← België

Arrest 254682 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.682 Rolnummer: A. 234811/VII-41223 Zaak: Arrest 254682 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 07:34 Fiche Arrest nr 254.682 van 6 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.682 van 6 oktober 2022 in de zaak A. 234.811/VII-41.223 In zake : de NV ELIZAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. Frédéric DEPAUW 2. Kristien VANDERHOEVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 18 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0012 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 september 2021 in de zaak 1920-RvVb-0780-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 december 2021. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.223-1/7 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 13 mei 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Charlotte Plottier, die loco advocaten Stijn Verbist en Joris Claes verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) verleent op 14 mei 2020 aan de nv Elizan een stedenbouwkundige vergunning “voor het verbouwen van twee handelspanden en het inrichten van de achtergelegen site met wegenis”. VII-41.223-2/7 4. Het bestreden arrest: – verklaart het eerste middel van Depauw-Vanderhoeven ontvankelijk en gegrond, – verklaart het tweede en derde middel van laatstgenoemden gegrond, – vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 5. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag dat in deze zaak besluit “het beroep te verwerpen”, niet in de mogelijkheid een “verzoek tot voortzetting” in te dienen waarin ook een repliek op het “standpunt van de eerste auditeur” wordt opgenomen. Artikel 18, § 1 van het cassatieprocedurebesluit laat in dat geval enkel toe om op straffe van de toewijzing van de afstand van het geding te “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Voormelde memorie wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover de repliek op het auditoraatsverslag in het “verzoek tot voortzetting” de neerslag vormt van de uiteenzetting van de nv Elizan ter terechtzitting, wordt ze als een loutere inlichting beschouwd. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de nv Elizan 6. De nv Elizan voert de schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW), artikel 4.3.1, § 1, 1°,

  1. a)van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: Inrichtingsbesluit) en het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 definitief vastgestelde gewestplan Mechelen (hierna: gewestplan). VII-41.223-3/7 Zij licht toe dat de kritiek die Depauw-Vanderhoeven voor de RvVb in hun tweede en derde middel hadden, “respectievelijk betrekking heeft op de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving die de vergunningverlenende overheid in het kader van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening dient na te gaan (tweede middel) en het al dan niet openbaar karakter van de toegangsweg van de parking en dus op de vraag of er voorafgaand aan de vergunning eerst een beslissing over de wegen diende genomen te worden (derde middel)”. Door te oordelen dat de kritiek in het tweede middel van Depauw-Vanderhoeven geldt “als een kritiek op het deputatiebesluit van 14 mei 2020 aangaande de principiële overeenstemming met de gewestplanbestemming waartoe het besluit”, miskent het bestreden arrest “dan ook de bewijskracht van de stukken”. Door aan het derde middel van Depauw-Vanderhoeven een lezing te geven dat het “een wettigheidskritiek [is] op hetgeen in het deputatiebesluit van 14 mei 2020 aangaande de principiële overeenstemming met de gewestplanbestemming wordt gesteld”, miskent het bestreden arrest “de bewijskracht van […] het verzoek tot vernietiging” van Depauw-Vanderhoeven. Het bestreden arrest geeft “een andere draagwijdte aan het deputatiebesluit van 14 mei 2020” en miskent “de bewijskracht ervan” wanneer “gesteld wordt dat het deputatiebesluit van 14 mei 2020 besluit tot de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening omdat de aanvraag in overeenstemming is met het BPA 9.4 ‘Dendermondsesteenweg-Zuid’ en dit BPA ten tijde van de opmaak ervan werd getoetst op de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening”. Wanneer “het bestreden arrest stelt dat het deputatiebesluit van 14 mei 2020 ervan uitgaat dat het BPA ten tijde van de opmaak ervan werd getoetst op de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en dat aangezien de aanvraag conform de voorschriften van het BPA is, geoordeeld kan worden dat de VII-41.223-4/7 aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, [schendt] het bestreden arrest de bewijskracht van […] het deputatiebesluit van 14 mei 2020”. Het bestreden arrest schendt tevens de artikelen 4.3.1, § 1, 1°,
  2. a)VCRO, artikel 5.1.0 Inrichtingsbesluit en het gewestplan “doordat het argumenten van [Depauw-Vanderhoeven] voor de [RvVb] die betrekking hebben op de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening en op het openbare karakter van de ontsluiting van de parking ten onrechte leest als een kritiek op de stedenbouwkundige voorschriften die gelden volgens het gewestplan terwijl op grond van het bestemmingsvoorschrift van toepassing in woongebieden (artikel 5.1.0 van het Inrichtingsbesluit) de verenigbaarheid van bedrijven, voorzieningen en inrichtingen met de onmiddellijke omgeving dient te worden nagegaan en de toetsing van deze verenigbaarheid niet dezelfde is als de toetsing die de vergunningverlenende overheid voert in het kader van de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening. Dat door wel zo te oordelen door het bestreden arrest het geldende bestemmingsvoorschrift volgens het gewestplan als tevens de verordenende kracht van het gewestplan worden geschonden”. Beoordeling 7. Het middelonderdeel dat de schending van “de bewijskracht van de stukken” aanvoert, is bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. 8. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. 9. Het middelonderdeel dat de schending van de bewijskracht van het verzoekschrift van Depauw-Vanderhoeven aanvoert zonder te verduidelijken welke passages “onder het derde middel” van het bestreden arrest de bewijskracht van deze akte miskennen, is bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk. VII-41.223-5/7 10. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “een andere draagwijdte geeft aan het deputatiebesluit van 14 mei 2020” door te besluiten “dat het deputatiebesluit van 14 mei 2020 besluit tot de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening omdat de aanvraag in overeenstemming is met het BPA 9.4 ‘Dendermondsesteenweg-Zuid’ en dit BPA ten tijde van de opmaak ervan werd getoetst op de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening”, toont niet aan dat de RvVb aan voormelde vergunningsbeslissing van de deputatie een verklaring toeschrijft die de beslissing niet bevat dan wel ontkent dat de beslissing een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Het middelonderdeel wordt verworpen. 11. Het bestreden arrest overweegt enerzijds dat partijen [niet] betwisten dat de [deputatie] de aanvraag onderzoekt op haar verenigbaarheid met het BPA 9.4 ‘Dendermondsesteenweg-Zuid en het BPA als rechtsbasis voor vergunningverlening opvat” en stelt anderzijds vast dat de deputatie “de aanvraag inderdaad ook toetst aan de gewestplanbestemming van woongebied en het project ermee verenigbaar acht”. Het bestreden arrest oordeelt vervolgens dat “[a]nders dan dat de [nv Elizan] dit ziet, uiten [Depauw-Vanderhoeven] in het tweede en derde middel wel degelijk kritiek op de verenigbaarheid van de ontsluiting van de volgens hen zeer ruime en zelfs openbare parking bij beide handelszaken aan de Nachtegaalstraat/Merelstraat met de onmiddellijke omgeving”. 12. Het middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest “argumenten van verzoekende partijen voor de [RvVb] die betrekking hebben op de verenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening en op het openbare karakter van de ontsluiting van de parking ten onrechte leest als een kritiek op de stedenbouwkundige voorschriften die gelden volgens het gewestplan”, mist feitelijke grondslag. 13. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen. VII-41.223-6/7 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.223-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.682 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.