id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.897 Rolnummer: A. 236715/VII-41556 Zaak: Arrest 254897 - Bewakingsondernemingen - 27/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-17 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:44 Fiche Arrest nr 254.897 van 27 oktober 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.897 van 27 oktober 2022 in de zaak A. 236.715/VII-41.556 In zake: Moussa MAROC bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Vanhaelewyn en Julie Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 juni 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing van 29 april 2022 waarbij aan verzoeker de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd. Verzoeker vraagt eveneens als voorlopige maatregel de verwerende partij te verzoeken om “onverwijld over te gaan tot afgifte van een tijdelijke identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten, meer bepaald deze die overeenkomen met de code EXE10 (goederenbewaking en de gewone vorm van persoonscontrole) […], die in geldigheidsduur overeenstemt met VII-41.556-1/9 de termijn die redelijkerwijze mag verwacht worden om een arrest van de Raad van State […] te bekomen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft op 14 september 2022 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Swerts, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 23 september 2020 dient de vergunde bewakingsonderneming G4S Secure Solutions voor verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. VII-41.556-2/9 3.
- Op 28 oktober 2020 wordt een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden opgestart ten aanzien van verzoeker, die daarmee heeft ingestemd. 3.
- De Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden oordeelt op 13 december 2021 dat verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en adviseert dat een procedure tot weigering van de afgifte van de identificatiekaart wordt aangevat. 3.
- Verzoeker wordt bij brief van 11 februari 2022 in kennis gesteld van de hem ten laste gelegde feiten, van de maatregel die wordt overwogen, van het recht om inzage te nemen in het dossier en van het recht om zijn verweermiddelen in te dienen, wat hij vervolgens doet op 24 maart
- 3.
- De minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing beslist op 29 april 2022 dat verzoeker niet beschikt over het profiel zoals vereist door artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: de wet van 2 oktober 2017) en weigert de identificatiekaart voor het uitoefenen van alle bewakingsactiviteiten. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII-41.556-3/9 V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de motiveringsplicht. Verzoeker zet uiteen dat in de bestreden beslissing weliswaar wordt ingegaan op zijn verweermiddelen tegen het voornemen tot weigering van de gevraagde identificatiekaart, maar dat de relevante feiten voor de beoordeling van zijn aanvraag niet zelfstandig worden beoordeeld. Inzonderheid wijst hij erop dat in de motivering van de bestreden beslissing niet wordt geconcretiseerd waarom de door de verwerende partij aangehaalde processen-verbaal voldoende relevantie hebben om de conclusie te schragen dat hij op professioneel vlak niet voldoet aan het door de wet van 2 oktober 2017 vereiste incasseringsvermogen en het vermogen om zich te beheersen. Aangaande het motief over de overtreding van de op dat ogenblik geldende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 tegen te gaan, acht verzoeker dit motief niet pertinent omwille van de verwarring die indertijd heerste. Voorts zou het tegenstrijdig zijn omdat hem wordt verweten die feiten te minimaliseren terwijl de verwerende partij zelf erkent dat het risico voor de volksgezondheid beperkt was. Ten slotte zou het betrokken motief ook te algemeen zijn en louter bestaan uit stijlformules die geen antwoord bevatten op alle verweerelementen. Wat het motief inzake de ongewapende weerspannigheid betreft, stipt verzoeker aan dat hij legitieme redenen had om niet in te gaan op de uitnodigingen tot verhoor en had het volgens hem van zorgvuldigheid en redelijkheid getuigd indien de verwerende partij in haar motivering had toegelicht VII-41.556-4/9 waarom niet dezelfde mildheid aan de dag kon worden gelegd als door het parket. Aldus geeft de verwerende partij blijk van een onzorgvuldige, niet-deugdelijke feitenvinding, zonder inachtneming van alle concrete en ter zake doende juridische en feitelijke gegevens. Beoordeling
- Artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober 2017 bepaalt dat de personen belast met het uitoefenen van de activiteiten behorend tot het toepassingsgebied van deze wet, moeten beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel
- Artikel 64 van dezelfde wet bepaalt: “Het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; 2° integriteit, loyaliteit en discretie; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu; 5° respect voor de democratische waarden; 6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde”.
- In de bestreden beslissing wordt uiteengezet dat feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling - “zoals in casu omdat zij het voorwerp uitmaken van een minnelijke schikking of werden geseponeerd” - een weigering van de identificatiekaart kunnen rechtvaardigen wanneer ze worden beoordeeld in het licht van de in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 bepaalde veiligheidsvoorwaarden. Aldus geeft de verwerende partij aan waarom het gegeven dat verzoeker de minnelijke schikking naar aanleiding van de overtreding van de coronamaatregelen heeft betaald en de gunst van probatie heeft gekregen voor de feiten van ongewapende weerspannigheid, haar niet heeft verhinderd om de bestreden administratieve maatregel te nemen.
