← België

Arrest 254828 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.828 Rolnummer: A. 233195/VII-41054 Zaak: Arrest 254828 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-07 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-10 07:41 Fiche Arrest nr 254.828 van 20 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.828 van 20 oktober 2022 in de zaak A. é.195/VII-41.054 In zake : de VZW BESCHERM BOMEN & NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 6 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0566 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 28 januari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0197-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 mei
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 19 mei 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van VII-41.054-1/15 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  5. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: provincie) verleent op 26 september 2019 aan de nv Huyghebaert & Mommens een omgevingsvergunning “voor het vellen van 43 populieren”.
  6. Het bestreden arrest verwerpt het middel en bijgevolg het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde beslissing van de provincie omdat: VII-41.054-2/15 - het middel niet ontvankelijk is in zoverre de schending van artikel 36ter van het Vlaamse decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet) wordt aangevoerd, - de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de aanvraag gelegen is in een erfgoedlandschap en de zorg- en motiveringsplicht ingeschreven in artikel 6.5.3 van het Vlaamse decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’ erop van toepassing is, noch bewijst dat de opname als ankerplaats tot een specifieke motiverings- en zorgplicht leidt, - de verzoekende partij niet aantoont dat het vellen van de bomen van die aard is de natuur te beschadigen, die schade vermijdbaar is, de provincie door het opleggen van de gestelde voorwaarden niet tegemoet is gekomen aan de met artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet beoogde zorgplicht door de eventuele vermijdbare schade te herstellen, - de kritiek van de verzoekende partij omtrent de beoordeling van de eisen van een goede ruimtelijke ordening, neerkomt op opportuniteitskritiek en niet inzichtelijk maakt dat er sprake zou zijn van een onzorgvuldige of gebrekkig gemotiveerde vergunningsbeslissing die er blijk van geeft niet alleen rekening te hebben gehouden met economische overwegingen, maar ook met veiligheidsoverwegingen en met landschappelijke en natuurwaarden. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag, dat in deze zaak besluit het beroep te verwerpen, niet in de mogelijkheid een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen waarbij de feiten, het belang en hoedanigheid en de middelen van de verzoekende partij worden hernomen. Artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit laat in dat geval enkel toe om op straffe van de toewijzing van de afstand van het geding te “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Voormelde memorie wordt alleen als procedurestuk in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. VII-41.054-3/15 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij
  8. De verzoekende partij voert de schending aan van “het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten”, artikel 149 van de Grondwet, artikel 40 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), “de aan de [RvVb] toegewezen bevoegdheid”, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en het zorgvuldigheidsbeginsel omdat er sprake is van: - een opportuniteitsbeoordeling in de aangehaalde overwegingen in randnummer 12 van het bestreden arrest door de RvVb “dewelke niet tot [zijn] bevoegdheid behoort”, - “tegenstrijdige motivering en motivering die niet klopt met de feitelijke gegevens”. Zij zet uiteen: “Deze laatste overweging, is duidelijk een opportuniteitsoordeel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, die zich echter niet in de plaats van de vergunningsverlenende overheid kan plaatsen, doch enkel marginaal mag aftoetsen en gebeurlijk kan oordelen dat de bestreden beslissing onredelijk is. De Raad spreekt zich hier duidelijk uit in het voordeel van de beweerde langetermijnvisie van de Provincie, en stelt dat de kritiek van verzoekster getuigt van een ‘korte termijnvisie’. De Raad stelt de twee stellingen ten opzichte van elkaar, en komt tot het besluit dat de visie van de Provincie dient bijgetreden te