← België

Arrest 254676 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.676 Rolnummer: A. 237326/IX-10125 Zaak: Arrest 254676 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-07 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 07:34 Fiche Arrest nr 254.676 van 5 oktober 2022 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.676 van 5 oktober 2022 in de zaak A. 237.326/IX-10.125 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN GENT woonplaats kiezend te 9000 Gent Onderbergen 86 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabine Vanoverbeke kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 1007 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent van 15 september 2022 waarbij de statutaire aanstelling van XXXX als maatschappelijk werker wordt beëindigd wegens disfunctioneren. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.125-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2022, om 14.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieter Sichien, die loco advocaat Sabine Vanoverbeke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker werkt als maatschappelijk werker in statutair dienstverband bij de verwerende partij. 3.
  5. Op 7 mei 2021 wordt zijn functioneren ongunstig geëvalueerd. Hij tekent geen beroep aan tegen deze evaluatie. 3.
  6. Na een herkansingstraject van zes maanden wordt verzoeker op 20 januari 2022 opnieuw ongunstig geëvalueerd. 3.
  7. Met een brief van 24 januari 2022 wordt verzoeker door de adjunct-algemeendirecteur van de verwerende partij in kennis gesteld van het voorstel aan de aanstellende overheid om verzoeker te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid. IX-10.125-2/8 3.
  8. Op 14 februari 2022 tekent verzoeker beroep aan tegen “de ongunstige evaluatie met voorstel tot ontslag wegens disfunctioneren”, maar de verwerende partij blijkt van oordeel dat er geen mogelijkheid tot beroep bestaat tegen de ongunstige evaluatie van 20 januari
  9. 3.
  10. Eveneens op 14 februari 2022 dient verzoeker bij de preventieadviseur van de verwerende partij een verzoek in “tot formele psycho-sociale interventie met betrekking tot de pesterijen waarvan [hij] op [zijn] werk […] het slachtoffer [is]”. 3.
  11. Op 24 februari 2022 beslist het vast bureau van de verwerende partij, nadat verzoeker is gehoord, om de aanstelling van verzoeker als statutair maatschappelijk werker te beëindigen wegens disfunctioneren, “omdat [zijn] evaluatie van 20 januari 2022, volgend op [zijn] ongunstige evaluatie en herkansingstraject van zes maanden, ongunstig is”. 3.
  12. Nadat zij een klacht heeft ontvangen vanwege verzoeker, beslist de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op 25 april 2022 om het besluit van het vast bureau van 24 februari 2022 houdende het ontslag van verzoeker te vernietigen. Volgens de provinciegouverneur is verzoeker ten onrechte de beroepsmogelijkheid tegen de ongunstige evaluatie van 20 januari 2022 ontzegd. 3.
  13. In een verslag van 3 juni 2022 vermeldt de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk dat, ten aanzien van verzoeker, “[o]p basis van [het gevoerde] onderzoek kan worden vastgesteld dat er geen sprake is geweest van pesten zoals omschreven in de welzijnswet”. 3.
  14. In het kader van verzoekers beroep tegen zijn ongunstige evaluatie van 20 januari 2022, stelt de adviescommissie evaluaties van de verwerende partij op 29 juni 2022 voor om die ongunstige evaluatie te behouden. IX-10.125-3/8 3.
  15. Op 30 juni 2022 bevestigt de adjunct-algemeendirecteur van de verwerende partij “het evaluatieresultaat op basis van het advies van de adviescommissie [e]valuaties”. De adjunct-algemeendirecteur keurt ook goed “dat de ongunstige evaluatie van 20 januari 2022 tot gevolg heeft dat aan de aanstellende overheid het gemotiveerd voorstel tot ontslag wegens disfunctioneren van [verzoeker] wordt geformuleerd”. 3.
  16. Op 1 september 2022 wordt verzoeker door het vast bureau gehoord over het voorgestelde ontslag. 3.
  17. Op 15 september 2022 beslist het vast bureau om “[de] aanstelling [van verzoeker] als statutair maatschappelijk werker […] te beëindigen wegens disfunctioneren omdat [zijn] evaluatie van 20 januari 2022, volgend op [zijn] ongunstige evaluatie en herkansingstraject van zes maanden, ongunstig is”. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  18. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.125-4/8 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
  19. Verzoeker zet in zijn inleidend verzoekschrift de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering uiteen als volgt: “II.
