← België

Arrest 254904 - Energie - 27/10/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.904 Rolnummer: A. 230034/VII-40745 Zaak: Arrest 254904 - Energie - 27/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-14 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-13 15:32 Fiche Arrest nr 254.904 van 27 oktober 2022 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 254.904 van 27 oktober 2022 in de zaak A. 230.034/VII-40.745 In zake : Steven ROWAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof De Mulder kantoor houdend te 9620 Zottegem Bruggenhoek 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 januari 2020, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van het Vlaams Energieagentschap […] met referentie ‘VEA-EV19-1574163358’, zoals […] medegedeeld/ter kennis gebracht middels e-mail dd. 22 november 2019”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft op 9 juni 2021 een verslag opgesteld. VII-40.745-1/9 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 september
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gail Demuynck, die loco advocaat Kristof De Mulder verschijnt voor verzoeker en advocaat Vincent Verbeelen, die loco advocaten Damien Verhoeven en Bert Van Herreweghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 19 november 2019 dient verzoeker via een webapplicatie een aanvraag in tot het verkrijgen van een premie voor een zero-emissievoertuig. Nog dezelfde dag deelt het Vlaams Energieagentschap (hierna: VEA), thans het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, aan verzoeker mee dat er voldoende budget beschikbaar is. VII-40.745-2/9 3.
  6. Op 22 november 2019 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de premie-aanvraag geweigerd wordt op grond van de volgende redenen: “U diende pas op 19/11/2019 de bewijsstukken voor de aankoop van de elektrische wagen in. De regelgeving bepaalt dat dit moet gebeuren uiterlijk binnen de 3 maanden na inschrijvingsdatum van de wagen. U schreef uw wagen in op 01/06/2018 bij DIV. De premie wordt dan ook geweigerd omwille van laattijdige indiening”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
  7. De verwerende partij betwist de rechtsmacht van de Raad van State. Het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep betreft namelijk een subjectief recht op de toekenning van een premie voor zero-emissievoertuigen. Het geschil heeft uitsluitend betrekking op de vraag of de aanvraag tot het verkrijgen van een dergelijke premie al dan niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.8.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘houdende algemene bepalingen over het energiebeleid’ (hierna: Energiebesluit van 19 november 2010). Het VEA beschikt ter zake over geen enkele discretionaire beoordelingsbevoegdheid en kan enkel vaststellen of de aanvraag al dan niet aan de gestelde voorwaarden voldoet.
  8. In zijn memorie van wederantwoord houdt verzoeker vol dat de Raad van State wel degelijk rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het voorliggend geschil. Uit artikel 7.8.1 van het Energiebesluit van 19 november 2010 blijkt volgens hem dat de administratieve overheid bij de beoordeling van een premie-aanvraag wel degelijk over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Vooreerst is zij bevoegd om het bedrag van de premie te verlagen afhankelijk en in functie van het aantal aanvragen en de op de begroting beschikbare kredieten. Bovendien kan zij het premiebedrag koppelen aan de cataloguswaarde van het betrokken voertuig. Die cataloguswaarde wordt VII-40.745-3/9 gewaardeerd op basis van eigenhandige criteria van het VEA. Voorts berust de bestreden beslissing op een puur beleidsmatige interpretatie van artikel 7.8.1, § 4, van het Energiebesluit van 19 november
  9. Tot slot merkt verzoeker op dat in de bestreden beslissing de Raad van State wordt aangeduid als bevoegd rechtscollege. Beoordeling
  10. Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten -altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft- tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep gericht is op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van de onbevoegdheid van de Raad van State, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid gebonden is. Er dient dan ook te worden onderzocht of de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. VII-40.745-4/9 De Raad van State is zonder rechtsmacht als het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene niet voldoet aan de wettelijke en/of reglementaire voorwaarden waardoor hij geen aanspraak kan maken op het subjectief recht.
