id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.871 Rolnummer: A. 234906/X-18024 Zaak: Arrest 254871 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 25/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-08 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:43 Fiche Arrest nr 254.871 van 25 oktober 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 254.871 van 25 oktober 2022 in de zaak A. 234.906/X-18.024 In zake : Rafaël HEYNDRICKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kenny Marien kantoor houdend te 9150 Kruibeke Bazelstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE EVERGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 27 mei 2021 van de gemeenteraad van de gemeente Evergem houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Woonuitbreidingsgebieden’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. X-18.024-1/19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kenny Marien, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van een perceel grond, gelegen Langendam te Sleidinge, kadastraal bekend als afdeling 3, sectie D, nr. 734/m
- Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ situeert dit perceel zich in woonuitbreidingsgebied. Ter verduidelijking volgt een weergave van het gewestplan met een benaderende aanduiding van verzoekers perceel: verzoekers perceel X-18.024-2/19 3.
- Ter plaatse wordt op 27 februari 1996 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem de verkaveling V3706/1 ‘Langendam’ vergund. Blijkens de verkavelingsvoorschriften evenwel valt lot 5, dat verzoekers perceel betreft, buiten de verkaveling en dient dit lot gevoegd te worden bij de nieuwe weg volgens het bestemmingsplan van het woonuitbreidingsgebied. Ter verduidelijking volgt een weergave van het verkavelingsplan dat gevoegd is bij de verkavelingsvergunning van 27 februari 1996: 3.
- De voormelde verkavelingsvergunning wordt gewijzigd bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem van 27 juli
- De wijziging voorziet in vijf loten voor aaneengesloten bebouwing. In het besluit wordt gesteld dat lot 6 (zone voor wegenis), voorheen verzoekers lot 5, deel blijft uitmaken van de verkaveling om op die manier zijn functie als latere ontsluiting ondubbelzinnig te behouden. Blijkens de verkavelingsvoorschriften evenwel, valt lot 6 buiten de verkaveling en dient dit lot gevoegd te worden bij de nieuwe weg volgens het bestemmingsplan van het woonuitbreidingsgebied. Ter verduidelijking volgt het verkavelingsplan, gevoegd bij de verkavelingswijziging van 27 juli 1999: X-18.024-3/19 3.
- In zitting van 22 juni 2017 beslist de gemeenteraad van de gemeente Evergem op voorstel van het college van burgemeester en schepenen tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) voor de schrapping van het woonuitbreidingsgebied in Kluizen en tot de opmaak van gemeentelijk RUP’s met het oog op de bevriezing, tot 2040, van de woonuitbreidingsgebieden aan de Wurmstraat, Weststraat, Vierlinden, Belzeelsestraat en Holstraat. 3.
- In zitting van 25 april 2019 beslist de gemeenteraad om zijn beslissing van 22 juni 2017 als volgt te wijzigen: “De opmaak van verschillende ruimtelijke uitvoeringsplannen voor volgende woonuitbreidingsgebieden: Kluizen: het omzetten van het woonuitbreidingsgebied naar een bouwvrij agrarisch gebied waarbij enkel de bouwmogelijkheden van de bestaande bebouwde percelen gegarandeerd blijven zonder evenwel het aantal woongelegenheden te laten toenemen. Wurmstraat: het omzetten van het woonuitbreidingsgebied naar een bouwvrij agrarisch gebied waarbij enkel de bouwmogelijkheden van de bestaande bebouwde percelen gegarandeerd blijven zonder evenwel het aantal woongelegenheden te laten toenemen doch waarbij de onbebouwde loten uit de voormalige verkaveling V3608 dezelfde bouwmogelijkheden krijgen als de andere loten uit deze voormalige verkaveling. X-18.024-4/19 Weststraat: het omzetten van het woonuitbreidingsgebied naar een bouwvrij agrarisch gebied waarbij enkel de bouwmogelijkheden van de bestaande bebouwde percelen gegarandeerd blijven zonder evenwel het aantal woongelegenheden te laten toenemen. Vierlinden: het omzetten van het woonuitbreidingsgebied naar een bouwvrij agrarisch gebied waarbij enkel de bouwmogelijkheden van de bestaande bebouwde percelen gegarandeerd blijven zonder evenwel het aantal woongelegenheden te laten toenemen Belzeelsestraat: het omzetten van het woonuitbreidingsgebied naar een bouwvrij agrarisch gebied waarbij enkel de bouwmogelijkheden van de bestaande bebouwde percelen gegarandeerd blijven zonder evenwel het aantal woongelegenheden te laten toenemen Holstraat: het omzetten van het woonuitbreidingsgebied naar een bouwvrij agrarisch gebied waarbij enkel de bouwmogelijkheden van de bestaande bebouwde percelen gegarandeerd blijven zonder evenwel het aantal woongelegenheden te laten toenemen.” 3.
