← België

Arrest 254747 - Overheidsopdrachten - 13/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.747 Rolnummer: A. 234684/XII-9138 Zaak: Arrest 254747 - Overheidsopdrachten - 13/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-18 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 07:37 Fiche Arrest nr 254.747 van 13 oktober 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 254.747 van 13 oktober 2022 in de zaak A. 234.684/XII-9138 In zake: de BVBA ACGS LABOCONTROL DGSG gevestigd te 1140 Brussel Leuvensesteenweg 947 tegen: SPORT VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs kantoor houdend te 2980 Sint-Antonius-Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luk De Schrijver en Charline Kint kantoor houdend te 9090 Melle Brusselsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van Sport Vlaanderen van 30 juni 2021 waarbij de overheidsopdracht ‘Groepsaankoop tot de keuring van kunstgrasvelden’ wordt gegund aan het Europees Onderzoekscentrum voor kunstgras (Ercat) van de Universiteit Gent. XII-9138-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De Universiteit Gent heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 31 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 22 februari
  4. Met een aangetekend schrijven van 10 mei 2022 heeft de verzoekende partij een memorie van wederantwoord ingediend. Op respectievelijk 8 juni 2022 en 2 juni 2022 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Met toepassing van artikel 14bis, § 1, van het voornoemde besluit van de Regent heeft de verzoekende partij gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
  5. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Zaakvoerder David Van Wynsberghe, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. XII-9138-2/5 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Beoordeling
  7. Een kopie van de memorie van antwoord is aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 februari
  8. Overeenkomstig artikel 7 van voormeld besluit van de Regent verstreek de termijn voor het indienen van een memorie van wederantwoord zestig dagen later, d.w.z. op zaterdag 23 april 2022, verlengd tot maandag 25 april
  9. Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het hierna genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent. Met een aangetekend schrijven van 6 mei 2022 heeft de verzoekende partij verzocht om een verlenging van de termijn voor het indienen van de memorie van wederantwoord, tot 10 mei
  10. Haar zaakvoerder riep daarvoor verscheidene redenen in. Met een aangetekend schrijven van 10 mei 2022 heeft de verzoekende partij haar memorie van wederantwoord ingediend.
  11. Ter terechtzitting herhaalt de verzoekende partij, ter verantwoording van de overschrijding van de termijn, de redenen aangehaald in het voornoemd schrijven van 6 mei
  12. XII-9138-3/5
  13. De Raad van State stelt vast dat de verzoekende partij geen memorie van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen bepaald bij artikel 7 van voormeld besluit van de Regent. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State moet de Raad van State in dat geval het ontbreken van het vereiste belang vaststellen. De termijn voor het indienen van de memorie van wederantwoord is een vervaltermijn die de openbare orde raakt. De wet voorziet niet in de mogelijkheid voor de Raad van State om een verlenging van de termijn toe te staan. Artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State stelt integendeel een procedurele sanctie op het overschrijden van de termijn.
  14. Weliswaar wordt, overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel, de termijn geschorst in geval van overmacht. Ter verantwoording van het overschrijden van de termijn haalt de verzoekende partij de volgende redenen aan: ziekte, met een arbeidsongeschiktheid tot gevolg van 8 april 2022 tot 7 mei 2022; zorg voor een naast familielid van de zaakvoerder, van eind 2021 tot haar overlijden op 10 maart 2022, en vervolgens organisatie van de begrafenis; verkeerd begrip van wat onder zestig dagen verstaan moest worden (werkdagen in plaats van kalenderdagen); drukte in de sector waarin de verzoekende partij actief is, tijdens de maanden maart tot juni. Overmacht die alsnog de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingediende memorie van wederantwoord, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de verzoekende partij en die door haar onmogelijk kon worden voorzien of vermeden. Alhoewel de Raad van State begrip heeft voor de moeilijkheden die sommige van de voornoemde omstandigheden voor de verzoekende partij en haar zaakvoerder hebben meegebracht, kan hij er XII-9138-4/5 niet toe komen die omstandigheden als gevallen van overmacht te beschouwen. De verzoekende partij toont met name niet aan dat die omstandigheden haar belet hebben de memorie van wederantwoord ten laatste op 25 april 2022 in te dienen.
  15. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Paul Lemmens XII-9138-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.