id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.891 Rolnummer: A. 220181/XIV-37182 Zaak: Arrest 254891 - Varia (economische zaken) - 26/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-10-27 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 07:44 Fiche Arrest nr 254.891 van 26 oktober 2022 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.891 van 26 oktober 2022 in de zaak A. 220.181/XIV-37.182 In zake : 1. de NV KATOEN NATIE BULK TERMINALS 2. de NV LOGISPORT, thans de NV GENERAL SERVICES ANTWERP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Martin Lebbe en Erwin Simons kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Wytinck, David D’Hooghe, Tom Ruys en Cilia Mathieu kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’ (BS 13 juli 2016). XIV-37.182-1/75 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 244.504 van 16 mei 2019 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2022. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erwin Simons, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten David D’Hooghe en Peter Wytinck, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met het dispositief overeenstemmend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In het tussenarrest nr. 241.567 van 23 mei 2018 zijn de feiten als volgt uiteengezet: XIV-37.182-2/75 “3.1. Het bestreden koninklijk besluit wijzigt het koninklijk besluit van 5 juli 2004 ‘betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’. Die wijzigingen zijn er gekomen in het licht van de ingebrekestelling van de Europese Commissie van 28 maart 2014. De Europese Commissie was van oordeel dat de regeling betreffende de havenarbeid een inbreuk vormde op artikel 49 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. In essentie stelde de Commissie dat de Belgische regeling betreffende de tewerkstelling van havenarbeiders buitenlandse ondernemingen ontmoedigde om in België vestigingen op te zetten, doordat zij geen vrije keuze van personeelsleden hadden maar verplicht waren om een beroep te doen op de erkende havenarbeiders, zelfs voor logistieke taken, die bovendien geografisch slechts beperkt inzetbaar waren. 3.2. Het bestreden besluit vindt, aldus de aanhef, rechtsgrond in, eensdeels, artikel 49 van de wet van 5 december 1968 ‘betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités’ (hierna: de wet van 5 december 1968) en, anderdeels, artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’ (hierna: de havenarbeidswet). Artikel 49, eerste lid, van de wet van 5 december 1968 draagt de Koning op de werkwijze van de paritaire comités en subcomités te bepalen. Artikel 3, eerste lid, van de havenarbeidswet belast de Koning ermee de voorwaarden en de modaliteiten (lees: nadere regels) van de erkenning van havenarbeiders te bepalen ‘op advies’ van het voor het betrokken havengebied bevoegd paritair comité. Tevens wordt rechtsgrond gevonden in artikel 108 van de Grondwet, waaraan de Koning een algemene uitvoeringsbevoegdheid ontleent. 3.3. De Europese Commissie meldt op 17 mei 2017 dat de inbreukprocedure wordt stopgezet.” 3.2. Bij het daaropvolgende tussenarrest nr. 244.504 van 16 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat het vereist was, alvorens het onderzoek van het tweede tot het zesde middel en – in zoverre het met het tweede middel samenvalt –, het achtste middel voort te zetten, om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) de volgende in dat arrest vermelde prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot de door het bestreden besluit genomen beperkende maatregelen wat hun geschiktheid betreft evenals de noodzakelijkheid en evenredigheid ervan in het licht van de door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) gewaarborgde fundamentele vrijheden inzake vrije vestiging, vrij verkeer van diensten en vrij verkeer van werknemers: “1. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 ‘betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’, samen gelezen met artikel 2, van voormeld besluit van 5 juli 2004, XIV-37.182-3/75 namelijk de regeling dat de havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 juli 2004, bij hun erkenning door de administratieve commissie, paritair samengesteld eensdeels uit leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en anderdeels uit leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, ofwel worden opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet, waarbij bij de erkenning tot opname rekening wordt gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten, ermee rekening houdende tevens dat voor die administratieve commissie niet in een uiterlijke beslissingstermijn is voorzien en tegen haar erkenningsbeslissingen enkel is voorzien in een jurisdictioneel beroep? 2. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 1, 2°, 3°, 6° en 8° van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals vervangen respectievelijk ingevoegd door artikel 4, 2°, 3°, 4° en 6°, van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling die als voorwaarde voor de erkenning als havenarbeider oplegt dat de werknemer
- a)medisch geschikt wordt verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’ aangeduid werd als lasthebber aangesloten is en
- b)geslaagd is in de psychotechnische proeven afgenomen door het orgaan dat hiertoe door de erkende organisatie van werkgevers aangeduid als lasthebber overeenkomstig datzelfde artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972,
- c)gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid hebben gevolgd en geslaagd zijn voor de eindproef en
- d)reeds moet beschikken over een arbeidsovereenkomst wanneer het een havenarbeider betreft die niet opgenomen wordt in de pool, daarin begrepen, samen gelezen met artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, dat de buitenlandse havenarbeiders moeten kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat aan vergelijkbare voorwaarden voldoen opdat zij voor de toepassing van de bestreden regeling niet meer aan die voorwaarden worden onderworpen? 3. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 2, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij de havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool en die derhalve direct door een werkgever worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’ en de duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst zodat telkens een nieuwe erkenningsprocedure moet worden aangevat? 4. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 17 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de overgangsmaatregel waarbij de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de derde prejudiciële vraag in eerste instantie moet zijn gesloten voor onbepaalde duur; vanaf 1 juli 2017 voor minstens twee jaar; vanaf 1 juli 2018 voor minstens één jaar; vanaf 1 juli 2019 voor minstens zes maanden; vanaf 1 juli 2020 met vrij te bepalen duurtijd? XIV-37.182-4/75 5. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 18 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de (overgangs)maatregel waarbij de onder de oude regeling erkende havenarbeiders van rechtswege worden erkend als havenarbeiders in de pool waardoor de mogelijkheid van directe tewerkstelling (met een vast contract) van die havenarbeiders door een werkgever wordt belemmerd en de werkgevers verhindert om goede arbeidskrachten aan zich te binden door met hen rechtstreeks een vast contract te sluiten en deze laatsten werkzekerheid te bieden volgens de regels van het gemene arbeidsrecht? 6. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 4, 7°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij een cao de voorwaarden en modaliteiten bepaalt waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend waardoor mobiliteit van werknemers tussen de havengebieden wordt beperkt zonder dat de regelgever zelf duidelijkheid verschaft welke die voorwaarden of modaliteiten kunnen zijn? 7. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij (logistieke) werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 ‘tot oprichting en vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het Havenbedrijf’ op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde over een veiligheidscertificaat moeten beschikken waarbij dat veiligheidscertificaat geldt als een erkenning in de zin van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’, ermee rekening houdende dat dit certificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten in die zin te verrichten en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de arbeidsovereenkomst en de identiteitskaart waarbij de modaliteiten van de te volgen procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat de regelgever op dat punt duidelijkheid verschaft?” 3.3. Bij zijn tussenarrest nr. 94/2019 van 6 juni 2019 heeft het Grondwettelijk Hof, nadat het zelf was gevat door een prejudiciële vraag gesteld door het Hof van Cassatie bij arrest van 16 april 2018, de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ gesteld: “1. Dient artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 56 van hetzelfde Verdrag, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie XIV-37.182-5/75 en met het gelijkheidsbeginsel, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die personen of ondernemingen die in een Belgisch havengebied activiteiten van havenarbeid in de zin van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid - waaronder activiteiten die vreemd zouden zijn aan het laden en lossen van schepen in strikte zin - wensen te verrichten, verplicht om enkel een beroep te doen op erkende havenarbeiders? 2. Kan het Grondwettelijk Hof, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de gevolgen van de in het geding zijnde artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid voorlopig handhaven teneinde rechtsonzekerheid en sociale onvrede te voorkomen en de wetgever in staat te stellen ze in overeenstemming te brengen met de uit het recht van de Europese Unie voorvloeiende verplichtingen?” 3.4. Bij zijn arrest van 11 februari 2021 heeft het HvJ in de gevoegde zaken C-407/19 en C-471/19 (hierna: het arrest van 11 februari 2021) uitspraak gedaan over de door het Grondwettelijk Hof en de Raad van State gestelde prejudiciële vragen. Het dictum ervan luidt: “Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht: 1) De artikelen 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits die voorwaarden en bepalingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen. 2) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan: – de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen; – deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders, waarbij voor de niet in die pool opgenomen havenarbeiders de duur van de erkenning beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst zodat voor elke nieuwe overeenkomst die zij sluiten, een nieuwe erkenningsprocedure moet worden gestart, en – er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen. 3) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke een werknemer, tenzij hij kan aantonen dat hij in een andere lidstaat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet, slechts kan worden erkend als havenarbeider indien hij: XIV-37.182-6/75 – medisch geschikt voor havenarbeid is verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de organisatie is aangesloten die onder haar leden verplicht alle werkgevers telt die actief zijn in het betrokken havengebied; – geslaagd is voor de psychotechnische tests die zijn afgenomen door het orgaan dat daartoe door die werkgeversorganisatie is aangewezen; – een voorbereidende cursus van drie weken over veilig werken heeft gevolgd met het oog op het verwerven van vakbekwaamheid, en – geslaagd is voor de eindproef, mits de taak die aan de werkgeversorganisatie en, in voorkomend geval, aan de vakbonden van erkende havenarbeiders is opgedragen bij de aanwijzing van de organen die met het verrichten van dergelijke onderzoeken, tests of proeven zijn belast, niet van dien aard is dat daardoor het transparante, objectieve en onpartijdige karakter van die onderzoeken, tests of proeven in twijfel wordt getrokken. 4) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig het wettelijk kader dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van die regeling, deze erkenning op grond van de nieuwe regeling behouden en worden opgenomen in de pool van havenarbeiders waarin die nieuwe regeling voorziet. 5) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke voor de overgang van een havenarbeider naar de pool van werknemers van een ander havengebied dan dat waar hij is erkend, de bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen gelden, mits deze voorwaarden en bepalingen noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in elk havengebied te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat. 6) De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke logistieke werknemers moeten beschikken over een ‘veiligheidscertificaat’ dat wordt afgegeven op vertoon van hun identiteitskaart en hun arbeidsovereenkomst en waarvan de wijze van afgifte en de procedure voor de verkrijging ervan bij collectieve arbeidsovereenkomst zijn vastgesteld, mits de voorwaarden voor de afgifte van dat certificaat noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, en de procedure voor het verkrijgen ervan geen buitensporige en onevenredige administratieve lasten met zich meebrengt.” 