- Nadat de startnota met betrekking tot het voorgenomen gemeentelijk RUP ‘Woonuitbreidingsgebieden’ ter inzage werd gelegd van 1 september 2019 tot 30 oktober 2019 en er twee participatiemomenten werden georganiseerd, wordt op 21 februari 2020 een scopingnota opgesteld. 3.
- Op basis van de startnota, de resultaten van de participatie, de adviezen en de verwerking hiervan in de scopingnota concludeert Team Mer van de Vlaamse overheid op 23 april 2020 “dat er geen plan-MER opgesteld moet worden voor het voorliggende RUP”. 3.
- Op 19 mei 2020 vindt een plenaire vergadering plaats over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP ‘Woonuitbreidingsgebieden’. 3.
- Op 24 september 2020 stelt de gemeenteraad van de gemeente Evergem het ontwerp van het gemeentelijk RUP ‘Woonuitbreidingsgebieden’ voorlopig vast. Met de opmaak van het gemeentelijk RUP wil het gemeentebestuur de open ruimte die het landelijk karakter van Evergem mee bepaalt, beschermen. De woonuitbreidingsgebieden zullen een nieuwe bestemming krijgen in functie van open ruimte. Hiermee wenst het gemeente- X-18.024-5/19 bestuur duidelijkheid te scheppen omtrent de toekomst van de nog onaangesneden woonuitbreidingsgebieden. De bouwmogelijkheden van de reeds bebouwde percelen binnen deze gebieden blijven gegarandeerd, zonder dat evenwel het aantal woongelegenheden kan toenemen. Goedgekeurde verkavelingen blijven behouden, ook wat onbebouwde kavels betreft, en bestaande bedrijven kunnen blijven. 3.
- Verzoekers perceel situeert zich binnen het deel-RUP ‘Weststraat’ en wordt herbestemd tot ‘landbouwzone’ (artikel 2). De bestemmingsvoorschriften (artikel 2.1) luiden: “Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw en voor de bestaande landbouwbedrijven. Natuurbehoud en landschapszorg, recreatief medegebruik en waterbeheersing zijn ondergeschikte functies.” De inrichtingsvoorschriften (artikel 2.2) luiden: “2.2.1 Algemeen Het gebied wordt ingericht als agrarisch gebied met mogelijkheid tot zacht recreatief medegebruik, landschapsontwikkeling en bos. Met uitzondering van aanplantingen in de tuinen van bestaande vergunde woningen en met uitzondering van aanplantingen in functie van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, dienen aanplantingen in het plangebied te gebeuren met streekeigen soorten. Bestaande beboste percelen dienen behouden te blijven als bos. 2.2.2 Volgende activiteiten zijn vergunbaar • Alle werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van bestaande landbouwbedrijven; • Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn eveneens toegelaten: • Alle werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn of gericht zijn op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van de landschapswaarden; • Het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied en/of gericht op natuureducatie of recreatief medegebruik; • Het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor recreatief verkeer; • Het herstellen of heraanleggen van bestaande openbare wegenis en nutsleidingen X-18.024-6/19 • Alle werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen die nodig of nuttig zijn voor het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden voor zover de technieken van de natuurtechnische milieubouw gehanteerd worden; • Het afbreken van gebouwen en constructies. 2.2.3 Volgende activiteiten zijn toegelaten aan bestaande landbouwbedrijven • Een landbouwbedrijfszetel mag enkel de noodzakelijke bedrijfsgebouwen en de woning van de exploitanten bevatten, evenals verblijfsgelegenheid, verwerkende en dienstverlenende activiteiten voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaken; • Een bestaand landbouwbedrijf kan uitbreiden, bestaande vergunde gebouwen horende bij een bestaand landbouwbedrijf kunnen herbouwd of verbouwd worden; • Het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een woning, met behoud van het aantal woongelegenheden is toegelaten; • Het afsplitsen van een bedrijfswoning van een actief bedrijf is niet toegelaten. 2.2.4 Nieuwe agrarische bedrijven Het oprichten van nieuwe agrarisch bedrijven is niet toegelaten. Evenmin zijn functiewijzigingen naar niet grondgebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of naar intensieve veeteelt toegelaten. 2.2.5 Bestaande tuinen Bestaande tuinen, inclusief bijhorende vergunde tuininrichting kunnen behouden blijven.” 3.
