← België

Arrest 254705 - Politie - 10/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.705 Rolnummer: A. 229595/XIV-38196 Zaak: Arrest 254705 - Politie - 10/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-13 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:36 Fiche Arrest nr 254.705 van 10 oktober 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.705 van 10 oktober 2022 in de zaak A. 229.595/XIV-38.196 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem (Antwerpen) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5344 BRUSSEL-NOORD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Anthony Poppe en Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Milde kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 142 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de politiezone Brussel-Noord van 24 september 2019 waarbij verzoeker bij ordemaatregel wordt herplaatst naar de Cel Deurwaarders met ingang van 1 oktober 2019. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 246.972 van 6 februari 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-38.196-1/34 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2022. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Emmanuel Jacubowitz, Anthony Poppe en Michel Milde verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-38.196-2/34 III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 246.972 van 6 februari 2020. Er wordt naar verwezen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in het verzoekschrift in het eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 59 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van de artikelen VI.II.85, 1° en VI.II.87, tweede lid, van het RPPol, van het verbod van machtsafwending en van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit en ”uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en uit machtsoverschrijding”. Verzoeker doet vooreerst gelden dat de bestreden ordemaatregel moet worden gekwalificeerd als een verkapte tuchtmaatregel, omdat de opgelegde ordemaatregel dergelijk verregaande gevolgen heeft dat het effect van een tuchtmaatregel wordt bereikt. Verzoeker wijst hierbij eerst op het uitermate verschillend takenpakket van de nieuwe betrekking in vergelijking tot het veelzijdiger takenpakket dat hij in zijn oorspronkelijke betrekking vervulde. Deze ingrijpende wijziging vereist een grote aanpassing van verzoeker en dreigt daarbij te stuiten op de limieten van zijn arbeidsongeschiktheid. Door de bestreden beslissing dreigt hij dagelijks – soms meermaals per dag – te worden geconfronteerd met geweld, gepaard gaande met emotionele burgers en zijn dergelijke werkomstandigheden uiterst ongepast voor een persoon met PTSS zoals verzoeker. De overplaatsing getuigt aldus van een verregaand gebrek aan concrete afweging van het algemeen belang en van verzoekers belang. Ten tweede wordt XIV-38.196-3/34 verzoeker in zijn nieuwe functie onderworpen aan een administratief uurrooster terwijl hij reeds jaren op allerhande momenten van de dag en tijdens het weekend diensten presteerde. De aanpassing naar het uitsluitend uitoefenen van taken gedurende administratieve uren vergt van verzoeker, die geniet van de veelzijdigheid van zijn oorspronkelijke functie, een enorme aanpassing. Ten derde lijdt verzoeker door de aanpassing naar het voornoemde administratieve uurrooster een financieel verlies – door hem begroot op om en bij de 600 euro per maand – doordat hij niet langer aanspraak kan maken op de extra toelage voor weekendwerk en hij als voornaamste kostwinnner over voldoende financiële middelen moet kunnen beschikken om zijn gezin te onderhouden. Ten vierde kent de nieuwe functie een verminderde bereikbaarheid in vergelijking tot zijn oorspronkelijke functie. Verzoeker besluit dat al deze negatieve gevolgen, in combinatie met de afwezigheid van strafbaar gedrag, ervoor zorgen dat er volgens hem sprake is van een verkapte tuchtmaatregel, waarbij dat vermoeden wordt bevestigd door het gegeven dat de bestreden beslissing uitgaat van de “cel discipline” hoewel er geen logische reden is waarom een ordemaatregel door die dienst zou moeten zijn genomen. De bestreden maatregel schiet volgens verzoeker voorts ook tekort aan de verplichting de minst bezwarende maatregel op te leggen. Volgens verzoeker zou een herplaatsing binnen de politiezone een veel minder verregaand gevolg hebben voor hem. Zijn voorstel tot herplaatsing naar het onthaal van Commissariaat 5 werd afgewezen omdat die functie zou zijn voorbehouden voor CALOG-personeel. Deze motivering strookt volgens verzoeker niet met de werkelijkheid want volgens hem worden onthaaltaken frequent door personeelsleden van zijn niveau uitgeoefend en behoren die expliciet tot die welke in zijn oorspronkelijke betrekking moeten worden gegarandeerd. Daarenboven verduidelijkt de bestreden beslissing niet waarom een overplaatsing naar een ander commissariaat binnen de politiezone, met een gelijkaardig takenpakket en zonder de voornoemde nadelen, niet mogelijk zou zijn. De bestreden beslissing schendt voorts de artikelen VI.II.85 en VI.II.87 RPPol. De noodzaak van de herplaatsing steunt op verzoekers medische ongeschiktheid. In een dergelijk geval moet de nieuwe functie verenigbaar zijn met XIV-38.196-4/34 verzoekers gezondheidstoestand en het opgemaakte gezondheidsprofiel. Dat werd niet opgemaakt. Het is echter niet aan de verwerende partij om een eenzijdige en niet-deskundige interpretatie van verzoekers medische toestand op te maken. Een dergelijk handelen maakt een uiterst onzorgvuldig overheidsgedrag uit. Tot slot is de bestreden beslissing aangetast door machtsafwending omwille van het arbitrair karakter van de motieven die aan de grondslag liggen van de bestreden beslissing en het gebrek aan aangepastheid van de nieuwe functie aan zijn medische noodwendigheden. De bestreden herplaatsing maakt een gebrek aan bereidheid uit om een passende betrekking te verzekeren voor verzoeker. 5. In de memorie van wederantwoord vat verzoeker vooreerst zijn argumenten samen die hem doen besluiten dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtsanctie is. Inzake de verplichting om de minst bezwarende maatregel op te leggen vindt verzoeker het uiterst ongeloofwaardig dat hij met zijn profiel de meest geschikte persoon was om te herplaatsen naar de Cel Deurwaarders. Evenmin is er sprake van een tekort aan Nederlandstalige inspecteurs in die nieuwe betrekking. Verzoeker betwist voorts dat zijn nieuwe betrekking verenigbaar zou zijn met zijn profiel en gezondheidstoestand. Een eenvoudig overzicht van een standaard werkdag van verzoeker in zijn nieuwe betrekking toont dat volgens hem aan, hetgeen hij omstandig toelicht. Ook wijst hij erop dat de medische aanbeveling met betrekking tot lawaaierige omstandigheden en de vrijstelling voor handhaving niet leidden tot meldingswaardige functioneringsmoeilijkheden binnen de oorspronkelijke betrekking. Met betrekking tot de negatieve gevolgen van de bestreden beslissing op verzoeker, verdiept hij zijn standpunt dat de bestreden herplaatsing verregaande, disproportionele en negatieve gevolgen zou hebben, waarbij hij elk XIV-38.196-5/34 van de in het verzoekschrift aangegeven nadelige gevolgen breedvoerig uiteenzet en verder toelicht en hierbij het standpunt van de verwerende partij betwist. Ter adstructie daarvan voegt hij negen nieuwe stukken toe. 6. