← België

Arrest 254678 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.678 Rolnummer: A. 235018/VII-41244 Zaak: Arrest 254678 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:34 Fiche Arrest nr 254.678 van 6 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.678 van 6 oktober 2022 in de zaak A. 235.018/VII-41.244 In zake : de GEMEENTE SCHILDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. Marinus OOSTLANDER
  2. de BV ROVEE MANAGEMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Carette en Anouck Vanermen kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 november 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0085 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 oktober 2021 in de zaak 2021-RvVb-0108-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 28 december
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.244-1/8 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 20 april 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anouck Vanermen, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De gemeente Schilde (hierna: gemeente) besluit op 11 september 2020 tot de “onontvankelijkheid en/of onvolledigheid” van de omgevingsvergunningsaanvraag van Oostlander-bv Rovee Management “tot het verkavelen in 34 loten”. VII-41.244-2/8
  9. Het bestreden arrest verklaart het eerste en tweede middel van laatstgenoemden waarin zij “in essentie aan[voeren] dat de [gemeente] ten onrechte oordeelt dat de ingediende vergunningsaanvraag onvolledig is omwille van een aantal vermeende ontbrekende stukken, en dit zonder enige verdere toelichting of motivering”, “in de aangegeven mate gegrond”. Het bestreden arrest vernietigt bijgevolg de beslissing van de gemeente van 11 september
  10. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de gemeente
  11. De gemeente voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 105, § 1 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD) juncto artikel 35 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ “en het daaruit voortvloeiende regelmatigheids- en wettigheidsonderzoek in hoofde van de [RvVb]”, en artikel 6.1 EVRM “en het hierdoor gewaarborgde recht van verdediging, meer specifiek het recht op wapengelijkheid”. Zij licht toe dat zij “in haar nota kort debatten d.d. 22 januari 2021” heeft opgemerkt dat Oostlander-bv Rovee Management “een gedeelte van de doorslaggevende motieven van de bestreden beslissing […] niet bekritiseerden en/of weerlegden bij de [RvVb]” en dat de RvVb deze “exceptie van onontvankelijkheid niet afzonderlijk [heeft] beoordeeld” maar is overgegaan tot “de inhoudelijke beoordeling van de middelen” van Oostlander-bv Rovee Management. De RvVb komt met die beoordeling “tot een geheel eigen lezing ultra petita van het initiële verzoekschrift tot vernietiging namens [Oostlander-bv Rovee Management], dat blijkbaar in samenhang met de brief aan de gemeente Schilde d.d. 7 september jl. wordt gelezen”. […] De gemeente kon zich daarop […] VII-41.244-3/8 niet verdedigen, zodat in voorkomend geval ook het recht van verdediging geschonden zou zijn”. Waar het bestreden arrest oordeelt dat Oostlander-bv Rovee Management inhoudelijke kritiek leveren op volgens de gemeente ontbrekende gegevens/stukken, beoordeelt de RvVb de exceptie van de gemeente “in zijn geheel niet ernstig”. De RvVb “miskent hiermee vooreerst het op haar rustende wettigheids- en regelmatigheidsonderzoek”. Dat oordeel van de RvVb “strookt niet met art. 149 Gw. aangezien de […] motivering in se een boude bewering betreft, zonder dat hieruit de redengeving in hoofde van de [RvVb] kan worden afgeleid”. Zij stelt dat zelfs indien Oostlander-bv Rovee Management “in hun verzoekschrift kritiek hadden geuit op alle motieven van de bestreden beslissing […] dan diende de [RvVb] de tot het administratief dossier behorende (verkavelings)plannen te raadplegen/controleren”. De RvVb “moet in dit kader sowieso een correcte bewijskracht aan de gevoegde akten/stukken toekennen, hetgeen niet het geval is wanneer een uitlegging aan de stukken wordt gegeven die manifest strijdt met de inhoud ervan”. Uit “de gevoegde stukken/het administratief dossier [blijkt] sowieso […] dat de door de gemeente […] benoemde elementen (kaveloppervlaktes, oppervlaktes van de aangrenzende kavels aan de straatzijde en de bouwvrije stroken binnen de individuele loten) sowieso ontbraken op de door de vergunningsaanvragers ingediende plannen. In zoverre het bestreden arrest oordeelt “dat de plannen wel degelijk ‘de’ ontbrekende afmetingen en oppervlaktes bevatten”, miskent de