← België

Arrest 254771 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 18/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.771 Rolnummer: Zaak: Arrest 254771 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 18/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-28 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 07:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 254.771 van 18 oktober 2022 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 254.771 van 18 oktober 2022 in de zaken A. 223.005/V-1970 (I) A. 224.039/V-1973 (II) In zake: I. en II. Katrien GHEYSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. en II. ACTIRIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sébastien Depré, Charles-Henri de La Vallée Poussin en Maxime Chomé kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: I. en II. Philippe DELBOSSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sacha Gruber kantoor houdend te 1000 Brussel Koloniënstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep A. 223.005, ingesteld op 30 augustus 2017, strekt tot de nietigverklaring van “[de] resultaten van de bevorderingscommissie van Actiris van 18 mei 2017, bekend gemaakt per dienstnota nr. 13/17 van 19 juni 2017, waarbij de heer Jean-Philippe Delbosse als eerste kandidaat wordt V-1970-1973-1/19 gerangschikt voor de bevordering naar de functie van ‘Expert Projectinspecteur Tewerkstellingsprogramma’s’ in de rang A2 en waarbij [Katrien Gheyssens] in groep B ‘niet geschikt’ ingeschreven wordt”. Het beroep A. 224.039, ingesteld op 20 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling Actiris van 26 oktober 2017, waarbij Jean-Philippe Delbosse wordt benoemd in de graad van eerste attaché (rang A2) voor de functie Expert Projectinspecteur Tewerkstellingsprogramma’s. II. Verloop van de rechtspleging
  2. In de beide zaken heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en heeft de verzoekende partij een memorie van wederantwoord ingediend. Jean-Philippe Delbosse heeft in de beide zaken een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van 23 november 2017 en van 1 maart
  3. De tussenkomende partij heeft telkens een memorie ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag over de beide zaken opgesteld. De verwerende partij, de tussenkomende partij en de verzoekende partij hebben in de beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. V-1970-1973-2/19 Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Grégoire Ryelandt, die loco advocaten Sébastien Depré, Charles- Henri de la Vallée Poussin en Maxime Chomé verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Nicolas Gallet, die loco advocaat Sasha Gruber verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft in de zaak A. 223.005 een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend en in de zaak A. 224.039 een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoekster is sinds 1 november 1990 tewerkgesteld bij de verwerende partij als inspecteur niveau A
  7. 3.
  8. Met dienstnota 6/17 van 6 maart 2017 verklaart de verwerende partij de functie ‘expert projectingenieur tewerkstellingsprogramma’s A2’ vacant. Verzoekster en de tussenkomende partij stellen zich kandidaat voor deze functie. 3.
  9. Op 18 mei 2017 hoort en evalueert de bevorderingscommissie beide kandidaten. Verzoekster wordt ingeschreven in groep B ‘niet geschikt’ en de tussenkomende partij in groep A ‘geschikt’. 3.
  10. Op 12 juni 2017 valideert de directieraad unaniem de rangschikking, gegeven door de bevorderingscommissie, waarbij de tussenkomende partij als eerste – en enige – wordt gerangschikt in groep A. V-1970-1973-3/19 3.
  11. Met dienstnota 13/17 van 19 juni 2017 wordt het voorstel tot rangschikking van de directieraad bekendgemaakt aan de kandidaten, samen met een uittreksel uit het verslag van de bevorderingscommissie. In deze dienstnota is ook te lezen wat volgt: “In toepassing van artikel 94 van het statuut wordt via deze dienstnota van het voorstel kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te verlenen betrekking. De geïnteresseerden brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt een exemplaar van de dienstnota per aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. Een uittreksel van het verslag van de bevorderingscommissie, goedgekeurd door de Directieraad aangaande de betrekking waarvoor de ambtenaar zijn kandidatuur heeft ingediend, wordt aan deze nota toegevoegd. Meer details met betrekking tot het persoonlijk resultaat kan bekomen worden bij […] van de dienst BMB […]. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen de 10 dagen bezwaar indienen bij de bevorderingscommissie. Deze termijn gaat in de dag na de uitreiking van de dienstnota ofwel vanaf de derde werkdag volgend op de aangetekende verzending ervan, postdatum ter staving, behoudens tegenbewijs van de ontvanger (art. 300§2 van het Statuut 2.0).” 3.