worden. De Raad gaat hiermee haar bevoegdheid te buiten, zij doet een opportuniteitsoordeel, wat in strijd is met art. 40 van het DBRC-Decreet en het beginsel van de scheiding der machten. De Raad gaat zelfs overwegingen toevoegen aan het bestreden besluit, die er eigenlijk niet instaan, nl - de gevoeligheid van dit type populier aan vroegtijdige aftakelingsverschijnselen VII-41.054-4/15 - hierbij wordt door de verwerende partij (in de bestreden beslissing) gewezen op het bestaan van een goedgekeurd bomenbeheerplan voor het Beverhoutsveld, hetgeen duidelijk verwijst naar een globale en perceelsoverschrijdende langetermijnvisie in hoofde van de vergunningverlenende overheid - dat volgens de bestreden beslissing vroeg of laat aftakelingsverschijnselen zal vertonen, wat de verzoekende partij niet betwist - de( al dan niet licht ingezette) aftakeling. Er wordt in de bestreden beslissing verwezen niet naar het bomenbeheersplan van het Beverhoutsveld, maar naar een drevenbeheersplan voor het Beverhoutsveld. Het bomenbeheersplan komt ter sprake in het informeer advies van het regionaal Landschap Houtland, waaromtrent verzoekster duidelijk gesteld heeft dat hiermee geen rekening kan worden gehouden. In het bestreden besluit wordt er verwezen naar het college dat stelde dat de aftakelingsverschijnselen de uitoefening van de landbouwfunctie zullen hinderen. De Raad maakt ervan in het bestreden arrest; dat er vroeg of laat aftakelingsverschijnselen zullen vertonen, wat de verzoekende partij niet betwist. Verzoekster heeft wel degelijk het bestaan van aftakelingsverschijnselen van de populieren betwist. Dit is een onjuiste motivering, die ingaat tegen de feitelijke gegevens van de zaak. Het is om die reden ook dat door verzoekster en VTA rapport werd voorgelegd. In de motieven van het bestreden besluit stond er niet; dat er ‘vroeg of laat aftakelingsverschijnselen’ zich zouden voordoen. Verzoekster heeft in het VTA rapport juist aangetoond, dat er geen sprake is van aftakelingverschijnselen en dat dit ook in de toekomst zeker niet het geval zal zijn en de bomen/populieren nog zeker 200 jaar kunnen meegaan. Verzoekster heeft aan de hand van het VTA rapport aangetoond dat er geen sprake is van aftakeling, en zeker niet van een ‘al dan niet ingezette aftakeling’. Verzoekster heeft derhalve bewezen dat de motivering van het bestreden besluit gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens. Trouwens uit de bevindingen van het VTA rapport blijkt trouwens dat de populieren nog tussen de 50 en 150 jaar kunnen meegaan en derhalve is het motief van de Raad dat het niet tegengesproken, dan wel betwist wordt, dat de ‘gevoeligheid van dit type populier (Robusta) aan vroegtijdige aftakelingsverschijnselen zal vertonen’ en verder dat de verzoekende partij ‘in essentie haar kortetermijnvisie’ wil promoten, ook feitelijk onjuist is. Enerzijds wijst de Raad in het bestreden arrest naar het motief van de verwerende partij de Provincie, waarbij wordt gesteld dat het kappen van de populieren aangewezen is voordat het aftak[el]ingsstadium is ingezet, wat impliceert dat aanvaard wordt dat de populieren inderdaad nog geen aftak[el]ingsverschijnselen vertonen, anderzijds is de Raad in het bestreden arrest van oordeel dat verzoekster geen bewijs levert van het kerngezond karakter van de bomen en het feit dat zij geen aftakelingsverschijnselen VII-41.054-5/15 vertonen en dat verzoekster geen tegenbewijs levert van het feit dat beweerdelijk de gemeentelijke milieudienst ais de gemeentelijke omgevingsambtenaar, als het college van burgemeester en Schepenen en de verwerende partij stellen dat er sprake is van ‘lichte aftakelingsverschijnselen.’ De Raad schippert in de argumentatie van het bestreden besluit tussen de afweging dat het gaat over een soort te kappen populieren die niet van een oudere kloon zijn, in het licht van een meerwaarde voor het landschap en het argument dat de populieren nu reeds aftakelingsverschijnselen vertonen. Dit is een tegenstrijdige motivatie. Dit is een schending van art. 149 van de Grondwet en een schending van art. 2 en 3 van de Motiveringswet van 1991”. Beoordeling
  9. Artikel 40 DBRC betreft de schorsingsprocedure en -bevoegdheid voor en van de RvVb. Het middel dat de schending aanvoert door het bestreden arrest van deze bepaling, kan niet tot cassatie leiden.
  10. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de op het bestreden arrest niet toepasselijke wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, kan niet tot cassatie leiden.