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker zijn standpunt dat de bestreden beslissing een uitsluitend bestraffend karakter heeft omwille van, enerzijds, de veelheid aan negatieve gevolgen en, anderzijds, de ernstige implicaties die de bestreden beslissing heeft op zijn gezondheidstoestand. Met betrekking tot de deugdelijke afweging tussen het algemeen belang van de dienst en verzoekers belang, stelt verzoeker dat de bevoegdheid van de Raad van State om de bestreden beslissing te beoordelen voortvloeit uit de artikelen VI.II.85, 1° en VI.II.87 RPPol en dat de verwerende partij verzoekers gezondheidstoestand en -profiel kennelijk foutief heeft beoordeeld. In redelijkheid kan evenmin de beoordeling worden gemaakt dat het personeelstekort in de cel Deurwaarders dermate nijpend is dat een personeelslid moet worden ingeschakeld dat hiervoor medisch niet als geschikt kan worden beoordeeld. Met betrekking tot de grief dat de bestreden beslissing meer schade toebrengt dan nodig verwijst verzoeker naar zijn reeds eerder ontwikkelde argumenten, naar een richtlijn van 11 februari 2021 en naar het feit dat zijn voorgestelde herplaatsing nog steeds een mogelijkheid is. Voorts stelt verzoeker dat de verwerende partij zich wel degelijk had moeten vergewissen van de correcte draagwijdte van zijn medische geschiktheid voor de herplaatsing. Tot slot beargumenteert verzoeker zijn standpunt dat de verwerende partij zich schuldig maakt aan machtsafwending. Verzoeker voegt tevens zeventien nieuwe stukken toe waaruit onder meer moet blijken dat hij onophoudend en systematisch medische gevolgen kent door de uitwerking van de bestreden beslissing. XIV-38.196-6/34 Beoordeling De schending van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit 7. Verzoeker zet in het verzoekschrift niet uiteen op welke wijze het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit zou zijn geschonden door de bestreden beslissing. Het middel is derhalve in die mate niet ontvankelijk. Hij kan voorts hieraan niet verhelpen door deze grief voor het eerst (summier) in de memorie van wederantwoord toe te lichten. De kwalificatie van de bestreden beslissing als verkapte tuchtmaatregel en de schending hierdoor van de artikelen 2 en 59 van de tuchtwet 8. Wanneer een verzoeker aanvoert dat een beslissing tot herplaatsing in werkelijkheid een verkapte tuchtmaatregel is, komt het aan hem toe om het voor de Raad van State aannemelijk te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt hem te bestraffen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van loutere subjectieve gevoelens van verzoeker. Integendeel dient verzoeker met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerend motief van de ordemaatregel erin bestaat hem te bestraffen. De Raad van State onderzoekt vervolgens of het geheel van de gegevens, die verzoeker hem voorlegt, alleen of in hun samenhang bekeken, in redelijkheid het besluit rechtvaardigen dat de bestraffing het dragend motief is van de genomen beslissing. De argumenten die verzoeker in dat verband in het verzoekschrift aanvoert worden hierna onderzocht. 9. Waar verzoeker als eerste en tweede argument aanvoert dat hij is herplaatst naar een betrekking met een uitermate ander takenpakket - dat volgens hem ook dreigt te stuiten op de limieten van zijn arbeidsongeschiktheid - en een XIV-38.196-7/34 ander administratief uurrooster – hetgeen een enorme aanpassing van hem vereist -, toont die herplaatsing wel aan dat verzoeker een betrekking met een andere inhoud uitoefent, maar dat betekent evenwel op zich nog niet dat het dragend motief van de bestreden beslissing is hem te bestraffen. In dat verband moet immers worden vastgesteld dat de herplaatsing gebeurt in een betrekking in overeenstemming met verzoekers graad en competenties, zodat een herplaatsing naar een dergelijke betrekking op zich niet doet blijken dat verzoekers bestraffing het dragend motief is van de bestreden herplaatsing. Verzoeker doet ook gelden dat de aanpassing aan de nieuwe werkomstandigheden dreigt te stuiten op de limieten van zijn arbeidsongeschiktheid doordat hij dreigt op dagelijkse basis te worden geconfronteerd met verbaal (en zelfs fysiek) geweld door emotionele burgers. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel dat verzoeker in zijn oorspronkelijke betrekking ook inzetbaar is “bij ernstige incidenten, feestelijkheden, braderieën, doelgerichte acties, enz.”, noch betwist verzoeker dat hij hierbij alsdan niet gevrijwaard was van fysiek en verbaal geweld. Evenmin maakt verzoeker zijn aanname in het verzoekschrift aannemelijk dat hij in de dagelijkse werkomstandigheden in de betrekking bij de cel Deurwaarders waarnaar hij wordt herplaatst, “mogelijks meerdere malen per dag” dreigt te worden “geconfronteerd met verbaal (en zelfs fysiek) geweld, gepaard gaande met emotionele burgers”. Verzoeker voegt ter adstructie van dat standpunt pas bij de memorie van wederantwoord twee e-mails bij van personen, die naar hij stelt, zijn (of waren) tewerkgesteld in de cel Deurwaarders, maar om de redenen nader uiteengezet in het tweede middel worden die niet betrokken bij de voorliggende beoordeling. Evenmin wordt rekening gehouden met de verschillende nieuwe stukken betreffende verzoekers (navolgende) arbeidsongeschiktheid en verminderde prestaties gevoegd bij verzoekers laatste memorie en waaruit volgens verzoeker de schadelijke gevolgen voor zijn gezondheidstoestand door de bestreden beslissing blijken. Deze stukken hebben allen betrekking op de (gezondheids)toestand van na de bestreden herplaatsing en kunnen hoe dan ook niet van invloed zijn op de wettigheid van de bestreden beslissing. Uit wat voorafgaat volgt dat, waar het aanpassen aan de nieuwe betrekking en het ermee gepaard gaand toepasselijke administratief uurrooster, naar verzoekers mening enorm is en volgens hem dreigt XIV-38.196-8/34 te stuiten op de limieten van zijn arbeidsongeschiktheid, dit aldus voorkomt als een door verzoeker op louter subjectieve gevoelens gesteunde eigen appreciatie, maar die op zich niet doet blijken dat de bestreden herplaatsing een uitsluitend of hoofdzakelijk bestraffend karakter heeft. Hetzelfde geldt voor het argument dat volgens verzoeker de aanpassing naar het administratieve uurrooster een volgens hem substantieel financieel verlies betekent, doordat hij niet langer een aanspraak kan maken op de extra toelage die gepaard gaat met weekendwerk. Het feit dat een herplaatsing bepaalde bijzondere lasten met zich meebrengt, met inbegrip van financiële gevolgen zoals het verlies van bepaalde toelagen verbonden met de functie of de betrekking – wat overigens wordt erkend in de bestreden beslissing - betekent nog niet dat die een (verkapte) tuchtmaatregel wordt. Niet blijkt dat er weddeverlies is. Te dezen is het aangevoerde financiële verlies het gevolg van het verlies van de weekendtoelage doordat, naar