3.5. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 168/2021 van 25 november 2021 overwogen: “B.8. Bij zijn arrest van 11 februari 2021 in zake Katoen Natie Bulk Terminals NV e.a. (C-407/19 en C-471/19) heeft het Hof van Justitie met betrekking tot de door het Grondwettelijk Hof gestelde prejudiciële vragen geoordeeld : ‘Eerste vraag 55. Met zijn eerste vraag in zaak C-471/19 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 49 en 56 VWEU, de artikelen 15 en 16 van het Handvest en het gelijkheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of XIV-37.182-7/75 ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld. 56. Om te beginnen moet erop worden gewezen dat – wat de vraag betreft of een nationale regeling op grond waarvan ondernemingen die havendiensten willen verrichten, een beroep moeten doen op erkende havenarbeiders, verenigbaar is met de artikelen 15 en 16 van het Handvest – een toetsing aan de artikelen 49 en 56 VWEU van de beperking die een nationale regeling inhoudt ook geldt voor de mogelijke beperkingen van de uitoefening van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest, zodat een afzonderlijke toetsing aan het beginsel van de vrijheid van ondernemerschap niet nodig is (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Global Starnet, C-322/16, EU:C:2017:985, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 57. Aangezien de verwijzende rechter in zaak C-471/19 in zijn eerste vraag het gelijkheidsbeginsel heeft genoemd, moet worden opgemerkt dat een nationale regeling als die welke in deze vraag aan de orde is, gelijkelijk van toepassing is op zowel ingezeten als niet-ingezeten marktdeelnemers, die dus op gelijke voet worden behandeld. 58. Uit vaste rechtspraak van het Hof vloeit evenwel voort dat de artikelen 49 en 56 VWEU in de weg staan aan elke nationale maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de door die Verdragsbepalingen gewaarborgde vrijheid van vestiging en van dienstverrichting door burgers van de Europese Unie onmogelijk kan maken, kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken (arrest van 10 juli 2014, Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici, C-358/12, EU:C:2014:2063, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 59. Zoals de verwijzende rechter in zaak C-471/19 en de advocaat-generaal in de punten 52 en 53 van zijn conclusie hebben opgemerkt, moet worden vastgesteld dat een regeling van een lidstaat op grond waarvan ondernemingen uit andere lidstaten die zich in die lidstaat willen vestigen om aldaar havenactiviteiten uit te voeren of die, zonder zich daar te vestigen, aldaar havendiensten willen verrichten, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend, eraan in de weg staat dat dergelijke ondernemingen gebruikmaken van hun eigen personeel of andere, niet-erkende havenarbeiders in dienst nemen, en dus tot gevolg kan hebben dat vestiging in de betrokken lidstaat of het aldaar verrichten van diensten door die ondernemingen wordt belemmerd of minder aantrekkelijk wordt. 60. Die regeling vormt derhalve een beperking van de door de artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden (zie naar analogie arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punten 37 en 38). 61. Dergelijke beperkingen kunnen hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang indien zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken, wat inhoudt dat er geen minder beperkende maatregelen zijn die even doeltreffend zouden zijn om dat doel te bereiken (zie in die zin arresten van 11 december 2007, International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union, C-438/05, EU:C:2007:772, punt 75; 10 juli 2014, Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici, C-358/12, EU:C:2014:2063, punt 31, en 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punten 47 en 53). XIV-37.182-8/75 62. Uit de in punt 39 van het onderhavige arrest samengevatte aanwijzingen van de verwijzende rechter in zaak C-471/19, die overeenkomen met de toelichting van de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen, blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van de wet betreffende de havenarbeid in wezen ertoe strekken om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, arbeidsongevallen te voorkomen, ervoor te zorgen dat er, gelet op de fluctuerende arbeidsvraag in deze gebieden, voldoende gespecialiseerde arbeidskrachten zijn, en de gelijke behandeling van alle havenarbeiders inzake sociale rechten te garanderen. 63. Wat ten eerste het doel betreft dat alle havenarbeiders gelijk worden behandeld op het gebied van sociale rechten, dient eraan te worden herinnerd dat de bescherming van werknemers een dwingende reden van algemeen belang vormt die een beperking van de vrijheden van verkeer kan rechtvaardigen (zie met name arresten van 11 december 2007, International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union, C-438/05, EU:C:2007:772, punt 77, en 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punt 50). 64. Een dergelijk doel kan echter niet worden bereikt met een nationale regeling die personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitoefenen, verplicht om uitsluitend erkende havenarbeiders in te zetten, aangezien het enkele feit dat een havenarbeider als zodanig is erkend, niet impliceert dat hij noodzakelijkerwijs dezelfde sociale rechten zal hebben als alle andere erkende havenarbeiders. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat dit doel kan worden bereikt middels de verplichting voor de werkgevers van havenarbeiders om zich bij één organisatie aan te sluiten. Die verplichting kan worden opgelegd krachtens artikel 3bis van de wet betreffende de havenarbeid, dat in de onderhavige vraag niet aan de orde is. 65. Wat ten tweede het doel betreft om ervoor te zorgen dat er voldoende gespecialiseerde arbeidskrachten zijn – ervan uitgaande dat dit kan worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang in de zin van de in punt 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak –, is het zo dat, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, een rigide systeem dat voorziet in een beperkte pool van erkende havenarbeiders waar elke onderneming die havenactiviteiten wil uitoefenen, een beroep op moet doen, verder gaat dan nodig is om dat doel te verwezenlijken. 66. Wat ten derde het meer specifieke doel betreft om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, is de bescherming van werknemers, zoals blijkt uit punt 63 van het onderhavige arrest, een van de dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van de vrijheden van verkeer kan rechtvaardigen. 67. Hetzelfde geldt voor het meer specifieke doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen (zie in die zin arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punten 49-52). 68. Aangezien met de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid slechts wordt voorzien in de invoering van een stelsel voor de erkenning van havenarbeiders, maar de voorwaarden en concrete uitvoeringsbepalingen daarvan moeten worden vastgesteld bij krachtens artikel 3 van die wet genomen besluiten, kan – zoals de advocaat-generaal in de punten 70 en 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt – in dit verband niet worden aangenomen dat deze bepalingen op zich ongeschikt of onevenredig zijn om de veiligheid in de havengebieden en het voorkomen van arbeidsongevallen te waarborgen. XIV-37.182-9/75 69. Of een dergelijke regeling noodzakelijk en evenredig is en daarmee de vraag of zij verenigbaar is met de artikelen 49 en 56 VWEU, moet immers op een alomvattende wijze worden beoordeeld, rekening houdende met alle voorwaarden voor de erkenning van havenarbeiders en de wijze waarop die regeling ten uitvoer wordt gelegd. 70. Een nationale regeling volgens welke ondernemingen die havendiensten willen verrichten, een beroep moeten doen op erkende havenarbeiders, is slechts evenredig aan het nagestreefde doel indien de erkenning van de havenarbeiders is gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria die grenzen stellen aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de instantie die verantwoordelijk is voor de erkenning van die arbeiders, zodat deze bevoegdheid niet op willekeurige wijze wordt gebruikt (zie naar analogie arrest van 17 juli 2008, Commissie/Frankrijk, C-389/05, EU:C:2008:411, punt 94 en aangehaalde rechtspraak). 71. Aangezien een dergelijke regeling bovendien tot doel heeft de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, mogen de erkenningsvoorwaarden voor havenarbeiders logischerwijs uitsluitend betrekking hebben op de vraag of deze arbeiders beschikken over de eigenschappen en vaardigheden die nodig zijn om de hun opgedragen taken veilig uit te voeren. 72. Daartoe kan, zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in voorkomend geval worden bepaald dat havenarbeiders, om te worden erkend, over een toereikende beroepsopleiding moeten beschikken. 73. Eisen dat een dergelijke opleiding door één bepaalde instantie in de betrokken lidstaat wordt verstrekt of gecertificeerd, zonder rekening te houden met de eventuele erkenning van de betrokkenen als havenarbeider in een andere lidstaat van de Unie of met de opleiding die zij in een andere lidstaat van de Unie zouden hebben gevolgd en met de beroepsvaardigheden die zij aldaar zouden hebben verworven, zou echter onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 5 februari 2015, Commissie/België, C-317/14, EU:C:2015:63, punten 27-29). 74. Bovendien is, zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, de beperking van het aantal voor erkenning in aanmerking komende havenarbeiders en daarmee de vorming van een beperkte pool van dergelijke arbeiders waar elke onderneming die havenactiviteiten wil uitvoeren een beroep op moet doen – in de veronderstelling dat dit de veiligheid in de havengebieden kan waarborgen – beslist onevenredig aan de verwezenlijking van dat doel. 75. Dit doel kan immers ook worden bereikt door te bepalen dat elke arbeider die kan aantonen dat hij over de vereiste beroepsvaardigheden beschikt en eventueel ook een passende opleiding heeft gevolgd, als havenarbeider kan worden erkend. 76. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag in zaak C-471/19 worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits die voorwaarden en bepalingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte XIV-37.182-10/75 pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen. Tweede vraag 77. De tweede vraag in zaak C-471/19 betreft de situatie waarin uit het antwoord op de eerste vraag zou voortvloeien dat de artikelen 49 en 56 VWEU zich verzetten tegen een nationale regeling zoals de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid. De verwijzende rechter in deze zaak wenst in wezen te vernemen of hij in dat geval de gevolgen van deze artikelen voorlopig in stand kan laten teneinde rechtsonzekerheid en sociale onrust binnen de betrokken lidstaat te voorkomen. 78. Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt dat nationale bepalingen als de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid als zodanig niet onverenigbaar zijn met de in de artikelen 49 en 56 VWEU neergelegde vrijheden, maar dat voor de beoordeling van de vraag of een krachtens dergelijke bepalingen ingevoerde regeling zich verdraagt met deze vrijheden, een alomvattende aanpak vereist is waarbij alle voorwaarden en bepalingen ter uitvoering van die regeling in aanmerking worden genomen. 79. In deze omstandigheden hoeft de tweede prejudiciële vraag in zaak C-471/19 niet te worden beantwoord’. In het dictum van zijn arrest heeft het Hof van Justitie voor recht gezegd : ‘1. De artikelen 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits die voorwaarden en bepalingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen’. B.9. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de krachtens artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie op de lidstaten rustende verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, voor alle overheidsinstanties in de lidstaten geldt, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. Het staat luidens die rechtspraak aan de nationale rechter om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ, 13 november 1990, C-106/89, Marleasing, punt 8; 5 oktober 1994, C-165/91, van Munster, punt 34; 26 september 2000, C-262/97, Engelbrecht, punten 38 en 39). B.10. Het Hof van Justitie heeft in voormeld arrest van 11 februari 2021 geoordeeld dat de artikelen 49 en 56 van het VWEU zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits aan welbepaalde voorwaarden is voldaan. XIV-37.182-11/75 B.11. Die voorwaarden en bepalingen dienen, aldus het Hof van Justitie, gebaseerd te zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen. B.12. Zoals ook het Hof van Justitie heeft geoordeeld in het arrest van 11 februari 2021 (punt 68), wordt met de Wet Havenarbeid, en in het bijzonder artikel 1 van die wet, slechts op algemene wijze voorzien in de invoering van een stelsel voor de erkenning van havenarbeiders, en worden de voorwaarden en concrete uitvoeringsbepalingen krachtens artikel 3 van diezelfde wet bepaald door de Koning, hetgeen is gebeurd in het koninklijk besluit van 5 juli 2004. Noch artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, noch enige andere grondwettelijke of wettelijke bepaling verleent het Hof de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van een koninklijk besluit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. B.13. Door het verwijzende rechtscollege wordt aan het Hof gevraagd om te onderzoeken of de identieke behandeling van, enerzijds, het laden en lossen van schepen in strikte zin en, anderzijds, de overige activiteiten die onder het begrip ‘havenarbeid’ ressorteren, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus begrepen houdt de vraag eveneens verband met het toepassingsgebied van de verplichting om een beroep te doen op erkende havenarbeiders. Uit de elementen van het dossier en de verwijzingsbeslissing blijkt dat het bodemgeschil betrekking heeft op een administratieve geldboete die werd opgelegd aan een transportonderneming omdat een van haar werknemers, zonder over een erkenning te beschikken als havenarbeider, activiteiten heeft verricht die bestonden uit het klaarzetten van trailers op een kade voor verscheping, met een daarvoor specifiek bestemd voertuig, een zogenaamde ‘tugmaster’. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. Het dient bijgevolg enkel de identieke behandeling te beoordelen van, enerzijds, het laden en lossen van schepen in strikte zin en, anderzijds, de activiteiten in het havengebied die aan de orde zijn in het bodemgeschil. B.14. Zoals vermeld in B.2.2, omvat ‘havenarbeid’ ‘alle behandelingen van goederen welke per zee- of binnenschepen, spoorwagens of vrachtwagens aan- of afgevoerd worden, en de met deze goederen in verband staande bijkomende diensten, ongeacht deze activiteiten geschieden in de dokken, op bevaarbare waterwegen, op de kaden of in de instellingen welke gericht zijn op invoer, uitvoer en doorvoer van goederen, alsook alle behandelingen van goederen, welke per zee- of binnenschepen aan- of afgevoerd worden op de kaden van nijverheidsinstellingen’. Tot de ‘behandelingen’ van goederen behoren niet alleen ‘laden’ en ‘lossen’, maar ook ‘stuwen, ontstuwen, omstuwen, storten, trimmen, klasseren, sorteren, calibreren, stapelen, ontstapelen, alsmede samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen’. De met de desbetreffende goederen in verband staande bijkomende diensten, namelijk ‘markage, wegen, meten, cuberen, controle, ontvangen, bewaken […], afleveren, nemen van stalen en verzegelen, schoren en ontschoren’, vallen eveneens onder de wettelijke omschrijving (artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 en artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1974). B.15. De verplichting om voor het verrichten van havenarbeid uitsluitend een beroep te doen op erkende havenarbeiders is onder meer ingegeven door de XIV-37.182-12/75 noodzaak om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en om arbeidsongevallen te voorkomen. Rekening houdend met zowel de aard van de in het geding zijnde activiteiten als de plaats waar zij worden verricht, te weten het klaarzetten van trailers op een kade voor verscheping, met een daarvoor specifiek bestemd voertuig, blijkt niet dat zij, vanuit het oogpunt om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, risico’s inhouden waarvan de omvang dermate verschilt van die van de risico’s bij het laden en lossen van schepen in strikte zin, dat een gelijke behandeling van de beide soorten havenarbeid, voor wat de verplichting betreft om een beroep te doen op erkende havenarbeiders, zonder redelijke verantwoording is. B.16. De artikelen 1 en 2 van de Wet Havenarbeid zijn bijgevolg niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, in zoverre zij van toepassing zijn op de in het bodemgeschil in het geding zijnde activiteit.” 3.6. Inmiddels werd het bestreden besluit gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 2020 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’ (hierna: het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020). Dit wijzigingsbesluit is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2020 en in werking getreden op 1 juli 2020. 3.7. Tegen het bestreden besluit zijn nog zes andere verzoeken tot nietigverklaring ingediend. Deze zaken zijn bij de Raad van State gekend onder de nummers A. 220.220/XIV-37.188, A. 220.221/XIV-37.187, A. 220.223/XIV-37.189, A. 220.224/XIV-37.190, A. 220.228/XIV-37.191 en A. 220.245/XIV-37.196. IV. Voorwerp van het beroep: verzoek om uitbreiding Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij voert in haar laatste memorie na het (tweede) aanvullend verslag van het auditoraat aan dat de verzoekende partijen ingevolge de wijzigingen doorgevoerd door het inmiddels tussengekomen XIV-37.182-13/75 wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 actueel belang ontberen bij de vernietiging van de artikelen 2, §§ 1 en 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals dat werd gewijzigd door het bestreden besluit. De verwerende partij argumenteert dat het door het genoemde wijzigingsbesluit mogelijk is geworden “om op eenvoudige en zeer snelle wijze na te gaan of een aanvrager nog steeds aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, zodat een hernieuwing van de erkenning vlot kan verlopen”. Zij meent dat aldus is tegemoetgekomen aan de kritieken van het HvJ op de erkenningsmodaliteiten zodat “[s]inds deze wijziging, de verzoekende partij[en] dan ook niet langer over een (actueel) belang bij de vernietiging op dit punt [beschikken]” (p. 14). 5. In hun daaropvolgende laatste memorie – die zij aanduiden als “de eerste nuttige procedurehandeling waarin om uitbreiding kon worden verzocht” –, repliceren de verzoekende partijen. Zij betwisten niet alleen dat zij hun belang bij het middel zouden hebben verloren doch vorderen “bijkomend de vernietiging van het koninklijk besluit van 26 juni 2020.” (p. 51). Zij zetten in die laatste memorie verder uiteen dat zij “in het belang van de rechtszekerheid” de uitbreiding vorderen van het voorwerp van het voorliggende vernietigingsberoep tot het (inmiddels tussengekomen) wijzigingsbesluit van 26 juni 2020. De verzoekende partijen voeren aan dat zij er immers eveneens fundamentele bezwaren tegen koesteren omdat dit wijzigingsbesluit “in genendele [voldoet] aan de door het Hof van Justitie gestelde eisen”. Het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 behelst slechts een nadere uitwerking van het bestreden besluit, waarmee het niet alleen inhoudelijk maar ook juridisch-technisch “onlosmakelijk samenhangt”, zonder de vastgestelde onwettigheden ervan te remediëren. Het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 kan volgens de verzoekende partijen niet bestaan zonder het bestreden besluit. Zo het bestreden besluit wordt vernietigd, zullen de bepalingen van het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 “eenvoudigweg zonder voorwerp zijn en elke zin verliezen”: het wijzigingsbesluit kan immers niet bestaan zonder het bestreden besluit. Beoordeling XIV-37.182-14/75 6. Overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemene procedurereglement) moet het voorwerp van het beroep in het inleidend verzoekschrift worden aangegeven. In beginsel kan het later in het geding niet meer worden gewijzigd, nu een latere wijziging ervan niet alleen strijdig zou zijn met dit voorschrift, maar ook met het beginsel van het contradictoire debat, met de rechten van verdediging van de verwerende partij en van de belanghebbenden, kortom met een fair verloop van de rechtsstrijd. Wanneer een verzoekende partij een andere handeling wil aanvechten, dient dit in beginsel te gebeuren door een nieuw beroep in te stellen, en dit met inachtneming van de opgelegde vorm- en termijnvoorschriften. Slechts in welbepaalde gevallen kan het beroep in de loop van het geding worden uitgebreid tot rechtshandelingen waarvan in het inleidend verzoekschrift niet de nietigverklaring werd gevorderd, doch die zeer nauw, zo niet onlosmakelijk, verbonden zijn met de bestreden akte. Het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring kan aldus worden uitgebreid, in voorkomend geval van ambtswege, tot de handelingen die het logische en noodzakelijke gevolg van de bestreden handeling zijn. Latere, op een bestreden besluit steunende handelingen die niet het logische en noodzakelijke gevolg van dat besluit zijn, kunnen eveneens worden nietig verklaard, maar in dat geval vereist de rechtszekerheid dat ze aangevochten worden binnen de termijn die gesteld is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, hetzij met een verzoekschrift tot nietigverklaring, hetzij met een processtuk dat rechtsgeldig en binnen de gestelde termijn is ingediend. 7. Het te dezen geviseerde wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2020 en in werking getreden de daaropvolgende dag, met name op 1 juli 2020. XIV-37.182-15/75 Uit de aanhef ervan blijkt dat ermee wordt beoogd om vanaf 1 juli 2020, enerzijds de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de Europese bepalingen inzake vrij verkeer en anderzijds rechtszekerheid te verschaffen aan (
- i)de werkgevers en aan de kandidaat-havenarbeiders die willen erkend worden buiten de pool in de verschillende Belgische havengebieden, (
- ii)de voormelde organisaties van werkgevers die optreden als lasthebbers voor de werkgevers in de verschillende Belgische havengebieden en (iii) de werknemersorganisaties die betrokken zijn bij de uitvoering en de toepassing van de havenarbeid. Voorts wordt in de aanhef nog overwogen, ter adstructie van het verzoek om spoedbehandeling, dat “indien de voormelde applicatie niet technisch en juridisch operationeel kan zijn tegen 1 juli 2020, de mogelijkheid zeer reëel is dat de Europese Commissie een nieuwe ingebrekestelling tegen België zal instellen”, wat “ten alle prijze dient te worden voorkomen”. Concreet, wijzigt het koninklijk besluit van 26 juni 2020, op het procedurele vlak, de erkenningsregeling zoals uitgewerkt in het bestreden besluit door de invoering van de zogenaamde “Portunus”-regeling en bijhorende applicatie, althans wat de zogenaamde “volgende erkenningen” betreft van havenarbeiders die een eerste maal werden erkend buiten de pool. Zo bepaalt artikel 1, § 2/1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals ingevoegd door het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 dat in afwijking van artikel 1, § 1, eerste lid, ervan “een erkenning van een havenarbeider die niet werd opgenomen in de pool en die reeds een eerste keer door de administratieve commissie erkend is geweest, overeenkomstig de in artikel 1, § 2, bepaalde procedure (hierna aangeduid ‘als een volgende erkenning’), afgeleverd [kan] worden door middel van de in artikel 13/1 bedoelde applicatie, onder het toezicht van de administratieve commissie”. Artikel 13/1 (hierna: artikel 13/1 (nieuw)), § 1, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals dat laatst is gewijzigd bij artikel 5 van het voormelde wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 (waarbij een hoofdstuk III/1 - ‘Elektronische erkenning van havenarbeiders die niet worden opgenomen in de XIV-37.182-16/75 pool en de vaststelling van de wezenlijke elementen van de verwerking van persoonsgegevens’ in het koninklijk besluit van 5 juli 2004 werd ingevoegd), betreft de oprichting van een elektronische applicatie genaamd “Portunus”. Naar luid van paragraaf 2 van datzelfde artikel 13/1 (nieuw) wordt deze elektronische applicatie opgericht met het oog op de volgende doelstellingen:
(1)het snel en automatisch behandelen van aanvragen en, in voorkomend geval, afleveren van een volgende erkenning van havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool, alsook het snel en automatisch beëindigen van dergelijke erkenningen;
(2)controle mogelijk maken op de toepassing van artikel 1 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid en
(3)de referentiebron zijn voor statistische en geanonimiseerde informatie over “volgende erkenningen” van havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool, met het oog op beleidsanalyse en wetenschappelijk en/of historisch onderzoek. De artikelen 13/2 tot 13/9 van datzelfde Hoofdstuk III/1 bevatten de nadere regels inzake de te verstrekken persoonsgegevens, de doeleinden waarom ze worden verstrekt, evenals de verwerkingen ervan en de (overige) personen die er toegang toe hebben. Artikel 13/3 duidt de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg aan als verwerkingsverantwoordelijke voor de in artikel 13/2, bepaalde gegevens teneinde in te staan voor “het oprichten en in stand houden” van de in artikel 13/1 (nieuw) vermelde applicatie, waaronder de voormelde gegevens in de in artikel 13/1 (nieuw) vermelde applicatie inbrengen, aanpassen en actualiseren. Artikel 13/4 duidt de administratieve commissies aan als verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerkingen van de in artikel 13/2 bepaalde persoonsgegevens met als doeleinden/finaliteit (
- i)het, via de Portunus-applicatie, op een digitale wijze behandelen en afleveren van een volgende erkenning van een havenarbeider die niet werd opgenomen in de pool en die reeds een eerdere erkenning heeft bekomen, op voorwaarde dat is voldaan aan alle in artikel 4, § 1, bepaalde erkenningsvoorwaarden” en (