  11. Uit artikel 14, § 2, van de RvS-wet volgt dat de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is om uitspraak te doen over cassatieberoepen die worden ingesteld “wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen”. Het middel dat schending van “de aan de [RvVb] toegewezen bevoegdheid” aanvoert, voert geen overtreding van de wet of de schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen aan zoals vereist in voormelde wetsbepaling. Het middel dat deze schending aanvoert, is onontvankelijk. VII-41.054-6/15
  12. Het middel dat niet uiteenzet hoe het bestreden arrest het aangevoerde zorgvuldigheidsbeginsel schendt, is niet ontvankelijk.
  13. Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het betoog van verzoekende partij: “dat het heraanplanten van de bomen geen meerwaarde is op het vlak van natuur en landschappelijke visie, en enkel is ingegeven vanuit het gegeven van ‘economische’ kaprijpheid en de bewering dat de bomen door aftakelingsverschijnselen de uitoefening van de landbouwfunctie zullen verhinderen. Ze besluit dat het laten doorwegen van economische kaprijpheid niets te maken heeft met de goede ruimtelijke ordening en geen draagkrachtig argument is om een beschermd erfgoedlandschap onherstelbare schade toe te brengen, of schade voor meerdere tientallen jaren”.
  14. Het bestreden arrest antwoordt: “[…] Het behoort tot de taak en de bevoegdheid van het vergunningverlenend bestuur om overeenkomstig artikel 4.3.1, §2, eerste lid, 1° en 2° VCRO op concrete wijze te onderzoeken of een aanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, waarbij het de noodzakelijke of relevante aspecten van de goede ruimtelijke ordening bij zijn beoordeling dient te betrekken en dient rekening te houden met de ingediende bezwaren en adviezen. De beoordeling in het licht van de goede ruimtelijke ordening wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 VCRO. De erfgoedwaarde maakt wel deel uit van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, waarbij de vergunningverlenende overheid ook de erfgoedwaarde in overweging moet nemen. Waar het de toets aan de goede ruimtelijke ordening betreft, beschikt het vergunningverlenend bestuur over een discretionaire bevoegdheid om het gevraagde te beoordelen. De Raad mag zijn beoordeling van de eisen van de goede ruimtelijke ordening niet in de plaats van die van het bevoegde bestuur stellen. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij VII-41.054-7/15 enkel bevoegd om na te gaan of het vergunningverlenend bestuur de hem wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren uitgeoefend heeft, met name of het van de juiste feitelijke gegevens uitgegaan is, of het die correct beoordeeld heeft en of het op grond daarvan in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. De artikelen 2 en 3 van de Motiveringswet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die afdoende moeten zijn. De door artikel 3 van de Motiveringswet opgelegde motiveringsplicht vereist dat de bestreden beslissing duidelijk de redenen te kennen geeft waarom de aanvraag volgens de verwerende partij de toets aan de goede ruimtelijke ordening doorstaat. Alleen met de in de beslissing uitdrukkelijk opgenomen motieven kan er rekening gehouden worden. […] Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij erkent dat de populieren gelegen zijn in biologisch waardevol gebied en dat de dreef een waardevol landschapselement vormt, maar daartegenover stelt dat de populieren van de soort ‘Robusta’ een beperkte houdbaarheid hebben en het kappen van deze bomen voordat het aftakelingsstadium is ingezet en het vervangen ervan door populieren met een oudere kloon, net een meerwaarde vormt op vlak van natuur en getuigt van een landschappelijke visie met het oog op het behoud van het drevenlandschap op lange termijn. De heraangeplante bomen zullen dan ook beter aansluiten bij het naastgelegen Beverhoutsveld, waarvoor een globaal bomenbeheerplan is opgesteld. Ze haalt ook het standpunt van het college aan dat het niet kappen van de bomen de uitbating van het agrarisch gebied waarin de bomen gelegen zijn, zal bemoeilijken en onveiliger maken. Voor zover de verzoekende partij zich beroept op het beweerdelijk niet afdoende beantwoord zijn van de beroepsgrieven die de vzw GROEN in de administratieve beroepsprocedure heeft laten gelden, beschikt de verzoekende partij - die zelf geen administratief beroep heeft ingesteld omdat ze nog niet was opgericht en ook niet als de rechtsopvolger