verzoeker stelt, in de betrekking waarin verzoeker wordt herplaatst blijkbaar niet in weekendwerk wordt voorzien. Wat het begrote financieel verlies betreft ingevolge het verlies van de compensatie aan “inconveniënten”, brengt verzoeker - zoals reeds in het tussenarrest werd vastgesteld - bij zijn verzoekschrift geen stukken bij waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk, zoals hij beweert, 600 euro minder inkomsten heeft per maand. Evenmin geeft hij de (al dan niet) substantiële impact van het verlies op zijn levensstandaard. De (weinige) stukken die hij wel bijbrengt, tonen weliswaar aan dat verzoeker aan een aantal financiële verplichtingen moet voldoen, maar zij getuigen er niet van dat verzoeker, zoals hij stelt, ingevolge de bestreden beslissing een substantieel financieel verlies ondergaat. Verzoeker brengt bij de memorie van wederantwoord voor het eerst stukken bij waaruit volgens hem het verschil aan inkomsten moet blijken tussen de periode voor de herplaatsing (augustus 2018 – augustus 2019) en de periode na de herplaatsing (september 2019 – juni 2020). Met die stukken wordt evenwel geen rekening gehouden, enerzijds omdat, wat de inkomsten betreft die dateren van voor het indienen van het voorliggende beroep, niets belette dat verzoeker deze reeds bij het verzoekschrift had kunnen en moeten inbrengen en, anderzijds, omdat, wat de inkomsten betreft die dateren van na de XIV-38.196-9/34 bestreden beslissing, die hoe dan ook niet van invloed zijn op de wettigheid van de bestreden beslissing. In deze context steunt derhalve verzoekers appreciatie van de omvang van (de impact van) het financieel verlies door de herplaatsing, op louter subjectieve gevoelens, maar dat doet op zich evenmin blijken dat de bestreden herplaatsing een uitsluitend of hoofdzakelijk bestraffend karakter heeft. Dat voorts verzoekers tijd voor het woon-werkverkeer, naar hij betoogt, toeneemt is, zoals hij zelf stelt, op zich geen afdoende nadeel om de bestreden beslissing als een verkapte tuchtmaatregel te beschouwen. Ook in combinatie met de andere voormelde gevolgen en lasten die de herplaatsing met zich meebrengt, kan in het licht van wat voorafgaat, evenmin worden geconcludeerd dat de bestreden maatregel een verkapte tuchtmaatregel vormt. Voorts kan dat karakter evenmin worden afgeleid uit het gegeven dat de bestreden beslissing uitgaat van de cel Discipline, te meer daar verzoeker niet ingaat op het argument in de bestreden beslissing dat het beheer van het dossier werd toevertrouwd aan de cel Discipline “enkel om organisatorische en praktische redenen, zonder dat er in deze regeling een verdoken tuchtstraf dient gezocht te worden”. Wat tot slot verzoekers argument betreft dat de bestreden beslissing meer schade toebrengt dan nodig door hem niet de minst bezwarende maatregel op te leggen en zijn constructief voorstel, in de vorm van een overplaatsing naar het onthaal van Commissariaat 5, veel minder verregaande gevolgen zou hebben voor verzoeker, blijkt uit de bestreden beslissing het volgende: “Het onthaal in de commissariaten is voorbehouden aan bedienden of assistenten, ’t is te zeggen aan Calog-personeel van het niveau D of C, en wordt op sommige plaatsen nog uitzonderlijk ingevuld door politieagenten. De onthaaldienst van het commissariaat 5, die u als alternatief voorstelt, komt dus niet overeen met uw profiel van politie-inspecteur, van lid van het operationeel kader. Uw voorstel druist trouwens in tegen het algemeen beleid voor meer blauw op straat. Uw ervaring en professionele kennis zal beter gewaardeerd worden in een operationele dienst zoals de Cel Deurwaarders.” XIV-38.196-10/34 Verzoeker spreekt zulks tegen, stellende dat in de werkelijkheid onthaaltaken frequent door personeelsleden van zijn niveau moeten worden uitgevoerd en dat het onthaal expliciet behoort tot de diensten die binnen de Koban Brabant moeten worden gegarandeerd. Hij steunt zich in het verzoekschrift hiertoe op een interne nota van 1 oktober 2012 die hij voegt bij het verzoekschrift. Uit die nota blijkt enkel dat “onthaal” één van de functionaliteiten is die in de Koban Brabant moet worden georganiseerd “voor zover er een infrastructuur beschikbaar is op het grondgebied van de Koban”, en dat het evident is dat het onthaal in functie van de effectieven in tijd kan worden beperkt, doch hieruit kan niet worden afgeleid dat het standpunt in de bestreden beslissing dat het onthaal in commissariaat 5 niet overeenstemt met verzoekers profiel van lid van het operationeel kader. Los van de vaststelling dat verzoeker zijn bewering dat de onthaaltaken “frequent” worden uitgevoerd door personeelsleden van zijn niveau, niet aan de hand van enig stuk staaft – uit de eveneens door verzoeker met het verzoekschrift overgelegde interne nota van 7 november 2014 betreffende “Koban Brabant – bijzonderheden, doelstellingen, werking” blijkt integendeel dat de personeelsformatie voorzien in “1 politiecommissaris, 1 hoofdinspecteur/OGP, 11 inspecteurs en 2 Calogs C om het onthaal te verzekeren” - spreekt zulks evenmin het motief tegen in de bestreden beslissing dat zijn profiel van inspecteur van politie niet overeenstemt met het profiel dat geldt voor het onthaal in de commissariaten. Met de verwijzing tot slot in de laatste memorie naar een richtlijn van 11 februari 2021 wordt geen rekening gehouden omdat die hoe dan ook niet van invloed kan zijn op de wettigheid van de bestreden beslissing. In de mate dat verzoeker ook doet gelden dat de bestreden beslissing niet verduidelijkt waarom een overplaatsing naar een ander commissariaat met een gelijkaardig takenpakket en zonder de vermelde nadelen, niet mogelijk zou zijn, legt geen van de door verzoeker in het middel geschonden geachte bepalingen en beginselen een dergelijke verplichting op. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat er een andere betrekking van zijn niveau vacant was waarnaar hij, in het licht XIV-38.196-11/34 van zijn medisch profiel, had kunnen worden herplaatst en die hem minder nadeel zou hebben opgelegd, terwijl die op dezelfde of gelijkwaardige wijze de goede werking van de dienst zou hebben gediend. In deze context getuigt verzoekers overplaatsing naar de cel Deurwaarders in redelijkheid niet dat de bestreden beslissing meer schade toebrengt dan nodig. 10. In zoverre hij in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn standpunt, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreft, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel. 11. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoeker aangeeft, alleen dan wel samengenomen, niet volstaan om te besluiten dat de herplaatsing een bestraffende maatregel is. Aangezien er geen sprake is van een tuchtprocedure schendt de bestreden beslissing derhalve evenmin de aangevoerde artikelen 2 en 59 van de tuchtwet. Het middel is wat deze grief betreft ongegrond. De schending van de artikelen VI.II.85, 1° en VI.II.87, tweede lid, RPPol 12. De bestreden beslissing is een herplaatsing in de zin van de artikelen VI.II.85 en volgende van het RPPol. Op grond van artikel VI.II.86, eerste lid, RPPol wordt, te dezen, de herplaatsing bevolen door de korpschef. De artikelen VI.II.85 en VI.II.87 RPPol luiden: XIV-38.196-12/34 “Art. VI.II.85. Kan worden herplaatst, het personeelslid dat : 1° niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van de betrekking maar dat opnieuw kan worden geplaatst in een andere betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand; 2° daarom verzoekt omdat het, hetzij in de uitoefening van zijn functie hetzij omwille van zijn loutere hoedanigheid van politiepersoneelslid, slachtoffer is van een ernstige gewelddaad; 2° bis is aangewezen voor een betrekking bedoeld in artikel VI.II.68ter; 3° geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking; 4° heropgenomen wordt overeenkomstig titel III van deel IX; 5° als stagiair wegens beroepsongeschiktheid wordt herplaatst in zijn kader van oorsprong; 6° het personeelslid dat daarom verzoekt op grond van artikel VI.I.11, vierde lid, 2°; 7° het personeelslid dat uit disponibiliteit terugkeert en dat onder toepassing valt van artikel VIII.XI.12, 2°; 8° wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking; 9° in het raam van het eindeloopbaanregime bedoeld in hoofdstuk VII een aangepaste betrekking heeft verkregen.” en “Art. VI.II.87.De herplaatsing in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving en het gewenste profiel van de titularis van die betrekking. Inzonderheid moet het personeelslid geslaagd zijn voor de vereiste selectieproeven indien deze voor het toewijzen van de betrekking vereist zijn. Indien het personeelslid omwille van medische ongeschiktheid wordt herplaatst, moet de nieuwe betrekking verenigbaar zijn met zijn gezondheidsprofiel. In afwijking van het eerste lid, kan het personeelslid dat is aangewezen voor een betrekking bedoeld in artikel VI.II.68ter worden herplaatst in een gespecialiseerde betrekking waarvoor een brevet is vereist overeenkomstig de bijlage 19, zelfs indien het geen houder is van het betrokken brevet.” De bestreden beslissing maakt toepassing van de mogelijkheid tot herplaatsing voorzien in artikel VI.II.85, 1°, met name dat het personeelslid niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van de huidige betrekking. Is dit het geval dan kan het personeelslid worden overgeplaatst naar een nieuwe betrekking die verenigbaar is met diens gezondheidsprofiel (art. VI.II.87, tweede lid, RPPol). Het betreft derhalve een herplaatsing om medische redenen. Het komt aan de bevoegde overheid toe – te dezen de korpschef – te beoordelen of het personeelslid niet langer over de vereiste XIV-38.196-13/34 medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van haar huidige betrekking en, zo niet, of de nieuwe betrekking verenigbaar is met haar gezondheidsprofiel. De korpschef oefent hierbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid uit. De voornoemde bepalingen stellen niet vast hoe de korpschef tot de beoordeling van de gezondheidstoestand en het -profiel van het personeelslid moet komen. De korpschef bepaalt derhalve op discretionaire wijze hoe hij tot het besluit komt dat voldaan is aan de eis dat het personeelslid niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van zijn huidige betrekking en dat de nieuwe betrekking verenigbaar is met zijn gezondheidsprofiel. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om ter zake zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de korpschef is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. 13. Te dezen blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat de korpschef een omstandige beschrijving van verzoekers medische toestand heeft gemaakt, waarbij wordt verwezen naar verzoekers recente medische antecedenten (medische onderzoeken, aanbevelingen, vrijstelling, arbeidsongeval, PTSS). Ook blijkt eruit dat op grond daarvan de korpschef oordeelt dat verzoekers gezondheidstoestand niet langer beantwoordt aan de vereisten van een personeelslid van het operationeel kader van de Koban Brabant, “meer bepaald aan de nodige flexibiliteit en beschikbaarheid die van hem wordt verwacht” en dat de nieuwe betrekking binnen de cel Deurwaarders overeenkomt met (inzonderheid) zijn medisch profiel. De bestreden beslissing steunt aldus op verzoekers gezondheidstoestand en -profiel die worden afgeleid uit diens recente medische antecedenten en attesten. Verzoeker betwist zulks niet, maar beperkt zich tot de enkele kritiek dat “geen gedetailleerd en volledig gezondheidsprofiel” werd opgemaakt, zonder dat hij hierbij evenwel aanvoert, noch aannemelijk maakt dat XIV-38.196-14/34 de korpschef diens gezondheidstoestand en -profiel onjuist of incorrect heeft beoordeeld. In de mate dat verzoeker, met zijn kritiek dat het niet aan de verwerende partij is “een eenzijdige en niet-deskundige interpretatie van de medische toestand van [verzoeker] op te maken,” uitgaat van het standpunt dat die beoordeling (enkel) kan gebeuren aan de hand van een afzonderlijk specifiek onderzoek, faalt dat standpunt in rechte omdat het hiervoor nader bepaalde vrij stelsel van bewijs van de gezondheidstoestand en -profiel inhoudt dat die, desgevallend, ook kunnen blijken uit de gegevens van het dossier. De omstandigheid dat verzoeker de beoordeling van zijn gezondheidstoestand en -profiel anders ziet, maakt daarom de beoordeling van de medische toestand van verzoeker niet onwettig. 14. In zoverre hij in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn standpunt, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel. 15. Het middel is wat deze grief betreft ongegrond. Machtsafwending 16. Er is sprake van machtsafwending wanneer een overheid de bevoegdheid die haar tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt voor het nastreven van een ander doel. Om tot een nietigverklaring te kunnen leiden, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden handeling zijn (RvS (AV) 28 juni 2016, nr. 235.247, Private Stichting Ikhlaas). XIV-38.196-15/34 17. Verzoeker zet niet uiteen welk ongeoorloofd oogmerk het enige doel zou zijn van de bestreden beslissing. De enkele bewering dat machtsafwending blijkt uit het “arbitrair karakter van de motieven” en “het gebrek aan aangepastheid van de nieuwe functie aan de medische noodwendigheden” volstaat ter zake niet en zulks los van de vaststelling dat uit het eerste en tweede middel blijkt dat de bestreden beslissing steunt op wettige motieven en niet onredelijk is en dat dus de elementen die verzoeker aanvoert ter indicatie dat er sprake is van machtsafwending, geen steun vinden in het dossier. 18. Het middel is wat deze grief betreft ongegrond. Conclusie 19. In de mate dat het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 20. Verzoeker voert in het verzoekschrift in het tweede middel de schending aan van het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en de formelemotiveringsplicht zoals die onder meer is neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, doordat de bestreden beslissing een ordemaatregel oplegt met bijzondere verregaande financiële consequenties voor verzoeker, zonder dat er een concrete belangenafweging werd doorgevoerd betreffende de evenredigheid tussen de gevolgen van de maatregel en de implicaties voor verzoeker, en zonder dat kennelijk relevante factoren in dat oordeel werden betrokken, zoals het functioneren binnen de openbare dienst en de werkelijke draagwijdte van de XIV-38.196-16/34 medische aanbevelingen en vrijstellingen van verzoeker, zodat de bestreden beslissing die het opleggen van de ordemaatregel verantwoord acht