- ii)nagaan of een (kandidaat-) havenarbeider al dan niet aan alle in artikel 4, § 1, bepaalde erkenningsvoorwaarden voldoet. 8. Hoewel het juridisch-technisch nog steeds om een nieuwe erkenning gaat, gebeurt de nieuwe, dit is de “volgende erkenning”, volgens de XIV-37.182-17/75 verwerende partij “automatisch”, dus zonder dat de havenarbeider een nieuwe procedure moet aanvatten en volledig doorlopen. De psychotechnische proeven blijven voortaan geldig voor een periode van twee jaar en het attest van beroepsopleiding voor een periode van drie jaar (cfr. artikel 4, § 1, 3° en 6° van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals gewijzigd bij het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020). Niettemin, hoewel er niet telkens door de havenarbeider buiten de pool een nieuwe erkenningsprocedure moet worden opgestart en doorlopen, dient er wel degelijk een nieuwe – zij het elektronische – erkenningsaanvraag te “worden ingediend door middel van de in artikel 13/1 bedoelde applicatie, die de aanvragen op geautomatiseerde wijze behandelt en, in voorkomend geval, de erkenning aflevert, onder het toezicht van de administratieve commissie”. De keten van opeenvolgende erkenningen met (in de feiten) kortlopende arbeidsovereenkomsten, arbeidsovereenkomst waarover de betrokken erkende havenarbeider buiten de pool bij elke “volgende” aanvraag tot erkenning moet beschikken, blijft in wezen overeind. Uit artikel 13/9, § 2, lijkt te moeten worden afgeleid dat de werkgever die “volgende erkenning” moet aanvragen nu deze bepaling toegang verschaft tot (bepaalde) gegevens in de applicatie aan de “werkgevers die aangesloten zijn bij een overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid erkende organisatie van werkgevers” met als doel “om te controleren of de (kandidaat-) havenarbeider aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet en om een erkenningsaanvraag in te dienen”. Verder blijft het zo dat, overeenkomstig artikel 4, § 4, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 die zijn toegevoegd bij artikel 3, 8) van het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020, in afwijking van het eerste lid van datzelfde artikel 4, § 4 (dat erin voorziet dat de aanvragen tot erkenning en tot hernieuwing worden ingediend bij en behandeld door de administratieve commissie), “voor de toepassing van artikel 1, § 2/1, de aanvraag kan worden ingediend door middel van de in artikel 13/1 (nieuw) bedoelde applicatie, die de aanvragen op geautomatiseerde wijze behandelt en, in voorkomend geval, de erkenning aflevert, onder het toezicht van de administratieve commissie (tweede lid). In afwijking van XIV-37.182-18/75 dat tweede lid kan, aldus het derde lid, “indien de (kandidaat-) havenarbeider het uitdrukkelijk vraagt, zijn volgende erkenning gebeuren volgens de in het eerste lid bepaalde procedure”, wat nodig zal zijn wil de betrokken buiten de pool erkende havenarbeider naar aanleiding van een “volgende erkenning” alsnog toetreden tot de pool. Bovendien voorziet artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 nog steeds dat (
- i)havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool, worden aangeworven met een (schriftelijke) arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’, (
- ii)de duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van de arbeidsovereenkomst en (iii) artikel 4, § 1, 8°, tot slot, dat indien het de erkenning van een havenarbeider als bedoeld in artikel 2, § 3 betreft (dit is een havenarbeider buiten de pool) deze “bovendien beschikken over een schriftelijke arbeidsovereenkomst”. Zo er uit zijn aard al een nauw verband bestaat tussen het bestreden besluit en het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 – het betreft immers een wijzigingsbesluit en beide besluiten strekken tot hervorming van de erkenningsregeling inzake havenarbeid in een poging, zo blijkt (ook) uit de aanhef van het wijzigingsbesluit om een antwoord te bieden op de Europeesrechtelijke bezwaren –, dan is daarmee nog niet aangetoond dat het wijzigingsbesluit het “logische en noodzakelijke gevolg” van de bestreden handeling is of daarmee “onlosmakelijk” verbonden. Het wijzigingsbesluit blijkt immers de resultante van een nieuwe autonome wilsuiting (en keuze) van de verwerende partij omtrent het te voeren beleid inzake de erkenning van havenarbeiders, met name om – ook nog na de overgangsperiode die was voorzien in artikel 13/1 (oud) (zie nog infra) – de erkenningsregeling te organiseren met behoud van het onderscheid tussen erkende havenarbeiders “binnen de pool” en “buiten de pool” waarbij die eerstgenoemde pool beperkt blijft in functie van de door de administratieve commissie te bepalen “behoeften aan arbeidskrachten”. Zoals de verwerende partij zelf aangeeft, tracht het wijzigingsbesluit (zij het slechts partieel) antwoord te bieden op de gerezen Europeesrechtelijke bezwaren, waarvan het derhalve het “logische gevolg” is, met name om een mogelijke nieuwe inbreukprocedure te vermijden. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de door het wijzigingsbesluit uitgewerkte regeling XIV-37.182-19/75 “noodzakelijk” of een “logisch” gevolg is van het bestreden besluit, laat staan er “onlosmakelijk” mee is verbonden. Evenzeer had de verwerende partij in een andere erkenningsregeling kunnen voorzien. Het valt niet in te zien – en de verzoekende partijen ondernemen ook geen enkele poging om zulks te verantwoorden – waarom zij niet de gelegenheid te baat hebben genomen om, zoals de algemene procedureregeling dat voorschrijft, de vernietiging van het wijzigingsbesluit (dat bovendien een reglementair besluit
- is)te benaarstigen met een afzonderlijk verzoekschrift binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Dat geldt des te meer nu de verzoekende partijen zelf stellen dat het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 “in genendele aan de door het Hof van Justitie gestelde eisen voldoet” en waartegen zij dezelfde “fundamentele bezwaren koesteren”. Zij kunnen moeilijk voorhouden dat zij er geen weet van hadden en thans – zonder ook maar enige toelichting omtrent dat verzuim te geven (laat staan dat redelijkerwijze te verantwoorden) –, alsnog verwachten dat zij met een pas op 14 maart 2022 ingediende laatste memorie (dat is ruim anderhalf jaar na publicatie van het wijzigingsbesluit in het Belgisch Staatsblad) “omwille van de rechtszekerheid” op ontvankelijke wijze de vernietiging van dat wijzigingsbesluit kunnen vragen. Precies omwille van de zwaarwichtigheid van de sanctie van de vernietiging in het kader van het objectief contentieux, van te dezen een reglementair besluit, heeft de wetgever – net omwille van de rechtszekerheid – voorzien in een strikte termijn van zestig dagen om op ontvankelijke wijze om annulatie te kunnen verzoeken. De Raad van State ziet geen reden om hier te dezen aan voorbij te gaan. 9. Het verzoek om uitbreiding in niet ontvankelijk. V. Ontvankelijkheid A. Eerste exceptie wegens gebrek aan belang XIV-37.182-20/75 Uiteenzetting 10. Zoals reeds supra in punt 4 is gesteld, is de verwerende partij van oordeel dat door de Portunus-regeling van 2020 de verzoekende partijen belang ontberen bij de vernietiging van de artikelen 2, §§ 1 en 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals dat werd gewijzigd door het bestreden besluit. De verwerende partij oordeelt dat zij met het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 tegemoet is gekomen aan de kritieken van het HvJ wat de erkenningsmodaliteiten betreft die fundamenteel anders waren voor erkende havenarbeiders buiten de pool terwijl, althans volgens de verwerende partij, “de combinatie van erkenning binnen en buiten de pool niet principieel strijdig is met het Werkingsverdrag”. Meer bepaald meent zij dat “de duurtijd van de erkenning van havenarbeiders buiten de pool (…) niet langer als een ongeschikte of disproportionele beperking van het vrij verkeer kan worden beschouwd en bijgevolg enige nietigverklaring van het K.B. van 5 juli 2004 of delen daarvan niet kan verantwoorden” en de verzoekende partijen derhalve sedert de wijziging van 26 juni 2020 “niet langer over (actueel) belang bij de nietigverklaring op dit punt [beschikken]”. Beoordeling 11. Daargelaten nog, en anders dan de verwerende partij dat ziet, kan de beoordeling van de verenigbaarheid van de beperkte duurtijd van de erkenning van buiten de pool erkende havenarbeiders – die is gekoppeld aan de duur van de (in de havensector typische kortlopende) arbeidsovereenkomst – in het licht van het vrije verkeer van werknemers en werkgevers niet worden losgezien van het geheel van de uitgewerkte erkenningsregeling, daarin begrepen het naast elkaar bestaan van arbeiders binnen en buiten de pool en de geldende mobiliteitsregeling voor overgang binnen en buiten de pool en tussen havengebieden. Zoals hierna wordt uiteengezet, zal blijken dat – ook al is de procedure voor “volgende erkenningen” vereenvoudigd –, er toch nog aanzienlijke beperkingen zijn die niet geschikt, noodzakelijk of evenredig zijn. In die mate valt de exceptie derhalve samen met het onderzoek van de grond. XIV-37.182-21/75 De verwerende partij kan dan ook niet worden bijgevallen waar zij stelt dat de verzoekende partijen sedert de invoering van de Portunus-regeling een actueel belang bij de vernietiging (geheel of gedeeltelijk) van het bestreden besluit zouden ontberen. 12. De exceptie is ongegrond. B. Tweede exceptie wegens gebrek aan belang Standpunt van de partijen 13. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat er in hoofde van de verzoekende partijen evenmin nog een (actueel) belang voorhanden is bij de gebeurlijke vernietiging van artikel 13/1 (oud) van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals dat werd ingevoegd bij artikel 17 van het bestreden besluit. De gebeurlijke vernietiging van het genoemde artikel 13/1 (oud) – het is inmiddels immers impliciet opgeheven bij artikel 5 van het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 (zie supra, punt 7) – kan volgens de verwerende partij geheel los worden gezien van de rest van het koninklijk besluit. Artikel 13/1 (oud) zoals ingevoerd bij artikel 17 van het bestreden besluit voorzag in een overgangsperiode waarbij arbeidsovereenkomsten met havenarbeiders buiten de pool aanvankelijk aan een minimumduur werden onderworpen, te weten een minimumduur van 2 jaar (vanaf 1 juli 2017), 1 jaar (vanaf 1 juli 2018) en 6 maanden (vanaf 1 juli 2019). Sinds 1 juli 2020 “geldt er geen enkele minimumduur meer voor arbeidsovereenkomsten met havenarbeiders buiten de pool. Het standpunt dat de overgangsregeling onevenredig is aan het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, gaat voorbij aan het feit dat deze overgangsmaatregel veeleer was ingegeven door de wens om een al te bruuske verandering van het havenarbeidsregime te vermijden met mogelijk nefaste gevolgen voor de betaalbaarheid van het pool-systeem (en zodoende ook de bestaanszekerheid van de arbeiders in de pool). Indien werkgevers immers onmiddellijk massaal een beroep hadden gedaan op XIV-37.182-22/75 havenarbeiders buiten de pool voor kortlopende opdrachten had dit opnieuw tot een veel grotere inactiviteit van de poolarbeiders kunnen leiden en het pool-systeem op de helling kunnen zetten. De overgangsregeling was bijgevolg ingegeven door een “erkende dwingende reden van algemeen belang”, te weten het beschermen van werknemers en het vermijden van verstoringen op de arbeidsmarkt of, nog, het beschermen van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel. In ieder geval is de overgangsregeling inmiddels afgelopen, zodat er geen enkele beperking meer bestaat qua duur op de recrutering van havenarbeiders buiten de pool. 14. De verzoekende partijen volharden in hun laatste memorie. Zij stellen dat het gegeven dat de overgangsperiode is verlopen niet pertinent is omdat hen aldus gedurende vele jaren werd belet om werknemers van hun keuze aan te werven en ze aan hun onderneming te binden op basis van een gemeenrechtelijke arbeidsovereenkomst. Dit heeft hen “een concreet nadeel toegebracht, waarvan de juridische en feitelijke gevolgen zich nog steeds doen gevoelen” zodat zij nog steeds beschikken over het vereiste belang. Beoordeling 15. De overgangsregeling van artikel 13/1 (oud) van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 17 van het bestreden besluit, bepaalde wat volgt: “Art. 13/1. 1e de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor onbepaalde duur; 2e de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor minstens 2 jaar; 3e de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor minstens 1 jaar; 4e de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor minstens 6 maanden.” Gelezen in samenhang met artikel 19 van het bestreden besluit gold artikel 13/1, 1° (oud) (de verplichting om een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur te sluiten) in de periode van 14 juli 2016 tot 30 juni 2017, artikel XIV-37.182-23/75 13/1, 2° (oud) (de verplichting om een arbeidsovereenkomst te sluiten voor minstens twee jaar) van 1 juli 2017 tot 30 juni 2018, artikel 13/1, 3° (oud) (de verplichting om een arbeidsovereenkomst te sluiten voor minstens een jaar) van 1 juli 2018 tot 30 juni 2019 en artikel 13/1, 4° (oud) (de verplichting om een arbeidsovereenkomst te sluiten voor minstens zes maanden) van 1 juli 2019 tot 30 juni 2020. Inmiddels heeft artikel 13/1 met artikel 5 van het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 zoals hiervoor is gebleken, een geheel andere inhoud gekregen door de invoering van de elektronische Portunus-applicatie voor het aanvragen van de zogenaamde “volgende erkenningen” (zie supra, punt 7) zodat de bestreden overgangsbepaling (minstens impliciet) is opgeheven. 