id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.683 Rolnummer: A. 231417/VII-40884 Zaak: Arrest 254683 - Milieuvergunningen - 06/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-11 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:34 Fiche Arrest nr 254.683 van 6 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.683 van 6 oktober 2022 in de zaak A. 231.417/VII-40.884 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST- VLAANDEREN Tussenkomende partijen:
- de NV FRANSON
- de NV ALNATRA
- de NV JULHENPHINE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 mei 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth van 9 februari 2015, houdende het verlenen aan de nv Franson, de nv Alnatra en de nv Julhenphine van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een veevoederbedrijf, gelegen aan de Sluis 3 te Nazareth, in hoofdzaak niet wordt ingewilligd. VII-40.884-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Franson, de nv Alnatra en de nv Julhenphine hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 oktober
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 10 maart 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 september
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Jurist Christophe Wille, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Charlotte De Wolf, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.884-2/14 VII-40.884-3/14 III. Feiten 3.
- Op 7 april 1994 heeft de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning verleend voor het exploiteren van een veevoederbedrijf op percelen, gelegen aan de Sluis 3 te Nazareth. Overeenkomstig het gewestplan Oudenaarde is de inrichting gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s). Het bedrijfsterrein bestaat uit een strook land tussen de Schelde en de Moerbeek. 3.
- De deputatie heeft op 10 november 2004 akte genomen van de overname van de inrichting door de nv Franson. 3.
- Op 9 oktober 2014 dienen de nv Franson, de nv Alnatra en de nv Julhenphine een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van de inrichting. 3.
- Bij besluit van 9 februari 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth de gevraagde vergunning. 3.
- Tegen die beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 3.
- Op 16 juli 2015 beslist de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen om het beroep niet in te willigen en de in eerste aanleg verleende milieuvergunning te bevestigen, mits het toevoegen van een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden. 3.
- Bij arrest nr. 246.277 van 5 december 2019 vernietigt de Raad van State de deputatiebeslissing van 16 juli
- 3.
- In het kader van de herneming van de beroepsprocedure worden andermaal verscheidene adviezen uitgebracht. VII-40.884-4/14 3.
- Met de thans bestreden beslissing van 14 mei 2020 willigt de deputatie het bestuurlijk beroep andermaal niet in en bevestigt zij de in eerste aanleg verleende milieuvergunning, mits het vervangen van enkele indelingsrubrieken en van een bijzondere voorwaarde met betrekking tot het groenscherm, en het toevoegen van enkele bijkomende bijzondere voorwaarden, onder meer op het vlak van geluid. In het bestreden besluit wordt, bij de beoordeling van de milieuhygiënische aspecten, onder andere het volgende gesteld: “[…] Geluid De inrichting situeert zich in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. Binnen de ambachtelijke zone is er een woning horende bij een horecabedrijf. De overige meest nabije woningen situeren zich buiten de ambachtelijke zone, op een afstand van ca. 200 m. De belangrijkste geluidsproducerende installatie-onderdelen zijn: de hamermolen, de menglijnen, de persen, de stoomketel en de compressor. De hamermolen staat in een volledig afgesloten ruimte binnenin het gebouw. Het geluid van deze installatie kon buiten het gebouw nagenoeg niet meer waargenomen worden. Volgens de