- Uit de feiten die aan de basis liggen van de processen-verbaal inzake ‘ongewapende weerspannigheid’ en inzake ‘volksgezondheid’, heeft de VII-41.556-5/9 minister van Binnenlandse Zaken afgeleid dat verzoeker de vereiste integriteit en het vermogen tot incassering en beheersing mist. Met betrekking tot de overtreding van de coronamaatregelen wordt in de bestreden beslissing terecht opgemerkt dat van een bewakingsagent wordt verwacht dat “hij erop toeziet dat anderen de reglementen en regelgevingen respecteren”. Het gegeven dat verzoeker de coronamaatregelen zelf heeft overtreden vormt voor de minister een “tegenindicatie” die er doet aan “twijfelen” of verzoeker in soortgelijke situaties wel “doortastend genoeg” zal optreden. De in de bestreden beslissing uitgedrukte twijfel vormt op zich geen decisief motief voor de weigering van de identificatiekaart. Het feit dat in de bestreden beslissing wordt erkend dat het risico voor de volksgezondheid in de gegeven omstandigheden relatief beperkt was, betekent echter niet dat de minister die inbreuk niet in aanmerking zou hebben mogen nemen bij een algemene beoordeling van verzoekers profiel, waarbij ook de feiten van ongewapende weerspannigheid betrokken worden waarover in 2019 een proces-verbaal werd opgesteld. Die feiten van ongewapende weerspannigheid, die in de bestreden beslissing haarfijn worden beschreven, tonen volgens de minister van Binnenlandse Zaken een “duidelijk gebrek aan integriteit en normbesef aan”, zodat moet worden besloten dat die feiten voor de minister van cruciaal belang waren, te meer omdat in de bestreden beslissing ook wordt overwogen dat “van iedere (kandidaat-)bewakingsagent verwacht [wordt] dat hij blijk geeft van respect ten aanzien van de politiediensten en dat hij afziet van elk denigrerend, beledigend of agressief gedrag ten aanzien van hen” en dat verzoeker zich verbaal en fysiek “zeer agressief heeft gedragen ten aanzien van de politiediensten”. Op het eerste gezicht maakt verzoeker niet aannemelijk dat de feiten van ongewapende weerspannigheid tegen leden van de politie niet relevant of onvoldoende zwaarwichtig zouden zijn om te besluiten tot de afwezigheid van de vereiste integriteit en het incasseringsvermogen, zoals vooropgesteld door artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017, in hoofde van een (kandidaat)bewakingsagent waarvan wordt verwacht dat hij zijn functie geweldloos zal uitoefenen. VII-41.556-6/9 Het standpunt van verzoeker dat hij op grond van legitieme redenen meende niet te moeten ingaan op herhaalde uitnodigingen tot verhoor over deze feiten, is een bijkomstigheid die de deugdelijkheid van de in de bestreden beslissing opgegeven motieven niet kan aantasten.
- Anders dan verzoeker het ziet, heeft de verwerende partij zich niet beperkt tot het louter beantwoorden van de ingediende verweermiddelen tegen het voornemen tot weigering van de identificatiekaart, maar heeft zij alle feiten, zoals ze concreet zijn beschreven in de processen-verbaal inzake ‘ongewapende weerspannigheid’ en inzake ‘volksgezondheid’, in acht genomen en beoordeeld in het licht van de profielkenmerken zoals vereist door de wet van 2 oktober
- Verzoeker maakt in het middel prima facie niet aannemelijk dat de bestreden beslissing steunt op een onzorgvuldige feitenvinding of aangetast zou zijn door een gebrek aan deugdelijke feitelijke en juridische grondslag.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- Als tweede middel voert verzoeker de schending aan van de redelijke termijnvereiste als beginsel van behoorlijk bestuur “doordat pas meer dan anderhalf jaar na indiening van de aanvraag een finale beslissing werd getroffen”, terwijl “de zaak niet van die orde is dat zij te complex is om binnen een relatief korte termijn te onderzoeken”. Beoordeling
- De wet van 2 oktober 2017 bepaalt niet binnen welke termijn de minister van Binnenlandse Zaken uitspraak moet doen over een aanvraag tot het verkrijgen van een identificatiekaart. Wanneer geen wettelijke of reglementaire VII-41.556-7/9 bepaling een termijn oplegt voor het nemen van een beslissing, moet een redelijke termijn in acht worden genomen.
- Voorbijgaand aan de vraag of het gegrond bevinden van het middel verzoeker een voordeel kan opleveren, wordt op het eerste gezicht geoordeeld dat de redelijke termijnvereiste niet wordt miskend door het verloop van een termijn van ongeveer 19 maanden tussen het indienen van de aanvraag tot het verkrijgen van een identificatiekaart en de eindbeslissing erover.
- Het tweede middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Voorlopige maatregel
- De verwerping van de hoofdvordering tot schorsing brengt de verwerping mee van de bijkomstige vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.556-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.556-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.897 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.313 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div