← België

Arrest 254764 - Examens (onderwijs) - 17/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.764 Rolnummer: A. 237429/IX-10140 Zaak: Arrest 254764 - Examens (onderwijs) - 17/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-19 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 07:39 Fiche Arrest nr 254.764 van 17 oktober 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.764 van 17 oktober 2022 in de zaak A. 237.429/IX-10.140 In zake: Thimault COLLETT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-QUINTINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 oktober 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 30 september 2022 van de beroepscommissie van het Virga Jessecollege waarbij aan Thimault Collett een oriënteringsattest B wordt toegekend met clausulering Bedrijfswetenschappen TSO, Biotechnologische STEM-wetenschappen TSO, Biotechnologische wetenschappen TSO, Bouwwetenschappen TSO, Economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Humane Wetenschappen ASO, Latijn ASO, Moderne talen ASO, Natuurwetenschappen ASO, Rudolf Steinerpedagogie ASO, Sportwetenschappen ASO, Technologische wetenschappen TSO, Topsport-Economie ASO, Topsport-Natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO. IX-10.140-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op donderdag 13 oktober 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Henri Beelen, die loco advocaat Hugo Lamon verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het eerste leerjaar van de tweede graad Moderne talen (ASO) in het Virga Jessecollege te Hasselt, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoeker jaartekorten voor wiskunde (47,5%), chemie (39%) en fysica (46,5%). De delibererende klassenraad beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering Bedrijfswetenschappen TSO, IX-10.140-2/11 Biotechnologische STEM-wetenschappen TSO, Biotechnologische wetenschappen TSO, Bouwwetenschappen TSO, Economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Humane Wetenschappen ASO, Latijn ASO, Moderne talen ASO, Natuurwetenschappen ASO, Rudolf Steinerpedagogie ASO, Sportwetenschappen ASO, Technologische wetenschappen TSO, Topsport-Economie ASO, Topsport-Natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO. 3.
  5. Overleg met de directeur leidt niet tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. Verzoeker stelt daarop beroep in bij het schoolbestuur. 3.
  6. Op 31 augustus 2022 beslist de beroepscommissie “om de beslissing van de delibererende klassenraad aan te houden in alle aspecten”. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “- Aangezien er op jaarbasis voor 3 vakken een onvoldoende werd behaald, waaronder voor wiskunde (47,5%), zijnde een vak van 4 jaaruren. - Aangezien deze 3 vakken in de domeinoverschrijdende doorstroomfinaliteit belangrijk zijn. Voor wiskunde is het namens de delibererende klassenraad onmogelijk om over te stappen naar een studierichting met het verdiept leerplan in het 4de jaar. - Aangezien er ook volgens de klassenraad zwakke resultaten zijn voor de richtingsvakken Engels en Frans. - Dat de overstap naar de studierichting Bedrijf en organisatie werd geadviseerd als B-attest. - Aangezien volgens de vader (zie verslag) echter voor verzoeker het probleem is dat hij daardoor niet op dezelfde locatie kan blijven (Virga Jessecollege). - Deze richting wel wordt aangeboden in twee andere locaties van dezelfde scholengemeenschap (SO SQ). - Dat door verzoeker wordt verwezen naar artikel 2.3.3.3 van het schoolreglement, waarbij de mogelijkheid wordt gesuggereerd om ondanks één of meer tekorten toch een positieve beslissing te nemen en een waarschuwing te geven, waarbij dan een positieve evolutie wordt verwacht. - Men verwijst daarbij naar het feit dat reeds een positieve evolutie in zijn resultaten heeft plaatsgevonden. IX-10.140-3/11 - Daarnaast zijn er echter ook mindere resultaten waar te nemen bij de examens van het 3de trimester: geschiedenis (onvoldoende), chemie (onvoldoende), biologie (onvoldoende). Bovendien zijn er een aantal nipte resultaten bij de vakken Frans en Engels. - Aangezien verzoeker de mogelijkheid wenst te krijgen om Bedrijfswetenschappen (DGD) te willen volgen, dat daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat daar ook 4 uren wiskunde zijn geprogrammeerd. - Het moet ook genoteerd worden dat de 0/26 op een toets wiskunde geen tuchtsanctie was: hierover is niets terug te vinden. - Dat de voorgestelde richting ook een dubbele finaliteit heeft, waarbij dus ook de doorstroom mogelijk is. - Aangezien de delibererende klassenraad niet enkel met de onvoldoende heeft rekening gehouden, doch ook met de toekomstmogelijkheden.” Tegen die beslissing stelt verzoeker bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. 3.