16. Naar het oordeel van het HvJ in zijn arrest van 11 februari 2021 (r.o. 105 iuncto 109 tot 111) was de (inmiddels opgeheven) overgangsbepaling onevenredig aan het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen aangezien tijdens de overgangsperiode, en in acht genomen de in de sector typische kortlopende duur van arbeidsovereenkomsten, alleen de binnen de pool opgenomen havenarbeiders de mogelijkheid hadden om arbeidsovereenkomsten van korte duur te sluiten, wat in de praktijk leidde tot een situatie waarin deze pool bestaat uit een beperkt aantal havenarbeiders waarop (door de werkgevers) een beroep moest worden gedaan. Deze overgangsperiode is zoals de verwerende partij stelt, inmiddels verstreken zodat er geen enkele beperking meer bestaat qua duur op de rekrutering van havenarbeiders buiten de pool zodat de verzoekende partijen op dit punt het vereiste (actueel) belang bij vernietiging ervan, ontberen. Zoals hiervoor is gebleken is de bestreden overgangsregeling inderdaad verstreken en overigens (minstens impliciet) opgeheven zodat de verzoekende partijen niet langer belang hebben bij de vernietiging ervan. De loutere bewering van de verzoekende partijen dat “de feitelijke en juridische gevolgen van dat nadeel zich nog steeds doen gevoelen” omdat zij in het verleden XIV-37.182-24/75 deze havenarbeiders niet aan zich konden binden op duurzame wijze, volstaat niet om een zeker en actueel belang bij de vernietiging van die bepaling te adstrueren. 17. De exceptie is gegrond. Artikel 13/1 (oud) van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals het was ingevoegd bij artikel 17 van het bestreden besluit doch inmiddels (impliciet) is opgeheven met het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 wordt hierna bij de beoordeling van de middelen dan ook buiten beschouwing gelaten. VI. Onderzoek van de middelen A. Vooraf: eerste middel, zevende en achtste middel 18. Het eerste middel werd reeds ongegrond bevonden bij ’s Raads tussenarrest nr. 244.504 van 16 mei 2019. Ook het zevende middel kon op zich niet tot nietigverklaring leiden: voor zover kritieken in dat zevende middel samenvielen met het achtste middel werd naar dat achtste middel verwezen. Dat achtste middel kon in de in het genoemde tussenarrest aangegeven mate evenmin tot vernietiging leiden. In zoverre het achtste middel evenwel met het tweede middel samenviel, werd geoordeeld dat het was aangewezen om het sub 3.4 genoemde arrest van 11 februari 2021 af te wachten. B. Het tweede, het derde en het vijfde middel Standpunt van de partijen 19. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 49 (vrijheid van vestiging) en artikel 106, lid 1, van het VWEU. In het derde middel betrekken de verzoekende partijen hun kritieken en uiteenzettingen inzake de door hen in het tweede middel bestreden restricties die voor “herhaald” moeten worden aangezien, op het vrij verkeer van werknemers gewaarborgd door artikel 45 van het VWEU dat zij eveneens geschonden achten. In het vijfde middel betrekken de XIV-37.182-25/75 verzoekende partijen hun kritieken en uiteenzettingen inzake de door hen in het tweede middel bestreden restricties die weerom voor “herhaald” moeten worden aangezien, op het vrij verkeer van diensten gewaarborgd door artikel 56 van het VWEU dat zij eveneens geschonden achten. De standpunten van de partijen over deze middelen zijn uiteengezet is het tussenarrest nr. 244.504 van 16 mei 2019. Er wordt naar verwezen. 20. In hun laatste memorie na het (tweede) aanvullend verslag van het auditoraat beklemtonen de verzoekende partijen nog dat, anders dan de verwerende partij voorhoudt, zij geenszins (geheel noch gedeeltelijk) hun belang bij het (tweede, het derde en het vijfde) middel hebben verloren door de invoering met het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 van de Portunus-regeling (en bijbehorende applicatie). Verder herinneren de verzoekende partijen in hun laatste memorie, wat de samenstelling van de administratieve commissie en de ontstentenis van een beslistermijn betreft, nogmaals aan “de realiteit” van de toegang tot het beroep van havenarbeider, meer bepaald de haven als “‘closed shop’ (‘gesloten werkplaats’) voorbehouden voor vakbondsleden (en vaak hun familieleden)” waarvan zij vervolgens de naar hun oordeel “reële gang van zaken” verder illustreren, wat volgens hen “zwart op wit aan[toont] dat sprake is van corporatisme en nepotisme” en indruist tegen de fundamentele rechten inzake vrij verkeer. Zij herhalen dat het bestreden besluit tekort komt in de elementaire procedurele waarborgen. Ze beklemtonen dat niet gegarandeerd is dat een kandidaat die aantoonbaar aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet, ook daadwerkelijk de erkenning zal ontvangen. De lokale codices bepalen slechts dat wie aan de erkenningsvoorwaarden voldoet, “in aanmerking komt” om te worden erkend. Specifiek wat de poolarbeiders betreft waarvan het aantal op voorhand door de administratieve commissie wordt beperkt op basis van de zogenaamde “behoefte aan arbeidskrachten”, is elke transparantie zoek. Wat het exclusief recht inzake de controle van de medische geschiktheid betreft – wat de verzoekende partijen op zich erkennen als een relevant criterium –, volharden zij dat het niet verantwoord is om het in te passen in een erkenningensysteem waarbij de controle XIV-37.182-26/75 daarover wordt voorbehouden aan “één enkele, bovendien niet-onafhankelijk optredende monopolist”, zijnde de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de lokale werkgeversorganisatie – zonder een beroep op de mededinging te doen – is aangesloten. Volgens het gemeen arbeidsrecht kan het verplichte preventieve medische onderzoek van werknemers belast met risicovolle taken worden uitgevoerd door om het even welke preventieadviseur-arbeidsarts, vrij gekozen door de werkgever. Ook kunnen werkgevers zelf een “externe dienst voor preventie en bescherming op het werk” kiezen of er zelfs vrij een oprichten. Er bestaat geen enkele valabele en wetenschappelijk onderbouwde reden waarom werkgevers die een niet-poolarbeider willen tewerkstellen, of een poolarbeider voor erkenning willen voordragen, niet vrij de “preventieadviseur-arbeidsarts” of de “externe dienst voor preventie en bescherming op het werk” zouden mogen kiezen of niet zelf een dergelijke dienst mogen oprichten. Wat de wijze betreft waarop de psychotechnische geschiktheid van de werknemers wordt nagegaan, volharden zij dat dergelijk criterium “uit zijn aard” vooral de kwaliteit van het werk en de productiviteit van de werknemer “en dus van de onderneming van de werkgever” dient, wat economische doelstellingen zijn die met het oog op arbeidsveiligheid irrelevant zijn. Bovendien is het een subjectief criterium wat uitnodigt tot willekeur en wordt het nagegaan “door het orgaan dat hiertoe werd aangewezen door de monopolistische werkgeversorganisatie”, wat misbruiken in de hand werkt en verhindert het systeem dat een individuele werkgever zich over de persoonlijkheid, de motivatie, etc. van de kandidaten zelf een oordeel vormt, zowel bij aanwerving van een niet-poolarbeider als bij voordracht van een poolarbeider. Nochtans wordt de organisatie van dergelijke proeven ook door andere erkende ondernemingen zoals uitzendkantoren aangeboden. Wat het exclusieve recht op de te verstrekken beroepsopleiding betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat de opleiding en de examinering volgens het bestreden besluit “vrij” kan worden aangeboden doch in de feiten betreft het “een monopolie voor een tweetal opleidingscentra” terwijl een andere (private) aanbieder “al jaren met alle middelen uit de lokale markt [wordt] geweerd”. De verzoekende partijen herhalen voorts hun bezwaren betreffende de samenstelling en de volgens hen inadequate beroepsmogelijkheid tegen de beslissingen van de XIV-37.182-27/75 administratieve commissie onder meer omdat deze is samengesteld uit overheidsambtenaren en vertegenwoordigers van “andermaal, werkgevers- en werknemersorganisaties” die met unanimiteit beslissen (en waarbij de leden derhalve over een vetorecht beschikken) waaraan geen bindende beslistermijn is opgelegd waarbinnen deze haar beslissing moet nemen, en dat zowel wat de pool-havenarbeiders als de niet pool-havenarbeiders betreft. Zij stellen in hun laatste memorie dat “slechts een symbolisch handvol niet-poolarbeiders [werd] erkend”, te weten aan niet-poolarbeiders waren “[n]a 4 jaar […] 4 erkenningen verleend, op een totaal van 9.400 arbeiders”. Het daaropvolgende jurisdictioneel beroep bij de arbeidsgerechten zou volgens de verzoekende partijen een doorlooptijd hebben van “een à twee jaar”, daargelaten nog de duur van de beroepsprocedure, eventuele cassatieprocedure, de moeilijkheden van prejudiciële vraagstelling, enzovoort zodat een benadeelde kandidaat voor erkenning “vijf tot tien jaar moet procederen vooraleer een met gebreken behepte beslissing van de administratieve commissie wordt tenietgedaan” zonder dat de arbeidsgerechten over een hervormingsbevoegdheid beschikken, zonder dat is voorzien in de mogelijkheid van een kortgedingprocedure “aangezien er geen sprake is van de aantasting van subjectieve rechten” en zonder dat er een adequaat rechtsmiddel is tegen stilzitten van de beroepscommissie zodat de rechtsbescherming ter zake “ver beneden de normale Unierechtelijke standaarden (...) blijft.” Wat buitenlandse (kandidaat)-havenarbeiders betreft, hernemen de verzoekende partijen hun eerdere kritieken. Zij stellen dat, ook al bepaalt het bestreden besluit dat havenarbeiders “die kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat van de Europese unie aan vergelijkbare voorwaarden inzake havenarbeid voldoen, voor de toepassing van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 niet meer aan die voorwaarden [worden] onderworpen”, de Belgische reglementering nog steeds eist dat een werknemer die in een andere lidstaat zou erkend zijn, zich in België opnieuw aan een erkenningsprocedure onderwerpt. Zij stellen dat dit leidt tot “overdreven hoge administratieve kosten” en de regelgeving is “zo strikt dat het al te gemakkelijk is om buitenlandse kandidaten voor erkenning te weren”, wat zij illustreren. De verzoekende partijen stellen nog dat “nergens anders in de EU “vergelijkbare” voorwaarden [bestaan] zodat het principe van de wederzijdse erkenning dode letter XIV-37.182-28/75 is”. Wat de beperkingen op het werken in een ander havengebied betreft, brengen zij “de nieuwe cao bij die – voorafgaand aan de aanneming van het bestreden besluit in met medeweten en met medewerking van verwerende partij – over de tewerkstelling van havenarbeiders in een ander havengebied is gesloten”. Volgens de verzoekende partijen verbiedt deze cao – het betreft de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 juni 2016 ‘houdende de voorwaarden en modaliteiten waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend’ (stuk 35 van de verzoekende partijen) – de tewerkstelling van poolarbeiders in een andere haven volledig. Het verbod op (zelfs maar exceptionele) tewerkstelling van poolarbeiders in een andere haven doet de bepaling van het bestreden besluit van 2016 luidens welke de erkenning geldig is in elk havengebied geheel teniet. Tot slot, herhalen de verzoekende partijen nog hun grieven inzake de beperkingen ingevolge het verplicht veiligheidscertificaat voor logistieke arbeiders, beperkingen die zij disproportioneel achten. Zij stellen in essentie dat dit hele “veiligheidscertificaat” met veiligheid absoluut niets te maken heeft. Het feit dat eenieder het “veiligheidscertificaat” kan ontvangen op vertoon van de identiteitskaart en tegen betaling van de commerciële prijs bewijst dat van enige doelstelling de “veiligheid” te verzekeren geen sprake is. 21. In haar laatste memorie na het (tweede) aanvullend verslag van het auditoraat stelt de verwerende partij dat, anders dan dat verslag laat uitschijnen, het HvJ zich “niet per definitie [verzet] tegen het principe van een tweeledige erkenning binnen of buiten de pool, noch tegen het behoud van een beperkte pool van erkende havenarbeiders waarvan de omvang is afgestemd op de behoefte aan arbeidskrachten”. Zij meent integendeel dat “in het prejudicieel arrest net steun te lezen [valt] voor het pool-systeem (los van de opmerkingen van het Hof m.b.t. een aantal modaliteiten inzake de erkenning van havenarbeiders binnen en buiten de pool”. Zo wijst de verwerende partij erop dat “een aantal van de bezwaren inmiddels werden weggewerkt en niet langer beantwoorden aan de realiteit”. De verwerende partij oordeelt dat het HvJ zich niet als dusdanig verzet tegen een systeem waarbij havenarbeiders ofwel worden erkend binnen de pool, in functie XIV-37.182-29/75 van de behoefte aan arbeidskrachten, dan wel buiten de pool, mits de bijhorende inhoudelijke en procedurele erkenningsmodaliteiten geschikt en evenredig zijn. De verwerende partij erkent dat in punt 74 van het arrest van 11 februari 2021 wordt bevestigd dat een systeem waarbij ondernemingen die havenactiviteiten willen uitvoeren exclusief beroep kunnen doen op een ‘beperkte pool’ van erkende havenarbeiders “beslist onevenredig” is doch dat het HvJ oordeelt dat de pool