id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.829 Rolnummer: A. 228559/VII-40583 Zaak: Arrest 254829 - Natuurbehoud - Vergunningen - 20/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-07 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 07:41 Fiche Arrest nr 254.829 van 20 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.829 van 20 oktober 2022 in de zaak A. 228.559/VII-40.583 In zake : 1. Ivan DECLERCK 2. Dirk VAN DEN BOSSCHE 3. Christophe DEPAMELAERE 4. Claudine QUINTYN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van: “- het besluit van 15 mei 2019 van het afdelingshoofd Adviezen en Vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) houdende een kapmachtiging in openbaar bos ‘in zoverre dit betrekking heeft op het domeinbos Rijckevelde alsook op de Vagevuurbossen te Beernem’ (hierna: eerste bestreden besluit), VII-40.583-1/13 - en bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet:
- i)het besluit van 8 juni 2010 van het afdelingshoofd Beheer van het ANB tot goedkeuring van het beheerplan voor het domeinbos Rijckevelde (hierna: tweede bestreden besluit) en
- ii)het besluit van 17 oktober 2007 van het hoofd van het ANB tot goedkeuring van het beheerplan voor het domeinbos ‘Vagevuurbos’ (hierna: derde bestreden besluit)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 245.218 van 22 juli 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid bevolen van het besluit van 15 mei 2019 van het afdelingshoofd Adviezen en Vergunningen van het ANB houdende een kapmachtiging in openbaar bos, voor zover de kapmachtiging betrekking heeft op de in bijlage van dit besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65a en 7b in het domeinbos ‘Vagevuurbos’. Tevens werd het verbod bevolen tot de bij het geschorste besluit gemachtigde dunning en eindkap op de voormelde percelen in het domeinbos ‘Vagevuurbos’. Voorts werd beslist dat een dwangsom van 50.000 euro zal verschuldigd zijn per perceel waarop het verbod wordt overtreden. Voor het overige is de vordering verworpen. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw Bescherm Bomen en Natuur heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 november 2019. Auditeur Benny De Sutter heeft op 11 april 2022 een verslag opgesteld. VII-40.583-2/13 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partijen en voor de tussenkomende partij, is gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Er wordt verwezen naar de uiteenzetting van de feiten in arrest nr. 245.218 van 22 juli 2019 van de Raad van State die: “1. […] de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid [beveelt] van het besluit van 15 mei 2019 van het afdelingshoofd Adviezen en Vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos houdende een kapmachtiging in openbaar bos, voor zover de kapmachtiging betrekking heeft op de in bijlage van dit besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65b [lees: 65a] en 7a [lees: 7b] in het domeinbos ‘Vagevuurbos’. 2. […] het verbod [oplegt] tot de bij het geschorste besluit gemachtigde dunning en eindkap op de in bijlage van het geschorste besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, VII-40.583-3/13 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65b [lees: 65a] en 7a [lees: 7b] in het domeinbos ‘Vagevuurbos’. 3. [beslist dat] een dwangsom van 50.000 euro zal verschuldigd zijn per perceel waarop het verbod wordt overtreden. 4. [de vorderingen van de verzoekende partijen] voor het overige [verwerpt]”. 4. Bij besluit van 18 september 2019 trekt het afdelingshoofd Adviezen en Vergunningen van het ANB het eerste bestreden besluit in voor zover de kapmachtiging betrekking heeft op de in bijlage van dit besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65a en 7b in het domeinbos ‘Vagevuurbos’ IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep A. Het beroep tegen het tweede en derde bestreden besluit Exceptie van de verwerende partij 5. De verwerende partij voert de volgende exceptie aan: “
- a)tijdigheid 26. Verzoekers trachten middels ‘annexe toepassing’ van artikel 159 Gw., naast het eigenlijke bestreden besluit (m.n. de kapmachtiging dd. 15 mei 2019) tevens de bosbeheerplannen voor het Vagevuurbos
(2007)en het domeinbos ‘Ryckevelde’
(2010)buiten toepassing verklaard te zien in deze beroepsprocedure. De kapmachtiging van 15 mei 2019 heeft een eigen juridisch bestaansrecht, los van de beide bosbeheerplannen. Immers, de beheerwerken die gebeuren conform deze goedgekeurde plannen, behoeven geen verdere kapmachtiging (cfr. artikel 1 kapmachtiging). Met andere woorden, een gebeurlijke onwettigheid van de kapmachtiging (quod certe non) impliceert niet ipso facto de onwettigheid van de beide bosbeheerplannen.