exploitant zal deze oudere molen in de nabije toekomst worden vervangen. De menglijnen bestaan uit silo’s en toevoertrechters die enkel geluid produceren bij laad- en losactiviteiten. De persen voor de aanmaak van voederkorrels staan eveneens opgesteld binnen het productiegebouw en zijn buiten het gebouw niet hoorbaar. Ook de stoomketel en de compressor zijn niet toewijsbaar hoorbaar buiten het gebouw. Bij het persproces wordt een hoeveelheid warmte geproduceerd. Vooraleer de geproduceerde korrels naar de silo’s geleid worden, worden ze eerst afgekoeld. De opgewarmde lucht wordt bovenaan het dak afgevoerd. Deze afvoer is voorzien van een geluidsdemper. Een andere belangrijke geluidsbron op het terrein zijn de verschillende transportbewegingen. Naar aanleiding van dit dossier werden in 2015 door de provinciale deskundige geluid geluidsmetingen uitgevoerd. Tijdens deze metingen werd het omgevingsgeluid (OG) gemeten ter hoogte van een meetpunt op de grens van het natuurgebied (overzijde van de Schelde) en ter hoogte van de meest nabije woning (buiten de ambachtelijke zone), zijnde de woning gelegen aan de Grenadierlaan 6). Uit deze meting blijkt dat het omgevingsgeluid voornamelijk bepaald wordt door het verkeer op de omliggende wegen (N60 en Grenadierlaan). Het LAeq,T bedroeg 53,9 dB(A). Tijdens deze metingen werden eveneens een aantal vrachtwagenbewegingen opgemeten (aan- en afrijden van vrachtwagens in en uit de loodsen met menglijnen). VII-40.884-5/14 Het specifieke aandeel in het omgevingsgeluid door de transportbewegingen ter hoogte van het meetpunt bedraagt 54 dB(A) over een meetduur van 2 minuten en 30 seconden. Gelet op het aantal vrachtwagenbewegingen kan er worden gesteld dat dit overeenkomt met een tijdsaandeel van ca. 10% van de beoordelingperiode. In het advies van de provinciale geluidsdeskundige van 1 juni 2015 wort er gesteld dat het partieel specifiek LAeq,T van de vrachtwagenbewegingen na berekening 44 dB(A) bedraagt. Deze waarde ligt ruim beneden de RW (richtwaarde), geldig voor dit meetpunt (50 dB(A)) en ook beneden de RW-
- Het specifieke aandeel voor de vrachtwagenbewegingen in het OG ter hoogte van de dichtste woning in het natuurgebied werd bepaald op 49,4 dB(A). Rekening houdende met eenzelfde tijdsweging (10% van de totale dagperiode) wordt hier een waarde van 39,4 dB(A) bepaald. Ook in dit meetpunt wordt de kwaliteit van het OG nog steeds in belangrijke mate bepaald door het verkeer op de omliggende wegen. De provinciale geluidsdeskundige besluit dan ook dat het omgevingsgeluid ter hoogte van het natuurgebied verstoord wordt door het verkeersgeluid van de omgevende wegen en niet door het bedrijf gerelateerd verkeersgeluid. Op locaties dieper gelegen in het natuurgebied en tevens verderaf van de bedrijfssite zal het geluid van de vrachtwagenbewegingen niet meer hoorbaar zijn en geen invloed meer uitoefenen op het daar heersende omgevingsgeluid en de daar levende fauna. Op vrijdag 7 februari 2020 werden door het geluidslabo van het PCM nieuwe geluidsmetingen uitgevoerd ter hoogte van de woning Grenadierslaan 60 (MP2) en ter hoogte van de hoek van café ’t Sluis (MP3). Uit de resultaten van deze metingen blijkt dat: - Het laden van de vrachtwagen met een Lsp van 43,3 dB(A) ter hoogte van de woning voldoet aan de dagnorm van 45 dB(A). Indien deze activiteit ook doorgaat in de avond- en/of nachtperiode, kan de geluidsnorm van 40 dB(A) licht overschreden worden met maximaal 3,3 dB. Echter wordt bij het berekenen van het Lsp enkel rekening gehouden met geluidsafname in functie van de afstandsuitbreiding. Andere factoren zoals afscherming door gebouwen en reflectie/absorptie beïnvloeden de geluidsoverdracht, wat kan leiden tot een lager Lsp. Bovendien stelt het Agentschap Natuur en Bos (ANB) dat bij een geluidsniveau van ≤ 45 dB(A) er geen verstoring is van de vogelpopulatie in het VEN-gebied. Hieraan wordt