waarin het bestreden besluit voorziet ‘geen starre pool’ vormt in die zin. De reden hiervoor is dat niet in de pool opgenomen arbeiders immers ook als havenarbeiders kunnen worden aangesteld op basis van een arbeidsovereenkomst en ondernemingen dergelijke havenarbeiders kunnen rekruteren buiten de pool om. De verwerende partij meent voorts dat voor haar standpunt nog steun kan worden gezocht door de analyse van het HvJ inzake de regeling via collectieve arbeidsovereenkomst van de wijze waarop havenarbeiders kunnen overgaan van de pool van het ene havengebied naar de pool van een ander havengebied (punten 128 e.v. van het arrest van 11 februari 2021). Het HvJ laat het volgens de verwerende partij aan “de bevoegde bodemrechter (lees: de verwijzende rechter (r.o. 134)) om te beoordelen of de bij CAO uitgewerkte voorwaarden in concreto geschikt (lees: noodzakelijk) en evenredig zijn”. Die analyse is volgens de verwerende partij maar zinvol indien men ervan uitgaat dat het oprichten en in stand houden van een wervingsreserve van gekwalificeerde arbeidskrachten (de ‘pool’), afgestemd op de behoefte aan arbeidskrachten in het havengebied, op zich niet strijdig is met het VWEU, althans indien het ondernemingen terzelfdertijd vrij staat om havenarbeiders aan te werven buiten de pool. Zij wijst daarvoor naar punt 65 van het arrest van 11 februari 2021 waarin het HvJ vertrekt van het uitgangspunt dat de wens om te voorzien in voldoende gespecialiseerde arbeidskrachten kan worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang. Omgekeerd is het volgens de verwerende partij “evident” dat, indien het HvJ het loutere bestaan van de ‘pool’ (ongeacht de mogelijkheid tot erkenning en rekrutering buiten de pool) strijdig achtte met het VWEU het dit in duidelijke, niet mis te verstane bewoordingen zou hebben vastgesteld. Zij leidt dat ook nog af uit het antwoord van het HvJ op de vijfde vraag die de overgangsregeling “naar de nieuwe pool” van de voorheen erkende havenarbeiders betrof (m.n. artikel 15/1 van het koninklijk XIV-37.182-30/75 besluit van 5 juli 2004 zoals ingevoegd bij artikel 18 van het bestreden besluit). Tot slot, herinnert de verwerende partij er “ten overvloede” aan dat meer algemeen het regime inzake de erkenning van havenarbeiders is ingegeven, niet alleen door overwegingen inzake openbare veiligheid en arbeidsveiligheid in de havengebieden, maar ook, aldus de verwerende partij, door “de noodzaak van de dagelijkse beschikbaarheid van gespecialiseerde arbeiders ten behoeve van een productieve, dienstverlenende en concurrentiële haven, wat een dwingende reden van algemeen belang betreft, die niet louter economisch van aard is”. Het feit dat de toelating van nieuwe havenarbeiders tot de pool afhankelijk is van de ‘behoefte aan arbeidskrachten’ is geen ongeschikte en/of disproportionele beperking van het vrij verkeer doch strekt ertoe het pool-systeem “werkbaar en betaalbaar” te houden, en op die manier de sociale bescherming van de betrokken arbeiders te waarborgen: men moet daarbij voor ogen houden dat, ter compensatie voor de flexibiliteit in hoofde van de havenarbeiders binnen de pool op vlak van inzetbaarheid, deze arbeiders “o.m. ook werkloosheidsvergoeding voor de dagen waarop ze niet worden ingezet” krijgen (met een supplement vanuit het Compensatiefonds voor Bestaanszekerheid, gefinancierd door de werkgevers welke gebruik maken van een poolwerknemer) zodat “indien het aantal arbeiders in de pool aanzienlijk hoger zou zijn dan de behoefte aan arbeidskrachten binnen het havengebied op piekniveau (mede rekening houdend met de onbeperkte aanwervingsmogelijkheid buiten de pool), een groot aantal arbeiders op non actief zou staan maar niettemin (deels) zou moeten worden doorbetaald, wat het solidariteitssysteem op termijn onbetaalbaar zou maken en ook ongunstig zou zijn voor de sociale bescherming van de betrokken arbeider, hun werkervaring en dus veiligheid”. Verder voert de verwerende partij nog aan dat de erkenningsmodaliteiten de vernietiging van het bestreden besluit niet kunnen rechtvaardigen. Zij wijst erop dat de kritieken van het HvJ betrekking hadden (
- i)op het feit dat havenarbeiders erkend buiten de pool bij elke nieuwe, zelfs opeenvolgende en kortlopende, arbeidsovereenkomst, opnieuw de erkenningsprocedure moeten doorlopen, (
- ii)het ontbreken van een beslissingstermijn voor erkenningsaanvragen en (iii) de samenstelling van de administratieve commissie. Volgens haar is aan die kritieken verholpen bij het XIV-37.182-31/75 wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 met de introductie van de nieuwe elektronische ‘Portunus’-applicatie. Concreet houdt dat systeem in dat de eerste erkenning van een havenarbeider buiten de pool nog gebeurt door de administratieve commissie (en niet door Portunus), waarbij de commissie nagaat of alle (objectieve) erkenningsvoorwaarden zijn vervuld. De duurtijd van deze erkenning is beperkt tot de duur van de arbeidsovereenkomst. Echter, om te vermijden dat een havenarbeider buiten de pool bij een nieuwe arbeidsovereenkomst telkens een nieuwe procedure met passage via de administratieve commissie moet doorlopen, werd ervoor gekozen om “de erkenning te laten hernieuwen door Portunus”, wat inhoudt dat indien een havenarbeider nog aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet, het systeem automatisch een nieuwe erkenning aflevert, zonder enige beoordelingsmarge, en zonder enig tijdverlies. De enige formaliteit die vervuld moet worden, is dat de werkgever het bewijs van een arbeidsovereenkomst moet opladen in het systeem. De facto gaat het dus eerder over een ‘verlenging’ van de erkenning (hoewel het juridisch-technisch een nieuwe ‘volgende erkenning’ is). Het wijzigingsbesluit is in werking getreden op 1 juli 2020, zijnde hetzelfde ogenblik waarop de overgangsregeling uitdoofde en het mogelijk werd om havenarbeiders buiten de pool aan te werven zonder enige minimumduur op vlak van de arbeidsovereenkomst. Het bepaalt voorts nog gedurende welke termijn een havenarbeider buiten de pool wordt verondersteld om de respectievelijke erkenningsvoorwaarden te blijven vervullen. Deze duur wordt bepaald aan de hand van het (maximale) interval tussen “de laatste dag van de geldigheid van de laatste erkenning” (lees: de einddatum van de aflopende arbeidsovereenkomst) en de startdatum van de nieuwe arbeidsovereenkomst. Voor de voorbereidingslessen veilig werken en vakbekwaamheid gaat het om een interval van drie jaren (art. 4
(1), 6° van het koninklijk besluit van 5 juli 2004), voor de psychotechnische proeven om een interval van twee jaren (art. 4
(1), 3° van datzelfde besluit van 5 juli 2004), voor het vereiste inzake het voorleggen van een bewijs van goed gedrag en zeden geldt een interval van maximum drie maanden (art. 4
(1), 1°) en voor het bewijs van de medische geschiktheid geldt “een overgangsperiode van één jaar conform de Codex over het Welzijn op het Werk (Titel I, Boek IV)”, wat volgens de verwerende partij redelijke tussenpozen zijn. De verwerende partij is van XIV-37.182-32/75 oordeel dat door die Portunus-regeling van 2020 “de duurtijd van de erkenning van havenarbeiders buiten de pool (…) niet langer als een ongeschikte of disproportionele beperking van het vrij verkeer kan worden beschouwd. Wat de beslistermijn voor erkenningsaanvragen betreft, herhaalt de verwerende partij dat de hernieuwing/verlenging van de erkenning van havenarbeiders buiten de pool voortaan “automatisch gebeurt via de Portunus-applicatie”, weliswaar met dien verstande dat deze verlenging afhankelijk is gesteld van het voorleggen van een (nieuwe) arbeidsovereenkomst wat volgens haar “op zich logisch is”. De verwerende partij stelt nog dat de initiële erkenningsbeslissing vanwege de administratieve commissie voor havenarbeiders binnen de pool inderdaad niet is onderworpen aan een uitdrukkelijke beslistermijn “hetgeen het Hof van Justitie hekelt” doch de verwerende partij meent dat deze “theoretische opmerking geen probleem vormt als men naar de concrete feiten kijkt” waaruit niet blijkt dat de doorlooptijd om tot een beslissing te komen eenmaal een volledig dossier is ingediend, problematisch is. Wat tot slot de samenstelling van de administratieve commissie betreft, herhaalt de Belgische Staat dat de hernieuwing/verlenging van havenarbeiders buiten de pool, voortaan “geautomatiseerd” verloopt via de Portunus-applicatie. Voor de eerste erkenning van havenarbeiders buiten de pool is het wel de administratieve commissie die nagaat of de erkenningsvoorwaarden voldaan zijn. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat volgens haar de erkenningsvoorwaarden in de regel geen enkele beoordelingsvrijheid laten voor de administratieve commissie: de commissie verricht slechts een ‘technische verificatie’ of de aanvrager minstens 18 jaar is, geslaagd is voor de voorbereidingslessen, een attest van medische geschiktheid kan voorleggen, etcetera. Hetzelfde geldt mutatis mutandis met betrekking tot het voorleggen van een blanco attest van goed gedrag en zeden. Kortom: bij gebrek aan relevante beoordelingsvrijheid kan zij op zich niet leiden tot een schending van het Unierecht. Ook voor wat de erkenning van havenarbeiders binnen de pool betreft, geldt dat de erkenningsvoorwaarden in de regel geen beoordelingsvrijheid toelaten in hoofde van de administratieve commissie. Deze voorwaarden worden immers op dezelfde manier gecontroleerd voor havenarbeiders binnen en buiten de pool. “Dit is slechts anders”, aldus de verwerende partij, “voor de vereiste dat er maar XIV-37.182-33/75 plaats is binnen de pool in functie van de behoefte aan arbeidskrachten”. En hoewel het HvJ daar volgens de verwerende partij op zich geen problemen mee had, wenst de Belgische Staat voor de volledigheid op te merken dat die evaluatie in functie van vele objectieve parameters gebeurt zoals “(i) de voorziene uitstroom van arbeiders (pensionering, exit, ...), (ii) algemene prognoses rond de conjunctuur in de haven(s), Vlaanderen en de wereld door officiële instanties zoals o.m. de Nationale Bank van België, (iii) studies van gespecialiseerde onderzoeksbureaus zoals Drewry, Alphaliner,... en discussies met andere stakeholders zoals de havenautoriteit, (iv) de prognoses van bedrijven, in het bijzonder van de leden van de RVB Cepa, opgevraagd om hun behoefte te capteren en af te zetten op de algemene prognoses, (v) evoluties gekoppeld aan investeringen van bedrijven (bv. een nieuw haventerrein dat vrijkomt, nieuwe technologie die ingevoerd wordt, automatisatie van bepaalde activiteiten, congestie,...) die een impact kunnen hebben op de behoefte aan arbeidskrachten”. Wat artikel 4
(2)[lees: artikel 4, § 2) van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door het bestreden besluit, betreft, worden de “voorwaarden en modaliteiten waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgeen waar hij werd erkend vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst”. Het loutere feit aldus de verwerende partij, dat deze materie niet rechtstreeks door de regelgever wordt geregeld, maar wordt overgelaten aan collectieve arbeidsovereenkomsten houdt op zich geen beperking in van het VWEU. Het prejudicieel arrest van het HvJ komt niet tot een ander besluit, maar stelt dat het aan de bevoegde bodemrechter toekomt om na te gaan of de bij cao vastgelegde voorwaarden en bepalingen inzake de mobiliteit tussen havengebieden noodzakelijk en evenredig zijn in het licht van de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. Te dezen is volgens de verwerende partij geenszins aangetoond dat het om beperkende voorwaarden of modaliteiten zou gaan. Ook is de precieze invulling van deze voorwaarden en modaliteiten via de cao nog steeds onderworpen aan rechterlijk toezicht zodat dit op zich geen strijdigheid oplevert. Luidens Artikel 4
(3)[lees: artikel 4, § 3] van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 moeten buitenlandse werknemers kunnen aantonen aan vergelijkbare voorwaarden inzake havenarbeid te voldoen. Er kan volgens de verwerende partij geen redelijke XIV-37.182-34/75 twijfel bestaan over de mogelijkheid om te eisen dat de havenarbeider zijn medische geschiktheid toont. Meer algemeen erkent het prejudicieel arrest van het HvJ dat de verschillende erkenningsvoorwaarden vervat in genoemd artikel 4 “in beginsel geschikt [zijn] om de veiligheid in de waarborgen en ... evenredig [zijn] aan dat doel”. De verwerende partij beklemtoont dat de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, welke instaan voor de medische testen, in volle onafhankelijkheid opereren en aan een eigen regelgevend kader zijn onderworpen. Er is geen enkele aanwijzing dat deze diensten hun bevoegdheden incorrect zouden uitoefenen. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de externe partners die worden ingeschakeld voor het uitvoeren van psychotechnische tests, zoals het door CEPA ingeschakelde Acerta Consult. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat het transparante, objectieve en onpartijdige karakter van de onderzoeken, tests of proeven in twijfel zou moeten worden getrokken. Van enige inbreuk op het VWEU is dan ook geen sprake. Wat tot slot artikel 1