- In die zin is de oneigenlijke toepassing van artikel 159 Gw. louter bedoeld om de ratione temporis onontvankelijkheid te vermijden. Zoals hoger gesteld, dateert de goedkeuring van de bosbeheerplannen respectievelijk van 17 oktober 2007, dan wel van 8 juni
- Zoals in het schorsingsarrest aangenomen kan de [onwettigheidsexceptie] van artikel 159 GW niet leiden tot de nietigverklaring van de voornoemde VII-40.583-4/13 goedkeuringsbesluiten, enkel tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling die er zijn rechtsgrond in vindt en die het voorwerp is van het beroep waarin de exceptie wordt opgeworpen.
- Het deels geschorste en thans deels ingetrokken besluit van 15 mei 2019 vindt zijn rechtsgrond niet in de goedkeuringsbesluiten die zelf een kapmachtiging bevatten. Derhalve dient het beroep tot vernietiging of buitentoepassingverklaring op grond van artikel 159 van de Grondwet [van] de goedkeuringsbesluiten te worden afgewezen als onontvankelijk. Een dergelijk beroep is kennelijk laattijdig”.
- De verzoekende partijen repliceren: “Verwerende partij werpt in de memorie [op] dat er in hoofde van verzoekers, zeker in hoofde van derde en vierde verzoekers geen belang meer is, dit gezien de schorsing bij UDN en zelfs intrekking van de kapmachtiging dd. 15.05.2019 onderdeel Vagevuurbos, doch voert argumentatie aan in verweer nopens de toepassing van art. 159 van de Grondwet van het Besluit ANB dd. 17.10.2007 mbt goedkeuring van bosbeheersplan Vagevuurbossen en Besluit ANB dd. 8 juni 2010 goedkeuring bosbeheersplan domeinbos Rijckevelde. Het verweer van ANB is in ieder geval tegenstrijdig te noemen. Ofwel wordt gesteld dat de kapmachtiging van 15.05.2019 op zich bestaat, dus niet kan gelinkt worden aan de bosbeheersplannen Rijckeveldebos en Vagevuurbossen, ofwel kan de kapmachtiging wel gelinkt worden aan de besluiten houdende goedkeuringen van de desbetreffende bosbeheersplannen en derhalve haar rechtsgrond vindt in de onderliggende bosbeheersplannen. De voortzetting in hoofde van ANB, dan wel de memorie van antwoord hebben slechts zin in het laatste geval. Hierbij dienen verzoekers dan op te merken dat ANB, Vlaams Gewest krampachtige pogingen doet om te stellen dat de bosbeheersplannen Rijckeveldebos en Vagevuurbossen, geen kaalkap inhouden, terwijl er op blz 3 van de memorie toch gesteld wordt dat er gezorgd wordt ‘voor open plekken in het bos’”.
- In de laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat zij “niet langer aan[dringen] gezien de schorsing UDN dd. 22.07.2019 en de navolgende intrekking van de kapmachtiging dd. 15 mei 2019, voor wat het onderdeel Vagevuurbos betreft. De kapmachtiging dd. 15.05.2019 staat inderdaad los van de beide bosbeheersplannen”. VII-40.583-5/13 Beoordeling
- De Raad van State overweegt in voormeld arrest nr. 245.218: “
- De onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet kan niet leiden tot de schorsing/vernietiging van de voornoemde goedkeuringsbesluiten, enkel tot de schorsing/nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling die er zijn rechtsgrond in vindt en die het voorwerp is van de vordering/het beroep waarin de exceptie wordt opgeworpen.