van de vzw GROEN kan worden beschouwd - niet over het vereiste belang bij het middel. Zoals hiervoor reeds gesteld, brengt de verzoekende partij van haar bewering dat de bomen wel ‘kerngezond’ zijn en geen aftakelingsverschijnselen enkel een fotocollage bij. Dit kan niet begrepen worden als een afdoende bewijs, net zomin als dit een tegenbewijs vormt voor de vaststellingen van zowel de gemeentelijke milieudienst, als de gemeentelijke omgevingsambtenaar, als het college van burgemeester en schepenen en de verwerende partij dat er sprake is van lichte aftakelingsverschijnselen. Het laattijdig bijgebracht ‘boomveiligheidsrapport’ kan niet op nuttige wijze ingeroepen worden in de huidige stand van het dossier en verandert dus niets aan deze vaststellingen. Dat de populieren ‘kerngezond’ zouden zijn spreekt bovendien niet tegen dat het gaat om een type (‘Robusta’) dat volgens de bestreden beslissing vroeg of VII-41.054-8/15 laat aftakelingsverschijnselen zal vertonen, wat de verzoekende partij niet betwist. Het feit dat de populieren momenteel nog ‘kerngezond’ zijn doet geen afbreuk aan de overweging van de vergunningverlenende overheid (zowel in eerste als laatste administratieve aanleg) dat ze het opportuun acht om de bomen met het oog op natuurbehoud voorafgaand aan de (al dan niet licht ingezette) aftakeling te vellen. De gevoeligheid van dit type populier (‘Robusta’) aan vroegtijdige aftakelingsverschijnselen, zoals gesteld in de bestreden beslissing, wordt overigens niet weerlegd. De verzoekende partij stelt hier louter haar eigen visie tegenover. Bovendien garandeert de opgelegde voorwaarde een heraanplant met evenveel populieren van een oudere kloon met het oog op een landschappelijke visie op lange termijn. Hierbij wordt ook door de verwerende partij (in de bestreden beslissing) gewezen op het bestaan van een goedgekeurd bomenbeheerplan voor het Beverhoutsveld, hetgeen duidelijk verwijst naar een globale en perceelsoverschrijdende langetermijnvisie in hoofde van de vergunningverlenende overheid. De visie van de verzoekende partij komt in essentie neer op de promotie van de kortetermijnvisie van natuurlijke en landschappelijke inpassing, die staat tegenover deze van de verwerende partij. De kritiek van de verzoekende partij komt dan ook neer op opportuniteitskritiek en maakt niet inzichtelijk dat er sprake zou zijn van een onzorgvuldige of gebrekkig gemotiveerde beslissing. De bestreden beslissing geeft er immers blijk van niet alleen rekening te hebben gehouden met economische overwegingen, maar ook met veiligheidsoverwegingen (veiligheid landbouwers en eigenaars van de dreef) en met de landschappelijke en natuurwaarden”.
  15. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de rechterlijke motiveringsverplichting. VII-41.054-9/15
  16. Het middel dat “een onjuiste motivering, die ingaat tegen de feitelijke gegevens van de zaak” aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.
  17. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest zich “uit[spreekt] in het voordeel van de beweerde langetermijnvisie van de provincie, en stelt dat de kritiek van verzoekster getuigt van een ‘kortetermijnvisie’”, steunt op een foutieve lezing van het bestreden arrest dat: - enerzijds vaststelt dat de in de bestreden vergunningsbeslissing “opgelegde voorwaarde een heraanplant met evenveel populieren van een oudere kloon met het oog op een landschappelijke visie op lange termijn” garandeert en in de bestreden vergunningsbeslissing wordt gewezen “op het bestaan van een goedgekeurd bomenbeheerplan voor het Beverhoutsveld, hetgeen duidelijk verwijst naar een globale en perceelsoverschrijdende langetermijnvisie” van de provincie, en - anderzijds overweegt dat de visie van de verzoekende partij “in essentie neer[komt] op de promotie van de kortetermijnvisie van natuurlijke en landschappelijke inpassing, die staat tegenover deze van de [provincie]”, en - vervolgens besluit dat de kritiek van de verzoekende partij “neer[komt] op opportuniteitskritiek”, “niet inzichtelijk [maakt] dat er sprake zou zijn van een onzorgvuldige of gebrekkig gemotiveerde beslissing” aangezien de bestreden beslissing “blijk [geeft] van niet alleen rekening te hebben gehouden met economische overwegingen, maar ook met veiligheidsoverwegingen (veiligheid landbouwers en eigenaars van de dreef) en met de landschappelijke en natuurwaarden”. Het middel dat de schending aanvoert van het rechtsbeginsel van de scheiding van de machten wordt verworpen.