- Ter verduidelijking volgt een weergave van het grafisch plan bij het (ontwerp van) gemeentelijk RUP, met aanduiding van verzoekers perceel: Verzoekers perceel X-18.024-7/19 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 20 november 2020 tot en met 19 januari 2021 over het ontwerp van het gemeentelijk RUP wordt georganiseerd, brengen het departement Omgeving van de Vlaamse overheid en de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen een advies uit en worden 41 bezwaren ingediend, onder meer door verzoeker. 3.
- In zitting van 11 mei 2021 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Evergem (Gecoro) de bezwaren en brengt zij een gunstig advies uit, mits enkele aanpassingen aan het plan worden doorgevoerd. 3.
- Met het bestreden besluit van 27 mei 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Evergem het gemeentelijk RUP ‘Woonuitbreidingsgebieden’ definitief vast. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet). Hij bekritiseert dat nergens uit het bestreden besluit blijkt op welke manier het departement Omgeving van de Vlaamse overheid en de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de deputatie) hebben geadviseerd, zodat hij uit het bestreden besluit niet kan afleiden of het advies van de voormelde instanties positief dan wel negatief is. Bovendien blijkt uit de motivering van het bestreden besluit niet op welke manier de verwerende partij met het slechts “gedeeltelijk gunstig advies” van de deputatie is omgegaan. Verzoeker concludeert dat het bestreden besluit “de juridische en feitelijke X-18.024-8/19 overwegingen van de beslissing niet afdoende bevat” en dat “de aangehaalde redenen niet volstaan om de beslissing te verantwoorden”. Beoordeling 5.
- Krachtens de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet dienen eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk te worden gemotiveerd door in de akte de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Een ruimtelijk uitvoeringsplan betreft een rechtshandeling met verordenend karakter. Het bestreden besluit maakt derhalve geen rechtshandeling met individuele strekking uit waarop de motiveringswet toepassing vindt. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 5.
- Wél is een ruimtelijk uitvoeringsplan, zoals elke bestuurs- handeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het vaststellingsbesluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. De motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens binnen de grenzen van de redelijkheid tot een beslissing komen. 5.
- Vastgesteld moet vooreerst worden dat het advies van het departement Omgeving van 8 januari 2021 en het advies van de deputatie van 7 januari 2021 deel uitmaken van het administratief dossier. Ook zijn zij opgenomen en behandeld in het advies van de Gecoro van 11 mei 2021, waarbij het bestreden besluit zich heeft aangesloten. Verzoeker heeft dit advies van de Gecoro zelf als stuk 9 bij zijn verzoekschrift bijgebracht. De kritiek in zijn laatste memorie dat het administratief dossier met de kwestieuze adviezen “an sich (aanvankelijk) niet beschikbaar was”, wordt dan ook niet gevolgd. X-18.024-9/19 5.
- Daargelaten de vraag naar verzoekers belang voor wat zijn kritiek met betrekking tot het advies van de deputatie betreft, nu de erin verwoorde kritiek betrekking heeft op een ander deelplan (deelplan ‘Wurmstraat’) dan dat waarin verzoekers perceel gelegen is (deelplan ‘Weststraat’), is zijn kritiek hoe dan ook ongegrond. In het advies van de Gecoro, waarbij de plannende overheid zich zoals gezegd heeft aangesloten, wordt immers aangegeven hoe met het “slechts gedeeltelijk gunstig advies” van de deputatie wordt omgegaan. 5.
- Waar verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord concreet ingaat op het advies van het departement Omgeving, is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. 5.
- Het middel wordt verworpen. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Hij zet uiteen dat de verkavelingsvergunning van 27 februari 1996 bepaalt dat op haar perceel een ontsluitingsmogelijkheid naar de achterliggende terreinen moet worden voorzien. Met de verkavelingswijziging van 27 juli 1999 wordt nogmaals benadrukt dat de verkaveling de “strook voor wegenis behoudt” en dat “lot 6 (zone voor wegenis) deel blijft uitmaken van de verkaveling”. Verzoeker stelt dat de verwerende partij in de aanloop naar het gemeentelijk RUP in al haar communicatie bevestigd heeft dat goedgekeurde verkavelingen behouden blijven. Ofwel heeft de verwerende partij zich vergist toen zij stelde dat het kwestieuze perceel deel uitmaakt van de verkaveling, waardoor verzoeker de rechtmatige verwachting mocht hebben dat dit inderdaad zo was, ofwel heeft de verwerende partij zich bij de inkleuring van het gemeentelijk RUP vergist. Daarnaast merkt verzoeker op dat de kwalificatie van zijn perceel als woongebied in de plaats van agrarisch gebied een substantieel X-18.024-10/19 voordeel voor hem betekent. Hij meent dat er geen enkele noodzaak bestond om zijn grond tot agrarisch gebied te herbestemmen. Beoordeling 7.
