← België

Arrest 254827 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.827 Rolnummer: A. 233462/VII-41090 Zaak: Arrest 254827 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-10 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 07:41 Fiche Arrest nr 254.827 van 20 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.827 van 20 oktober 2022 in de zaak A. é.462VII-41.090 In zake : Jean SCHEERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evert Vervaet kantoor houdend te 1700 Dilbeek Tenbroekstraat 35 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 16 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC-M-2021-0054 van het Handhavingscollege van 11 maart 2021 in de zaak 1920-HHC-0072-M. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 27 mei
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.090-1/10 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 2 juni 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evert Vervaet, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De gewestelijke entiteit legt op 6 april 2020 aan verzoeker een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 750 euro wegens schending van artikel 12, § 1 van het decreet van 23 december 2011 ‘betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringenlopen en afvalstoffen’ (hierna: Materialendecreet), meer bepaald wegens het achterlaten van “drie hopen snoeiafval […] tussen de periode van 1 januari 2019 en 30 mei 2019”. VII-41.090-2/10
  7. Het bestreden arrest verwerpt het middel en bijgevolg het beroep van verzoeker tot vernietiging van voormelde beslissing van de gewestelijke entiteit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
  8. Verzoeker voert de schending aan van artikel 16.4.37 49 van het Vlaamse decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: Handhavingsbesluit), en voert tevens bevoegdheidsoverschrijding aan “dit alles samen gelezen met het artikel 194 Gw, artikel 32, tweede lid DBRC-decreet en artikel 16.4.39 DABM”. Verzoeker zet uiteen “dat de gewestelijke entiteit niet over de vereiste bevoegdheid beschikte om de oorspronkelijk bestreden beslissing van 6 april 2020 te nemen”. De “oorspronkelijk bestreden beslissing” is niet ondertekend terwijl “[d]e vermelding van een (juiste) handtekening bij de daartoe bevoegde persoon […] een substantiële pleegvorm” vormt en waardoor “elke verificatie van de bevoegde ambtenaar onmogelijk is nu zijn handtekening ontbreekt”. Hij betoogt nog dat “de oorspronkelijk bestreden beslissing […] is opgesteld door de heer Pascale De Paepe en dat deze zou moeten ondertekend zijn namens het afdelingshoofd Dries Wouters” die volgens het besluit van 14 februari 2019 tot aanwijzing van de gewestelijke entiteit, bevoegd voor het opleggen van alternatieve en exclusieve bestuurlijke geldboetes, “niet het afdelingshoofd is, zodat dit elke identificatie van de ondertekenaar, en dus de VII-41.090-3/10 persoon die de oorspronkelijk bestreden beslissing heeft getroffen, onmogelijk maakt”. Beoordeling
  9. Volgens de historisch toepasselijke versie van artikel 3 van het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving houdende aanwijzing van gewestelijke entiteit, bevoegd voor het opleggen van alternatieve en exclusieve bestuurlijke geldboetes, en delegatie van handtekening aan personeelsleden van de gewestelijke entiteit, behoorde Dries Wouters, adjunct van de directeur, tot de gewestelijke entiteit.
  10. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de aan verzoeker op 6 april 2020 opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete namens het afdelingshoofd werd ondertekend door Dries Wouters.