voldaan; - Het Lsp van het laden van de vrachtwagen overstemd wordt door andere omgevingsgeluiden vreemd aan de inrichting, welke aanleiding geven tot een OOG van 47,6 dB(A). Een Lsp van maximaal 43,3 dB(A) levert geen significante bijdrage aan het heersende omgevingsgeluid t.o.v. andere omgevingsgeluiden; - Het aflaten van de perslucht met een LAeq,1s,max van 52,1 dB(A) de dagnorm van 60 dB(A) respecteert. In geval dit geluidsevent zich ook tijdens de avond- en nachtperiode zou voordoen, kan de geluidsnorm van 50 dB(A) licht overschreden worden met 2,1 dB. Rekening houdend met de meet- en rekenonzekerheid van de apparatuur, kan VII-40.884-6/14 deze overschrijding als verwaarloosbaar beschouwd worden; - De passage van een vrachtwagen met een LAeq,1s,max van 53,4 dB(A) de dagnorm van 60 dB(A) respecteert. Bij een vrachtwagenbeweging tussen 6u en 7u, kan de nachtnorm van 50 dB(A) licht overschreden worden met 3,4 dB; - Het geluidsniveau van een op het bedrijventerrein rijdende vrachtwagen vergelijkbaar is met het geluidsniveau van een rijdende vrachtwagen op de Grenadierslaan of op de kade (openbare weg). Bijgevolg kan er auditief geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende passages van vrachtwagens. Gezien er op de Grenadierslaan nagenoeg constant passage is van wegverkeer vormt dit een veel belangrijkere stoorfactor voor de stilte in het natuurgebied. Die ene passage van een vrachtwagen op het terrein van nv Franson-Alnatra-Julhenphine levert in dit opzicht geen significante bijdrage aan het heersende geluidsklimaat dat dus in hoofdzaak bepaald wordt door het verkeerslawaai afkomstig van de Grenadierslaan; - De resultaten ter hoogte van MP2 gelden op de rand van het natuurgebied. Op locaties dieper gelegen in het natuurgebied en tevens verderaf van de bedrijfssite zal het geluid van de vrachtwagenbewegingen en het laden van de vrachtwagens niet meer hoorbaar zijn en geen invloed meer uitoefenen op het daar heersende omgevingsgeluid en de daar levende fauna. In haar advies van 17 februari 2020 besluit de provinciale deskundige geluid dat de geluidsnormen voor de dagperiode telkens gerespecteerd worden ter hoogte van de woning Grenadierslaan
- Indien deze activiteiten zich ook zouden voordoen tijdens de avond- en nachtperiode, er lichte overschrijdingen van 2 à 3 dB kunnen optreden. Rekening houdend met een aantal factoren zoals reken- en meetonzekerheid, het gebruik van de theoretische formule voor afstandsuitbreiding waarbij factoren zoals afscherming en reflectie/absorptie niet in rekening worden gebracht en de continue passage van wegverkeer op de Grenadierslaan waardoor een hoog OOG heerst, kunnen deze overschrijdingen als niet significant beschouwd worden. Het geluidsklimaat wordt in sterke mate beïnvloed door de passage van wegverkeer op de Grenadierslaan. De berekende Lsp- en LAeq,1s,max-niveaus gelden ter hoogte van de Grenadierslaan 60 en dus op de rand van het natuurgebied. Meer centraal in het natuurgebied gelden bijgevolg lagere geluidsniveaus en zullen de activiteiten van het bedrijf niet meer hoorbaar zijn en dus geen verstoring betekenen van de fauna in het natuurgebied. Binnen de inrichting wordt er thans gewerkt volgens een 3-ploegenstelsel, vanaf zondagavond 20 uur tot en met vrijdagavond 19 uur. De aan- en afvoer van de grondstoffen en afgewerkte producten gebeurt steeds tussen 7 uur en 19 uur. Uit de uitgevoerde geluidsmetingen en tevens uit de vaststellingen ter plaatse kan worden afgeleid dat dit arbeidsregime geen aanleiding geeft tot onoverkomelijke hinder voor de meest nabije bewoners en voor het nabijgelegen natuurgebied/VEN-gebied. De exploitant heeft in de replieknota van 20 april 2020 gesteld dat de aan- VII-40.884-7/14 en afvoer al gebeurt vanaf 6u (en niet vanaf 7u). Conform het advies van de Commissie kan hiermee akkoord gegaan worden. De transportbewegingen op het terrein (aan- en afvoer van grondstoffen en afgewerkte producten) kunnen toegestaan worden tussen 6 uur en 19 uur”. Aan de bestreden milieuvergunning wordt onder meer de volgende bijzondere voorwaarde toegevoegd: “Geluid De activiteiten grijpen plaats met gesloten poorten (uitgezonderd wanneer moet worden geladen en gelost)”. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 3.3.0.1, 4.5.3.1 en 5.15.0.6, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II), de artikelen 21 en 30bis, §§ 1 en 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van het preventiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. De verzoekende partij acht de aangehaalde bepalingen en beginselen geschonden doordat “de vigerende geluidsnormen voor deze inrichting die als nieuw beschouwd dient te worden, overschreden worden, en doordat uit het voorafgaand geluidsonderzoek niet blijkt dat men het geluidsniveau bepaald heef[t] als alle toestellen en activiteiten van de inrichting draaien/actief zijn bij geopende poorten (en evenmin bij gesloten poorten) maar zich enkel lijkt te focussen op drie activiteiten m.n. het ‘laden van vrachtwagens’, het ‘aflaten van de perslucht’ en ‘vrachtwagenbewegingen’ terwijl er nog tal van andere […] activiteiten/handelingen gepaard gaan met de nieuwe inrichting dewelke men niet mee onderwerpt aan het geluidsonderzoek maar waarover men VII-40.884-8/14 louter schrijft ‘Bij plaatsbezoek werd vastgesteld dat buiten de terreingrenzen de werking van de installaties amper hoorbaar is, niettegenstaande er met open poorten gewerkt werd.’ hetgeen niet getuigt van een objectief akoestisch onderzoek, en de terwijl men weet dat werktijden beginnen op zondagavond vanaf 20u en de andere dagen van 5u tot 21u, waardoor het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, en doordat uit niets blijkt dat men het oorspronkelijk omgevingsgeluid ’s avonds en ’s nacht[s] bepaald heeft, hetgeen eveneens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert, en doordat de deputatie de werktijden voor vrachtwagens mogelijk maakt vanaf 6u ’s morgens en geweten is dat er hierbij een overschrijding van de geluidsnormen is in die periode, en doordat [men] de tweede geluidsmeting uitvoert bij een woning die op 200m gelegen is van de inrichting en daarentegen geen geluidsmeting uitvoert op het jaagpad/de trekweg aan de overkant van de Schelde d.i. op 70m van de inrichting en dit in natuurgebied en op een locatie waar veel wandelaars en fietsers komen genieten van de rust van dit natuurgebied en dit terwijl op basis van de kennis van geluidsvoortplanting eenvoudigweg kan afgeleid worden dat de geluidsnormen hier sterk zullen overschreden zijn, en dat hierdoor allerminst kan gesproken van een deugdelijk geluidsonderzoek rondom rond de nieuwe inrichting, en doordat de deputatie op kennelijk onredelijke wijze de overschrijding van de geluidsnormen ten onrechte minimaliseert op basis van foute en onterechte argumenten, waardoor geen afdoende motivering voorligt om die overschrijding toe te staan, Terwijl artikel 3.3.0.1 van Vlarem II bepaalt dat het opleggen van bijzonder[e] milieuvoorwaarden gericht is op de handhaving of het bereiken van de milieukwaliteitsnormen, en terwijl overeenkomstig artikel 5.15.0.6 §1 van Vlarem II, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, rustverstorende werkzaamheden verboden [zijn] op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur, en terwijl luidens artikel 30bis van Vlarem I een vergunning pas kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door Vlarem I en II zijn gesteld en zoniet dient te worden geweigerd wanneer dat niet het geval is”. In de toelichting bij het middel wijst zij er onder meer op dat overschrijdingen van de geluidsnormen zijn vastgesteld en dat de verwerende partij niet heeft onderzocht of de opgelegde voorwaarde inzake geluid volstaat opdat de geldende geluidsnormen kunnen worden nageleefd.