- Verzoeker heeft tijdens het openbaar onderzoek een gelijkluidend bezwaar ingediend, waarin hij voorhoudt dat zijn perceel deel uitmaakt van een verkaveling, dat het perceel belast is met een erfdienstbaarheid, en dat het logisch lijkt dat zijn perceel als deel van een verkaveling moet behandeld worden. De Gecoro heeft dit bezwaar als volgt beantwoord: “Volgens de info van de gemeente zijn de percelen niet gelegen binnen een goedgekeurde verkaveling. De gecoro is van oordeel dat dit dient verduidelijkt in de toelichting bij de stedenbouwkundige voorschriften nl: bestaande, vergunde verkavelingen en de geldende stedenbouwkundige voorschriften blijven bestaan. De verkavelingen worden immers niet opgeheven bij GR-beslissing bij de voorlopige en definitieve aanvaarding van het RUP. Indien kan aangetoond worden dat een bepaald perceel toch in een geldige en niet vervallen verkaveling ligt, verliest de eigenaar op deze manier zijn rechten niet. De bewijslast ligt bij de eigenaar.” Zoals voorgesteld door de Gecoro, wordt in de toelichting bij de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1 van het gemeentelijk RUP bepaald dat bestaande vergunde verkavelingen en hun geldende stedenbouwkundige voorschriften blijven bestaan. 7.
- Blijkens de verordenende verkavelingsvoorschriften van de verkaveling ‘Langendam’ valt verzoekers perceel buiten de verkaveling en dient dit lot gevoegd te worden bij de nieuwe weg volgens het bestemmingsplan van het woonuitbreidingsgebied. Dat in de beslissing tot verkavelingswijziging van 27 juli 1999 verkeerdelijk wordt gesteld dat lot 6 (zone voor wegenis) deel blijft uitmaken van de verkaveling, vermag daaraan geen afbreuk te doen. 7.
- Verzoeker toont in zijn verzoekschrift niet aan dat de verwerende partij toezeggingen of beloften zou hebben gedaan omtrent de mogelijke bebouwbaarheid van zijn perceel. Het betoog in zijn laatste memorie dat X-18.024-11/19 hij “steeds van verwerende partij de communicatie [heeft] ontvangen dat zijn perceel deel uitmaakte van woonuitbreidingsgebied” toont dit nog niet aan, nu de gewestplanbestemming eenmaal gelding had zolang zij niet door het bestreden besluit was opgeheven. 7.
- Hoe het bestaan van de private erfdienstbaarheid van uitweg, overgang en doorgang ertoe zou kunnen leiden dat de plannende overheid het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel schendt, wordt in het middel ten slotte niet toegelicht. Het middel is in zoverre onontvankelijk. 7.
- Het middel wordt verworpen. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat bij notariële akte van 6 december 2010 een erfdienstbaarheid op zijn perceel werd gevestigd ten voordele van de percelen met de nummers 743/g3, h3, k3 en l3, en leidt daaruit af dat zijn perceel ongeschikt is als agrarisch gebied. Over zijn perceel moet immers steeds een doorgang mogelijk zijn. Mocht de verwerende partij zich voldoende hebben geïnformeerd over het statuut van zijn perceel, dan zou zij hebben vastgesteld dat het onmogelijk is om het perceel tot agrarisch gebied te bestemmen. Verzoeker stelt reeds in zijn bezwaarschrift het bestaan van deze erfdienstbaarheid te hebben opgeworpen, maar de Gecoro noch de plannende overheid hebben hierop inhoudelijk geantwoord. Daarnaast stelt verzoeker dat de verwerende partij geen wijziging van het gewestplan heeft doorgevoerd naar aanleiding van de verkavelingsvergunning van 27 februari
- Zijn perceel behield de X-18.024-12/19 gewestplanbestemming woonuitbreidingsgebied hoewel dit volgens de verkavelingsvergunning woongebied diende te zijn. Tenslotte merkt verzoeker op dat de verwerende partij in het bestreden besluit melding maakt van een voorlopige vaststelling van het ontwerp van gemeentelijk RUP door de gemeenteraad op 24 september 2021, terwijl deze datum onmogelijk is, nu de definitieve aanneming van het plan van 27 mei 2021 dateert, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is. Beoordeling 9.