  11. Het middel mist feitelijke grondslag. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
  12. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), artikel 16.4.39 van het DABM “samen gelezen met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, samengelezen met het artikel 16.3.25 DABM”. Verzoeker zet uiteen dat het bestreden arrest is behept met “één kapitale denkfout” omdat het HHC “meent dat de verzoeker […] zelf heeft VII-41.090-4/10 toegegeven dat snoeiafval door hem werd gedeponeerd in het bos op het perceel van de Kerkfabriek” en het aldus “bewezen [acht] dat de vastgestelde hopen snoeiafval afkomstig zijn van de werkzaamheden, uitgevoerd door verzoeker […] op 9 mei 2019, terwijl verzoeker […] met stukken aantoonde dat het snoeiafval verkregen na de vastgestelde werkzaamheden effectief werd gedeponeerd op zijn eigendom om verhakseld te worden”. Het HHC heeft “op grond van labberlottig opgesteld proces-verbaal en zonder nader onderzoek, veel te voortvarend geconcludeerd dat het aangetroffen snoeiafval rechtstreeks afkomstig was van snoeiwerkzaamheden, uitgevoerd op 9 mei 2019 op de akkers. Dit staat absoluut niet vast, minstens kan die allesbehalve worden gededuceerd uit dit summier onderzoek, doorspekt met tendentieuze verwijten. Het behoorde aan de bodemrechter om dit feitenrelaas te doorprikken en vast te stellen dat de gewestelijke entiteit bij de besluitvorming te kort door de bocht is gegaan. […]. Als de vervolging steunt op het uitvoeren van snoeiwerkzaamheden en de resultante daarvan ter plaatse achter te laten als afvalstof in de zin van het Materialendecreet, dan kan men niet de aanwezigheid van snoeiafval in het bos vereenzelvigen met de eerst vernoemde feitelijke vaststellingen om op basis daarvan het achterlaten van snoeiafval in het bos als een milieumisdrijf te kwalificeren, bovendien te plaatsen in de voorgehouden incriminatieperiode. Dit is onredelijk en onzorgvuldig. Het [HHC] heeft [zijn] arrest aldus bijzonder onzorgvuldig gemotiveerd door met een incorrecte aanname het milieumisdrijf als bewezen te achten”. Beoordeling
  13. Het bestreden arrest overweegt: “
  14. De bestreden beslissing baseert zich voor wat betreft de tenlastelegging op de visuele vaststellingen vervat in het proces-verbaal met nummer HV.64.LF.002928/19, waarbij de verbalisant op 8 en 14 mei 2019 vaststelt dat er drie hopen snoeiafval in het bos aan de boskapel liggen, waarvan zij drie foto's neemt en als bijlagen 3, 4 en 5 voegt bij het proces-verbaal. Volgens de vaststellingen van de verbalisant betreft dit geen snoeiafval van het bos zelf, maar is dit afval deels afkomstig is van de onderhoudswerken/snoeiwerken die de verzoekende partij op de VII-41.090-5/10 naburige percelen uitvoerde. De verbalisant stelt dat hij de verzoekende partij meermaals aan het werk gezien heeft op de naburige percelen, maar nooit aan het bos zelf. De verzoekende partij ontkent in haar verzoekschrift niet dat er drie hopen snoeiafval in het bos aan de boskapel liggen, noch dat ze daar snoeiafval heeft achtergelaten. Ze stelt in haar verzoekschrift dat ze in de loop van bijna tien jaar snoeiafval heeft achtergelaten en niet louter in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 mei 2019, zoals in het proces-verbaal vastgesteld. De verzoekende partij bevestigt hiermee de vaststellingen in het proces-verbaal en geeft zelfs aan dat ze gedurende een veel langere periode dan de periode in het proces-verbaal vastgesteld snoeiafval heeft achtergelaten in het bos. Wat betreft de vaststelling dat ze op heterdaad betrapt werd door twee leden van kerkfabriek, spreekt de verzoekende partij de vaststellingen in het proces-verbaal louter tegen, maar levert daartoe zelfs geen begin van bewijs. Het College dient bijgevolg vast te stellen dat de verzoekende partij geen deugdelijk tegenbewijs levert dat van aard is om de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal te ontkrachten. Evenmin is klacht neergelegd wegens beweerde valsheid in geschrifte, minstens wordt hiervan geen bewijs voorgebracht. Het College is van oordeel dat de beweringen in dat verband van de verzoekende partij door geen enkel objectief element worden gestaafd, laat staan aannemelijk gemaakt. 5.