  20. Verzoeker wordt dus ontslagen omdat hij zondermeer onbekwaam zou zijn, zoals het vast bureau toch poneert. Dit is uiteraard moreel een enorme klap voor verzoeker. Dit is een ondraaglijk odium dat niet kan verdragen worden, ook niet tijdens een verdere annulatieprocedure. Na meer dan twintig jaar inzet voor de verwerende partij, is een dergelijke uiterst negatieve beoordeling voor verzoeker moreel ondraaglijk. Dit is een morele ondraaglijkheid die niet verder kan verwerkt worden tijdens een annulatieprocedure. II.
  21. De klap is voor verzoeker dusdanig hard dat verzoeker psychische hulp nodig heeft en een traject volgt bij de dagtherapie. Dit is een traject dat van start gegaan is op 9 augustus 2022 en normaliter eindigt op 14 oktober
  22. Behoudens verlenging natuurlijk want het gaat psychisch volstrekt niet goed met verzoeker. Daaromtrent wordt het attest voorgelegd van de psycholoog psychotherapeut met betrekking tot dit volgen van de dagtherapie. (stuk 18) De doelstellingen zijn: - vergroten van zelfacceptatie en zelfvertrouwen, - steun en erkenning vinden in de groep, - beter leren omgaan met bepaalde kwetsuren, - meer initiatief durven nemen, - energieniveau verhogen. Het is voor verzoeker dus psychisch onmogelijk om het ontslag te blijven dragen tijdens een annulatieprocedure. II.
  23. Verzoeker beperkt zijn middelen in het kader van dit verzoekschrift. Schorsing krachtens die middelen, kan leiden tot snelle oplossing, kan leiden tot een soort bestuurlijke lus of tot een soort herstel. Het ingrijpen bij uiterst dringende noodzakelijkheid naar aanleiding van een ontslag, zou dus niet alleen broodnodig zijn voor verzoeker, een psychisch compleet ontredderde ambtenaar, maar zou ook vermijden dat er een jarenlange procedureslag moet gevoerd worden, wat noch in het belang is van verzoeker, noch in het belang van de verweerder, noch in het belang van de rechtsstaat.” Beoordeling
  24. De Raad van State heeft in zijn rechtspraak al eerder eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure ‘bij uiterst dringende IX-10.125-5/8 noodzakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is bovendien vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op het gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. 7.
  25. In dit geval beroept verzoeker zich uitsluitend op een ondraaglijk moreel nadeel dat hij ondergaat ingevolge de bestreden beslissing die hem ontslaat “omdat hij zondermeer onbekwaam zou zijn”. IX-10.125-6/8 Volgens ’s Raads vaste rechtspraak kan een moreel nadeel in beginsel worden goedgemaakt door de genoegdoening die wordt verleend door een eventueel vernietigingsarrest. Het valt een verzoekende partij voor de Raad van State toe om, in voorkomend geval, bijzondere omstandigheden aan te voeren die ervan overtuigen dat het in haar geval anders is en dat er redenen zijn om bij spoedeisendheid of, zoals in dit geval, zelfs uiterst dringende noodzakelijkheid, het aangevoerde morele nadeel een halt toe te roepen. Voorzeker kan worden aangenomen dat het ontslag wegens beroepsongeschiktheid verzoeker vanuit moreel oogpunt zwaar valt. Verzoeker maakt evenwel niet aannemelijk dat dit morele nadeel zodanig urgent en ondraaglijk is dat hij zelfs het resultaat van een gewone vordering tot schorsing niet zou kunnen afwachten. De ingeroepen omstandigheid dat verzoeker op 9 augustus 2022 een traject is begonnen dat behoudens verlenging loopt tot 14 oktober 2022, waarbij hij psychische hulp krijgt in dagtherapie met de door hem vermelde “doelstellingen”, is alvast niet van aard dat ze kan overtuigen van de uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering. 7.
  26. Voorts is het argument van verzoeker dat een ingrijpen bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet alleen “broodnodig” is voor verzoeker, maar ook zou “vermijden dat er een jarenlange procedureslag moet gevoerd worden, wat noch in het belang is van verzoeker noch in het belang van de verweerder, noch in het belang van de rechtstaat”, niet meer dan een algemene stijlformule, die allerminst een verantwoording kan bieden voor een schorsing, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in het thans voorliggende, concrete geval.
  27. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet aantoont. IX-10.125-7/8
  28. Derhalve is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt de vordering.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  31. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-10.125-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.676 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.