  7. Bij arrest nr. 254.578 van 22 september 2022 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie. 3.
  8. Op 30 september 2022 beslist de beroepscommissie om de geschorste beslissing van 31 augustus 2022 in te trekken en aan verzoeker een oriënteringsattest B toe te kennen met clausulering Bedrijfswetenschappen TSO, Biotechnologische STEM-wetenschappen TSO, Biotechnologische wetenschappen TSO, Bouwwetenschappen TSO, Economische wetenschappen ASO, Freinetpedagogie ASO, Grieks-Latijn ASO, Humane Wetenschappen ASO, Latijn ASO, Moderne talen ASO, Natuurwetenschappen ASO, Rudolf Steinerpedagogie ASO, Sportwetenschappen ASO, Technologische wetenschappen TSO, Topsport-Economie ASO, Topsport-Natuurwetenschappen ASO en Yeshiva ASO. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “In deze nieuwe beslissing wordt de voorgaande motivering van de beslissing van 31/8/2022 volledig herhaald in al zijn bestanddelen, doch er wordt aan toegevoegd hetgeen volgt: IX-10.140-4/11 Er wordt wel degelijk rekening gehouden met een positieve evolutie in het resultaat op wiskunde voor het examen van het 3de trimester. Toch moet de beroepscommissie constateren dat over het ganse jaar vnl. voor het vak wiskunde de resultaten slecht waren. Bovendien haalde de leerling voor wiskunde in het 3de trimester een onvoldoende op het dagelijks werk (16,5/40), wat dan de progressie tegenspreekt in weerwil van het resultaat op het examen wiskunde van het 3de trimester. Dit positief resultaat voor 1 examen neemt bovendien niet weg dat er ook mindere resultaten waren zoals reeds voorheen gesteld, met name bij de examens van het derde trimester inzake geschiedenis (onvoldoende), chemie (onvoldoende), biologie (onvoldoende). Dat in de vorige beslissing werd gesteld dat, de 3 vakken waarvoor een onvoldoende werd behaald, in de doorstroomfinaliteit belangrijk zijn. Het positieve gevolg van betere resultaten in het 3de trimester op het examen wiskunde weegt niet op tegen het algemeen resultaat met de geschetste mindere resultaten en onvoldoendes, zeker rekening houdende met het feit dat de drie algemene onvoldoendes, zoals voorheen gesteld, in de doorstroomfinaliteit als belangrijk worden beschouwd. Dat voor zoveel als nodig eveneens weze herhaald hetgeen in de eerste aangevochten beslissing werd gesteld dat er zwakke resultaten zijn voor de richtingsvakken Engels en Frans. Dat uit de toelichting bovendien blijkt dat in het 3de trimester voor de eindtest voor Engels en Frans ook 2 onvoldoendes werden behaald. Dat de beroepscommissie zodoende blijft bij het standpunt dat voorheen werd ingenomen en waarbij gesteld wordt dat de beslissing van de delibererende klassenraad dient te worden aangehouden.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid IX-10.140-5/11 Standpunt van de partijen
  10. Verzoeker beroept zich op de vaste rechtspraak van de Raad van State “met name dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat binnen een gewone schorsingsprocedure niet tijdig zal kunnen worden gekeerd”. Hij stelt ook na “de kennisname van de [bestreden] beslissing […] voldoende diligent gehandeld [te hebben] bij het instellen van huidig schorsingsverzoek”.
  11. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering niet en stelt zich “naar de wijsheid” van de Raad van State te gedragen. Beoordeling
  12. Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar een nadeel uitmaakt dat met een gewone schorsingsprocedure niet tijdig kan worden afgewend. Voorts heeft verzoeker diligent gehandeld doordat hij de derde dag nadat de bestreden beslissing hem is betekend, zijn vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft ingesteld. VI. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  13. Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, “met een schending van de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, en het zorgvuldigheidsbeginsel tot gevolg”. IX-10.140-6/11 Verzoeker betoogt dat hij “[b]ij het lezen van de bestreden beslissing [dient] […] vast te stellen [dat] er een andere motivering voorligt om het attest met clausuleringen te staven, maar dat deze nog steeds de essentiële grieven van verzoeker[…] onbeantwoord laat” zodat “[…] er op geen enkele wijze sprake [is] van een afdoende motivering”. Hij wijst erop dat men thans in de bestreden beslissing “de evolutie van de punten voor wiskunde [vermeldt], maar nog steeds relateert men dit niet aan het volgende jaar in de geambieerde richting [– Bedrijfswetenschappen TSO –] en […] men [komt] nog steeds niet tot een motivering die uitlegt waarom de leerling daarin absoluut niet zou kunnen slagen”. Voorts stelt verzoeker dat “[d]e bestreden beslissing [zich] beperkt […] tot het stellen dat er ook zwakke cijfers zijn voor wiskunde, maar het punt van verzoeker[…] is natuurlijk dat […] [hij] door de goede cijfers op examen 3 wel degelijk aantoont met kans op succes (enkel reeds voor wiskunde) het volgende jaar te kunnen aanvatten aangezien de leerstof voor een vak als wiskunde verder bouwt op de laatst geziene onderdelen”. Daarbij onderstreept verzoeker ook nog dat het cijfer voor wiskunde niet representatief is omdat “zijn tekort tot stand gekomen [is] wegens een tuchtsanctie waarbij verzoeker 0/26 […]kreeg op een toets”. Ten slotte benadrukt verzoeker dat “[v]an het ontbreken van enige redelijke slaagkansen in de richting die [hij] wenst uit de clausulering te houden, […] geen sprake [kan] zijn, minstens blijken die niet duidelijk uit de bestreden beslissing. De loutere verwijzing naar bepaalde resultaten of de melding dat deze belangrijk zijn, leert niets over de slaagkansen in de specifieke richting die [hij] ambieert”. Beoordeling
  14. Verzoeker betoogt dat de beroepscommissie, in weerwil van de “zeer duidelijke grieven” van verzoeker, nog steeds nalaat in te gaan op de essentie IX-10.140-7/11 van verzoekers beroep, zodat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. Verzoeker voert op die wijze de schending aan van de formelemotiveringsplicht.
