← België

Arrest 254718 - Tucht (openbaar ambt) - 10/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.718 Rolnummer: A. 235893/IX-10021 Zaak: Arrest 254718 - Tucht (openbaar ambt) - 10/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-11 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 07:35 Fiche Arrest nr 254.718 van 10 oktober 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.718 van 10 oktober 2022 in de zaak A. 235.893/IX-10.021 In zake: Benny VERMAEREN die woonplaats kiest bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:

  1. de minister van Economie en Werk
  2. de staatssecretaris voor Relance en Strategische Investeringen, belast met Wetenschapsbeleid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 17 maart 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de algemeen directeur van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België van 27 januari 2022, om aan Benny Vermaeren, verantwoordelijke van de dienst Onderhoud, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 1 februari
  4. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.021-1/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2022 om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Verzoeker is sinds 1984 werkzaam als verantwoordelijke van de dienst Onderhoud in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB), die als algemene directie onder de programmatorische overheidsdienst Wetenschapsbeleid ressorteert. Op 27 januari 2022 beslist de algemeen directeur van de KMSKB om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 1 februari
  8. Dit is de bestreden beslissing. IX-10.021-2/14 IV. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid
  10. Wat de voorwaarde van de spoedeisendheid betreft, stelt de verwerende partij in de nota met opmerkingen zich te gedragen “naar de wijsheid van de Raad van State”. Volgens de Raad van State is het wijs, gelet op hetgeen verzoeker uiteenzet in zijn verzoekschrift en toelicht op de terechtzitting, om deze schorsingsvoorwaarde vervuld te achten. VI. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  11. In een eerste middel voert verzoeker de onbevoegdheid aan van de steller van de akte. Hij betoogt dat niet de algemeen directeur van de KMSKB de beslissing diende te nemen doch wel de voorzitter van het directiecomité. Hij besluit daartoe door een lezing in hun onderlinge samenhang van de artikelen 4 en 30, § 1, van het koninklijk besluit van 30 april 1999 ‘tot vaststelling van het statuut IX-10.021-3/14 van het administratief en technisch personeel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat’ met artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’. Die lezing leert dat onder “voorzitter van het Directiecomité” in casu moet worden verstaan “de ambtenaar bekleed met de hoogste graad van de betrokken federale overheidsdienst” – dat is de voorzitter van het directiecomité van de POD Wetenschapsbeleid en niet de algemeen directeur van de instelling.
  12. In de nota antwoordt de verwerende partij als volgt (voetnoot weggelaten): “Verzoeker baseert zich op artikel 30, § 1 van het KB van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het administratief en technisch personeel van de wetenschappelijke instellingen van de staat om te stellen dat de algemeen directeur van de instelling onbevoegd zou zijn. Het KB van 30 april 1999 omvat het statuut van het administratief en technisch personeel van de wetenschappelijke instellingen van de staat. Het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen is vastgesteld in het KB van 25 februari
  13. De leden van het administratief en technisch personeel zijn onderworpen aan de algemene regels die gelden voor de Rijksambtenaren, behoudens de in het statuut van 30 april 1999 opgenomen specifieke bepalingen (art. 4 KB van 30 april 1999). Zoals blijkt uit dit KB is het merendeel van deze specifieke bepalingen in de loop der jaren opgeheven, zodat het administratief en technisch personeel thans quasi integraal onder het toepassingsgebied van het algemene statuut van het rijkspersoneel valt. Artikel 30, § 1 van het KB van 30 april 1999 blijft onverminderd van toepassing en is van belang om te bepalen welke organen van de federale wetenschappelijke instellingen de bevoegdheden uitoefenen die in het algemeen statuut van het rijkspersoneel worden uitgeoefend door respectievelijk de minister, de voorzitter van het directiecomité, het directiecomité, de stafdirecteur P&O en de Stafdienst P&O. Meer in het bijzonder wijst artikel 30, § 1, 2° van het KB van 30 april 1999 het bevoegde orgaan binnen een federale wetenschappelijke instelling aan voor de uitoefening van de bevoegdheden die voor de federale overheidsdiensten worden uitgeoefend door de voorzitter van het directiecomité: ‘Artikel
