← België

Arrest 254840 - Dierenwelzijn - 21/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.840 Rolnummer: A. 237394/VII-41688 Zaak: Arrest 254840 - Dierenwelzijn - 21/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-25 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 07:42 Fiche Arrest nr 254.840 van 21 oktober 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.840 van 21 oktober 2022 in de zaak A. 237.394/VII-41.688 In zake:

  1. de BV HAARSTUDIO BEAUTY LOUNGE BRASSCHAAT
  2. Peter DE NOLLIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudi Van Gompel kantoor houdend te 2360 Oud-Turnhout Dorp 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 4 oktober 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse rand van 19 september 2022 waarbij - met toepassing van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 ‘houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren’, de erkenning met nummer HK14107213 voor het uitbaten van een handelskwekerij voor honden op het adres Voort 40 te 2328 Meerle, met ingang van 15 november 2022, wordt ingetrokken; - met toepassing van artikel 5, § 4, tweede lid, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’, een verbod wordt opgelegd VII-41.688-1/8 om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen tot 15 november 2024 zodat tussen 15 november 2022 en 15 november 2024 geen overeenkomstig artikel 5, § 1, van voornoemde wet erkenningsplichtige inrichting mag beheerd worden noch er een direct toezicht mag uitgeoefend worden op de dieren. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2022, om 12.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rudi Van Gompel, die verschijnt voor de verzoekende partijen, zaakvoerder Peter De Nollin en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 4 mei 2021 wordt aan de eerste verzoekende partij die handel drijft onder de benaming “Puppy Paradijs”, het erkenningscertificaat HK14107213 van “Kweker - handelaar Hond Maximum 10 vrouw. Fokdieren” verleend. VII-41.688-2/8
  7. Bij proces-verbaal van 12 april 2022 worden naar aanleiding van een aantal klachten, volgende - overtredingen vastgesteld: “aanwezigheid van dieren met duidelijke ziektesymptomen (cherry eye) in de verkoopsruimte”, “verhandelen van zieke dieren”, “onvolledig bijgehouden inventaris fokdieren”, “onvolledig bijgehouden register voor de verhandeling van honden (herkomst cockers)”, “niet respecteren van de quarantaineduur (cockers)”, “herkomst cockers kan niet nagegaan worden”, “aanwezigheid van niet geregistreerde dieren in de verkoopsruimte (3 keeshonden)”, “verwerven van niet geregistreerde honden (6 cockers), aanwezig in de verkoopsruimte”; - maatregelen opgelegd: “vanaf heden up to date houden van de inventaris fokdieren en het handelsregister: wijzigingen dienen vermeld binnen de 48 uur met vermelding datum en bestemming”, “zieke dieren mogen niet aanwezig zijn in de verkoopsruimte maar moeten onmiddellijk geïsoleerd worden en nagekeken door uw dierenarts. Een verslag hiervan dient opgenomen te worden in het bezoekrapport”, “de niet geregistreerde cockers en keeshonden dienen onmiddellijk geregistreerd te worden in DogID”, “de niet correct geregistreerde honden dienen onmiddellijk geregistreerd te worden op naam van de beheerder van de inrichting”; - en wordt de aanwezige administratie meegenomen voor verder administratief onderzoek.
  8. Op basis van verder onderzoek worden bij proces-verbaal van 13 mei 2022 volgende overtredingen vastgesteld: “onvolledige bezoekrapporten”, “ontbreken van bezoekrapport oktober, niet voor alle nesten 2 bezoeken”, “niet up to date houden van worpfiches, geen overeenstemming worpfiches en registraties Dog ID”, “geen overeenstemming tussen de transactiedocumenten, register verhandeling en registraties Dog ID”, “aangekochte honden verblijven niet minimaal 10 dagen in quarantaine. De beslissing tot vervroegde vrijgave van de honden wordt onvoldoende gemotiveerd”, “verhandeling van te vroeg gespeende zoogdieren ( VII-41.688-3/8 voorgeschreven registratiedocument”, “verhandelen van niet geregistreerde honden”, “verwerven van niet geïdentificeerde, geregistreerde honden”, “verhandelen van honden zonder overeenstemmend registratiecertificaat ingekleefd in het paspoort”, “niet alle honden zijn correct geregistreerd”.