  18. Het middel dat ervan uitgaat dat in het bestreden arrest “aanvaard wordt dat de populieren inderdaad nog geen aftakelingsverschijnselen vertonen”, steunt op een foutieve lezing van het bestreden arrest dat enerzijds “de VII-41.054-10/15 (al dan niet licht ingezette) aftakeling” van de populieren bij de beoordeling in het midden laat en anderzijds vaststelt dat de “gevoeligheid van dit type populier (‘Robusta’) aan vroegtijdige aftakelingsverschijnselen” niet weerlegd wordt. Het middel dat tegenstrijdigheid in de motieven aanvoert, wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij
  19. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 69 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: Procedurereglement RvVb), het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel en de rechten van verdediging omdat: - de RvVb niet verwijst naar een bepaald artikel van het Procedurereglement RvVb “waaruit zou blijken dat er geen nieuwe stukken door verzoekster, bij het verzoek tot voortzetting kunnen worden gevoegd”, - door de andere partijen in de procedure voor de RvVb “geen wering van het VTA rapport uit de debatten [werd] gevraagd”, - in randnummer 9.2 van het arrest wordt verwezen naar de “hiervoor” genomen beslissing dat “het laattijdig bijgebracht ‘boomveiligheidsrapport (VTA rapport) […] niet in aanmerking [kan] worden genomen ter ondersteuning van” de stelling van de verzoekende partij terwijl er “in het bestreden arrest geen beslissing van [RvVb] ‘hiervoor’, waaruit zou blijken dat het VTA rapport niet in aanmerking kan worden genomen” kan worden gevonden zodat “niet [werd] beslist dat het VTA rapport als laattijdig uit de debatten diende te worden geweerd”, - uit de rechtspraak volgt dat een “tussenkomende partij wel nog nieuwe stukken zou kunnen voorleggen, doch verzoekende partij dit niet zou kunnen”. VII-41.054-11/15 Beoordeling
  20. Het middel dat de schending aanvoert van de op het bestreden arrest niet toepasselijke bestuurlijke zorgvuldigheidsbeginsel, kan niet tot cassatie leiden.
  21. Het middel dat de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest dat beginsel schendt, is niet ontvankelijk.
  22. Over de “regelmatigheid van de rechtspleging”, oordeelt het bestreden arrest: “Met haar verzoek tot voortzetting van de vordering tot nietigverklaring brengt de verzoekende partij nog een nieuw, niet bij haar verzoekschrift gevoegd, stuk nummer 16 ‘Rapportage VTA erkend treeworker en European Treetechnician AMEYE dd. 6.04.2020’ bij. Een verzoek tot voortzetting is slechts bedoeld om de vernietigingsprocedure verder te laten zetten (artikel 69 Procedurebesluit), en laat niet toe dat daarin eventuele replieken worden ontwikkeld of bijkomende stukken worden bijgebracht. Het stuk nummer 16, gevoegd bij het verzoek tot voortzetting van de vernietigingsprocedure, wordt uit de debatten geweerd. Het verzoek tot voortzetting wordt alleen in aanmerking genomen in de mate dat daarin de voortzetting van de rechtspleging wordt gevraagd. Het gegeven dat de verzoekende partij in haar toelichtende nota nog dieper ingaat op dit nieuw stuk, doet niet anders besluiten. Het nieuwe stuk werd niet opnieuw gevoegd bij de toelichtende nota. En zelfs mocht dit wel het geval zijn, toont de verzoekende partij niet aan dat voldaan is aan de voorwaarden die daartoe in artikel 77, derde lid van het Procedurebesluit worden gesteld. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat ze niet bij machte was om reeds bij het indienen van het verzoekschrift een verslag van een boomveiligheidsdeskundige te voegen, en de Raad ziet ook niet in waarom dat onmogelijk was. Dit geldt des te meer aangezien de problematiek van de aftakeling van de bomen in kwestie reeds centraal stond in de administratieve beroepsprocedure”.