  12. In antwoord op een vraag van verzoekster, informeert de HR- verantwoordelijke van de verwerende partij verzoekster bij e-mail van 30 juni 2017 over de bevoegde persoon bij wie feedback kan worden gevraagd en over de mogelijkheid om bezwaar in te dienen. Wat de bezwaarmogelijkheid betreft, verwijst deze e-mail andermaal naar artikel 94 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 maart 2014 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ (“het administratief statuut”), zijnde de bezwaarmogelijkheid bij de directieraad. 3.
  13. Op 3 juli 2017 dient verzoekster een bezwaar in bij de directieraad. Zij vraagt daarin om te worden gehoord door de directieraad. 3.
  14. Bij brief van 13 juli 2017 antwoordt de directeur HRM dat de directieraad “niet bevoegd is” om het bezwaar van verzoekster, dat gericht is V-1970-1973-4/19 “tegen het feit dat [zij] door de bevorderingscommissie in groep B (‘niet geschikt’) werd ingedeeld”, te behandelen. De directieraad “mag zich namelijk enkel uitspreken over kandidaten die door de bevorderingscommissie in groep A (‘geschikt’) werden ingedeeld”. De directeur HRM deelt eveneens mee dat, indien verzoekster de procedure “wenst voort te zetten”, zij een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State dient neer te leggen. 3.
  15. Op 26 oktober 2017 benoemt het beheerscomité de tussenkomende partij in de graad van eerste attaché (rang A2), en dit met ingang van 1 november
  16. IV. Samenvoeging
  17. Het past, met het oog op een goede rechtsbedeling, de beide zaken samen te voegen en er in één arrest uitspraak over te doen. V. Regelgeving
  18. Voor een goed begrip van de zaken is het nuttig de artikelen 92 tot 95 van het administratief statuut met betrekking tot de bevordering tot een graad van rang A2 in herinnering te brengen: “Art.
  19. §
  20. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen zoals bepaald in artikel
  21. §
  22. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A ‘geschikt’ hetzij in de groep B ‘niet geschikt’. In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria zoals bepaald in § 2 van artikel
  23. §
  24. Deze rangschikking wordt voorgelegd aan de directieraad. Art.
  25. De directieraad werkt het definitief voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit. Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking gegeven door de bevorderingscommissie, dient de directieraad haar [lees: zijn] beslissing omstandig te motiveren. Art.
  26. Van het voorstel wordt per dienstnota kennisgegeven aan de kandidaten die zich kandidaat hebben gesteld voor de te verlenen betrekking. V-1970-1973-5/19 De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden. De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. De betekeningen en de termijnen bedoeld in dit artikel worden geregeld volgens dezelfde bepalingen als die bedoeld in artikel 300, §
  27. De kandidaat wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. Art.
  28. §
  29. Het definitief voorstel van rangschikking wordt voorgelegd aan de benoemende overheid overeenkomstig artikel 1, 5°. §
  30. De benoemende overheid volgt de definitieve voorstel klassement die eenparig wordt uitgebracht [in het Nederlands: De benoemende overheid volgt het definitieve voorstel van rangschikking dat eenparig wordt uitgebracht]. Indien het voorstel niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het rangschikkingsvoorstel [versta: de persoon die als eerste is gerangschikt], dan moet hij [lees: zij] zijn [lees: haar] beslissing omstandig motiveren. §
  31. Bij gelijkheid van de kandidaturen, wordt achtereenvolgens de voorkeur gegeven aan de kandidaat die behoort tot het geslacht dat het minst vertegenwoordigd wordt in deze bevorderingsrang binnen de instelling. Er wordt echter afgeweken van de voorgaande alinea wanneer, door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996, het onmogelijk is om over te gaan tot de benoeming van deze kandidaat.” VI. Ontvankelijkheid en nadere precisering van het voorwerp van het beroep in de zaak A. 223.005 Exceptie
  32. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat het beroep in de zaak A. 223.005 onontvankelijk is, omdat het is gericht tegen een advies dat niet het voorwerp kan zijn van een beroep bij de Raad van State.