  15. Wanneer een leerling gebruikmaakt van de door de decreetgever verleende beroepsmogelijkheid en hij aldus een samenkomst van de beroepscommissie uitlokt, krijgt de formelemotiveringsplicht ten volle betekenis omdat de beroepscommissie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze moet beantwoorden. Dit geldt des te meer wanneer de Raad van State een eerste beslissing van de beroepscommissie heeft geschorst. Daarmee is niet gezegd dat de beroepscommissie noodzakelijk op elke grief apart moet antwoorden. Wel is vereist dat de formele motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Maar wat de commissie zeker niet mag doen, is de argumenten zonder meer terzijde laten. 11.
  16. Het voorgaande, toegepast op de thans bestreden beslissing. 11.
  17. In antwoord op het argument van verzoeker betreffende de stijgende evolutie in het resultaat op wiskunde voor het examen wiskunde van het derde trimester, stelt de beroepscommissie dat zij moet “constateren dat over het ganse jaar vnl. voor het vak wiskunde de resultaten slecht waren” en dat verzoeker “voor wiskunde in het 3de trimester een onvoldoende [behaalde] op het dagelijks werk (16,5/40), wat dan de progressie tegenspreekt in weerwil van het resultaat op het examen wiskunde van het 3de trimester”. Door te wijzen op het onvoldoende cijfer voor wiskunde voor dagelijks werk in het derde trimester, dat de stijgende evolutie voor wiskunde lijkt IX-10.140-8/11 tegen te spreken, geeft de beroepscommissie prima facie een afdoend antwoord op verzoekers grief. De vraag of verzoeker al dan niet terecht een 0 op 26 behaalde voor een toets wiskunde, is in dit kader niet relevant aangezien hiermee geen verklaring wordt geboden voor het slechte resultaat voor dagelijks werk in het derde trimester aangezien deze toets plaatsvond in het eerste trimester. De betere studiemethode, door verzoeker ontwikkeld in het derde trimester, wordt in de bestreden beslissing dan weer tegengesproken doordat er “mindere resultaten waren […], met name bij de examens van het derde trimester inzake geschiedenis (onvoldoende), chemie (onvoldoende), biologie (onvoldoende)”. De beroepscommissie besluit dat “[h]et positieve gevolg van betere resultaten in het 3de trimester op het examen wiskunde […] niet [opweegt] tegen het algemeen resultaat met de geschetste mindere resultaten en onvoldoendes, zeker rekening houdende met het feit dat de drie algemene onvoldoendes, zoals voorheen gesteld, in de doorstroomfinaliteit als belangrijk worden beschouwd”. Door te benadrukken dat de drie vakken waarvoor onvoldoendes werden behaald, belangrijk zijn in de doorstroomfinaliteit en bijgevolg ook in de door verzoeker geambieerde studierichting Bedrijfswetenschappen, geeft de beroepscommissie op het eerste gezicht blijk van een prospectieve benadering.
  18. Op het eerste gezicht moet dan ook worden vastgesteld dat de beroepscommissie een afdoend antwoord heeft geboden op de voormelde grieven van verzoeker en dat de commissie de vereiste zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd bij de motivering van de specifieke clausuleringen.
  19. Uit wat voorafgaat volgt dat het enige middel in de aangegeven mate niet ernstig is.
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die IX-10.140-9/11 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. IX-10.140-10/11 BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-10.140-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.