id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.698 Rolnummer: A. 237337/IX-10128 Zaak: Arrest 254698 - Examens (onderwijs) - 07/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-10 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 07:35 Fiche Arrest nr 254.698 van 7 oktober 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.698 van 7 oktober 2022 in de zaak A. 237.337/IX-10.128 In zake: Mädchen AMERY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maxim Donck kantoor houdend te 8400 Oostende Hendrik Serruyslaan 52 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep Impact bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 september 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de scholengroep Impact van 26 augustus 2022, waarbij het aan Mädchen Amery toegekende oriënteringsattest B, met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs, het technisch secundair onderwijs en het kunstsecundair onderwijs, wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.128-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maxim Donck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het tweede leerjaar van de tweede graad sportwetenschappen (sportspecialisatie dans) in het GO! technisch atheneum te Brugge, een onderwijsinstelling waarvan de Scholengroep Impact van het Gemeenschapsonderwijs het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar laat verzoekster jaartekorten optekenen voor chemie (47,1%), Frans (39,6%) en geschiedenis (45,2%). De delibererende klassenraad kent aan verzoekster een oriënteringsattest B toe met clausulering voor het algemeen secundair onderwijs, het technisch secundair onderwijs en het kunstsecundair onderwijs. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Je behaalde onvoldoende resultaten voor de vakken uit de basisvorming. IX-10.128-2/9 Je behaalde veel en zware tekorten op de examenperiodes en te veel globale tekorten. Gelet op deze elementen heeft de delibererende klassenraad geoordeeld dat de leerplandoelstellingen onvoldoende zijn bereikt.” 3.
- Overleg met de directeur leidt tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. De klassenraad beslist om het oriënteringsattest B te bevestigen. De motivering van die beslissing luidt als volgt: “[Verzoekster] behaalde aanhoudende tekorten voor vakken uit de basisvorming (biologie, chemie en geschiedenis) tijdens de examenperiodes. Bovendien heeft ze de leerstof voor Frans niet onder de knie. Daarbij zijn fundamentele leerplandoelen niet verworven. [Verzoekster] heeft opmerkelijk last van prestatiedruk en faalangst. Dit is vooral zichtbaar tijdens de examenperiodes en tijdens de sportspecialisatie dans. De klassenraad merkt op dat de leerstofpakketten volgend schooljaar groter en moeilijker zullen worden. [Verzoekster] vertoonde onvoldoende vakgebonden attitudes tijdens de les zoals interesse, inzet en werktempo om in een volgend leerjaar in dit studiegebied te starten. Desondanks de remediërende en ondersteunende maatregelen en de externe studiehulp bleven er aanhoudende tekorten voor vakken uit de basisvorming.” Verzoekster stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
- Op 26 augustus 2022 beslist de beroepscommissie het oriënteringsattest B, met dezelfde clausulering, te handhaven. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “- Gelet op het voorliggende dossier dat door de ouders en raadsman van [verzoekster] kon worden ingekeken en dat zij via mail hebben ontvangen; - Gelet op het horen van de ouders en de raadsman. - Gelet op het horen van mevr. [P.D.S.], pedagogisch directeur KTA Brugge; - De klassenraad heeft gedegen geoordeeld en de commissie bevestigt deze beslissing, het eindrapport vormt hiervoor de basis. Er zijn ook voldoende gegevens ter beschikking en er is een representatief beeld om deze beslissing te kunnen nemen. Derhalve zijn herexamens niet aan de orde. De inspanning en ondersteuning van de ouders in de vorm van studiebegeleiding en psychologische ondersteuning worden als zeer waardevol gezien. Bijgevolg kan [verzoekster] de keuze maken om haar jaar over te zitten indien [zij] wenst verder te gaan in deze richting, zoniet kan ze in een hogere arbeidsmarktgerichte studierichting haar studieloopbaan verder zetten.” IX-10.128-3/9 Dat is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Met een e-mail van 3 oktober 2022 verzonden om 17.25 uur, heeft verzoekster de dag vóór de zitting nog een aanvullend stuk neergelegd. De verwerende partij heeft ter zitting gevraagd om dat stuk uit het debat te weren.
- De procedure in kort geding – a fortiori bij een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid – is gericht op een voorlopige uitspraak die spoedig wordt genomen na een beperkt onderzoek van de zaak met als basis de gegevens die de verzoekende partij in haar verzoekschrift heeft uiteengezet en de stukken die bij het verzoekschrift zijn gevoegd. Die vereiste spoed rechtvaardigt dat de procedureregeling, waarbij niet voorzien is in de mogelijkheid om aanvullende stukken neer te leggen, in beginsel strikt wordt toegepast. Er is geen reden om thans van deze regel af te wijken. Het door verzoekster neergelegd aanvullend stuk dient derhalve uit het debat te worden geweerd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.128-4/9 IX-10.128-5/9 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekster motiveert de uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering als volgt: “dat de uiterst dringende noodzakelijkheid waarom dit verzoek tot schorsing wordt ingediend, te vinden is in het feit dat het dreigend verlies van een schooljaar niet afdoende kan worden afgewend met een gewone schorsingsprocedure en dat dus een beroep mag worden gedaan op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterste dringende noodzakelijkheid. Dat artikel 2.2.6.4 van het schoolreglement ook stelt dat de genomen beslissing kan worden uitgevoerd onverminderd [een] annulatieberoep […]. [Verzoekster] heeft een poging gedaan om zich te confirmeren naar de bestreden beslissing, gelet de beslissing van de beroepscommissie viel net voor aanvang van het schooljaar 2022-23 en gedraagt zich in afwachting van de uitspraak van Uw Raad naar de genomen beslissing van de onderwijsinstantie […]. Doch dat zij, geconfronteerd met de gevolgen van de bestreden beslissing, zich niet kan verzoenen met deze en daarom zich tot Uw Raad wendt. Dat het vaste rechtspraak is voor Uw Raad dat het dreigend verlies van een schooljaar de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt.” Beoordeling
- Er dient te worden aan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. IX-10.128-6/9 Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in zijn inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden, is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Van verzoekster – die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten – wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State.
- Zodra verzoekster kennis kreeg van de beslissing van de beroepscommissie tot handhaving van het oriënteringsattest B wist zij dat zij niet langer de door haar geambieerde studieloopbaan kon voortzetten. IX-10.128-7/9 Er dient te worden vastgesteld dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift geen overtuigende feiten of omstandigheden vermeldt die volgens haar kunnen verantwoorden dat in haar geval de diligentie niet zou moeten worden afgemeten vanaf de kennisname van de bestreden beslissing. De Raad van State dient dan ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen de kennisname van de bestreden beslissing en het indienen van de voorliggende vordering.
- De bestreden beslissing dateert van 26 augustus
- Verzoekster heeft er kennis van gekregen op 1 september
- Die beslissing is niet zomaar een beslissing die plots of onverwachts over haar is genomen. Die beslissing is het resultaat van een beroepsprocedure die verzoekster zelf heeft ingesteld tegen een eerdere klassenraadbeslissing en waarvan zij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten. De voorliggende vordering is niettemin pas op 27 september 2022 ingesteld, dit is na verloop van 25 dagen. Dit is, voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, schromelijk laat. Voor dit dralen geeft verzoekster geen aanvaardbare uitleg.
- Een en ander leidt ertoe dat moet worden besloten dat verzoekster niet met de vereiste spoed is opgetreden. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door haar aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifeste gebrek aan diligentie, dat de negatie zelf is van het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die IX-10.128-8/9 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-10.128-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.698 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div