- De Raad van State neemt akte van de afstand van geding inzake het tweede en derde bestreden besluit door verzoekende partijen. B. Belang van eerste en tweede verzoeker Exceptie van de verwerende partij
- De verwerende partij voert aan: “[…] Vooreerst moet worden opgemerkt dat de kapmachtiging van 15 mei 2019 meerdere bossen beslaat, zodat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het aanvechten van toegestane kapmachtiging in haar globaliteit. De toegestane kapmachtiging voor het Vagevuurbos en domeinbos Ryckevelde, is daarenboven afsplitsbaar van de overige kapmachtigingen. Eerste en tweede verzoeker richten hun kritieken op de kappingen in het domeinbos Ryckevelde. Zij stellen o.a. […] dat zij er in de onmiddellijke nabijheid wonen, en er van de rust en stilte, alsook de nabijheid van in de tuin foeragerende dieren genieten. Eerste verzoeker zou ook astmapatiënt zijn, welke zou moeten leven in een zuurstofrijke omgeving. De geplande dunningen zouden voor eerste verzoeker dan ook een aanslag op zijn levenskwaliteit impliceren, terwijl ook het uitzicht voor de tweede verzoeker in belangrijke negatieve mate zou worden gewijzigd. In elk geval moet voor ogen worden gehouden dat eerste en tweede verzoeker - met respectievelijke nummering - zich als volgt tov het domein bevinden: […] Daarenboven werd er reeds op gewezen dat de kapmachtiging van 15 mei 2019 geen betrekking heeft op het domeinbos Ryckevelde, behoudens het beperkte: lot 3-2019/Rij
- […] De op 6 juni 2019 uitgevoerde verkoop met het oog op de dunningskap van lot 3-2019/Rij 303 valt inderdaad integraal onder het vigerende beheersplan, VII-40.583-6/13 alwaar de dunningskap plaatsgrijpt binnen de beheersmaatregelen en waarbij moet verwezen worden naar de hoger aangehaalde onontvankelijkheid ratione temporis. Terwijl tevens moet worden opgemerkt dat in het kader van het beheersplan domeinbos Ryckevelde
(2010)reeds in 2011 een eerste periodieke dunningskap heeft plaatsgevonden. Het blijkt helemaal niet dat het bos daardoor verwoest is geworden, of dat de gezondheid van eerste verzoeker hierdoor zou zijn aangetast geweest. […] Wat betreft de kritiek op de (beperkte) kapmachtiging dd. 15 mei 2019 staat het aan de verzoekende partijen om concreet en duidelijk te zijn, in welke mate de uitvoering van de kapmachtiging van 15 mei 2019 een negatieve impact op hen zou hebben. De vrijblijvende stelling dat de geplande dunningen een aanslag op de levenskwaliteit in hoofde van eerste verzoeker zouden betekenen, is een louter niet aannemelijk gemaakte stelling, waaraan geen waarde kan worden gehecht. Anders dan steeds wordt voorgehouden, is er noch sprake van ontbossing, of noch totale verdwijning noch vernietiging van de natuur. (cfr. ook uiteenzetting hoger - inbegrepen het recente persbericht van ANB, waarbij de noodzaak van dunning werd verduidelijkt). […] Wat betreft de tweede verzoeker, wordt niet gestaafd hoe zijn uitzicht aangetast zou kunnen worden door loutere dunningswerken. Immers, onverminderd het gegeven dat er helemaal geen kaalslag plaatsgrijpt, vinden de dunningswerken gevat door de kapmachtiging dd. 15 mei 2019, niet binnen het gezichtsveld van de tweede verzoeker plaats […], en zeker niet in het gezichtsveld van de eerste verzoeker (maar deze haalt zulks ook niet aan). Daarenboven is de stelling dat het uitzicht van het bos ingrijpend zal veranderen subjectief, onverminderd