  14. §
  15. Voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het rijkspersoneel, moet worden verstaan: (...) 2° onder voorzitter van het directiecomité en voor het Ministerie van Landsverdediging, de secretaris-generaal, de ambtenaar bekleed met de hoogste graad van de betrokken federale IX-10.021-4/14 overheidsdienst of van het betrokken ministerie en onder hoofd van bestuur, de algemeen directeur van de instelling;’ De wijze waarop het geciteerde artikel 30 is geformuleerd, kan echter aanleiding geven tot verwarring. Dit artikel 30, § 1, 2° van het KB van 30 april 1999 moet gelezen worden als een opsomming van de verschillende beschrijvingen van de organen of hoedanigheden waarnaar de verschillende koninklijke besluiten die samen het statuut van het Rijkspersoneel vormen verwijzen om de hoogste ambtenaar van een departement of dienst aan te duiden. Het gaat dus om een opsomming van de volgende beslissende instanties: - voorzitter van het directiecomité; - voor het Ministerie van Landsverdediging, de secretaris-generaal; - de ambtenaar bekleed met de hoogste graad van de betrokken federale overheidsdienst of van het betrokken ministerie; - het hoofd van bestuur. Voor elk van die organen of hoedanigheden afzonderlijk moet binnen een federale wetenschappelijke instelling worden begrepen: de algemeen directeur. Het is dus de algemeen directeur van de federale wetenschappelijke instelling die de bevoegdheden uitoefent die in het kader van het (algemene) statuut van het rijkspersoneel zijn toegekend aan één van de vermelde organen of hoedanigheden. De verwijzing naar het Ministerie van landsverdediging (de secretaris-generaal) houdt verband met het feit dat Landsverdediging niet werd omgevormd tot een FOD, waardoor er voor wat betreft het toenmalige Legermuseum – dat immers een wetenschappelijke instelling was – naar de secretaris-generaal moest worden verwezen. De slechte redactie van het artikel in de Nederlandse versie vergroot de verwarring. Niet alleen omwille van het verkeerd gebruik van leestekens, maar ook door het dubbel gebruik van het woord ‘onder’ zoals onderlijnd in het hierboven geciteerde artikel. Bij eenvoudige of letterlijke lezing van het artikel 30, § 1, 2° van het KB van 30 april 1999 zou men verkeerdelijk kunnen afleiden dat men de bevoegdheid van de voorzitter van het directiecomité ten aanzien van het administratief en technisch personeel van de federale wetenschappelijke instellingen toekent aan de ambtenaar van de overheidsdienst (of ministerie van defensie) die bekleed is met de hoogste rang. Meer nog, dat de algemeen directeur van de federale wetenschappelijke instellingen enkel die bevoegdheden uitoefent die in het Statuut van het Rijkspersoneel zijn toegekend aan het ‘hoofd van bestuur’. Een dergelijke lezing en toepassing – zoals door verzoeker wordt voorgehouden – is evenwel onjuist, om de volgende redenen. 1) Een dergelijke lezing zou voor wat betreft de federale wetenschappelijke instellingen van Wetenschapsbeleid geen enkel nut dienen, omdat de hoogste in rang binnen de POD, de voorzitter zelf is. De voorzitter van het directiecomité zou dan worden vervangen door zichzelf. 2) De Franse versie van het artikel is duidelijker en maakt geen dubbel gebruik van het woord ‘par’ (onder): ‘par le président du comité de direc- tion et pour le Ministère de la Défense, le secrétaire général, le fonction- IX-10.021-5/14 naire le plus élevé en grade du service public fédéral ou ministère concerné, et le chef d’administration, le directeur général de l’établissement;’. Hieruit blijkt veel duidelijker dat de algemeen directeur (le directeur général) al de eraan vooraf opgesomde functies vervangt voor de federale wetenschappelijke instelling. 3) Verder in artikel 30, § 1 van het KB van 30 april 1999 staat te lezen dat moet worden verstaan onder ‘5° directiecomité, de directieraad die is opgericht door artikel 7bis van het koninklijk besluit van 20 april 1965.’ Vertrekkend van deze duidelijke bepaling, en gezien de verhouding van de voorzitters tot het directiecomité binnen de federale overheidsdiensten, kan niet anders dan afgeleid worden dat dezelfde bevoegdheidsverhouding binnen de federale wetenschappelijke instellingen van toepassing is, met name die van de algemeen directeur tot de directieraad. Luidens artikel 7bis, § 2 van het KB van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen wordt de directieraad immers voorgezeten door de algemeen directeur. 4) Het KB van 25 februari 2008 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel, bevestigt in artikel 52, § 2 dat voor wat betreft de toepassing van de bepalingen van het algemeen statuut van het rijkspersoneel die eveneens gelden voor het wetenschappelijk personeel (bv. de rechten & plichten, verloven en afwezigheden, tucht, ...) moet worden verstaan onder ‘voorzitter van het directiecomité’, ‘de houder van een managementfunctie N-1 in de instelling’. Luidens artikel 5bis van het KB van 20 april 1965 bekleedt in iedere instelling de algemeen directeur een managementfunctie -
  16. Het valt niet te verklaren waarom de algemeen directeur wél bevoegd zou zijn voor wat betreft de bepalingen van het rijkspersoneel ten aanzien van de wetenschappers (artikel 52, § 2 KB van 25 februari 2008 is niet voor betwisting vatbaar), maar niet ten aanzien van het administratief en technisch personeel. 5) Uit de opbouw van artikel 30, § 1 van het KB van 30 april 1999 blijkt dat onder 1°, 2°, 3°, enz. telkens één hoedanigheid of orgaan wordt vermeld – desnoods met de verschillende voorkomende benamingen – waarna telkens wordt vermeld wat het overeenstemmende orgaan of hoedanigheid is. […] Bij wijze van conclusie kan dus worden vastgesteld dat voor de toepassing van de bepalingen van het rijkspersoneel (m.i.v. de bepalingen inzake tucht) ten aanzien van het personeel van de federale wetenschappelijke instellingen, de algemeen directeur de bevoegdheden uitoefent die in de regelgeving zijn toegewezen aan de voorzitter van een FOD of POD.” Beoordeling
  17. De thans bestreden beslissing verwijst naar het koninklijk besluit van 30 april 1999 ‘tot vaststelling van het statuut van het administratief en IX-10.021-6/14 technisch personeel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat’, in het bijzonder de artikelen 4 en 30, §
  18. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 april 1999 schrijft voor dat onverminderd de bepalingen van dit statuut, de ambtenaren waarop het van toepassing is, onderworpen zijn aan de regels welke opgelegd zijn aan de rijksambtenaren. Dat brengt met zich mee dat, nu het advies van de raad van beroep voor verzoeker gunstig is, artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ van toepassing is. Hierover bestaat tussen partijen geen betwisting.
  19. Artikel 94 van het statuut van het rijkspersoneel bepaalt: “Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan wordt de beslissing altijd definitief genomen of voorgesteld door de minister of de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel
  20. De minister of de voorzitter van het directiecomité motiveert elke beslissing die niet in overeenstemming is met het advies van de raad van beroep. Ze kunnen geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister of de voorzitter van het directiecomité notificeert de beslissing aan de raad van beroep. De minister of de voorzitter van het directiecomité beslist binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep; de minister of de voorzitter van het directiecomité deelt zijn beslissing zonder verwijl mee aan de ambtenaar en aan de raad van beroep.”
  21. Voor de toepassing van de voormelde bepaling dient, voor het administratief en technisch personeel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, artikel 30, § 1, 2°, van het meervermelde koninklijk besluit van 30 april 1999 te worden betrokken. Die bepaling luidt: IX-10.021-7/14 “Voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het rijkspersoneel, moet worden verstaan: […] 2° onder voorzitter van het directiecomité en voor het Ministerie van Landsverdediging, de secretaris-generaal, de ambtenaar bekleed met de hoogste graad van de betrokken federale overheidsdienst of van het betrokken ministerie en onder hoofd van bestuur, de algemeen directeur van de instelling.” In de Franse versie is dit: “Pour l’application des dispositions qui régissent les agents de l’Etat, il y a lieu d’entendre: […] 2° par le président du comité de direction et pour le Ministère de la Dé- fense, le secrétaire général le fonctionnaire le plus élevé en grade du service public fédéral ou ministère concerné, et le chef d’administration, le direc- teur général de l’établissement.”