- De verwerende partij antwoordt dat de geluidsbronnen van de inrichting in het geluidsonderzoek werden onderzocht, dat het oorspronkelijk omgevingsgeluid werd bepaald in het advies van de provinciale geluidsdeskundige, dat reeds in 2015 metingen werden uitgevoerd over het VII-40.884-9/14 oorspronkelijk omgevingsgeluid voor de avondperiode en dat voor de nachtperiode het specifiek geluid werd getoetst aan de strengste normen. Voorts beklemtoont zij dat een onderzoek naar het oorspronkelijk omgevingsgeluid niet langer relevant is. Aangezien de nabijgelegen horecazaak geen bewoond gebouw is, mocht worden uitgegaan van een dagnorm van 60 dB(A) in de KMO-zone. Vanuit geluidstechnisch oogpunt is een overschrijding van 2 dB als beperkt op te vatten, aangezien dergelijke toename door de meeste mensen niet auditief wordt waargenomen. Om die reden werd terecht geoordeeld dat de overschrijding verwaarloosbaar is. Wat betreft de beoordeling van het geluidsniveau ten opzichte van meetpunt 3 en ter hoogte van het jaagpad op de rechteroever, verwijst de verwerende partij naar het verslag van de provinciale geluidsdeskundige en naar de uitgevoerde geluidsonderzoeken. Eruit blijkt dat tijdens de dagperiode de normen niet worden overschreden en dat er enkel tijdens de nachtperiode een lichte, maar verwaarloosbare overschrijding van de geluidsnorm kan zijn. In het bestreden besluit werd erop gewezen dat bij passage van een vrachtwagen tijdens de nachtperiode de norm licht overschreden kan worden. Er werd echter weloverwogen gemotiveerd waarom transportbewegingen kunnen worden toegestaan tussen 6 uur en 19 uur: dit zou immers slechts tot beperkte overschrijdingen leiden. De verwerende partij besluit dat zij het geluidsaspect voldoende heeft onderzocht en geoordeeld heeft dat er geen onaanvaardbare hinder is, zodat de vergunning kon worden verleend.
- De tussenkomende partijen sluiten zich integraal aan bij de repliek van de verwerende partij.
- In haar memorie van wederantwoord laat de verzoekende partij gelden dat het oorspronkelijk omgevingsgeluid enkel werd gemeten op één punt en op een bepaald moment in de voormiddag met een verkeerspiek. Nergens wordt in de bestreden beslissing gemotiveerd waarom het oorspronkelijk omgevingsgeluid niet op andere momenten werd onderzocht. Ook zou de verwerende partij niet toelichten waarom de dagnorm met 5 dB verhoogd zou mogen worden als een gebouw niet bewoond is. Het standpunt dat er slechts sprake zou zijn van een VII-40.884-10/14 beperkte overschrijding van de geluidsnorm, is onjuist aangezien de decibelschaal een logaritmische schaal betreft, waardoor een overschrijding met 2,3 dB wel degelijk aanzienlijk is. Ook het standpunt van de verwerende partij dat de gemiddelde persoon pas een toename van geluidsniveau vaststelt vanaf een verhoging met 3 dB en een toename van 2 dB door de meeste mensen auditief niet wordt waargenomen, wordt betwist. De verzoekende partij wijst erop dat een toename van 3 dB gelijkstaat met een verdubbeling van het geluidsniveau.
- In hun laatste memorie benadrukken de tussenkomende partijen dat zij “blijvend inzetten op het nemen van bijkomende maatregelen inzake het verder beperken van de mogelijkse geluidsimpact naar de omgeving toe”. Zij verwijzen concreet naar de ingrepen die sedert 2021 werden uitgevoerd om geluidshinder tegen te gaan. Beoordeling
- Artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I bepaalt, in de op het geding toepasselijke versie, dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. Deze bepaling verwoordt een fundamentele doelstelling van de milieuvergunningsplicht, met name de plicht die op de bevoegde overheid rust om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. Uit de voormelde bepaling vloeit voort dat het bestuur de milieuvergunning moet weigeren wanneer de geldende algemene en sectorale milieuvoorwaarden niet kunnen worden nageleefd tijdens de exploitatie. Ook kan de vergunningverlenende overheid, geplaatst voor een ernstige onzekerheid aangaande de mogelijkheid tot naleving van de toepasselijke milieunormen, niet volstaan met het opleggen, als bijzondere vergunningsvoorwaarde, van VII-40.884-11/14 maatregelen waarvan niet met voldoende zekerheid vaststaat dat zij effectief zullen remediëren aan de vastgestelde risico’s.