het feit dat het bos helemaal niet verdwijnt. Het belang, dat geen actio popularis mag betreffen, wordt in elk geval in hoofde van de beide verzoekers niet afdoende gestaafd. […] In de mate dat in het verzoekschrift bij de uiteenzetting van het belang in hoofde van eerste en tweede verzoeker, een zeer uitgebreide passage wordt gewijd aangaande de -naar mening van verzoekers onwettige- totstandkoming van het bosbeheerplan Ryckevelde, minstens een on(grond)wettige procedure die de vaststelling van een bosbeheerplan voorziet, kan de relevantie met de staving van het belang van de beide verzoekers niet begrepen worden. Dit betreft enerzijds, zoals hierboven uiteengezet, laattijdige kritiek op het besluit tot goedkeuring van het bosbeheerplan in 2007, anderzijds wordt dergelijke onwettigheid zonder belang opgeworpen in zoverre de kapmachtiging van 15 mei 2019 inderdaad een eigen juridisch bestaansrecht heeft, los van de beide bosbeheerplannen. Immers, de beheerwerken die gebeuren conform deze goedgekeurde plannen, behoeven geen verdere kap-machtiging (cfr. artikel 1 kapmachtiging). De eerste en tweede verzoekende partijen uiten overigens geen wettigheidskritiek op de kapmachtiging van 15 mei 2019, voor zover VII-40.583-7/13 dat betrekking heeft op het domeinbos Ryckvelde. Zij beperken zich tot algemene kritiek op het bosbeheerplan zelf. […] In het schorsingsarrest werd vastgesteld dat er niet valt in te zien hoe de dunning op het perceel 1a in uitvoering van de bestreden kapmachtiging van 15 mei 2019 de levenskwaliteit van de eerste verzoeker kan aantasten te meer omdat dit perceel meer dan de aangevoerde afstand van 540 meter van de woning van de eerste verzoeker is gesitueerd en niet in zijn gezichtsveld ligt. Wat de tweede verzoeker betreft wordt duidelijk aangetoond dat het perceel 1a niet paalt aan de woning en de tuin van de tweede verzoeker en ook buiten zijn gezichtsveld ligt. Derhalve stellen de eerste en de tweede verzoekende partijen hun beroep zonder het in rechte vereiste belang en dient het beroep te worden afgewezen als onontvankelijk”.
- Eerste verzoeker dupliceert dat hij op 540 meter van het domeinbos Ryckevelde woont en er dagelijks gaat wandelen om er vogels en dieren te spotten, te genieten van de stilte en de natuur, alsook om gezondheidsredenen. De kap van meer dan 3.000 bomen vormt een aanslag op zijn levenskwaliteit. Tweede verzoeker dupliceert dat hij “midden in het bos” woont, “midden de percelen die worden gekapt”, dat zijn tuin aan het domeinbos Ryckevelde paalt en dat het uitzicht op het bos vanuit zijn woning op belangrijke wijze zal worden aangetast.
- Eerste en tweede verzoeker stellen in de laatste memorie onder meer dat de voorziene kapping in het Ryckeveldebos “inderdaad een beperkt lot [betreft] en dat het gaat om een dunningskap. Het betreft de kap van 25 Amerikaanse eiken” en dat het “niet zeker [is] over welk perceel het gaat”. Beoordeling
- De Raad van State overweegt in voormeld arrest nr. 245.218: “
- De mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid doet geen afbreuk aan de regel van artikel 19, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Op grond van deze bepaling moet een verzoeker doen blijken van ‘een benadeling of van een belang’. De verzoekende partij moet VII-40.583-8/13 dus aannemelijk maken dat de bestreden beslissing haar een persoonlijk nadeel kan toebrengen.