  15. De verzoekende partij betwist niet dat er drie hopen snoeiafval in het bos aan de boskapel liggen, noch dat ze daar snoeiafval heeft achtergelaten. Ze betwist wel dat dit een schending uitmaakt van het Materialendecreet, waarbij ze stelt dat dit snoeiafval afkomstig is van het bos zelf en in het bos groeiende gewassen geen afvalstoffen zijn in de zin van het Materialendecreet. […] 5.
  16. De verzoekende partij erkent in haar verzoekschrift dat zij de intentie had om zich van het vastgestelde snoeiafval te ontdoen. Ze stelt dat dit snoeiafval afkomstig is van het bos zelf en in het bos wordt teruggelegd. Ze is dan ook van oordeel dat dit snoeiafval niet als een afvalstof in de zin van het Materialendecreet dient beschouwd te worden. Het College stelt vast dat de verbalisanten visueel hebben kunnen vaststellen dat het afval niet afkomstig was van het naburig bos maar minstens deels afkomstig zijn van in de buurt uitgevoerde snoeiwerken. Er is dan ook geen reden om de kwalificatie van de feiten als een inbreuk op artikel 12, § 1 van het Materialendecreet te betwijfelen. De materialiteit van de vastgestelde snoeiwerken wordt overigens niet betwist, evenmin dat houtafval werd gedeponeerd in het bos. Enkel wordt tegengesproken dat wat werd achtergelaten in het bos afkomstig is van ruimingswerken daarbuiten gelegen. Het louter verklaren van het tegendeel ontneemt de speciale bewijskracht niet die kleeft aan de visuele vaststellingen van de verbalisant, en die voor het overige overeenstemmen met de verklaringen van en de foto’s genomen door de eigenaar van het bos. Het College treedt de verwerende partij in haar beoordeling bij dat gelet op het in de bestreden beslissing vastgesteld geheel aan feitelijk VII-41.090-6/10 samenhangende vaststellingen en verklaringen in het dossier, het bestaan van het milieumisdrijf afdoende bewezen overkomt. Overigens is de discussie of het achtergelaten snoeiafval al dan niet van binnen of buiten het bos afkomstig is van geen belang voor het bestaan van het milieumisdrijf. De verzoekende partij stelt immers dat het terzake zou gaan over overhangende takken, die zijn werk op naburige percelen zou bemoeilijkt hebben, en die hij terug in het bos zou gelegd hebben. Zoals reeds gesteld is voor de vaststelling van het misdrijf de intentie en het gedrag van de vermoedelijke overtreder belangrijk. Nu niet ernstig kan betwist worden dat de verzoekende partij zich heeft willen ontdoen van dit snoeihout, door het opstapelen in het bos, kan over het bestaan van de inbreuk op artikel 12, §1 Materialendecreet geen ernstige discussie bestaan. De verzoekende partij toont evenmin aan dat de bestreden beslissing berust op onjuiste feitenvinding of kennelijk onzorgvuldig is genomen.”
  17. De bij artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid van het DBRC opgelegde verplichting aan het HHC om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de rechterlijke motiveringsverplichting.
  18. Het middel dat een onzorgvuldige motivering door het bestreden arrest aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.
  19. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest het achterlaten van snoeiafval in het bos onredelijk en onzorgvuldig kwalificeert als milieumisdrijf in de voorgehouden incriminatieperiode en het milieumisdrijf incorrect bewezen acht, dwingt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling door het HHC. VII-41.090-7/10 De Raad van State is daartoe, overeenkomstig artikel 14, § 2, RvSt-wet, als cassatierechter niet bevoegd aangezien hij enkel kan nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is uitgesproken. Het cassatieberoep kan enkel betrekking hebben op rechtsvragen. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  20. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 16.4.39 van het DABM “samen gelezen met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, samengelezen met het artikel 16.3.25 DABM”, en nalaat uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest de aangevoerde samengelezen bepalingen schendt, is niet ontvankelijk. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.090-8/10 Het onterecht betaalde rolrecht met bijdrage van 220 euro dient aan verzoeker te worden terugbetaald. VII-41.090-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.090-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.