← België

Arrest 254851 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.851 Rolnummer: A. 229422/IX-9638 Zaak: Arrest 254851 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-03 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-12 04:06 Fiche Arrest nr 254.851 van 24 oktober 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 254.851 van 24 oktober 2022 in de zaak A. 229.422/IX-9638 In zake: XXXX tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek

  1. Het verzoekschrift, ingediend door XXXX, op 23 oktober 2019, vermeldt als voorwerp: “Verzoek tot schadevergoeding tot herstel: a. met de vernietiging beslissing NMBS tegen de opstarting procedure van reglement bundel 575 45 HR-H 2018 (+90% wedde) als aanvulling op het personeelsstatuut statutairen NMBS alsook onregelmatigheden en onzorgvuldigheid in de toepassing ervan (bijlage A12, A19) b. met de uitbetaling van niet erkende nuttige ervaring, productiviteits- en anciënniteitspremies, 10% loonverliezen door toepassing bundel 575, verliezen weekendpremies en bijlonen, maaltijdscheques, verplaatsingsvergoeding als herbenuttigde incluis de bijbehorende 25+ dagen aan recupdagen en ook 1 dag dienstvrijstelling die ik niet heb mogen krijgen voor een sollicitatie, verloren intresten en alle onkosten verbonden aan depressie en onregelmatigheden tijdens mijn tewerkstelling. c. met een klacht tegen de Spoorwegen als werkgever wegens discriminatie, pesterijen, laster en eerroof, valsheid in geschriften t.o.v. de vorige onmiddellijke chef (OC) en de productiemanager (PM, 2e in de hiërarchische rang), en overtreding van de ontvangsttheorie (Lokaal management en HR-Rail), een 25000 euro morele schadevergoeding d. rekening houdend met het feit dat ik ‘onder’ druk zelf ontslag heb moeten nemen, en ik momenteel werkloos ben zonder werkloosheidsuitkering en IX-9638-1/9 moet mijn gezin rond komen met enkel het inkomen van mijn echtgenote. Alle werkgever waarbij ik gesolliciteerd heb weigeren mij in dienst te nemen door mijn leeftijd en ook het feit dat ik een rechtszaak heb lopen tegen mijn vorige werkgever. Hierbij verzoek ik dat de Voorzitter van de RvSt zou overwegen dat de NMBS te bevelen mijn wedde te laten door te betalen tot aan mijn wettige pensioenleeftijd van 66 jaar. Een dossier werd opgestart bij het Sociaal Huis (OCMW) Gistel om een leefloon aan te vragen voor mijn kinderen en de RVA Inspectie Oostende werd gevraagd om een dossier op te starten wegens onregelmatigheden C4 en reden achter ontslag. Geschatte totaalbedrag verliezen +/- 50000 euro (incluis de 25000 euro morele schadevergoeding). (bijlage H1) ongeacht het feit dat ik tot aan mijn pensioen inkomstenverlies zal lijden.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9638-2/9 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Uit het relaas van de verwerende partij en de stukken van haar administratief dossier kunnen de volgende feitelijke gegevens worden afgeleid in het licht waarvan het voorwerp van het door verzoeker ingediende verzoek, zoals hiervóór sub 1 aangehaald, moet worden begrepen: - Verzoeker wordt door de verwerende partij met ingang van 1 september 2014 aangeworven als statutair technicus-elektromecanicien voertuigen en installaties. Hij is aanvankelijk tewerkgesteld op de tractiewerkplaats Oostende. - Volgens de verwerende partij wordt voor de personeelsleden van de tractiewerkplaatsen vanaf 2015 een “gedeeltelijke shiftwerking” toegepast. Zij stelt in dit verband: “Personeel van tractiewerkplaatsen werkten voortaan voor een ordegrootte van 20 à 25% van hun werktijd ’s nachts en in het weekend. […] Hierover werd op 16 maart 2016 gecommuniceerd met alle