- Eerste en tweede verzoeker hebben nagelaten hun door de verwerende partij en in voormeld arrest weerlegd belang te weerspreken door op meer concrete en overtuigende wijze aan te tonen op welke wijze het eerste bestreden besluit hun belang toch kan krenken. De bewering van eerste en tweede verzoeker in de laatste memorie “dat het niet zeker [is]over welk perceel het gaat” doet niet anders besluiten. C. Belang van de derde en vierde verzoekende partij Exceptie van de verwerende partij
- De verwerende partij voert aan: “[…] Derde en vierde verzoeker richten hun kritieken op de kappingen in het Vagevuurbos, alwaar zij in de onmiddellijke nabijheid zouden wonen, hetgeen hen belang en hoedanigheid zou verschaffen om in rechte te treden. Ook zij wijzen op het feit dat zij er regelmatig zouden gaan wandelen, en er genieten van de natuur. Vierde verzoekster merkt op dat zij door de onmiddellijke omvorming van haar omgeving in heide, een groter gevaar heeft op brand nu zij aldaar een loonwerkersbedrijf (met brandbare stoffen) uitbaat, met geva[a]r voor mogelijke verspreiding van brand. Tevens zou zij door de kap op de percelen 33c, 33d, 39d en zelfs 43b, 43c en 43a op een kaalvlakte moeten uitkijken. Hun belang houdt verband met de kapmachtiging van 15 mei 2019 voor zover het betrekking heeft op het domeinbos ‘Vagevuurbos’ waarvan de tenuitvoerlegging werd geschorst voor de percelen zoals aangegeven in het arrest van 27 juli
- Door de intrekking van dit gedeelte van het geschorste besluit door het besluit van 18 september 2019 is hun belang niet langer actueel en hun beroep zonder voorwerp geworden in de mate dat het gericht was tegen deze kapmachtiging van 15 mei
- […] In de mate dat in het verzoekschrift bij de uiteenzetting van het belang in hoofde van derde en vierde verzoeker, een zeer uitgebreide passage wordt gewijd aangaande de -naar mening van verzoekers onwettige- VII-40.583-9/13 totstandkoming van het bosbeheerplan Vagevuurbos, minstens een on(grond)wettige procedure die de vaststelling van een bosbeheerplan voorziet, kan de relevantie met de staving van het belang van de beide verzoekers niet begrepen worden. Dit betreft enerzijds, zoals hierboven uiteengezet, laattijdige kritiek ten gronde, anderzijds (achterhaalde) wettigheidskritiek. […] Samenvattend dient te worden gesteld dat het beroep strekkende tot de buitentoepassingverklaring van de goedkeuringsbesluiten van resp. 17 oktober 20017 en 8 juni 2010 van de betrokken bosbeheerplannen dient te worden afgewezen als onontvankelijk. De eerste en de tweede verzoekende partij kunnen geen ‘benadeling of belang’ doen gelden bij hun beroep tot nietigverklaring van de kapmachtiging van 15 mei 2019 in de mate dat dit het domeinbos Rijckeveldebos. Hun beroep dient als onontvankelijk te worden afgewezen. De derde en de vierde verzoekende partij missen het actueel belang zich alsnog te richten tot de kapmachtiging van 15 mei 2019 in de mate dat deze betrekking heeft op de in bijlage van dit besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65b en 7a in het domeinbos ‘Vagevuurbos’, gezien de intrekking van de kapmachtiging door het besluit van 18 september 2019 van het afdelingshoofd adviezen & vergunningen van het Agentschap voor Natuur en Bos houdende intrekking van een kapmachtiging in openbaar bos van 15 mei 2019, voor zover de kapmachtiging betrekking heeft op de in bijlage van dit besluit vermelde percelen 13a, 13b, 23b, 24a, 26a, 27a, 28a, 28b, 28c, 28d, 31a, 32a, 33a, 33c, 33d, 33y, 35a, 36a, 37a, 37b, 38a, 38b, 39b, 39d, 40a, 43a, 43b, 43c, 44a, 44b, 46a, 50a, 51a, 52a, 53a, 54a, 65a en 7b in het domeinbos ‘Vagevuurbos’ ingetrokken. Minstens dient vastgesteld dat het vernietigingsberoep van de derde en de vierde verzoekende partijen - voor zover het de kapmachtiging van 15 mei 2019 betreft - zonder voorwerp is geworden”.