  23. Het middel dat een gebrek aanvoert van enige beslissing “waaruit zou blijken dat het VTA rapport niet in aanmerking kan worden VII-41.054-12/15 genomen” en dat “niet [werd] beslist dat het VTA rapport als laattijdig uit de debatten diende te worden geweerd”, steunt op een onvolledige lezing van het bestreden arrest dat het stuk nummer 16 van de verzoekende partij uit het debat weert, en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
  24. Het middel dat aanvoert dat de verzoekende partij “geen nieuwe grief ontwikkeld” heeft, kan niet leiden tot cassatie vermits het bestreden arrest het middel van de verzoekende partij niet heeft verworpen omdat de verzoekende partij een nieuwe grief zou hebben aangevoerd.
  25. Artikel 69, tweede lid, van het Procedurereglement RvVb bepaalt: “Als het College de vordering tot schorsing heeft verworpen, kan de verzoeker een verzoek tot voortzetting indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen. Als de verzoeker geen verzoek tot voortzetting indient, geldt ten aanzien van hem een vermoeden van afstand van geding”. Deze bepaling voorziet niet in de mogelijkheid van het toevoegen van overtuigingsstukken aan het verzoek tot voortzetting. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 69 van het Procedureglement RvVb wordt verworpen.
  26. Artikel 77, derde lid, van het Procedurereglement RvVb bepaalt: “De verzoeker kan aan de wederantwoordnota of de toelichtende nota aanvullende, geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen als hij nog niet over die stukken kon beschikken op het ogenblik waarop het verzoekschrift werd ingediend of als ze noodzakelijk zijn in de repliek op de antwoordnota van de verweerder of, in voorkomend geval, op de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij”. VII-41.054-13/15 Deze bepaling bepaalt de voorwaarden waaronder aanvullende stukken kunnen worden toegevoegd aan de wederantwoordnota of de toelichtende nota. Het middel dat aanvoert dat “[n]ergens is […] bepaald in het procedurereglement dat er door de verzoeker in voortzetting geen nieuwe bijkomende stukken kunnen worden voorgelegd”, faalt naar recht.
  27. Het middel dat aanvoert dat “in het bestreden arrest ook niet verwezen [wordt] naar een bepaald artikel van het procedurereglement waaruit zou blijken dat er geen nieuwe stukken door verzoekster, bij het verzoek tot voortzetting kunnen worden gevoegd”, mist feitelijke grondslag. Het bestreden arrest overweegt immers dat het nieuwe stuk dat bij het verzoek tot voortzetting werd ingediend, “niet opnieuw [werd] gevoegd bij de toelichtende nota” en dat “mocht dit wel het geval zijn” de verzoekende partij “niet aan[toont] dat voldaan is aan de voorwaarden die daartoe in artikel 77, derde lid van het Procedurebesluit worden gesteld”.
  28. Het middel dat de schending aanvoert van de rechten van verdediging omdat het aan het verzoek tot voortzetting toegevoegde nieuw stuk uit het debat werd geweerd zonder “dat door verwerende partij een wering uit de debatten werd gevraagd”, heeft geen belang aangezien het “nieuwe stuk […] niet opnieuw [werd] gevoegd bij de toelichtende memorie”.
  29. Het middel dat de schending aanvoert van de rechten van verdediging omdat het bestreden arrest “zonder enige verwijzing naar het Procedurereglement het VTA rapport [afdoet] als zijnde laattijdig voorgelegd”, berust op een foutieve lezing van het bestreden arrest dat vaststelt dat het “nieuwe stuk […] niet opnieuw [werd] gevoegd bij de toelichtende memorie”.
  30. Het tweede middel wordt verworpen. VII-41.054-14/15 BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  32. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.054-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.