- In de bestreden beslissing wordt verwezen naar de resultaten van nieuwe geluidsmetingen, uitgevoerd op 7 februari
- Daaruit blijkt dat wanneer de vrachtwagens worden geladen in de avond- en/of nachtperiode, de geluidsnorm van 40 dB(A) “licht overschreden [kan] worden met maximaal 3,3 dB”. Tevens blijkt dat het aflaten van de perslucht tijdens de avond- en nachtperiode ertoe zou leiden dat de geluidsnorm van 50 dB(A) “licht overschreden [kan] worden met 2,1 dB” en dat bij vrachtwagenbewegingen tussen 6 uur en 7 uur de nachtnorm van 50 dB(A) “licht overschreden [kan] worden met 3,4 dB”. Vervolgens wordt verwezen naar het advies van de provinciale geluidsdeskundige van 17 februari 2020, waarin wordt vastgesteld dat de geluidsnormen voor de dagperiode telkens gerespecteerd worden ter hoogte van de woning Grenadierslaan 60, maar ook dat, indien deze activiteiten zich zouden voordoen tijdens de avond- en nachtperiode, er lichte overschrijdingen van 2 à 3 dB kunnen optreden.
- Aldus wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk erkend dat bepaalde activiteiten aanleiding kunnen geven tot een overschrijding van de geluidsnormen wanneer zij uitgeoefend worden tijdens de avond- of nachtperiode. Bijgevolg moest de vergunningverlenende overheid de vergunning weigeren, dan wel eraan de gepaste vergunningsvoorwaarden koppelen die kunnen garanderen dat de betrokken inrichting ook in de avond- en nachtperiode aan de geldende geluidsnormen voldoet. De vaststelling dat het om “lichte” overschrijdingen van de norm gaat die als “verwaarloosbaar” of “niet significant” beschouwd kunnen worden, is in dat opzicht niet relevant vermits artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I, zoals van toepassing, niet in een significantiedrempel voorziet. Er kan niet nuttig worden verwezen naar de omstandigheid dat met bepaalde factoren, waaronder meet- en rekenonzekerheid, alsook reflectie en absorptie van de geluidsoverdracht, geen rekening werd gehouden. Uit niets blijkt immers dat de toepasselijke normen gerespecteerd zouden worden indien met die factoren rekening zou zijn gehouden.
- De bijzondere vergunningsvoorwaarde die oplegt dat de activiteiten met gesloten poorten moeten plaatsvinden, volstaat in dit verband niet. VII-40.884-12/14 Die voorwaarde kan immers niet bijdragen tot een vermindering van de overschrijding van de geluidsnormen door de laad- en losactiviteiten aangezien er een uitzondering op de voorwaarde geldt “wanneer moet worden geladen en gelost”. Voorts valt niet in te zien hoe de gesloten poorten een effect zouden kunnen hebben op de normoverschrijdingen als gevolg van “vrachtwagenbewegingen”, noch op het “aflaten van de perslucht” aangezien die “opgewarmde lucht […] bovenaan het dak afgevoerd” wordt. Het blijkt derhalve niet dat de opgelegde voorwaarde inzake geluid kan garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door Vlarem I en II zijn gesteld.
- Het eerste middel is gegrond. V. Kosten
- De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
- De verzoekende partij is weliswaar de in het gelijk gestelde partij, maar werd niet bijgestaan door een advocaat. Er wordt dan ook niet ingegaan op haar verzoek tot toewijzing van een rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 mei 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth van 9 februari 2015, houdende het verlenen aan de nv Franson, de nv Alnatra en de nv Julhenphine van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een veevoederbedrijf, gelegen aan de Sluis 3 te Nazareth, in hoofdzaak niet wordt ingewilligd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-40.884-13/14
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.884-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div