leidinggevenden van TW Oostende en op 26 april 2016 het personeel van de site. Deze overgang naar gedeeltelijke shiftwerking werd gerealiseerd via een beurtrol waarvoor al het personeel nodig was gezien het gebrek aan vrijwilligers. Verzoeker werd in deze beurtregeling ingeschakeld vanaf 7 januari 2017.” - Nog volgens de verwerende partij treedt op 1 augustus 2018 bericht 45 H-HR/2018 in werking, dat het algemeen reglement betreffende personeelsleden die ongeschikt zijn wegens gezondheidsredenen, het zogenaamde ARPS-bundel 575, wijzigt. - In het voornoemde ARPS-bundel 575 is bepaald dat “gedeeltelijke ongeschiktheid” inhoudt dat het personeelslid nog in staat is om zijn functies uit IX-9638-3/9 te oefenen, maar met beperkingen. Een personeelslid dat definitief gedeeltelijk ongeschikt is, wordt tijdelijk wederbenuttigd met het oog op zijn wederaanstelling. Gedurende de periode van wederbenuttiging wordt het personeelslid tewerkgesteld in overeenstemming met zijn overgebleven geschiktheid. Het personeelslid wordt dan bezoldigd “aan 90% van het weddebedrag dat [het] verworven heeft op het ogenblik van de verklaring van medische ongeschiktheid”. Bovendien geniet het personeelslid dan niet meer “de bevordering in dezelfde graad (ARPS-Bundel 520)”. Het personeelslid waarvan de gedeeltelijke ongeschiktheid definitief begrensd is door sommige beperkingen, wordt wederaangesteld:  op zijn post wanneer de wijziging van de werkzaamheden of van de materiële inrichtingen dit toelaat;  in het tegenovergestelde geval, op een andere vacante post van zijn betrekking waarvan hij de werkzaamheden zal kunnen uitvoeren onder de voorwaarden die door de geneeskundige dienst zijn vastgesteld. - Op 27 augustus 2018 stelt verzoeker met een attest van zijn huisarts de verwerende partij ervan in kennis dat hij omwille van medische redenen geen nachtwerk meer mag uitvoeren. - De dienst CPS (Corporate Prevention Service) van de verwerende partij verklaart dat verzoeker vanaf 4 oktober 2018 definitief en gedeeltelijk ongeschikt is voor de normale functies. Met betrekking tot de “[v]oorwaarden van tewerkstelling” wordt gesteld: “geen nachtwerk.” - Met een brief van 11 december 2018 deelt de adjunct-afdelingschef van de verwerende partij aan verzoeker mee: “Je bent op 04.10.2018 gedeeltelijk en definitief ongeschikt verklaard voor je normale functies van technicus elm. voert. en installaties. Rekening houdend met je huidige situatie zijn de volgende bepalingen op jou van toepassing: - je behoudt een bezoldiging ten bedrage van 90% van het weddebedrag (niet geïndexeerd) op dit moment; - je kunt niet meer genieten van een bevordering in dezelfde graad. IX-9638-4/9 Echter, zal je genieten van een persoonlijke begeleiding om met jou op zoek te gaan naar een oplossing voor je situatie. Wij nodigen je hierbij uit om je administratieve situatie uit te leggen.” - Met een mededeling van 12 juli 2019 dient verzoeker “[zijn] ontslag in als werknemer bij de Spoorwegen / NMBS”. IV. Ontvankelijkheid van het verzoek Standpunt van de partijen
  6. De verwerende partij doet in haar memorie van antwoord gelden dat het voorliggende verzoekschrift niet ontvankelijk is, vooreerst omdat “het onduidelijk is wat door verzoeker wordt gevraagd”. Wat het voorwerp van het verzoekschrift betreft, werpt zij aldus de exceptio obscuri libelli op. Maar zelfs indien het verzoekschrift ontvankelijk zou worden verklaard wat zijn voorwerp betreft, dan nog is het volgens haar onontvankelijk wegens gebrek aan aangevoerde middelen zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij aan het voorgaande nog toe dat “het beroep ook ratione temporis onontvankelijk is”.