  1. i)onder verwijzing naar abstracte overwegingen met betrekking tot zijn gezondheidstoestand die niet concreet wordt ingevuld en niet concreet worden toegepast op de bewuste dienst, en
  2. ii)met miskenning van specifieke relevante omstandigheden bij de werking van de dienst en de kwalificaties van de verzoekende partij in de nieuwe functie, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Verzoeker licht toe dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat het noodzakelijke onderzoek is gevoerd naar de noden van de Koban Brabant, de impact van de verwijdering van verzoeker op deze dienst en de impact van de bestreden beslissing op verzoekers dagelijkse leven. Daarbij wordt niet concreet vermeld of verduidelijkt waarom verzoekers verwijdering uit de Koban Brabant noodzakelijk zou zijn omwille van de specifieke noodwendigheden van de dienst. Daarnaast is volgens verzoeker een herplaatsing naar de cel Deurwaarders, met zijn gevoeligheid voor verbaal en fysiek geweld, in combinatie met zijn PTSS, uiterst ongepast en onwenselijk. Bovendien is volgens verzoeker zijn vertrek uit de Koban Brabant opvallend, gezien die dienst reeds lange tijd kampt met een personeelstekort, zodat het gedrag van de verwerende partij niet getuigt van een normaal en zorgvuldig handelende overheid. Verzoeker betoogt dat uit de formele motivering een fundamenteel gebrekkig onderzoek blijkt naar zijn werking binnen de Koban Brabant. Het is volgens hem onduidelijk op basis van welke elementen de verwerende partij een verstoring van de dienst vaststelt die zijn herplaatsing zou verantwoorden. Er wordt niet verwezen naar functioneringsnota’s of objectieve elementen uit het personeelsdossier. Volgens verzoeker verwijst de verwerende partij daarbij tevergeefs naar het principe van de veranderlijkheid van de openbare dienst. In werkelijkheid is er geen verstoring van de goede werking van de dienst, en al zeker niet door verzoekers gedrag of de medische toestand. Volgens verzoeker zorgt de bestreden beslissing ervoor “onder het mom van een tegemoetkoming aan een medische aanbeveling (vermijden lawaaierige omgeving), […] dat verzoekende partij een functie dient uit te oefenen binnen de XIV-38.196-17/34 Cel Deurwaarders waarvoor hij op grond van zijn arbeidsongeschiktheid (PTSS) niet toe in staat is om op duurzame wijze uit te oefenen”. Verzoeker verwijst voorts naar zijn evaluatieformulieren en evaluaties waaruit volgens hem blijkt dat hij een gewaardeerd en waardevol personeelslid is binnen de Koban Brabant. Hij doet daarom gelden dat, omwille van zijn uitmuntend traject en zijn uitstekend functioneren binnen de Koban Brabant, de bestreden beslissing als onevenredig moet worden beschouwd. De aan de herplaatsing verbonden nadelen (financieel verlies, bijkomende verplaatsing en aanpassing aan uurrooster en werkomstandigheden) zijn dan ook niet evenredig met het belang van de goede werking van de dienst binnen de Koban Brabant. Voorts verschaft de bestreden beslissing geen duidelijkheid omtrent het gevoerde onderzoek naar de concrete elementen van de zaak en evenmin blijkt dat de verwerende partij een deugdelijk nazicht heeft gedaan naar een herplaatsing van verzoeker met een beperkter aantal negatieve gevolgen. De argumentatie dat verzoeker niet de aangewezen persoon is om zijn taken te beperken tot onthaal omwille van zijn graad kan dan ook niet worden aanvaard aangezien deze taken veelvuldig worden uitgevoerd door personeelsleden van dezelfde graad en het ook tot het takenpakket behoort. Een volledige verwijdering van verzoeker uit de Koban Brabant naar een compleet andere werkomgeving en met een dermate verlies aan vergoeding is volstrekt disproportioneel. Dergelijke handelwijze maakt tevens een schending uit van het redelijkheidsbeginsel aangezien er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de motieven die in de bestreden beslissing worden aangewend, en de inhoud van de beslissing. Hoewel een herplaatsing via ordemaatregel principieel tot de mogelijkheden van de korpschef behoort, is te dezen sprake van disproportionele gevolgen met betrekking tot de financiële toestand van verzoeker en een bijzonder gewijzigde arbeidssituatie. Wat de schending van de materiële- en formelemotiveringsplicht betreft, wordt in de bestreden beslissing geen duidelijkheid verschaft waarom verzoeker de goede werking binnen de Koban Brabant zou verstoren of welke taken binnen zijn takenpakket niet langer door hem kunnen worden uitgevoerd. Nochtans is dergelijke informatie essentieel voor XIV-38.196-18/34 verzoeker om zijn functioneren binnen eender welke dienst te kunnen optimaliseren. Bovendien kampt de dienst reeds geruime tijd met personeelstekorten, waardoor het functioneren van verzoeker onmiskenbaar een meerwaarde is voor de dienst. Er kan dan volgens verzoeker ook niet anders dan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van verzoeker de goede werking helemaal niet verstoort, en dat de verwijzing naar de gezondheidstoestand en medische vrijstellingen een drogreden uitmaken. De verwerende partij slaagt er immers niet in een deugdelijke motivatie te voorzien, zelfs niet in antwoord op zijn verweerschrift en zij toont niet aan dat de werking van de dienst verstoord is, laat staan dat verzoeker de oorzaak van deze verstoring zou uitmaken. Verzoeker erkent daarbij niet dat zijn PTSS de confrontatie met en verwerking van gewelddadige interventies bemoeilijkt, doch deze maken een goed functioneren binnen de Koban Brabant niet onmogelijk. Verzoeker lijdt al jaren onder deze arbeidsongeschiktheid, en dit mocht de veelvuldige felicitaties aan zijn adres niet in de weg staan. De verwerende partij toont daarbij niet aan dat in de tussentijd de goede werking werd verstoord. Ook de aanbeveling om lawaaierige omgevingen te vermijden om geen verdere gehoorschade te genereren, is niet van die aard om de werking binnen de Koban Brabant te verstoren. Dergelijke aanbeveling dient immers door elk personeelslid principieel in aanmerking te worden genomen en de bestreden beslissing gaat er daarbij verkeerdelijk van uit dat lawaai vermijden kan worden gelijkgesteld met de noodzaak om te werken in een stille omgeving, hetgeen niet het geval is voor verzoeker. Bovendien verhindert deze aanbeveling niet dat verzoeker voetpatrouilles kan uitoefenen op de braderie. Bovendien maakt verzoeker gebruik van zijn oordopjes wanneer een dringende interventie in een lawaaierige omgeving noodzakelijk is. Dergelijke noodwendigheden behoren echter tot de uitzondering, vermits deze taken volgens hem principieel niet tot zijn takenpakket behoren. Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing inzake de belangenafweging tussen effectieve noodwendigheden van de dienst en de opgelegde ordemaatregel niet steunt op de nodige relevante en draagkrachtige elementen die van aard zijn in redelijkheid tot het opleggen van een ordemaatregel met dermate verregaande negatieve gevolgen te leiden. XIV-38.196-19/34 21. In de memorie van wederantwoord gaat verzoeker in op de repliek van de verwerende partij dat er een dringende nood was aan een Nederlandstalige inspecteur daar waar de Koban Brabant over voldoende inspecteurs zou beschikken. Ook stelt hij dat zijn vermeend gebrek aan flexibiliteit en beschikbaarheid niet wordt gestaafd en benadrukt hij dat de medische aanbevelingen en vrijstelling, gelet op zijn verschillende evaluaties en felicitaties niet tot enig probleem zorgden “met betrekking tot de standaarduitoefening van prestaties”. Voorts stelt hij vast dat de verwerende partij evenmin duidelijk maakt welke verstoring van de goede werking van de dienst zij verzoeker verwijt en die de bestreden beslissing verantwoorden. Hij betoogt dat de verwerende partij ten onrechte voorhoudt dat verzoeker zijn taken binnen de Koban Brabant diende uit te voeren in een “drukke en lawaaierige stedelijke omgeving”, terwijl een stedelijke omgeving, zelfs in een drukke winkelstraat, onder de grens valt van 95 dB en zulks in tegenstelling tot de aanwezigheid bij deuropeningen door slotenmakers, dewelke volgens verzoeker gepaard gaan met gebruik van zware machines die vaak rond 110 dB kunnen worden gesitueerd. De bestreden beslissing getuigt niet van een deugdelijk onderzoek naar de medische geschiktheid van verzoeker door een daartoe onderlegd persoon, noch van enige daadwerkelijke kennis van de werking van de cel Deurwaarders. In de laatste memorie verzet verzoeker zich tegen de herkwalificatie van de bestreden beslissing tot maatregel van inwendige orde. De kwalificatie van de bestreden maatregel als ordemaatregel blijkt uit de titel en het voorwerp van de bestreden beslissing en uit die uitdrukkelijke en doelbewuste kwalificatie van de bestreden beslissing vloeit dan ook de impliciete doch zekere erkenning voort dat de bestreden beslissing de bedoeling had een bepaald gedrag van verzoeker te sanctioneren, minstens te herstellen. Ook verzoekt hij de aanvullende stukken bijgebracht in het licht van zijn memorie van wederantwoord (getuigenverklaringen die volgens hem de blootstelling aan verbaal en fysiek geweld binnen de cel Deurwaarders aantonen) in de beoordeling van het middel mee op te nemen omdat hij die niet eerder had kunnen bijbrengen. Voorts benadrukt hij de elementen die hij in eerdere procedurestukken had uiteengezet. XIV-38.196-20/34 Beoordeling Vooraf 22. Verzoeker voert in het middel tegelijkertijd de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en de materiële- en formelemotiveringsplicht. Het past derhalve om eerst de grieven met betrekking tot de formele motivering en met betrekking tot de materiële motivering te beoordelen, om dan pas de redelijkheid en evenredigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. De vraag of het evenredigheids- en redelijkheidsbeginsel is geschonden, is immers pas aan de orde wanneer vaststaat dat de bestreden beslissing op deugdelijke motieven steunt – hetgeen verzoeker nu net betwist met de door hem aangevoerde schending van de formele en materiële motivering. De schending van de materiëlemotiveringsplicht 23. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van een korpschef aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de XIV-38.196-21/34 korpschef berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door de korpschef in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn of dat hij die incorrect heeft gekwalificeerd. In de mate dat in het middel ook de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” als aparte grond wordt aangevoerd, valt dit samen met de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht. 24. Uit het middel blijkt dat verzoeker in het verzoekschrift in wezen uitgaat van het standpunt dat geen duidelijkheid wordt verschaft waarom hij de goede werking binnen de Koban Brabant zou verstoren of welke taken hij binnen zijn takenpakket niet langer zou kunnen voldoen en dat er in werkelijkheid geen sprake is van een verstoring van de openbare dienst en al zeker niet door zijn gedrag of zijn medische toestand. De bestreden beslissing is een herplaatsing in de zin van de artikelen VI.II.85 en volgende van het RPPol. Het standpunt van verzoeker dat de bestreden beslissing een ordemaatregel is die is gesteund op verzoekers gedrag, faalt in rechte, aangezien de herplaatsing steunt op de mogelijkheid tot herplaatsing om medische redenen, voorzien in artikel VI.II.85, 1°, RPPol. Zulks betekent dat, opdat van die modaliteit tot herplaatsing toepassing mag worden gemaakt, moet vaststaan dat het personeelslid niet langer over de vereiste medische geschiktheid beschikt voor de uitoefening van zijn huidige betrekking en zo neen, of de nieuwe betrekking verenigbaar is met zijn gezondheidsprofiel. Er wordt ter zake verwezen naar het eerste middel (zie supra, punt 13). Aldus is bij de beoordeling daarvan niet relevant noch ter zake de vraag of verzoekers gedrag al dan niet de goede werking van de dienst verstoort, noch de vraag of zulks strookt met de eigen (operationele) noden van de oorspronkelijke dienst. In de mate dat verzoeker het anders ziet, gaat hij aldus uit van een verkeerde lezing van de bepaling waarin de bestreden beslissing haar grondslag vindt. XIV-38.196-22/34 Hieruit volgt dat verzoekers argumentatie dat de korpschef geen rekening houdt met functionerings- en evaluatienota’s of andere “objectieve elementen uit het personeelsdossier”, waaruit volgens verzoeker blijkt dat er geen sprake zou zijn van een gebrek aan de goede werking of het slecht functioneren binnen de Koban Brabant, niet dienend is, aangezien verzoekers kritiek ter zake volledig is opgebouwd vanuit een verkeerde analyse van de grondslag van de bestreden herplaatsing. Hetzelfde geldt wat verzoekers kritiek betreft dat de oorspronkelijke dienst volgens hem reeds geruime tijd kampt met personeelstekorten waardoor verzoekers functioneren een meerwaarde is voor de dienst. 