  22. In de huidige stand van de rechtspleging kan de Raad van State de analyse van de verwerende partij bijvallen.
  23. Een onderzoek van de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling doet niet anders besluiten. Oorspronkelijk immers was dat artikel 30, § 1, als volgt geredigeerd: “Voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het rijkspersoneel, moet worden verstaan: […] - onder secretaris-generaal en hoofd van bestuur, het hoofd van de wetenschappelijke inrichting.” Bij opeenvolgende wijzigingen bij koninklijke besluiten van 22 januari 2003 en 8 juli 2004, is deze tekst aangepast aan de reorganisatie van de ministeries en van de wetenschappelijke instellingen en de ambtelijke benamingen van hun leidinggevende ambtenaren. Uit niets evenwel kan worden afgeleid dat het de bedoeling was om terug te komen op de oorspronkelijke toewijzing aan “het IX-10.021-8/14 hoofd van de wetenschappelijke inrichting” – dat is thans: de algemeen directeur van de instelling – van de bevoegdheden die in de regelingen voor het rijkspersoneel toevallen aan de secretaris-generaal of het hoofd van bestuur – dat zijn thans: de voorzitter van het directiecomité; voor het ministerie van Landsverdediging, de secretaris-generaal; de ambtenaar bekleed met de hoogste graad van de betrokken federale overheidsdienst of van het betrokken ministerie en het hoofd van bestuur. Overigens spoort deze interpretatie met het wetgevingstechnische gebruik dat elke afzonderlijke definitie van een begrip ook een afzonderlijk punt vormt van een opsomming van de te definiëren begrippen. Die regel is toegepast in de initiële tekst en evenmin blijkt enige intentie om ervan te willen afwijken bij de latere wijzigende besluiten, hoe ongelukkig ze ook geformuleerd zijn.
  24. Dat betekent dat de voorzitter van het directiecomité uit artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 in casu moet worden begrepen als “de algemeen directeur”.
  25. De voorlopige conclusie moet dan ook zijn dat de bestreden beslissing behoort tot de bevoegdheid van de algemeen directeur, zodat het middel niet ernstig is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Het tweede middel is geput uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Volgens verzoeker mag enkel de preventieadviseur psychosociale aspecten “de nodige tussenkomsten en onderzoeken” doen in het IX-10.021-9/14 kader van ongewenst seksueel gedrag, geweld en pesterijen op het werk. Enkel die preventieadviseur mag de nodige getuigenverklaringen afnemen en de nodige verslagen opstellen met betrekking tot ongewenst seksueel gedrag, geweld en pesterijen op het werk. De interne preventieadviseur heeft hierin volgens verzoeker “geen enkele bevoegdheid”, zodat men de waarde van haar verslag ernstig in twijfel kan trekken. Ook is de interne preventieadviseur “de directe chef van verzoeker zodat men zich ernstige vragen kan stellen bij de onpartijdigheid van deze persoon”. Vervolgens gaat verzoeker in op het verslag van de expert. Haar onderzoek is “zeer beperkt”, omdat het enkel voortgaat op verklaringen van twee betrokkenen (V2 en V3). Andere medewerkers zijn niet gehoord. Het is ook opmerkelijk, aldus verzoeker, “dat de feiten zich steeds enkel zouden hebben afgespeeld wanneer V2 en V3 samen waren maar niet wanneer er andere dames aanwezig waren”. Dezelfde expert spreekt zich ook uit over verzoekers schuld, wat niet tot haar opdracht behoort. Tevens ligt er geen enkel objectief bewijs voor van alle zaken die zij in haar verslag ten laste legt van verzoeker (diefstal, kunstwerken in gevaar brengen, geen rekening houden met de opmerkingen van zijn hiërarchie om zijn team beter te beheren). Men kan dus ernstig twijfelen aan de objectiviteit van dit onderzoek en aan de waarde van de conclusies ervan. Ook de hiërarchische overste heeft zijn onderzoek beperkt tot het horen van één vermeend slachtoffer (V2). Buiten één getuige is er geen enkele andere getuige die de ten laste gelegde feiten bevestigt. Beweerd wordt dat V2 een klacht heeft neergelegd bij de politie, maar verzoeker heeft hierover nog niets vernomen. Dus ofwel werd er nooit klacht ingediend bij de politie ofwel werd deze klacht geseponeerd. Ook dit geeft aan dat IX-10.021-10/14 men vraagtekens kan plaatsen bij het bewezen zijn van de feiten en dat de materiëlemotiveringsplicht werd geschonden. Het is tot slot zeer opmerkelijk dat tegen verzoeker tijdens zijn loopbaan van 38 jaar nooit een klacht werd ingediend wegens ongewenst seksueel gedrag, geweld en pesterijen op het werk en dat er plots nadat er één persoon (V2) nieuw bij de equipe komt klachten zijn. Verzoeker besluit dat de maatregel niet steunt op voldoende bewijskrachtige gegevens. Beoordeling
  27. De tuchtorganen van de verwerende partij hebben bij de uitoefening van de tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de feitenvinding en de bewezenverklaring van de feiten, als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, als op het vlak van de straftoemeting.