  7. Verzoeker repliceert in zijn laatste memorie op de exceptio obscuri libelli dat hij “alle chronologisch opgesomde feiten die ‘niet’ volgens de procedures of onwettelijk verkeerd [liepen], of niet [de] normale gang van zaken [waren], [heeft] opgesomd met de verwijzing naar wat de juiste reden is waarom ze ‘niet’ correct verlopen zijn”. Met betrekking tot het opgeworpen gebrek aan middelen stelt hij dat “[zijn] verzoekschrift […] geen doorlopende tekst [is] waarin feiten en diverse opmerkingen door mekaar verweven zijn”, dat “in een tabel […] alles IX-9638-5/9 chronologisch [werd] opgebouwd” en dat “een ‘middel’ wel degelijk [kan] worden geïdentificeerd”. Beoordeling
  8. De Raad van State kan niet anders dan met de verwerende partij vaststellen dat verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift volkomen onduidelijk laat wat het voorwerp ervan is of geacht moet worden te zijn. Ook een geduldige lezing van dat verwarrende en onsamenhangende geschrift, hoe breedvoerig het ook moge zijn, laat niet toe het voorwerp te bepalen van wat een voldoende precieze vordering zou moeten zijn. In de hiervóór sub 1 aangehaalde omschrijving van het voorwerp wordt gewag ervan gemaakt dat het gaat om een “[v]erzoek tot schadevergoeding tot herstel”. Een dergelijk verzoek vereist evenwel het bestaan van een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring waarvan het een accessorium is. Uit de voormelde omschrijving kan alvast niet met zekerheid worden afgeleid dat verzoeker met zijn verzoekschrift een beroep tot nietigverklaring beoogt in te stellen tegen een eenzijdige, uitvoerbare rechtshandeling van de verwerende partij, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Weliswaar maakt verzoeker melding van “de vernietiging beslissing NMBS tegen de opstarting procedure van reglement bundel 575 45 HR-H 2018 (+90% wedde) als aanvulling op het personeelsstatuut statutairen NMBS alsook onregelmatigheden en onzorgvuldigheid in de toepassing ervan (bijlage A12, A19)”. Hij gebruikt daarmee gewis het woord ‘vernietiging’ in zijn geschrift, maar het blijft raden of hij daarmee bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring beoogt in te stellen en tegen welke concrete individuele beslissing of reglementaire akte van de verwerende partij dat dan wel gericht zou zijn. IX-9638-6/9
  9. Wanneer louter voor het debat wordt aangenomen dat verzoeker met de zo-even aangehaalde vermelding toch in niet mis te verstane bewoordingen ervan doet blijken dat hij een beroep tot nietigverklaring instelt tegen de “beslissing” tot toepassing van ARPS-bundel 575 op zijn situatie, zoals die wordt weergegeven in de brief van de adjunct-afdelingschef van de verwerende partij van 11 december 2018 gericht aan verzoeker, moet ook weer met de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoeker, anders dan hij het zelf ziet, in zijn inleidend verzoekschrift, geen enkel middel aanvoert zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dit wil zeggen een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het geschonden geachte rechtsbeginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel is geschonden. Daargelaten of in de “tabel” waarvan verzoeker in zijn laatste memorie gewag maakt en die hij in zijn memorie van wederantwoord presenteert, wel een behoorlijk uiteengezet rechtsmiddel kan worden ontwaard, moet hoe dan ook worden opgeworpen dat hij daarmee het falen van zijn inleidend verzoekschrift laattijdig en bijgevolg niet op een ontvankelijke wijze beoogt goed te maken.
  10. Ten overvloede kan dan nog worden vastgesteld dat een beroep tot nietigverklaring van de voormelde “beslissing” van 11 december 2018 met het thans voorliggende verzoekschrift, ingediend op 23 oktober 2019, ruimschoots buiten de beroepstermijn is ingesteld die is voorgeschreven door artikel 4, § 1, derde lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
  11. In het “[b]esluit” van zijn inleidend verzoekschrift schrijft verzoeker voorts: “Gelet op de waterval aan opgesomde procedurefouten en evenementen in mijn nadeel verzoek ik de intrekking van de beslissing van de Spoorwegen IX-9638-7/9 genomen in het kader van de toepassing bundel 575, en dien ik ook een klacht in wegens: a- pesterijen op het werk, b- laster en eerroof, en bezoedeling van mijn carrière als goede werkwerknemer c- overtreding van de ontvangsttheorie d- valsheid in geschriften t.o.v. van de productiemanager. e- overtreding rond integriteit en vraag ik de volgende financiële rechtzettingen en tijdcompensaties: […].” Ook al ten overvloede, voor zover verzoeker daarmee op de voormelde punten een ingrijpen vanwege de Raad van State beoogt, gaat hij eraan voorbij dat een dergelijk ingrijpen buiten de rechtsmacht van de Raad van State valt.
  12. Uit wat voorafgaat mag blijken dat de opgeworpen excepties gegrond zijn en dat het voorliggende verzoekschrift niet als ontvankelijk kan worden aangenomen. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het verzoek.
  14. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het onverschuldigde recht van 200 euro en de onverschuldigde bijdrage van 20 euro voor het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partij.
  15. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9638-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vieren- twintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9638-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.851 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.