(3)[lees: artikel 1, § 3] van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij artikel 1, 2° van het bestreden besluit, betreft, dat voorziet dat ‘logistieke werknemers’ over een veiligheidscertificaat moeten beschikken met het oog op hun erkenning, stelt de verwerende partij dat “dit certificaat wordt aangevraagd door de werknemer [lees: werkgever] en wordt uitgegeven op vertoon van de identiteitskaart en de arbeidsovereenkomst”. De modaliteiten van deze procedure worden vastgelegd via cao. Het vereiste van een veiligheidscertificaat is niet alleen gelinkt aan overwegingen van arbeidsveiligheid, maar ook van openbare veiligheid (mede in bijvoorbeeld de problematiek inzake drugshandel is het immers van belang om toezicht te houden op wie er toegang verkrijgt tot het havengebied). Het HvJ erkent in het prejudicieel arrest dat de vereiste dat logistieke werknemers over een veiligheidscertificaat beschikken geen inbreuk op het VWEU impliceert, mits de verkrijging ervan “geen buitensporige en onevenredige administratieve lasten met zich brengt”. De verwerende partij beklemtoont dat de verdere uitwerking van het veiligheidscertificaat niet wordt geregeld door het bestreden koninklijk besluit zodat het ook niet op deze basis kan worden bekritiseerd. De modaliteiten worden immers geregeld per cao, welke op zichzelf is onderworpen aan rechterlijk toezicht. Desgevallend zouden deze cao’s dan aan een rechterlijke toetsing moeten XIV-37.182-35/75 onderworpen worden, maar niet de vereisten van het bestreden besluit zelf. De Belgische Staat heeft geen kennis van het feit dat eisende partij een procedure zou ingesteld hebben tegen deze cao’s. Voor het overige meent de verwerende partij dat de desbetreffende modaliteiten geenszins “buitensporige en onevenredige administratieve lasten” met zich brengen. Het veiligheidscertificaat voor logistieke werknemers wordt immers afgeleverd op vertoon van de identiteitskaart van de werknemer en de arbeidsovereenkomst. De verwerende partij stelt dat “[i]n overeenstemming met cao 135640 van het Paritair Comité voor het Havenbedrijf van 28 september 2016 het certificaat de vorm aan[neemt] van een ‘Alfapass-kaart’, i.e., een contactloze chipkaart die biometrische gegevens van de kaarthouder opslaat, dan wel een ‘gelijkwaardig alternatief’. In praktijk gebeurt dit door een snelle afhandeling en tegen een geringe prijs. De Alfapass-kaart kan bijvoorbeeld eenvoudig worden aangevraagd door de werkgever via een online applicatie. Gelijkaardige systemen bestaan trouwens in andere havens. Daarbij lijken de gehanteerde tarieven (de Alfapass heeft een eenmalige aankoopkost van 35 euro, naast een jaarlijkse abonnementskost van 30 euro) niet noemenswaardig af te wijken van hetgeen elders gebruikelijk is.” De verzoekende partijen maken volgens de verwerende partij niet aannemelijk dat op dit punt een schending van het VWEU voorligt. Dat is tot slot evenmin het geval wat artikel 15/1, zoals ingevoegd bij artikel 18 van het bestreden besluit betreft, waarin is bepaald dat personen die eerder als havenarbeider waren erkend onder de oude regeling van rechtswege worden opgenomen in de pool. Het HvJ stelt immers, aldus de verwerende partij, expliciet vast dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU “zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig het wettelijk kader dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van die regeling, deze erkenning op grond van de nieuwe regeling behouden en worden opgenomen in de pool van havenarbeiders waarin die nieuwe regeling voorziet.” Beoordeling B.I. Betreffende de verenigbaarheid van de beperkingen met het artikel 106, lid 1, van het VWEU XIV-37.182-36/75 22. Wat betreft de in het tweede, het derde en het vijfde middel aangevoerde schending van de artikelen 101, 102 en 106, lid 1, van het VWEU heeft het Hof van Justitie er in zijn arrest in de gevoegde zaken C-407/19 en C-471/19 – zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie in herinnering had gebracht – aan herinnerd dat een regeling zoals die te dezen aan de orde is en die particulieren ertoe verplicht om voor de uitvoering van havenactiviteiten uitsluitend een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet onder de artikelen 101 en 102 of artikel 106, lid 1, VWEU valt, aangezien havenarbeiders, ook al worden zij gezamenlijk beschouwd, niet als ‘ondernemingen’ in de zin van deze bepalingen kunnen worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 16 september 1999, Becu e.a., nr. C-22/98, EU:C:1999:419, punten 27, 30 en 31). Het tweede, het derde en het vijfde middel zijn in die mate dan ook ongegrond. B.II. Betreffende de verenigbaarheid met de artikelen 45, 49 en 56 van het VWEU 23. De artikelen 45, 49 en 56 van het VWEU luiden: “Art. 45. 1. Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij. 2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. 3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om:
- a)in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;
- b)zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten;
- c)in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;
- d)op het grondgebied van een lidstaat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld, overeenkomstig de voorwaarden die zullen worden opgenomen in door de Commissie vast te stellen verordeningen. 4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de betrekkingen in overheidsdienst.” “Art. 49. In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lidstaat op het grondgebied van XIV-37.182-37/75 een andere Lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lidstaat die op het grondgebied van een Lidstaat zijn gevestigd.” De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.” “Art. 56. In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der Lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde Staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.” 24. Het HvJ heeft in zijn arrest in de gevoegde zaken C-407/19 en C-471/19 van 11 februari 2021 overwogen: “51 Vastgesteld moet worden dat zowel in zaak C-407/19 als in zaak C-471/19 de feiten van het geding zich in één enkele lidstaat afspelen. 52 In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om aan het Hof duidelijk te maken in welk opzicht er in het bij hem aanhangige geding, ondanks het zuiver nationale karakter ervan, sprake is van aanknoping met de bepalingen van het Unierecht ter zake van de fundamentele vrijheden, zodat het prejudiciële verzoek om uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding (arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, EU:C:2016:874, punt 55). Zoals blijkt uit de punten 18 tot en met 20 van het onderhavige arrest, heeft de Raad van State in zaak C-407/19 zorgvuldig uitgelegd in welk opzicht op basis van de internationale projectie van de in België gelegen havengebieden kan worden aangenomen dat de situaties waarop de toepasselijke nationale regeling betrekking heeft, een dergelijk aanknopingspunt met het Unierecht hebben. Deze overwegingen gelden ook onverkort voor het geding dat aanhangig is bij het Grondwettelijk Hof in zaak C-471/19. 53 Voorts is het zo dat, wanneer de verwijzende rechter zich tot het Hof wendt in het kader van een procedure tot vernietiging van bepalingen die niet alleen van toepassing zijn op nationale burgers maar ook op burgers van andere lidstaten, de beslissing die deze rechter naar aanleiding van het prejudiciële arrest van het Hof neemt, ook ten aanzien van burgers van andere lidstaten gevolgen zal sorteren, hetgeen rechtvaardigt dat het Hof een antwoord geeft op de vragen die aan het Hof zijn voorgelegd met betrekking tot de Verdragsbepalingen die zien op de fundamentele vrijheden, ook al spelen alle aspecten van het hoofdgeding zich in één lidstaat af (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, XIV-37.182-38/75 EU:C:2016:874, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze overweging geldt ook in het geval dat het Hof wordt aangezocht in het kader van een procedure betreffende de verenigbaarheid van dergelijke nationale bepalingen met het Unierecht. In casu zijn de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale bepalingen zonder onderscheid van toepassing op zowel Belgische onderdanen als onderdanen van andere lidstaten. 54 Het Hof is dus bevoegd om uitspraak te doen over alle prejudiciële vragen.” 25. Het HvJ merkt op, wat de door de Raad van State gestelde prejudiciële vragen (zaak C-407/19) betreft, dat deze zijn bedoeld om de Raad van State in staat te stellen om te beoordelen of een aantal bepalingen van het bestreden besluit, waarin de regels voor de uitvoering van de bepalingen van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’ (hierna: de wet van 8 juni 1972) worden vastgesteld, verenigbaar zijn met het Unierecht. Wat de in het tweede, het derde en het vijfde middel door het bestreden besluit geschonden geachte vrijheden (vrijheid van vestiging, vrij verkeer van werknemers respectievelijk vrij verkeer van diensten) betreft, oordeelt het Hof van Justitie: “81 Dienaangaande volgt in de eerste plaats uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag in zaak C-471/19 dat een dergelijke regeling onder de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting valt, die respectievelijk door de artikelen 49 en 56 VWEU worden gewaarborgd. 82 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat die regeling ook onder de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt. Op deze bepaling kan immers niet alleen een beroep worden gedaan door de werknemers zelf, maar ook door hun werkgevers. Het recht van werknemers om zonder discriminatie te worden tewerkgesteld en een beroep uit te oefenen, kan slechts doeltreffend en zinvol zijn indien daartegenover staat dat de werkgevers het recht hebben om werknemers met inachtneming van de regels betreffende het vrije verkeer in dienst te nemen (arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punt 18). De bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen beogen het de onderdanen van de lidstaten in het algemeen gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Unie een beroep uit te oefenen, en staan in de weg aan maatregelen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten. Die bepalingen en in het bijzonder artikel 45 VWEU staan bijgevolg in de weg aan elke maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door burgers van de Unie kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken (arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punten 19 en 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”, en XIV-37.182-39/75 “90 Uit de punten 59 en 60 van het onderhavige arrest volgt dat een regeling van een lidstaat die, zoals de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid, niet-ingezeten ondernemingen die zich in die lidstaat willen vestigen om aldaar havenactiviteiten uit te voeren of die, zonder zich daar te vestigen, aldaar havendiensten willen verrichten, verplicht uitsluitend een beroep te doen op overeenkomstig deze regeling erkende havenarbeiders, een beperking vormt van de door de artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden. 91 Evenzo kan een dergelijke nationale regeling een afschrikwekkende werking hebben op uit andere lidstaten afkomstige werknemers en werkgevers en vormt zij bijgevolg een beperking van het in artikel 45 VWEU neergelegde vrije verkeer van werknemers (zie naar analogie arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punt 22). 92 Zoals uit respectievelijk de punten 61 en 63 van het onderhavige arrest naar voren komt, kunnen dergelijke beperkingen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang en kan het door de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, een dergelijke reden zijn, die kan dienen ter rechtvaardiging van die beperkingen, mits deze noodzakelijk zijn en evenredig zijn aan het nagestreefde doel. 93 Bijgevolg moet voor elk van de in de prejudiciële vragen in zaak C-407/19 bedoelde maatregelen worden nagegaan of zij noodzakelijk zijn en evenredig zijn aan het in het vorige punt genoemde doel.” B. II.1. Betreffende de erkenning van havenarbeiders binnen en buiten de pool door de administratieve commissie 26. In zijn arrest van 11 februari 2021 heeft het HvJ in zijn antwoord op de door de Raad van State gestelde prejudiciële vragen wat volgt overwogen: “Eerste vraag, tweede vraag, onder d), en derde en vierde vraag 94 Met zijn eerste vraag, zijn tweede vraag, onder d), en zijn derde en vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in wezen te vernemen of de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan: – de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen; – deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders; – voor havenarbeiders die niet in die pool worden opgenomen, de duur van hun erkenning is beperkt tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, mits deze overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, waarbij de mogelijkheid om te worden erkend krachtens een bepaling van overgangsrecht eerst geleidelijk wordt uitgebreid tot havenarbeiders met een arbeidsovereenkomst van steeds kortere duur en uiteindelijk tot havenarbeiders met een arbeidsovereenkomst van welke duur dan ook; XIV-37.182-40/75 – er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen, en – tegen besluiten van die commissie die zien op de erkenning van havenarbeiders alleen een beroep bij de rechter mogelijk is. 95 Wat ten eerste de samenstelling van de administratieve commissie betreft, moet worden opgemerkt dat, aangezien – zoals blijkt uit punt 92 van het onderhavige arrest – het vereiste van erkenning van havenarbeiders tot doel heeft de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, een regeling op grond waarvan deze erkenning wordt verleend door een administratief orgaan dat paritair is samengesteld uit door werkgevers- en werknemersorganisaties aangewezen leden, niet noodzakelijk en geschikt is om dat doel te bereiken. 