- Bij het vaststellen van bestemmingen in ruimtelijke uitvoeringsplannen is de overheid er niet toe gehouden om de op dat ogenblik bestaande toestand in het plan te bevestigen en te bekrachtigen. De plannen zijn namelijk toekomstgericht en kunnen stedenbouwkundige voorschriften vastleggen die afwijken van de bestaande toestand. Indien de overheid bij haar planologisch beleid geen wijzigingen zou mogen aanbrengen in de bestemmingen van particuliere eigendommen en de bestaande individuele rechtssituaties en rechtsverhoudingen volledig zou dienen te vrijwaren, zou het voor haar onmogelijk zijn enig planologisch beleid te voeren. 9.
- In de mate dat verzoeker in het middel aanvoert dat zijn bezwaar omtrent het bestaan van een private erfdienstbaarheid van uitweg, overgang en doorgang onvoldoende beantwoord is, dient er vooreerst op gewezen te worden dat het volstaat dat een bezwaarindiener een antwoord kan vinden in een stellingname die begrijpelijk op zijn bezwaar van toepassing is. Bij het beantwoorden van de ingediende bezwaren heeft de Gecoro de relevante rechtspraak ter zake, zoals verwoord onder randnummer 9.1, meegedeeld. Verzoeker gaat hier in zijn verzoekschrift niet op in, en toont zodoende niet aan dat geen afdoende antwoord op zijn bezwaar voorhanden was. 9.
- Voor het eerst in de memorie van wederantwoord, en dus op laattijdige en onontvankelijke wijze, stelt verzoeker dat het advies van de Gecoro gebaseerd is op verkeerde gegevens met betrekking tot de ligging van zijn perceel X-18.024-13/19 buiten de verkaveling. Volledigheidshalve zij in dit verband verwezen naar de beoordeling van het derde middel hiervoor (randnummer 7.1 en volgende). 9.
- Verder vergist verzoeker zich waar hij voorhoudt dat zijn perceel “volgens de verkavelingsvergunning en wijziging van de verkavelings- vergunning d.d. 27.07.1999 reeds woongebied diende te zijn”. Ter zake zij verwezen naar het gestelde onder randnummer 7.
- Een verkavelingsvergunning vermag ten andere de gewestplanbestemming niet te wijzigen, noch verplicht zij daartoe. Dat volgens verzoekers laatste memorie, “[h]et […] buiten kijf [staat] dat verwerende partij [...] in de verkavelingsvergunning onzorgvuldig is te werk gegaan”, is verder niet van aard om de wettigheid van het bestreden besluit aan te tasten. 9.
- Waar in het bestreden besluit wordt vermeld dat het ontwerp van het gemeentelijk RUP op 24 september 2021 voorlopig is vastgesteld, in de plaats van op 24 september 2020, betreft dit een louter materiële misslag, die evenmin van aard is om het bestreden besluit te vitiëren. 9.
- Het middel wordt verworpen. D. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van de hoorplicht, van artikel 32 van de Grondwet, van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Hij bekritiseert door de verwerende partij niet te zijn uitgenodigd voor de publieke raadpleging van het “voorontwerp van RUP” en betoogt dat het gemeentelijk RUP gedurende lange tijd niet raadpleegbaar was op de website van de verwerende partij. X-18.024-14/19 Verder wijst hij erop dat artikel 2.2.18, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen minimum één participatiemoment dient te voorzien en merkt hij op dat dit uiteraard een participatiemoment omtrent het definitieve ontwerp van het gemeentelijk RUP dient te zijn. Hij kaart aan dat ingevolge de Covid-19 problematiek de verwerende partij de informatievergadering heeft geschrapt, waardoor er enkel een inzage mogelijk was zonder verdere toelichting, wat een gebrek aan inspraak inhoudt. Verzoeker zet tenslotte uiteen dat hij een afspraak heeft gemaakt op het gemeentehuis om het administratief dossier in te zien, waarbij hij vooraf heeft aangegeven dat hij wenste te vernemen waarom zijn perceel niet in de bestaande verkaveling was behouden en waarom het perceel zou omgezet worden naar agrarisch gebied. Hij beklaagt zich erover dat hij ter plaatse diende “te constateren dat hij enkel de bestanden te zien kreeg dewelke hij zelf eveneens via de website kon consulteren” en dat “hij geen antwoord [kreeg] op zijn vraag waarom het perceel grond niet was behouden”. Verzoeker besluit dat hij “onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om de relevante bestuursdocumenten omtrent het perceel grond in te zien” en dat een schending van de hoorplicht voorligt nu hij “onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt omtrent het RUP naar voor te brengen”. Beoordeling 11.