  11. Artikel 7.8.1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals ingevoegd door artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 januari 2016 ‘houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de invoering van een premie voor zero-emissie voertuigen’, stelt een premie in bij de aanschaf van een zero-emissievoertuig. In de op het geding toepasselijke versie luidde artikel 7.8.1 van het Energiebesluit van 19 november 2010 als volgt: “§
  12. Het Vlaamse Gewest voert een premie voor zero-emissievoertuigen in. Het Vlaams Energieagentschap verleent die premie binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare middelen en tot het budget is opgebruikt aan: 1° natuurlijke personen, verenigingen zonder winstoogmerk, houders van vergunningen voor taxidiensten en aanbieders van voertuigdelen om een nieuw zero-emissievoertuig aan te schaffen, op voorwaarde dat het voertuig is ingeschreven op een adres in het Vlaamse Gewest; 2° natuurlijke personen, verenigingen zonder winstoogmerk, houders van vergunningen voor taxidiensten en aanbieders van voertuigdelen om een nieuw zero-emissievoertuig te leasen, op voorwaarde dat de natuurlijke persoon-lessee gedomicilieerd is in het Vlaamse Gewest of dat de vereniging zonder winstoogmerk of de aanbieder van voertuigdelen een zetel heeft in het Vlaamse Gewest. Alleen zero-emissie voertuigen die behoren tot de categorieën M1 en N1, vermeld in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen en zero-emissievoertuigen van het type motorfiets en bromfiets klasse B (met uitzondering van de speed pedelecs), zoals vermeld in het Koninklijk besluit van 1/12/1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, komen in aanmerking voor deze premie. De minister kan nadere regels bepalen en technische vereisten vastleggen waaraan deze voertuigen moeten voldoen. §
  13. De hoogte van de premie bedraagt : batterij-elektr premiejaar premiejaar premiejaar premiejaar premiejaar cataloguswaarde C ische 2016 2017 2018 2019 2020 wagen of C wagen* 31.000 euro = 4500 euro 3500 euro 3500 euro 3500 euro 3500 euro (M1 of N1) euro VII-40.745-5/9 41.000 euro = 3000 euro 2500 euro 2500 euro 2500 euro 2000 euro euro C => 61.000 euro 2500 euro 2000 euro 2000 euro 2000 euro 1000 euro brandstofcel- n.v.t n.v.t 4000 euro 4000 euro 4000 euro wagen motorfiets geen Geen 1500 euro 1500 euro 1500 euro bromfiets geen Geen 750 euro 750 euro 750 euro klasse B De bedragen in bovenstaande tabel kunnen niet leiden tot een premie die hoger is dan 25% van de effectieve aankoopwaarde. Als op 1 maart premieaanvragen zijn aangemeld voor meer dan 25 percent van het in de begroting beschikbaar gestelde budget, of als op 1 mei premieaanvragen zijn aangemeld voor meer dan 50 percent van het in de begroting beschikbaar gestelde budget, of als op 1 augustus premieaanvragen zijn aangemeld voor meer dan 75 percent van het in de begroting beschikbaar gestelde budget, kan de minister op basis van een cijfermatig onderbouwde evaluatie besluiten het premiebedrag voor toekomstige premieaanvragen gedurende het lopende jaar verlagen. Voor toepassing van elk premiejaar bepaalt de datum van de aanmelding, vermeld in § 4, eerste lid, het premiebedrag en de premievoorwaarden die voor dat premiejaar van toepassing zijn §
  14. De cataloguswaarde wordt voor de toepassing van de premieregeling voor een bepaald model van zero-emissievoertuig door het Vlaams Energieagentschap per kalenderjaar eenmaal vastgesteld en blijft tot de vaststelling ervan bij het volgende kalenderjaar van kracht. Het Vlaams Energieagentschap stelt in het kader van de premieregeling op zijn website een lijst van die cataloguswaarden van categorie M1 en N1 ter beschikking, en past de samenstelling van de voertuigen op die lijst op basis van de best beschikbare gegevens op regelmatige wijze aan. Indien voor een bepaald model van zero-emissievoertuig nog geen cataloguswaarde bekend is, dan geldt zolang in afwijking van paragraaf 2 voor de bepaling van de premiehoogte de aankoopprijs in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, exclusief opties en inclusief werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno. Indien het voertuig zonder batterij wordt verkocht, maar deze batterij wordt gehuurd of geleased, dan wordt bij de cataloguswaarde standaard de huurprijs van de batterij, inclusief btw, voor een periode van 36 maanden gerekend. §