  28. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Nu de op verzoeker toepasselijke tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt die tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.
  29. Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om een onderzoek in te stellen betreffende het zich al dan niet hebben voorgedaan van gebeurtenissen en om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie IX-10.021-11/14 ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is geen hogere beroepsinstantie. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens – meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering – of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  30. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, mag een verzoekende partij niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de tuchtoverheid berust. Het is zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. In de mate dat verzoeker, zonder dit nader te onderbouwen, de partijdigheid van zijn hiërarchische chef in vraag stelt of schrijft dat om de een of andere reden “vragen” te stellen zijn bij de draagkracht van een onderzoeksverslag, houdt hij het bij loutere hypotheses die de Raad van State niet ernstig mag nemen.
  31. De argumentatie die verzoeker thans in de toelichting bij het middel ontwikkelt, komt in grote mate overeen met hetgeen hij aan de tuchtoverheid heeft voorgelegd. In de bestreden beslissing is daarop uitvoerig ingegaan. Zo kon verzoeker er lezen, bij wijze van bloemlezing: - de verklaring van het slachtoffer van feit A wordt bevestigd door een getuigenverklaring, die aan de expert de feiten duidelijk heeft beschreven; - de getuige heeft geen enkel voordeel bij het afleggen van een valse verklaring en is geloofwaardig; - de expert is geloofwaardig om de waarachtigheid van getuigenverklaringen te beoordelen als doctor in de klinische psychologie, gespecialiseerd in het onderzoek en de analyse van crimineel gedrag, in het bijzonder van seksuele misdrijven en opgeleid inzake non-verbale communicatie, verhoortechnieken en victimologie; IX-10.021-12/14 - het gegeven dat de formele opdracht aan de expert niet in het dossier zit of dat de expert geen kennis kreeg van het volledige tuchtdossier brengt haar bevindingen niet in het gedrang, daar die steunen op de verhoren die zij persoonlijk afnam; - de expert is om een advies gevraagd; zij heeft geenszins de rol van de tuchtorganen overgenomen; - verzoeker alludeert op een “complot”, zonder die bewering te staven; - dat andere collega’s van verzoeker niets konden zeggen over of geen getuige waren van de feiten, betekent niet dat ze niet zijn gebeurd; - uit het onderzoek van de hiërarchische overste blijkt dat de getuige feit A heeft bevestigd; - de feiten B, C en D worden bewezen geacht op basis van de verklaringen van twee slachtoffers die geloofwaardig zijn om dezelfde redenen als uiteengezet in het kader van feit A; - feit E wordt niet bewezen geacht; - voor feit F geniet verzoeker het voordeel van de twijfel en het wordt niet bewezen geacht.
  32. Verzoeker ziet het anders dan de tuchtoverheid, maar hij weerlegt vooralsnog niet de aangegeven argumenten. De uiteenzetting van verzoeker is niet van aard om de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging ervan te overtuigen dat de tuchtoverheid haar discretionaire bevoegdheid om de gegevens van het tuchtdossier te beoordelen miskend heeft. Zoals gezien, mag de tuchtoverheid steunen op getuigenverklaringen. Verzoeker weerspreekt niet dat de expert over passende deskundigheid beschikt om over de geloofwaardigheid van die verklaringen te adviseren. Zoals de verwerende partij voorts opmerkt in haar nota, sluiten de regels van de bewijsvoering prima facie niet uit dat de tuchtoverheid mede steunt op vaststellingen van de interne preventieadviseur en lijkt laatstgenoemde niet onbevoegd om te rapporteren over feiten die haar zijn bekendgemaakt. IX-10.021-13/14
  33. Vooralsnog toont verzoeker niet aan dat de tuchtoverheid de regels van de bewijsvoering niet heeft nageleefd, of dat zij anderszins op basis van het voorliggende tuchtdossier niet in redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten mocht komen.
  34. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht is in de huidige stand van de rechtspleging niet aangetoond. Het middel is niet ernstig. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.021-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.718 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.