiveren waarom zij de leerdoelstellingen niet acht te zijn verwezenlijkt”. Verzoeker erkent trouwens in zijn verzoekschrift voor de Raad van State dat hij de leerplandoelstellingen voor bedrijfseconomie 1 niet in voldoende mate heeft bereikt. Het niet-slagen voor de bijkomende proef voor dat onderdeel betekent dat de commissie niet anders kon dan vaststellen dat de leerplandoelstellingen nog steeds niet zijn bereikt. De assumptie van verzoeker dat hij de leerplandoelstellingen wel in voldoende mate heeft bereikt en dus aanspraak kan maken op een A-attest, faalt volgens de verwerende partij. Ook benadrukt de verwerende partij dat de beroepscommissie zich de motieven van de delibererende klassenraad eigen heeft gemaakt. Met verwijzing naar de tekorten voor de bijkomende proeven én naar de motieven van de klassenraad waarom de leerplandoelstellingen niet werden behaald, heeft de IX-10.120-9/16 beroepscommissie vastgesteld dat de leerplandoelstellingen door verzoeker niet werden bereikt. Voor de beoordeling van het al dan niet slagen van een leerling ligt de motivering trouwens in de eerste plaats in het geheel van de behaalde punten, zo doet de verwerende partij nog opmerken. Wanneer een leerling vier jaartekorten heeft behaald, valt het hem toe “om concreet aan te tonen welke elementen alsnog tot een gunstige deliberatiebeslissing [moeten] leiden”. Voor bedrijfseconomie en Engels behaalt verzoeker ook na de bijkomende proeven nog steeds tekorten. Verzoeker voert geen ernstige elementen aan die moeten doen besluiten dat hij voor beide vakken de leerplandoelstellingen in voldoende mate zou hebben bereikt. Beoordeling A. Eerste middelonderdeel
- Voor zover verzoeker de beroepscommissie verwijt niet te hebben geantwoord op zijn bezwaren, lijkt hij de schending aan te voeren van de formelemotiveringsplicht. Niet wordt betwist dat de beroepscommissie zich de motieven van de beslissing van de klassenraad eigen heeft gemaakt. De beroepscommissie heeft daar alleen de vaststelling aan toegevoegd dat verzoeker “niet geslaagd [is] voor de bijkomende proeven”. Aangezien de motieven van de klassenraad reeds verzoeker bekend waren en het andere motief uitdrukkelijk in de beslissing staat, lijkt het doel van de formelemotiveringsplicht in zoverre te zijn bereikt.
- Het feit dat de beroepscommissie zich hoofdzakelijk op hetzelfde standpunt stelt als de delibererende klassenraad, ontslaat haar prima facie IX-10.120-10/16 echter niet van de verplichting – als beroepsorgaan – ervan blijk te geven met het beroepschrift zorgvuldig rekening te hebben gehouden. Alvast de motieven van de klassenraadbeslissing waar de beroepscommissie aansluiting bij zoekt, lijken dan niet reeds een antwoord te kunnen zijn op al de later ingeroepen argumenten van verzoeker die geen antwoord hebben gekregen in die klassenraadbeslissing. Een louter bijvallen van de motivering van de beslissing van de klassenraad mag evenmin volstaan als het precies die motivering is die in beroep wordt betwist. In het geval een leerling gebruikmaakt van de beroepsmogelijkheid en aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, krijgt de motiveringsplicht ten volle betekenis en moet de beroepscommissie kennisnemen van de grieven van de leerling, ze beoordelen en ze beantwoorden. Het bestaan en de zin van een beroepsprocedure vereisen dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden.
- Anders dan de verwerende partij het ziet, kan uit het feit dat verzoeker heeft gevraagd om hem bijkomende proeven op te leggen en hem nadien een oriënteringsattest A toe te kennen, op het eerste gezicht geenszins worden afgeleid dat verzoeker het verkrijgen van dat attest zelf “onlosmakelijk verbonden [heeft] met het slagen in de door hem gevraagde bijkomende proeven”. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift voor de beroepscommissie uitgebreid beargumenteerd waarom de jaartekorten voor aardrijkskunde, wiskunde en Engels niet tot de vaststelling konden leiden dat hij de leerplandoelstellingen voor die vakken niet in voldoende mate had behaald of waarom hem minstens het voordeel van een remediëringsmaatregel of een (vakantie)taak moest worden gegund. Voor de IX-10.120-11/16 onvoldoende voor bedrijfseconomie 1 heeft hij daaraan in de aanvullende nota uitdrukkelijk toegevoegd dat deze “niet afdoende [is] om een volledige onderwijsvorm uit te sluiten”. 13.
- Bij dit alles mag voorts niet uit het oog worden verloren dat de beroepscommissie beschikt over een autonome, eigen beslissingsbevoegdheid. De beroepscommissie, zoals die in de artikelen 123/15 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs door de decreetgever is geconcipieerd, “heeft volheid van bevoegdheid, i.c. het evaluatieresultaat wordt bevestigd of door een ander vervangen op grond van inhoudelijke of procedurele aspecten” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2421/1, 27). Zoals in elke administratieve beroepsprocedure waarbij aan het beroepsorgaan de volle hervormingsbevoegdheid wordt opgedragen om in laatste aanleg te beslissen, betekent deze zogenaamde devolutieve werking dat de beroepen beslissing uit het rechtsverkeer verdwijnt en dat een nieuwe beslissing in de plaats daarvan komt, op grond van een autonome, eigen beoordeling van de zaak door het beroepsorgaan. De beroepscommissie heeft aldus beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Zij plaatst haar eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de beslissing van de klassenraad en dit op grond van eigen, autonome motieven. 13.