- De verwerende partij merkt terecht op dat verzoeker in zijn verzoekschrift niet uiteenzet op welke wijze volgens hem artikel 32 van de Grondwet, artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR zouden zijn geschonden, zodat het middel in zoverre niet ontvankelijk is. 11.
- Verder staat het vast dat verzoeker zijn bezwaren over het ontwerp van het gemeentelijk RUP schriftelijk heeft kunnen meedelen tijdens het openbaar onderzoek. In zijn bezwaarschrift geeft verzoeker met betrekking tot het ontwerpplan aan op “de website van de gemeente” “de details gevonden te hebben”, maar beklaagt hij zich erover niet te zijn uitgenodigd op “het X-18.024-15/19 informatiemoment […] op 03/09/2019 en op 10/09/2019” zodat hij zijn opmerkingen en bezwaren toen niet heeft kunnen meedelen. 11.
- Verzoekers kritiek niet te zijn uitgenodigd voor de publieke raadpleging over “het voorontwerp van RUP” is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. Artikel 5, tweede lid, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2017 ‘betreffende het geïntegreerde planningsproces voor ruimtelijke uitvoeringsplannen, planmilieueffectrapportage, ruimtelijke veiligheidsrapportage en andere effectbeoordelingen’, vereist enkel dat de bevolking van de betrokken gemeenten voor het begin van de raadpleging over de startnota wordt geïnformeerd over de terbeschikkingstelling van de startnota door een aanplakking in elke betrokken gemeente, alsook middels een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in de gemeente worden verspreid of in het gemeentelijke infoblad dat verspreid wordt in de betrokken gemeente en een bericht op de website van de bevoegde gemeente. Een persoonlijke uitnodiging is niet vereist. 11.
- Verzoekers betoog, met verwijzing naar artikel 2.2.18, § 2, VCRO, dat er “een participatiemoment omtrent het definitieve ontwerp van RUP dient te zijn”, faalt evenzeer naar recht, nu deze bepaling betrekking heeft op de inspraak over de startnota. 11.
- Verzoekers betoog dat “[i]ngevolge de Covid-19 problematiek […] verwerende partij echter de informatievergadering [schrapte], waardoor er enkel een inzage mogelijk was, zonder verdere toelichting” kan niet tot vernietiging leiden, nu verzoeker een ontvankelijk bevonden bezwaarschrift heeft ingediend tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van het gemeentelijk RUP, en hij in zijn bezwaarschrift zelf heeft erkend de details van het plan op de website te hebben gevonden. Om dezelfde reden kan verzoekers kritiek dat het gemeentelijk RUP “gedurende lange tijd niet raadpleegbaar [was] op de website van verwerende partij” en dat zijn vragen ten gemeentehuize niet werden beantwoord, niet tot vernietiging leiden. 11.
- Het middel wordt verworpen. X-18.024-16/19 X-18.024-17/19 E. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2.2.5 en 2.2.18 VCRO. Verzoeker houdt onder verwijzing naar het derde middel voor dat zijn perceel geen deel uitmaakte van het bestreden gemeentelijk RUP omdat het van de bestaande verkaveling ‘Langendam’ deel uitmaakt. De bestemming van zijn perceel werd desondanks toch gewijzigd van ‘woonuitbreidingsgebied’ naar ‘bouwvrij agrarisch gebied’. Hij stelt dat de verschillende processtappen niet correct werden doorlopen. Beoordeling 13.
- Ter staving van het uitgangspunt van zijn middel, te weten dat zijn perceel geen deel uitmaakt van het bestreden gemeentelijk RUP omdat het van de bestaande verkaveling ‘Langendam’ deel uitmaakt, verwijst verzoeker naar zijn derde middel. Het volstaat te verwijzen naar de verwerping van dat middel hiervoor randnummer 7.1 e.v). 13.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.024-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Pierre Lefranc X-18.024-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.871 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div