RvVb “de bewijswaarde/inhoud van de aan de [RvVb] voorgelegde stukken, in casu de ingediende verkavelingsplannen”. Dat oordeel van de RvVb “is bovendien dubbelzinnig/tegenstrijdig gemotiveerd […] aangezien de [RvVb] minstens impliciet lijkt te aanvaarden dat enkele elementen (waaronder bij uitstek de oppervlaktes van de loten) wel degelijk ontbraken” waar hij overweegt dat de afmetingen, oppervlaktes en terreinprofielen wel degelijk op de plannen staan VII-41.244-4/8 vermeld “minstens [de gemeente] in de mogelijkheid stelde om zelf eventuele berekeningen uit te voeren”. Die laatste overweging “impliceert immers dat de verkavelingsplannen wel degelijk niet alle relevante maten/oppervlakten bevatten, hetgeen lijnrecht ingaat tegen de voorgaande overweging en bovendien ingaat tegen impliciete verwerping van de exceptie van de gemeente”. Beoordeling
  12. Het bestreden arrest overweegt (randnr. 3.4.2): “Ten overvloede kan de Raad hierbij vaststellen dat de verzoekende partijen ook inhoudelijke kritiek leveren op de volgende gegevens/stukken die volgens de verwerende partij ontbraken: - De soort en de diameter van de thans aanwezige (en te kappen) bomen, - De afmetingen van de aangrenzende loten aan de straatzijde, - De oppervlakte van de nieuw te creëren loten, - De afstand tussen de bouwzone en de (nieuwe) perceelsgrenzen”. Er is dus geen sprake dat de verzoekende partijen in hun jurisdictioneel beroep voor de Raad nagelaten zouden hebben één van de opgelijste ontbrekende stukken/gegevens (motieven) onbesproken te laten.
  13. Het middelonderdeel dat aanvoert dat de RvVb de “exceptie van onontvankelijkheid niet afzonderlijk [heeft] beoordeeld”, mist feitelijke grondslag.
  14. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat Oostlander-bv Rovee Management in hun inleidend verzoekschrift in het eerste middel hebben aangevoerd dat “in de bestreden beslissing [van de gemeente] voorbij [wordt] gegaan aan de uitgebreide toelichting die ze hebben gegeven op 7 september 2020 zodat de bestreden beslissing niet alleen onzorgvuldig, maar ook niet, minstens onvoldoende gemotiveerd is”. Het middelonderdeel dat de schending van de rechten van verdediging vervat in artikel 6.1 EVRM, aanvoert, mist feitelijke grondslag. VII-41.244-5/8
  15. Artikel 105, § 1 OVD somt de beslissingen op die voor de RvVb kunnen worden bestreden. Artikel 35 DBRC bepaalt dat de RvVb bevoegd is de bestreden beslissing te vernietigen na beslechting van alle aangevoerde middelen waarvan de RvVb oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur. Het somt tevens de gevallen op die “geen aanleiding geven tot een vernietiging”.
  16. Het bestreden arrest beoordeelt het eerste en tweede middel van Oostlander-bv Rovee Management en het verweer daartegen van de gemeente, besluit op grond van die beoordeling dat beide middelen “in de aangegeven mate gegrond” zijn en vernietigt de beroepen beslissing van de gemeente.
  17. Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel 105, § 1 OVD samengelezen met artikel 35 DBRC omdat de RvVb de exceptie van de gemeente “in zijn geheel niet ernstig” en “hiermee vooreerst het op haar rustende wettigheids- en regelmatigheidsonderzoek” miskent, is bijgevolg niet gegrond.
  18. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de VII-41.244-6/8 RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  19. Het middelonderdeel dat aanvoert dat de motivering “in se een boude bewering betreft”, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.
  20. Het middelonderdeel dat aanvoert dat de in randnummer 6 aangehaalde overweging in het bestreden arrest “in se een boude bewering betreft, zonder dat hieruit de redengeving in hoofde van de [RvVb] kan worden afgeleid”, mist feitelijke grondslag.
  21. Het middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest “de bewijswaarde/inhoud van de [...] ingediende verkavelingsplannen” miskent, noopt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf, waartoe hij als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet bevoegd is.
  22. De vaststelling in het bestreden arrest “dat de afmetingen, oppervlaktes en terreinprofielen […] wel degelijk op de plannen staan vermeld, minstens de [gemeente] in de mogelijkheid stelde om zelf eventuele berekeningen uit te voeren, en dus vervat waren in het aanvraagdossier” (randnummer 3.4.4), bevat geen tegenstrijdigheid in de motieven.
  23. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-41.244-7/8
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.244-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.