- In dat verband moet worden opgemerkt dat het niet aan de Raad van State toevalt om zijn oordeel over het slagen van de leerling in de plaats te stellen van de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het ligt ook niet op zijn weg om in de plaats van de beroepscommissie aan verzoeker opheldering te geven over de ingeroepen bezwaren.
- Met dit alles voor ogen, moet de Raad van State in de huidige stand van de procedure verzoeker bijvallen, als hij opmerkt dat de motivering van de bestreden beslissing niet aantoont dat zijn grieven zorgvuldig in ogenschouw zijn genomen en dat hij er geen antwoord in vindt op de door hem ingeroepen bezwaren. IX-10.120-12/16 IX-10.120-13/16 In het bezwaarschrift en de aanvullende nota werd – onder meer – aangevoerd dat verzoeker “[v]oor de vakken wiskunde, Engels en aardrijkskunde […] de leerplandoelstellingen in voldoende mate beheerst, en dat enkel de leerstof in een groter geheel verwerken nog moeilijker lukt”, dat “de COVID-19-pandemie […] ervoor gezorgd heeft dat leerlingen minder dan normaal het geval is groeikansen hebben gekregen om deze vaardigheid verder te kunnen ontwikkelen”, dat verzoeker voor de proefwerken van geschiedenis en Duits wel geslaagd is en dus aantoont “dat hij wel het potentieel heeft om grotere leerstofgehelen te kunnen verwerken” en “dat het enkel een kwestie van meer tijd, oefenkansen en een normaal verloop van een schooljaar betreft” om dit ook voor de andere vakken te kunnen bewijzen. Wat wiskunde betreft, heeft hij ook doen gelden dat het tekort “heel beperkt” is en dat “het behaalde cijfer voor dagelijks werk […] overtuigend genoeg [is] om te besluiten dat [verzoeker] over voldoende basis beschikt om het zesde jaar in de gevolgde richting aan te vatten”. Voor Engels heeft verzoeker het tekort ook als “vrij beperkt” aangemerkt en heeft hij doen gelden dat hij, “mits een tand bij”, in staat moet zijn om dit “bij te benen” in het volgende leerjaar. Voor aardrijkskunde heeft verzoeker laten gelden dat een “[r]emediëring bij aanvang van het nieuwe schooljaar of een vakantietaak” soelaas zou kunnen brengen om de graaddoelstellingen op het einde van het volgende leerjaar te behalen. Wat het onderdeel bedrijfseconomie 1 betreft, heeft verzoeker ook doen gelden dat de enkele motivering dat “[d]e leerinhouden waarop verder gebouwd wordt, […] niet verworven [zijn]”, onvoldoende is om hem de toegang te ontzeggen tot het volledige TSO. Hij heeft ook aangevoerd dat de adviezen van de begeleidende klassenraad hem niet waren overgemaakt. Het antwoord dat verzoeker hierop mocht lezen in de bestreden beslissing, is enkel dat de beroepscommissie vaststelt dat verzoeker niet slaagde voor de bijkomende proeven en voorts dat zij de beslissing van de delibererende klassenraad van einde juni bevestigt, waarna een woordelijke herhaling van die beslissing volgt. IX-10.120-14/16 Weliswaar is een beroepscommissie niet verplicht om op alle grieven en opmerkingen van de leerling afzonderlijk te reageren. Het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen. In de concrete context van deze zaak lijkt de enkele herhaling van de motieven van de klassenraad echter niet als een afdoende motivering te kunnen worden beschouwd. Verzoeker heeft onder meer specifieke opmerkingen gemaakt over de vakken aardrijkskunde, wiskunde en Engels en over hoe hij voor die vakken slaagkansen in een volgend leerjaar in dezelfde studierichting mogelijk achtte. Hij heeft ook gewezen op zijn andere resultaten. Waarom op grond van die kritiek voor verzoeker geen gunstigere beslissing mogelijk zou zijn, verduidelijkt de verwerende partij niet en is ook niet evident zichtbaar. Dat verzoeker voor bepaalde vakken de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft behaald, lijkt dat evenmin ipso facto te verhinderen. Alsdan ligt het, op het eerste gezicht, op de weg van de beroepscommissie om ervan blijk te geven dat zij die opmerkingen en vragen bij haar beoordeling van de leerling heeft betrokken. Zo zij deze niet bijvalt, staat het aan de commissie om uitdrukkelijk aan te geven waarom zij het anders ziet. Op dat vlak is de beroepscommissie, zo lijkt, schromelijk tekortgeschoten. B. Tweede middelonderdeel
- De vaststelling met betrekking tot het eerste middelonderdeel betekent dat een beoordeling van het tweede middelonderdeel voorlopig voorbarig zou zijn. Immers, een eventuele schending van het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat een deugdelijke motivering voorligt. Dit is, zoals gezien bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel, vooralsnog niet het geval. IX-10.120-15/16
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Scholengroep van het Katholiek Onderwijs in Gent van 2 september 2022, waarbij het aan Abdülkadir Sunar toegekende oriënteringsattest B, met clausulering voor het technisch secundair onderwijs, wordt bevestigd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.120-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.666 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.489 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.