  33. Verzoekster reageert in haar laatste memorie niet op deze exceptie. V-1970-1973-6/19
  34. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A.223.005 niet. Volgens haar heeft de directieraad geen bevoegdheid om een kandidaat uit groep B op te vissen en is hij op dat vlak gebonden door de beslissing van de bevorderingscommissie. Beoordeling
  35. Gewis ware het meer gepast, als de verwerende partij deze exceptie opgeworpen had in de memorie van antwoord. De ontvankelijkheid van het beroep raakt evenwel de openbare orde en moet desnoods door de Raad van State ambtshalve worden onderzocht.
  36. Verzoekster verwijst in haar verzoekschrift zowel naar “de resultaten van de bevorderingscommissie van Actiris van 19 juni 2017” als naar dienstnota 13/17 van 19 juni
  37. Voor zover verzoekster de dienstnota vermeldt, ziet zij die nota terecht als een loutere mededeling of bekendmaking en niet als een eigenstandige beslissing. 12.
  38. Om voorts de ontvankelijkheid van het beroep te beoordelen, past het te herinneren aan de leer van de complexe administratieve handeling. 12.
  39. Het begeven van de in geding zijnde betrekking van expert verschijnt als een complexe administratieve verrichting waarvan de bevordering van de tussenkomende partij de eindbeslissing is, de laatste schakel van een hele keten van voorbereidende bestuurshandelingen. Verzoekster vordert de nietigverklaring ervan, met haar beroep bekend onder rolnummer A. 224.
  40. V-1970-1973-7/19 Tegen deze benoeming mag zij ontvankelijk als vernietigingsgrond elke onwettigheid aanbrengen die ergens in de loop van de complexe administratieve verrichting is begaan en die een determinerende invloed op de eindbeslissing heeft gehad of verondersteld wordt een dergelijke invloed gehad te kunnen hebben. Het is daarbij zonder belang of de onwettig geachte schakel al dan niet zelf ontvankelijk met een annulatieberoep kon zijn bestreden en of de termijn waarin dat nuttig kon gebeuren intussen al dan niet reeds verstreken is. 12.
  41. Evenwel moet vanuit het oogpunt van de ontvankelijkheid ratione materiae van het beroep in de zaak A. 223.005, dat enkel is gericht tegen voorafgaande of voorbereidende bestuurshandelingen, een onderscheid worden gemaakt tussen, eensdeels, zuiver voorbereidende maatregelen en, anderdeels, voorbereidende maatregelen met het karakter van een vóór-beslissing. Voorafgaande maatregelen die juridisch zonder determinerend effect blijven op de benoemingskansen van de kandidate, doen zich voor haar als zuiver voorbereidend voor en kunnen door haar niet ontvankelijk met een annulatieberoep bestreden worden. Voorafgaande maatregelen die daarentegen haar kansen in rechte determineren maken voor haar een vóór-beslissing uit, die wel aanvechtbaar is. Zoals de Raad van State heeft gewezen in algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, in zijn arrest nr. 152.174 van 2 december 2005 inzake nv Amec Spie Belgium, mag een partij voor wie een voorbereidende handeling griefhoudend is daartegen onmiddellijk beroep instellen. 12.
  42. In het licht van deze uiteenzetting, moet thans worden onderzocht welke voorafgaande handelingen tot het voorwerp van de zaak A. 223.005 moeten worden gerekend en, vervolgens, of ze naar hun aard afzonderlijk aanvechtbaar zijn. V-1970-1973-8/19 13.
  43. Luidens artikel 92, § 1, van het administratief statuut verleent de bevorderingscommissie aan de directieraad een “gemotiveerd advies”. Luidens artikel 93 van het administratief statuut “werkt [de directieraad] het definitief voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit” en als dat voorstel afwijkt van de rangschikking van de bevorderingscommissie, “dient de directieraad haar [lees: zijn] beslissing omstandig te motiveren”. 13.