  9. Bij aangetekend schrijven van 20 juli 2022, waarvan de ontvangst door de verzoekende partijen in het enige middel wordt betwist, wordt meegedeeld dat - met toepassing van artikel 2, § 8, van het voormelde koninklijk besluit van 27 april 2007 de procedure tot intrekking van de toegekende erkenning voor het uitbaten van een handelskwekerij voor honden op het adres Voort 40 te 2328 Meerle, wordt opgestart; - bemerkingen kunnen worden bezorgd binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van dit aangetekend schrijven; - een definitieve beslissing aangaande het al dan niet intrekken van de erkenning wordt genomen door de minister na het verstrijken van voormelde termijn en rekening houdend met eventuele bemerkingen.
  10. Op 19 september 2022 wordt de bestreden beslissing genomen. IV. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.688-4/8 Standpunt van de partijen
  12. De verzoekende partijen stellen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid gelegen is “in het feit dat verzoekende partijen bij niet schorsing van de beslissing hun economische activiteit per 15 november 2022 volledig moeten stopzetten”, dat zulks “niet haalbaar” is, dat de eerste verzoekende partij “zal geconfronteerd worden met betalingsmoeilijkheden” en dat zij “honden, zijnde levende dieren [verhandelt] waardoor er geen onzekerheid kan blijven bestaan”.
  13. De verwerende partij antwoordt dat - de verzoekende partijen “verwijzen naar een vermeend financieel verlies, doch laten na hieromtrent enig stuk bij te brengen” zodat “de vordering onontvankelijk [dient] te worden verklaard”; - de verzoekende partijen de mogelijkheid werd geboden om hun opmerkingen in de procedure tot intrekking van de erkenning in te dienen maar dat zij dat hebben nagelaten “door de aangetekende zending ondanks correcte aanbieding niet op te halen” waardoor zij niet al het nodige hebben gedaan om de schade te voorkomen en er om die reden niet voldaan is aan de vereiste van uiterst dringende noodzakelijkheid. Beoordeling
  14. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
  15. Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat in haar zaak een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, op aan om van VII-41.688-5/8 die uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen gedragen worden gedurende de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kan verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” wordt uiteengezet én gestaafd.
  16. De verzoekende partijen voeren enerzijds - op summiere wijze en zonder stavingsstukken - een financieel of economisch nadeel aan, namelijk stopzetting activiteiten en betalingsmoeilijkheden, en anderzijds voeren zij aan dat de onzekerheid niet mag blijven bestaan aangezien het om levende dieren gaat.
  17. Met betrekking tot die aangevoerde onzekerheid geldt dat de verzoekende partijen zelf ook alles in het werk moeten stellen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. De verzoekende partijen falen in deze vereiste van diligentie die vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Vooreerst geven zij in het verzoekschrift geen enkele verantwoording waarom er twee weken verstreken vooraleer zij hun vordering hebben ingediend. Bovendien zetten zij niet uiteen waarom de door de verwerende partij verleende termijn van twee maanden om een oplossing te zoeken voor de levende dieren ontoereikend zou zijn.
  18. Met betrekking tot het financieel nadeel verwijzen de verzoekende partijen naar de stopzetting van de activiteiten en beweerde VII-41.688-6/8 betalingsmoeilijkheden voor de eerste verzoekende partij. Dit wordt echter verder niet verduidelijkt aan de hand van concrete gegevens noch wordt dit gestaafd met stukken. Hoewel kan worden aangenomen dat de stopzetting van de activiteiten gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat de verzoekende partijen concreet aantonen aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na de afwikkeling van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partijen veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel is in de regel herstelbaar en verantwoordt dus niet de uiterst dringende noodzakelijkheid, tenzij concreet wordt aangetoond dat onherstelbaar financieel nadeel dreigt waardoor de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan worden afgewacht. De verzoekende partijen laten na om met stavingsstukken een globaal inzicht te geven in de bestaande financiële toestand. De Raad van State kan in deze omstandigheden enkel oordelen dat de verzoekende partijen falen in hun bewijsvoering dat het aangevoerde financieel en economisch nadeel dat zij beweren door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te zullen lijden, een onherroepelijk karakter zou hebben. Conclusie
  19. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. VII-41.688-7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.688-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.840 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.364 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.