- De derde en vierde verzoekende partij voeren aan dat zij in de onmiddellijke omgeving van het Vagevuurbos wonen. De kap betekent een aantasting van hun leefomgeving, van het genotsrecht van hun woning, alsook van hun uitzicht. Zij genieten van de stilte en gaan op regelmatige basis wandelen in het bos. Derde verzoeker verduidelijkt nog dat hij op een afstand van 400 meter van het bos woont. Vierde verzoekster preciseert nog dat zij midden in het Vagevuurbos woont en er een loonwerkersbedrijf uitbaat waar brandbare stoffen aanwezig zijn. Bij omvorming van het bos tot heide zal het gevaar voor mogelijke verspreiding van brand groter worden. Voorts uiten de derde en vierde verzoekende partij bij de omschrijving van hun “belang en hoedanigheid” in wezen wettigheidskritiek op het bosbeheerplan voor het Vagevuurbos. VII-40.583-10/13 Wat betreft het argument aangaande de intrekking van het eerste bestreden besluit stellen de verzoekende partijen: “Niettegenstaande het feit dat het Vlaamse Gewest de kapmachtiging van 15 mei 2019 voor het onderdeel Vagevuurbos heeft ingetrokken, heeft het Vlaams Gewest blijkbaar toch verzocht tot voortzetting van de procedure in nietigverklaring”. Zij voeren nog aan : “Verwerende partij werpt in de memorie [op] dat er in hoofde van verzoekers, zeker in hoofde van derde en vierde verzoekers geen belang meer is, dit gezien de schorsing bij UDN en zelfs intrekking van de kapmachtiging dd. 15.05.2019 onderdeel Vagevuurbos, doch voert argumentatie aan in verweer nopens de toepassing van art. 159 van de Grondwet van het Besluit ANB dd. 17.10.2007 mbt goedkeuring van bosbeheersplan Vagevuurbossen en Besluit ANB dd. 8 juni 2010 goedkeuring bosbeheersplan domeinbos Rijckevelde. Het verweer van ANB is in ieder geval tegenstrijdig te noemen. Ofwel wordt gesteld dat de kapmachtiging van 15.05.2019 op zich bestaat, dus niet kan gelinkt worden aan de bosbeheersplannen Rijckeveldebos en Vagevuurbossen, ofwel kan de kapmachtiging wel gelinkt worden aan de besluiten houdende goedkeuringen van de desbetreffende bosbeheersplannen en derhalve haar rechtsgrond vindt in de onderliggende bosbeheersplannen. De voortzetting in hoofde van ANB, dan wel de memorie van antwoord hebben slechts zin in het laatste geval. Hierbij dienen verzoekers dan op te merken dat ANB, Vlaams Gewest krampachtige pogingen doet om te stellen dat de bosbeheersplannen Rijckeveldebos en Vagevuurbossen, geen kaalkap inhouden, terwijl er op blz 3 van de memorie toch gesteld wordt dat er gezorgd wordt ‘voor open plekken in het bos’. Beoordeling
- De verwerende partij wijst er, zoals aangegeven in arrest nr. 245.218 van 22 juli 2019, terecht op dat het bestreden besluit van 15 mei 2019 ‘meerdere bossen beslaat’ en dat de derde en vierde verzoekende partij geen belang hebben ‘bij het aanvechten van [de] toegestane kapmachtiging in haar globaliteit’ en dat de ‘toegestane kapmachtiging voor het Vagevuurbos […] daarenboven afsplitsbaar [is] van de overige kapmachtigingen’. De derde en vierde verzoekende VII-40.583-11/13 partij hebben dan ook slechts belang bij de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit, in zoverre het betrekking heeft op het Vagevuurbos. Nadat de Raad van State in arrest nr. 245.218 van 22 juli 2019 de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden kapmachtiging van 15 mei 2019 had bevolen in zoverre zij op het Vagevuurbos betrekking had, heeft de verwerende partij het bestreden besluit in diezelfde mate ingetrokken, omdat zij “aan de beoordeling van de Raad van State tegemoet wenst te komen”. Bijgevolg hebben de derde en vierde verzoekende partij niet langer belang bij het beroep tot nietigverklaring. Hun beroep is zonder voorwerp geworden. De exceptie is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Eerste en tweede verzoeker worden verwezen in de kosten van hun aandeel in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 420 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De verwerende partij wordt verwezen in de overige kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 420 euro, die verschuldigd is aan de derde en vierde verzoekende partij. De onterecht betaalde bijdrage van 60 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.583-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-40.583-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.829 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div