  44. De toepasselijke regelgeving beschouwt aldus het “gemotiveerd advies” van de bevorderingscommissie niet als een bindende vóórbeslissing in de complexe administratieve handeling die finaal in een benoemingsbeslissing resulteert. De directieraad mag afwijken van de rangschikking die hem wordt voorgelegd en mag dus ook – anders dan de tussenkomende partij het ziet – kandidaten uit groep B alsnog opnemen in groep A – op dit punt valt de exceptie overigens samen met de grond van de zaak en wordt ook verwezen naar wat hierna wordt overwogen met betrekking tot het eerste middel. 13.
  45. Een louter voorbereidende handeling is niet voor vernietiging vatbaar. Het is nu eenmaal per definitie de zin en de functie van voorbereidende handelingen om niet uit zichzelf de bestaande rechtsorde te wijzigen, maar om zo’n wijziging alleen voor te bereiden. Overigens mocht verzoekster in het auditoraatsverslag ook al de conclusie lezen dat het beroep onontvankelijk is “in zoverre het is gericht tegen ‘de resultaten van de bevorderingscommissie van Actiris van 19 juni 2017, waarbij de heer Jean-Philippe Delbosse als eerste kandidaat wordt gerangschikt voor de bevordering naar de functie van ‘Expert Projectinspecteur Tewerkstellingsprogramma’s’ in de rang A2 en waarbij verzoekster in groep B ‘niet geschikt’ ingeschreven wordt’. Verre van dit in haar laatste memorie te weerspreken, verklaart zij daarin dat zij zich “kan aansluiten bij het verslag van de Auditeur”. V-1970-1973-9/19 13.
  46. Voor zover het beroep is gericht tegen het gemotiveerd advies van de bevorderingscommissie, is de exceptie gegrond en is het beroep onontvankelijk. 14.
  47. In principe bepaalt het voorwerp van het beroep zoals het in het verzoekschrift wordt omschreven, de grenzen van de rechtsstrijd en van de vernietiging die wordt uitgesproken. Het inquisitoriaal karakter van de rechtspleging voor de Raad van State houdt evenwel onder meer in dat het aan de Raad toevalt om uit te maken wat het precieze voorwerp is van een beroep, waarbij hij rekening dient te houden met de bewoordingen van het verzoekschrift, maar ook onder meer met het resultaat dat de verzoekende partij wil bereiken en de middelen die zij daartoe aanvoert, namelijk de vraag op welke rechtshandeling ze betrekking hebben en zelfs op welke ze zinvol betrokken kunnen worden. De Raad van State moet ook ervoor waken dat hij in een te strikt formalisme zou vervallen, als dat een ontoelaatbare belemmering zou zijn voor het recht van een verzoekende partij op toegang tot de rechter. 14.
  48. Uit het geheel van het verzoekschrift – het feitenrelaas, de aangevoerde middelen en het voordeel dat zij nastreeft – mag worden afgeleid dat verzoekster zich gegriefd weet door haar opname in de groep B ‘niet geschikt’ en dat zij nastreeft om alsnog opgenomen te worden in de groep A ‘geschikt’, om alzo haar kans op bevordering veilig te stellen. Aldus rijst de vraag of, gelet op de aangevoerde middelen en het belang waarop verzoekster zich beroept, er grond is om in het beroep nog een ander voorwerp te onderkennen. V-1970-1973-10/19 14.
  49. Vooreerst is er mogelijk de “beslissing” waarbij het bezwaar van verzoekster onontvankelijk wordt verklaard, zoals meegedeeld aan verzoekster door de directeur HRM op 13 juli
  50. Van een formele beslissing van de directieraad over verzoeksters bezwaar is in het administratief dossier geen afzonderlijk instrumentum neergelegd. Enkel is verzoekster meegedeeld dat de directieraad van haar klacht “zal geïnformeerd worden op de zitting van 10.07.2017”. Dat de directieraad het bezwaar onontvankelijk acht, overeenkomstig wat aan verzoekster is meegedeeld door de personeelsdirecteur, moet alleszins impliciet maar zeker worden afgeleid uit de beslissing van die directieraad – van onbekende datum – om vervolgens het definitieve voorstel van rangschikking voor te leggen aan het beheerscomité. Evenwel zijn ook handelingen, welke kaderen in een administratieve bezwaarprocedure – zoals in casu de verwerping van dat bezwaar – evident niet de eindbeslissing, maar evenmin een vóórbeslissing die de rechtspositie van verzoekster dadelijk nadelig raakt. Ze zijn dus ook niet voor vernietiging vatbaar. Slechts uitzonderlijk immers zouden voorbereidende beslissingen op zichzelf – dit is los van het beroep tegen de eindbeslissing – ontvankelijk met een annulatieberoep kunnen worden aangevochten, namelijk wanneer ze eigen, dadelijk werkende, voor de verzoekende partij nadelige rechtsgevolgen blijken te hebben (zie hiervóór, sub 12). 14.