25. In de bestreden beslissing wordt onder de referenties verwezen naar de aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer naar aanleiding van verzoekers medische onderzoeken op 10 januari 2019, 21 februari 2019 en 28 mei 2019, alsook naar verzoekers medische getuigschriften van arbeidsongeschiktheid van 12 juli 2019 en 7 augustus 2019. Uit deze aanbevelingen en vrijstellingen gedetailleerd in de bestreden beslissing, blijkt in ieder geval een medisch profiel waaruit een mindere inzetbaarheid van verzoeker binnen zijn oorspronkelijke betrekking blijkt. Voorts blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing (zie het tussenarrest nr. 246.972 van 6 februari 2020) dat de korpschef meent dat verzoekers medische toestand, die hij nader schetst en die steun vindt in het dossier, een impact heeft op de organisatie en de operationaliteit van de dienst – wat hij eveneens in de bestreden beslissing schetst – en dat derhalve verzoekers - medisch profiel om deze redenen niet langer beantwoordt aan de vereisten van een personeelslid van het operationeel kader van de Koban Brabant “meer bepaald aan de nodige flexibiliteit en beschikbaarheid die van hem wordt verwacht”. Een herplaatsing is volgens hem noodzakelijk “gelet op deze elementen en ook om de continuïteit en de goede werking van de dienst te garanderen”. Verzoekers kritiek in het verzoekschrift, die in wezen inhoudt dat hij van mening is dat zijn gezondheidstoestand en de eruit volgende beperkingen inzake zijn XIV-38.196-23/34 operationaliteit en inzetbaarheid in zijn oorspronkelijke betrekking zijn herplaatsing niet noodzaken, geeft blijk van een persoonlijk standpunt dat niet dat van de korpschef is. Aldus geeft hij weliswaar een eigen beoordeling over zijn gezondheidstoestand en de eruit volgende noodzaak tot overplaatsing, maar hij maakt met die eigen beoordeling niet aannemelijk dat de korpschef in zijn beoordeling ter zake tot een conclusie is gekomen die de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. In de mate dat verzoeker ook nog aanvoert dat de korpschef het noodzakelijk onderzoek niet heeft gevoerd naar de impact van de herplaatsingsmaatregel op zijn dagelijkse leven, beperkt verzoeker zich tot een blote bewering. Bovendien betrekt hij bij deze kritiek niet het gegeven dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de korpschef onder de rubriek “verdoken tuchtmaatregel, proportionaliteit en uw aanvoelen” onder meer de weerslag van een ander uurrooster en de eruit volgende “inconveniënten” heeft onderzocht, hierbij erkennend dat de herplaatsing tot gevolg heeft dat verzoeker in zijn nieuwe betrekking geen weekendwerk meer uitvoert zodat hij ook geen recht meer heeft op de toelage ter zake, dat dit mogelijks neveneffecten heeft op zijn familieleven, maar dat hij van oordeel is dat dit persoonlijk belang niet kan primeren op het algemeen belang. Hieruit blijkt minstens dat de korpschef wel degelijk een onderzoek heeft gevoerd naar de impact op verzoekers leven. Dat verzoeker dat anders apprecieert betekent niet dat die afweging niet afdoende is. In de mate dat hij aanvoert dat zijn te begeven betrekking “uiterst ongepast en onwenselijk” is, beperkt verzoeker zich tot het verwijzen naar zijn gevoeligheid voor verbaal en fysiek geweld, in combinatie met zijn PTSS en tot het standpunt (in het eerste middel) dat hij ook in de te begeven betrekking dreigt te worden geconfronteerd met verbaal en zelfs fysiek geweld. Het komt evenwel de Raad van State niet toe om zelf naar eigen inzicht uit te maken of de betrekking waarnaar verzoeker wordt herplaatst, om die reden “uiterst ongepast en onwenselijk” is. Zoals hiervoor is gesteld (zie supra, punt 24), komt het aldus aan verzoeker toe inzichtelijk te maken waarom dat zo is. Een eigen standpunt dat niet XIV-38.196-24/34 wordt gestaafd, volstaat dan ook niet opdat de Raad van State, in het raam van zijn hiervoor nader omschreven bevoegdheid als annulatierechter, kan besluiten dat de korpschef verzoekers herplaatsing naar de cel Deurwaarders ter zake niet correct heeft gekwalificeerd. Verzoeker doet zulks niet in het verzoekschrift en beperkt zich ter zake tot eigen aannames en standpunten. Verzoeker brengt weliswaar in de memorie van wederantwoord, overigens in het raam van zijn repliek op het eerste middel, twee door verzoeker geanonimiseerde e-mailberichten bij waarvan hij stelt dat die uitgaan van inspecteurs van politie binnen de cel Deurwaarders. Los van de vaststelling dat verzoeker door de eigen anonimisering van deze berichten de Raad van State niet toelaat deze stukken op hun merites te onderzoeken – het argument van verzoeker in de memorie van wederantwoord dat hijzelf die berichten anonimiseerde ten einde betrokkenen af te schermen van eventuele tuchtrechtelijke gevolgen gaat niet op daar verzoeker steeds de mogelijkheid had om overeenkomstig artikel 87 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ om de vertrouwelijke behandeling ervan te verzoeken doch zulks om redenen hem eigen niet deed – zodat om deze reden alleen al er geen rekening mee kan worden gehouden, dateren deze e-mailberichten bovendien van na het indienen van het beroep tot nietigverklaring. Niets belette dat verzoeker deze berichten, die volgens hem dienen als getuigenverklaringen, reeds eerder had kunnen en moeten voegen bij het verzoekschrift, aangezien hij in dat verzoekschrift reeds gewag maakte van verbaal en fysiek geweld bij de uitoefening van de betrekking in de cel Deurwaarders. Door dit na te laten kan hiermee geen rekening worden gehouden. De argumenten in verzoekers laatste memorie dat “het voeren van dergelijk extensief onderzoek naar de eerdere ervaringen van het personeel bij de cel Deurwaarders en het terugkerend karakter van de geweldproblematiek veronderstelde een onderzoek dat tijd en inspanningen vergde die betrekking hadden op diens nieuwe beroepsuitoefening en niet van een persoon in arbeidsongeschikte toestand kunnen verwacht worden” en dat hij bovendien was gebonden door een strikte termijn om het verzoek tot nietigverklaring aanhangig te maken, doen niet anders besluiten. Er mag immers van een zorgvuldige verzoeker worden verwacht en aangenomen dat, op het ogenblik dat hij een standpunt in zijn XIV-38.196-25/34 verzoekschrift aanvoert, hij op dat ogenblik reeds dat standpunt kan staven, zodat de verwerende partij in overeenstemming met haar recht van verdediging, met kennis van zaken zich hiertegen kan verweren. Overigens bemerkt de Raad van State dat uit beide stukken blijkt dat het “extensief onderzoek” waarnaar verzoeker in de laatste memorie verwijst, zich beperkt tot het stellen in de betrokken e-mails van een open vraag aan de geadresseerde van het bericht of die kan zeggen of die in de dienst cel Deurwaarders vaak te maken had met verbaal en fysiek geweld. Niet is in te zien waarom die vraag niet tijdens het lopen van de beroepstermijn had kunnen zijn gesteld. In de mate dat verzoeker herneemt dat zijn tegenvoorstel wel degelijk mogelijk was, wordt verwezen naar de behandeling van het eerste middel. 26. In zoverre hij in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn standpunt, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel. 27. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker weliswaar een eigen beoordeling geeft van de motieven van de herplaatsing, maar dat hij daarmee niet aannemelijk maakt dat de korpschef, door te oordelen dat verzoeker omwille van zijn gezondheidstoestand moet worden herplaatst in een betrekking in de cel Deurwaarders, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van zijn appreciatieruimte ter zake te buiten gaat. Het middel is wat deze grief betreft ongegrond. XIV-38.196-26/34 XIV-38.196-27/34 De schending van de formelemotiveringsplicht 28. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid om in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 29. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt uitdrukkelijk en ondubbelzinnig dat verzoekers medisch profiel, dat in de bestreden beslissing is uiteengezet (zie tussenarrest nr. 246.972 van 6 februari 2020), niet langer beantwoordt aan de vereisten van een personeelslid van het operationeel kader van de Koban Brabant, “meer bepaald aan de nodige flexibiliteit en beschikbaarheid die van hem wordt verwacht”. Voorts stelt de bestreden beslissing dat het de korpschef toekomt, rekening houdend met verzoekers kwetsbare gezondheidstoestand en met zijn professioneel medische vrijstellingen, om meer aangepaste werkomstandigheden voor verzoeker te verzekeren in overeenstemming met zijn toestand en in zijn belang en dat “gelet op deze elementen en ook om de continuïteit en de goede werking van de dienst te garanderen”, een maatregel tot herplaatsing noodzakelijk lijkt. Ook stelt de bestreden beslissing dat de te begeven betrekking overeenstemt met verzoekers graad, (medisch) profiel en competenties en blijkt uit de formele motivering waarom het door verzoeker gedane tegenvoorstel als minder verregaande maatregel, niet wordt bijgevallen. XIV-38.196-28/34 Anders dan hoe verzoeker het ziet, volstaat dit in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts blijkt uit wat voorafgaat dat de korpschef geen onderzoek diende te voeren naar de noden van de Koban Brabant noch naar de vraag of er sprake is van verstoring van de goede werking door verzoeker, zodat aldus geen schending van de formelemotiveringsplicht kan voorliggen door ter zake geen duidelijkheid te verschaffen. Ook gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de korpschef ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. Uit de hieraan voorafgaande kritiek in het middel wat de beoordeling van de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing betreft, blijkt tot slot overigens dat verzoeker de motieven kent. 30. In zoverre hij in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn standpunt, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel. 31. Het middel is wat deze grief betreft, ongegrond. De schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel 32. Verzoeker voert in het middel op grond van dezelfde argumenten ook de schending aan van het evenredigheids- en XIV-38.196-29/34 redelijkheidsbeginsel, zodat die ook vanuit dat oogpunt op hun merites moeten worden beoordeeld. 33. Het evenredigheidsbeginsel kan slechts geschonden worden bevonden wanneer een beslissing die steunt op deugdelijke en dus afdoende bewezen motieven, een maatregel oplegt die niet in een redelijk verband van evenredigheid staat tot die motieven. Bij de behandeling van het middel is reeds vastgesteld dat de bestreden beslissing berust op deugdelijke feitelijke grondslagen. De enkele vaststelling dat de bestreden beslissing een aantal voor verzoeker nadelige gevolgen heeft, of dat een voor verzoeker voordeligere beslissing mogelijk zou zijn geweest, doen op zich niet besluiten dat de opgelegde maatregel niet in een redelijk verband staat tot de motieven die leidden tot de beslissing. Het komt aan verzoeker toe om zulks aannemelijk te maken, wat hij niet doet. Vooreerst verwijst verzoeker naar zijn uitmuntend traject en zijn uitstekend functioneren binnen de Koban Brabant. Om dezelfde reden als hiervoor reeds is gesteld inzake de beoordeling van de motieven van de bestreden beslissing (zie supra, punt 24), is dat argument bij een herplaatsing om medische redenen niet dienend ter beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing. Wat het andere takenpakket en uurrooster betreft waaraan verzoeker in de nieuwe betrekking wordt onderworpen, werd dit mede overwogen door de korpschef, maar is die van oordeel dat die nieuwe betrekking overeenkomt met verzoekers graad, (medisch) profiel en competenties. Wat het aangevoerde financieel verlies betreft, is bij de beoordeling van het eerste middel vastgesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat er te dezen sprake is van het opgeworpen substantieel inkomensverlies. Wat de aangevoerde bijkomende verplaatsingslast betreft, verduidelijkt verzoeker in het verzoekschrift dat hij zich “uiterst efficiënt [kon] verplaatsen vanuit het treinstation te Erps-Kwerps tot het station Brussel-Noord, waar de Koban Brabant vlakbij was gelegen” terwijl voor zijn XIV-38.196-30/34 nieuwe betrekking die bereikbaarheid verminderd is ten opzichte van Koban Brabant. Met deze argumenten, alleen, dan wel gezamenlijk genomen, doet verzoeker weliswaar blijken van een ander standpunt dan de korpschef wat de nadelen betreft die verbonden zijn aan de herplaatsing, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat de korpschef bij de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid, een onvoldoende redelijke afweging heeft gemaakt die zou doen blijken dat de bevolen herplaatsing niet in een redelijk verband van evenredigheid staat tot de feiten waarvan de juistheid hiervoor is vastgesteld. Dat verzoeker de herplaatsing anders ziet en beleeft, doet hieraan geen afbreuk. 34. In zoverre hij in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn standpunt, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel. 35. Het middel is wat deze grief betreft ongegrond. 36. Verzoeker voert dezelfde argumenten aan ter adstructie van zijn grief dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale XIV-38.196-31/34 beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Ook bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing gaat de Raad van State uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent. 37. De herplaatsing steunt op motieven waarvan hiervoor is vastgesteld dat ze feitelijk juist zijn, wettig en afdoende de beslissing kunnen dragen: in concreto oordeelde de korpschef dat verzoekers gezondheidstoestand een herplaatsing noodzaakte uit zijn oorspronkelijke betrekking in de Koban Brabant, naar een betrekking die overeenstemt met zijn graad, (medisch) profiel en competenties. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de korpschef rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangevoerde nadelen voor hem verbonden aan die herplaatsing, alsook het door verzoeker gedane alternatief voorstel van andere betrekking op zijn merites heeft onderzocht doch dat die niet opwegen tegen de herplaatsing. Verzoeker is het met het standpunt van de korpschef niet eens, maar hij maakt met dat standpunt in het licht van de motieven van de bestreden beslissing, op zich niet aannemelijk dat de korpschef bij de uitoefening van zijn appreciatiebevoegdheid ter zake, op grond van verzoekers gezondheidstoestand, tot een onredelijke conclusie is gekomen dat een herplaatsing noodzakelijk was en dat die gebeurt naar de cel Deurwaarders. Aldus ligt geen schending van het redelijkheidsbeginsel voor. 38. In zoverre hij in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert ter adstructie van zijn standpunt, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen XIV-38.196-32/34 derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreft, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel. 39. Het middel is wat deze grief betreft ongegrond. Conclusie 40. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.196-33/34 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.196-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.705 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.