96 Het is immers niet zeker of de door die organisaties aangewezen leden van dit orgaan over de kennis beschikken die nodig is om te bepalen of een havenarbeider voldoet aan de erkenningscriteria die betrekking hebben op zijn bekwaamheid om de hem opgedragen taken veilig uit te voeren. 97 Bovendien worden de leden van het orgaan dat bevoegd is voor de erkenning van havenarbeiders, zoals de advocaat-generaal in de punten 126 tot en met 128 van zijn conclusie heeft opgemerkt, aangewezen door marktdeelnemers die al op de markt actief zijn, namelijk door een organisatie die havenarbeiders vertegenwoordigt die reeds zijn erkend en voor de beschikbare arbeidsplaatsen dreigen in concurrentie te komen met de arbeiders die hun erkenning hebben aangevraagd, zodat kan worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van deze leden en de vraag rijst of zij zich op een objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze zullen kunnen uitspreken over de aanvragen tot erkenning (zie naar analogie arresten van 15 januari 2002, Commissie/Italië, C-439/99, EU:C:2002:14, punt 39; 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, EU:C:2008:376, punt 51, en 26 september 2013, Ottica New Line, C-539/11, EU:C:2013:591, punten 53 en 54). 98 Ten tweede lijkt het ontbreken van een redelijke termijn waarbinnen het met de erkenning van havenarbeiders belaste orgaan zijn besluit moet nemen, evenmin noodzakelijk en geschikt voor de verwezenlijking van het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen. 99 Integendeel, het ontbreken van een dergelijke termijn kan het risico vergroten op een willekeurige weigering om een havenarbeider met de vereiste kwaliteiten te erkennen, met de enkele bedoeling om de concurrentie op de betrokken arbeidsmarkt te beperken. 100 Wat ten derde het feit betreft dat uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter in zaak C-407/19 volgt dat tegen de besluiten van de met de erkenning van havenarbeiders belaste commissie alleen een beroep bij de rechter openstaat, moet worden opgemerkt dat een maatregel die een beperking van een fundamentele vrijheid inhoudt, slechts evenredig aan het nagestreefde doel kan worden geacht indien hij aan de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde doeltreffende rechterlijke toetsing kan worden onderworpen (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, PI, C-230/18, EU:C:2019:383, punten 78-81). 101 Het staat aan de verwijzende rechter in zaak C-407/19 om in voorkomend geval na te gaan of het beroep bij de rechter dat tegen de besluiten van de administratieve commissie kan worden ingesteld, voldoet aan de vereisten van een dergelijke toetsing. 102 Daarentegen doet het feit dat er voor besluiten inzake de erkenning van havenarbeiders geen beroep bij een bestuursorgaan mogelijk is, geen twijfel XIV-37.182-41/75 rijzen over de noodzaak en de evenredigheid van een nationale maatregel waarbij een dergelijke erkenning verplicht wordt gesteld. 103 Wat ten vierde de omstandigheid betreft dat erkende havenarbeiders – bij besluit van de administratieve commissie – al dan niet worden opgenomen in een pool van werknemers, moet worden opgemerkt dat uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter in zaak C-407/19 blijkt dat de pool waarin het koninklijk besluit van 2004 voorziet, geen starre pool zoals de in punt 74 van het onderhavige arrest genoemde pool vormt, aangezien, zoals blijkt uit artikel 2, § 3, van dat koninklijk besluit, de niet in die pool opgenomen arbeiders kunnen worden aangesteld als havenarbeiders op basis van een arbeidsovereenkomst. 104 Uit deze laatste bepaling en uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter blijkt echter dat de erkenning van niet in de pool opgenomen arbeiders beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, terwijl volgens artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 2004 de in de pool opgenomen havenarbeiders voor onbepaalde tijd kunnen worden erkend. 105 Bovendien werd krachtens de overgangsbepaling van artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 2004 de mogelijkheid om te worden erkend zonder in de pool te zijn opgenomen, aanvankelijk beperkt tot havenarbeiders met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Deze mogelijkheid werd geleidelijk uitgebreid tot havenarbeiders met tijdelijke overeenkomsten van steeds kortere duur. Pas sinds 1 juli 2020 kunnen alle havenarbeiders met een arbeidsovereenkomst als havenarbeider worden erkend, ongeacht de duur van hun arbeidsovereenkomst. 106 In dit verband moet worden opgemerkt dat het juist is dat een nationale regeling op grond waarvan de erkenning van havenarbeiders met redelijke tussenpozen moet worden verlengd, niet onverenigbaar is met de doelstelling om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, aangezien het vereiste van periodieke verlenging van de erkenning het mogelijk maakt te verzekeren dat de havenarbeiders nog steeds beschikken over de nodige capaciteiten om de hun opgedragen taken veilig uit te voeren. 107 Een regeling op grond waarvan slechts een deel van de havenarbeiders in aanmerking komt voor erkenning voor onbepaalde tijd, terwijl de erkenning van bepaalde andere havenarbeiders automatisch eindigt bij het einde van hun arbeidsovereenkomst – ook al was deze slechts voor zeer korte tijd gesloten – zodat deze laatsten telkens een nieuwe erkenningsprocedure moeten doorlopen wanneer zij een nieuwe arbeidsovereenkomst sluiten, is echter niet geschikt en noodzakelijk om het in het vorige punt genoemde doel te bereiken. 108 Er zijn immers geen redenen die deze verschillende behandeling van twee categorieën havenarbeiders die zich uit het oogpunt van de veiligheid op hun werkplek in volstrekt vergelijkbare situaties bevinden, kunnen rechtvaardigen. 109 Dit geldt temeer daar er, zoals de advocaat-generaal in punt 157 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in havenarbeid vooral sprake is van werkzaamheden van korte duur. 110 Tijdens de in punt 105 van het onderhavige arrest genoemde overgangsperiode hebben immers alleen de in de pool opgenomen havenarbeiders de mogelijkheid om arbeidsovereenkomsten van korte duur te sluiten, hetgeen in de praktijk leidt tot een situatie waarin deze pool bestaat uit een beperkt aantal havenarbeiders waarop een beroep dient te worden gedaan. Zoals in punt 74 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, is de vorming van een dergelijke pool een maatregel die onevenredig is aan het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen. Deze maatregel kan niet worden gerechtvaardigd uit het oogpunt van die doelstelling. XIV-37.182-42/75 111 Bovendien vormt het feit dat de niet in de pool opgenomen havenarbeiders opnieuw moeten worden erkend telkens wanneer zij een nieuwe arbeidsovereenkomst sluiten, ook al zouden zij recentelijk – naar aanleiding van het sluiten van een eerdere arbeidsovereenkomst van korte duur – reeds zijn erkend, ook na het einde van de overgangsperiode een beperking van de in de artikelen 45, 49 en 56 VWEU neergelegde vrijheden die niet kan worden gerechtvaardigd door het in het vorige punt genoemde doel. 112 Er kan immers niet redelijkerwijs worden aangenomen dat die arbeiders, kort na hun erkenning als havenarbeider, de vaardigheden en kwaliteiten hebben verloren die niet lang daarvoor hun erkenning hadden gerechtvaardigd. 113 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag, de tweede vraag, onder d), en de derde en de vierde vraag in zaak C-407/19 worden geantwoord dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan: – de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen; – deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders, waarbij voor de niet in die pool opgenomen havenarbeiders de duur van de erkenning beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, zodat voor elke nieuwe overeenkomst die zij sluiten, een nieuwe erkenningsprocedure moet worden gestart; – er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen.” 27. Artikel 1, §§ 1 en 2, van het bestreden besluit bepalen: “§1.Binnen ieder havengebied worden de havenarbeiders erkend door een paritair samengestelde administratieve commissie, hierna genoemd ‘de administratieve commissie’, opgericht binnen het voor het betrokken havengebied bevoegde paritair subcomité. De administratieve commissie is samengesteld uit : 1° een voorzitter en een ondervoorzitter; 2° vier gewone en vier plaatsvervangende leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité; 3° vier gewone en vier plaatsvervangende leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité; 4° één of meer secretarissen. De bepalingen van het koninklijk besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités, alsmede de bijzondere regels, zoals bepaald in artikel 10 van dit besluit, zijn van toepassing op de werking van de administratieve commissie. §2. De aanvraag tot erkenning wordt schriftelijk ingediend bij het bevoegde paritair subcomité via een model dat daartoe ter beschikking wordt gesteld. Bij de aanvraag wordt aangegeven of deze wordt ingediend met het oog op tewerkstelling binnen of buiten de pool.” Artikel 2, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden besluit, luidt: XIV-37.182-43/75 “§1. De havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 1e lid, worden bij hun erkenning ofwel opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet. Bij de erkenning tot opname in de pool wordt rekening gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten. § 2. Havenarbeiders opgenomen in de pool worden erkend voor bepaalde of onbepaalde duur. De nadere regels betreffende de duur van de erkenning worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.” Het is de administratieve commissie, paritair samengesteld overeenkomstig artikel 1, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, die beslist over “de behoefte aan arbeidskrachten” waarmee bij de erkenning tot opname in de pool rekening wordt gehouden. Artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden besluit, luidde – wat de niet in de pool opgenomen erkende havenarbeiders betreft –, tot aan de inwerkingtreding op 1 juli 2020 van het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020: “§ 3. Havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool, worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst.” Bij artikel 2 van het wijzigingsbesluit van 26 juni 2020 is in het aangehaalde artikel 2, § 3 tussen de woorden “een” en “arbeidsovereenkomst” het woord “schriftelijke” ingevoegd. 28. Uit het (dictum van het) arrest van 11 februari 2021 van het HvJ volgt dat de artikelen 45, 49 en 56 van het VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat deze zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan:
(1)de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgevers- en werknemersorganisaties zijn aangewezen;
(2)deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders, waarbij voor de niet in die pool XIV-37.182-44/75 opgenomen havenarbeiders de duur van de erkenning beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, zodat voor elke nieuwe overeenkomst die zij sluiten, een nieuwe erkenningsprocedure moet worden gestart;
(3)er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen. Waar de verwerende partij weliswaar kan worden bijgevallen dat het HvJ geen schending ziet in het gegeven dat – omwille van veiligheidsredenen – in een erkenning van havenarbeiders wordt voorzien, dan kan er niet aan worden voorbijgegaan dat het HvJ in zijn arrest van 11 februari 2021 evenzo stelt dat dergelijke erkenning moet zijn gesteund op (
- i)objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria die (
- ii)logischerwijze uitsluitend betrekking hebben op de vraag of deze arbeiders beschikken over de eigenschappen en vaardigheden die nodig zijn om de hun opgedragen taken veilig uit te voeren en (iii) aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden (zie r.o. 70-73). Hieruit volgt dat de opdeling van erkende havenarbeiders (die dus (alle) zijn erkend omdat zij aan de vereiste eigenschappen en vaardigheden met het oog op het veilig verrichten van de hen opgedragen taken voldoen) tussen deze die zijn erkend “binnen de pool” en deze die zijn erkend “buiten de pool” zoals die te dezen is uitgewerkt, de toetsing aan de voormelde verdragsbepalingen (nog steeds) niet doorstaat zoals hierna (evenals infra onder B.II.2.) wordt uiteengezet. Het gaat immers niet op, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie pleegt te doen, te stellen dat het HvJ slechts aanstoot neemt aan “de modaliteiten” van de erkenning binnen en buiten de pool. De verwerende partij gaat er daarbij aan voorbij dat die zogenoemde “modaliteiten” onlosmakelijk verbonden zijn met de fundamenten zelf van de opdeling door het bestreden besluit van erkende havenarbeiders – die derhalve allen, zonder onderscheid, volgens dezelfde criteria en standaarden zo moet worden aangenomen, zijn erkend en hun taken dienvolgens op een veil