  51. De voorbereidende beslissing die verzoekster wél definitief de weg heeft versperd naar een benoeming, is het voormelde definitieve voorstel van rangschikking van de directieraad ná de behandeling van de eventuele bezwaarschriften. Immers is verzoekster in dat voorstel opgenomen in groep B. Als kandidaat die ‘niet geschikt’ is bevonden, komt zij voor bevordering niet meer in aanmerking. V-1970-1973-11/19 Meer nog, de rangschikking van groep A is door de directieraad eenparig uitgebracht, zodat het voorstel overeenkomstig artikel 95, § 2, van het administratief statuut bindend is voor de benoemende overheid. Dat dit definitieve voorstel na 12 juni 2017 ongewijzigd is gebleven omdat er slechts één tegenkandidaat was – verzoekster – en haar bezwaarschrift verworpen is, doet niet anders besluiten.
  52. Uit wat voorafgaat volgt, dat naast wat verzoekster formeel tot voorwerp van het beroep verklaart, zij ook moet worden geacht haar beroep te richten tegen het in artikel 95, § 1, van het administratief statuut bedoeld, aan de benoemende overheid voorgelegd definitief voorstel tot rangschikking van de directieraad. VII. Onderzoek van de middelen in de zaak A. 223.005 A. Eerste middel Uiteenzetting
  53. Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 94 van het administratief statuut. Verzoekster voert aan dat haar een interne beroepsmogelijkheid is ontnomen doordat de directieraad ten onrechte de beroepsmogelijkheid ex artikel 94 voorbehoudt aan de kandidaten die werden gerangschikt in groep A ‘geschikt’.
  54. De verwerende partij antwoordt dat de artikelen van het administratief statuut over de organisatie voor de bevordering van personeelsleden van rang A3 en A2 niet afzonderlijk moeten worden toegepast maar als een geheel moeten worden geïnterpreteerd: V-1970-1973-12/19 “Het is eerder artikel 92 van het Statuut dat van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat enkel de kandidaten van groep A, die als ‘geschikt’ worden beoordeeld, door de bevorderingscommissie worden gerangschikt en verder dat enkel de Directieraad bevoegd is om het voorstel tot rangschikking van de bevorderingscommissie te analyseren. In dezelfde zin voorziet artikel 93 uitdrukkelijk dat de Directieraad het voorstel tot definitieve rangschikking opmaakt. De Directieraad heeft aldus geen enkele bevoegdheid om de gegrondheid van de beoordeling van een kandidaat als al dan niet ‘geschikt’ voor een bepaalde functie te beoordelen.” Daaruit leidt de verwerende partij af dat voor de beoordeling of een kandidaat al dan niet als ‘geschikt’ moet worden aangemerkt, artikel 94 van het administratief statuut niet van toepassing is. Verzoekster werd correct ingelicht dat de enige beroepsmogelijkheid bestaat in het neerleggen van een verzoekschrift bij de Raad van State.
  55. De tussenkomende partij stelt dat de directieraad enkel bevoegd is om de rangschikking van de als geschikt geklasseerde kandidaten – zoals voorgesteld door de bevorderingscommissie – te wijzigen, maar niet om een kandidaat uit groep B weer “op te vissen”. De directieraad is op dat punt gebonden door de beslissing van de bevorderingscommissie, die steunt op een objectief gegeven, namelijk de score die verzoekster behaalde en die lager is dan de vereiste 12/
  56. Nu verzoekster niet in groep A werd geklasseerd, beschikte zij niet over een interne beroepsmogelijkheid. De tussenkomende partij merkt daarbij op dat geen enkel beginsel van administratief recht een recht op een georganiseerd intern beroep erkent.
  57. De verwerende partij noemt het in haar laatste memorie “evident” dat, wanneer men spreekt over een “kandidaat die zich benadeeld acht” in de zin van artikel 94, derde lid, van het administratief statuut, het gaat om een V-1970-1973-13/19 kandidaat die zich benadeeld acht omwille van “het voorstel” dat werd geviseerd door het eerste lid van hetzelfde artikel. Welnu, dit “voorstel” is “het definitief voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A”, waarvan sprake is in artikel 93, eerste lid. Derhalve staat het bezwaar waarin is voorzien in artikel 94, derde lid, van het administratief statuut enkel open voor de kandidaten van groep A. Anderzijds moeten de kandidaten die in groep B worden gerangschikt en die zich benadeeld voelen, meteen een beroep instellen bij de Raad van State.
  58. De tussenkomende partij merkt in haar laatste memorie op dat de rangschikking bij dienstnota aan de kandidaten bekendgemaakt wordt. Dat is volgens haar logisch, om alzo aan de kandidaten van groep A toe te laten een bezwaar in te dienen als zij niet als eerste zijn gerangschikt. Zij herhaalt dat enkel de kandidaten van groep A zich benadeeld kunnen achten door de rangschikking; dat de directieraad enkel de volgorde van de rangschikking vermag te wijzigen en dat hij een kandidaat van groep B niet mag heropvissen. Beoordeling
  59. Nergens in het administratief statuut is uitdrukkelijk te lezen dat het administratief beroep enkel openstaat voor kandidaten uit groep A of, omgekeerd, dat kandidaten van groep B uitdrukkelijk uitgesloten worden van het recht op intern bezwaar. De verwerende partij leidt dit af uit artikel 92 van het administratief statuut, waar te lezen is dat enkel de kandidaten in groep A worden gerangschikt, eensdeels, en “deze rangschikking” wordt voorgelegd aan de directieraad, anderdeels.
  60. De Raad van State kan deze lezing van de artikelen 92 tot 95 van het administratief statuut niet bijvallen. V-1970-1973-14/19
  61. Volgens artikel 94, eerste lid, van het administratief statuut wordt het voorstel van de directieraad tot rangschikking van de kandidaten van groep A per dienstnota meegedeeld “aan de kandidaten die zich kandidaat hebben gesteld voor de te verlenen betrekking”, zonder enige beperking. Onder die kandidaten bevinden zich ontegenzeglijk ook die kandidaten die door de bevorderingscommissie niet in groep A werden opgenomen. Terecht ook heeft verzoekster bijgevolg dienstnota 13/17 van 19 juni 2017 ontvangen.
  62. Het derde lid van artikel 94 bepaalt dat “[d]e kandidaat die zich benadeeld acht”, binnen tien dagen bezwaar kan indienen bij de voorzitter van de directieraad. Het spreekt voor zich dat, in navolging van de draagwijdte van het eerste lid, niet alleen kandidaten die niet gunstig werden gerangschikt binnen groep A zich benadeeld kunnen achten, maar ook die kandidaten die niet in die rangschikking voorkomen. Zoals hiervóór opgemerkt, sluit het administratief statuut deze kandidaten niet expressis verbis uit van het recht om bezwaar in te dienen. Aangenomen moet worden dat artikel 94 zo moet worden gelezen, dat elke kandidaat die zich benadeeld acht, bezwaar mag indienen bij de directieraad en vragen om te worden gehoord. De beperkende interpretatie van de verwerende partij en de tussenkomende partij vindt evenmin steun in de overige relevante bepalingen van het administratief statuut. Een andere lezing zou overigens op gespannen voet staan met het gelijkheidsbeginsel. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de directieraad in een eerdere stap van de procedure slechts een oordeel velt over de rangschikking van de kandidaten van groep A, zoals die hem is voorgelegd door de bevorderingscommissie. Niets belet – minstens wijzen de toepasselijke V-1970-1973-15/19 normen niet op dergelijk beletsel – dat de directieraad na bezwaar van een benadeelde kandidaat over ruimere bevoegdheden beschikt.
  63. Aldus moet met verzoekster worden vastgesteld dat artikel 94 van het administratief statuut inzake de bezwaarmogelijkheid geen onderscheid maakt tussen kandidaten die werden opgenomen in groep A of in groep B: alle kandidaten die zich kandidaat stelden voor de te verlenen betrekking en die zich benadeeld achten door het voorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A, beschikken over een bezwaarmogelijkheid bij de directieraad. Verzoekster stelt bijgevolg terecht dat deze bezwaarmogelijkheid ook voor haar openstond. Niet wordt betwist dat de klacht van verzoekster niet door de directieraad is onderzocht. Dit tast de wettigheid aan van het definitief voorstel van rangschikking dat de directieraad vervolgens aan de benoemende overheid heeft voorgelegd.
  64. Het middel is gegrond. B. Tweede en derde middel
  65. De op grond van het gegrond bevonden eerste middel hierna uit te spreken nietigverklaring, doet de verplichting herleven voor de directieraad om uitspraak te doen over de klacht van verzoekster. Het tweede en het derde middel, gericht tegen de samenstelling van de bevorderingscommissie en haar “methodologie”, zijn voorbarig en bijgevolg onontvankelijk. V-1970-1973-16/19 VIII. Het beroep in de zaak A. 224.039 A. Ontvankelijkheid Excepties van de verwerende partij
  66. De verwerende partij werpt op dat het beroep in de zaak A. 224.039 niet ontvankelijk is, omdat in het kader van het beroep in de zaak A. 223.005 geen beroep werd ingesteld tegen de beslissing van de directieraad van 12 juni 2017, noch tegen de beslissing van de directieraad die het beroep van verzoekster onontvankelijk verklaart. Beoordeling
  67. Zoals hiervóór is uiteengezet, zijn beide voormelde beslissingen louter voorbereidende handelingen. Een beroep daartegen zou bijgevolg onontvankelijk zijn, zodat verzoekster bezwaarlijk verweten kan worden dat zij het niet heeft ingesteld. Louter ten overvloede zij opgemerkt dat hiervóór is aangenomen dat het beroep in de zaak A. 223.005 mede gericht is tegen de beslissing van de directieraad van onbekende datum, waarbij het definitief voorstel van rangschikking aan het beheerscomité is voorgelegd en waaruit impliciet blijkt dat de klacht van verzoekster is verworpen. Dit gegeven staat echter los van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de eindbeslissing, die niet vereist dat aanvechtbare vóórbeslissingen ook effectief zijn aangevochten.
  68. De excepties worden verworpen. V-1970-1973-17/19 Exceptie van de tussenkomende partij
  69. Volgens de tussenkomende partij heeft verzoekster geen belang bij het beroep, omdat zij ook bij opname in groep A nooit een hogere score zou kunnen verwerven dan de tussenkomende partij heeft gekregen: verzoekster kreeg 9,86/20 en de tussenkomende partij behaalde 16,80/
  70. Beoordeling
  71. Aangezien de bezwaren van verzoekster nooit werden onderzocht en zij door de directieraad nooit is gehoord, zijn de haar toegekende punten thans niet definitief en vaststaand, zodat de exceptie feitelijke grond mist. B. Gegrondheid
  72. In het enige middel in de zaak A. 224.039 voert verzoekster op goede grond aan dat de benoeming van de tussenkomende partij als gevolgakte gevitieerd is, op grond van de onwettigheid die is vastgesteld bij het onderzoek van de zaak A. 223.
  73. BESLISSING
  74. De zaken A. 223.005/V-1970 en A. 224.039/V-1973 worden gevoegd.
  75. De Raad van State vernietigt (i) de beslissing van het beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling Actiris van 26 oktober 2017, waarbij Jean-Philippe Delbosse wordt benoemd in de graad van eerste attaché (rang A2) voor de functie Expert Projectinspecteur Tewerkstellingsprogramma’s en (ii) het daaraan voorafgaand, op onbekende datum aan het beheerscomité voorgelegd definitief voorstel van rangschikking van de directieraad. V-1970-1973-18/19
  76. De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 223.005 voor het overige.
  77. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde benoemingsbesluit.
  78. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beide beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in de beide zaken, begroot op 300 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Frédéric Gosselin, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren V-1970-1973-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.