  15. Om in aanmerking te komen voor de premie, meldt de aanvrager zich uiterlijk binnen drie maanden na de eerste inschrijving van het voertuig bij de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (DIV) aan via een webapplicatie die het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt. De aanmelding bevat minstens de volgende gegevens: 1° de unieke identificatie en de contactgegevens van de premieaanvrager; 2° een kopie van de factuur en het betalingsbewijs of de betalingsbewijzen, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, tweede en derde lid, is voldaan, en waaruit het merk, het type en de cataloguswaarde blijken; 3° een kopie van het inschrijvingsbewijs van het voertuig, waaruit blijkt dat het voertuig en de aanvrager voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1; VII-40.745-6/9 4° het rekeningnummer waarop de premie wordt uitbetaald. Een natuurlijke persoon kan per voertuigcategorie maar één keer de premie ontvangen. §
  16. De premie moet worden teruggestort als de eigenaar van het voertuig binnen drie jaar na de eerste inschrijving het voertuig vervreemdt of als de leasing van het voertuig binnen drie jaar na de start van de leasing wordt beëindigd. Voor aanbieders van voertuigdelen bedraagt deze termijn twee jaar. De eigenaar, de lessee en de betrokken leasemaatschappij van het voertuig melden aan het Vlaams Energieagentschap als de eigendom of de leasing wordt beëindigd als vermeld in het eerste lid”.
  17. De toekenning van de betrokken premie is een subjectief recht dat rechtstreeks aan de rechthebbende toekomt indien hij aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden voldoet. Artikel 7.8.1 van het Energiebesluit van 19 november 2010 bepaalt in dit verband dat het VEA die premie “verleent”. De bevoegdheid van het VEA is louter gebonden, zowel op het vlak van de vaststelling van het recht op de premie als de hoogte ervan.
  18. De mogelijkheid om op grond van artikel 7.8.1, § 2, derde lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 voor toekomstige premie-aanvragen het premiebedrag te verlagen, indien bepaalde percentages van het beschikbare budget zijn overschreden door het aantal ingediende aanvragen, verandert niets aan de vaststelling dat het recht op de premie een subjectief karakter heeft. De verlaging van het premiebedrag moet overigens gebeuren bij een door de bevoegde minister te nemen reglementair besluit en staat bijgevolg volledig los van de beoordeling van individuele premie-aanvragen. Overeenkomstig artikel 7.8.1, § 3, van het Energiebesluit van 19 november 2010 wordt de cataloguswaarde voor een bepaald model van zero-emissievoertuig door het VEA eenmaal per kalenderjaar vastgesteld. In tegenstelling tot de zienswijze van verzoeker, wordt de cataloguswaarde dus niet per individueel aanvraagdossier onderzocht en vastgesteld.
  19. Om in aanmerking te komen voor de premie vereist artikel 7.8.1, § 4, van het Energiebesluit van 19 november 2010 dat de aanvraag via een webapplicatie ingediend moet worden binnen een termijn van drie maanden “na de VII-40.745-7/9 eerste inschrijving van het voertuig bij de Dienst voor Inschrijving van Voertuigen (DIV)”. In zoverre verzoeker aanvoert dat de aanvangsdatum van de in artikel 7.8.1, § 4, van het Energiebesluit van 19 november 2010 vermelde termijn een zaak is van interpretatie en van “beleidsmatige beoordeling”, wordt erop gewezen dat de interpretatie van de toepasselijke norm om uit te maken welke de precieze draagwijdte en enig juiste betekenis ervan is, niet behoort tot de appreciatiebevoegdheid van de overheid, die in essentie neerkomt op de keuze tussen verschillende mogelijkheden die alle op zichzelf rechtsgeldig zijn.
  20. De omstandigheid dat het VEA in fine van de bestreden beslissing heeft vermeld dat ertegen beroep kon worden ingediend bij de Raad van State, is zonder invloed op de beoordeling van de bevoegdheid van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen vloeien immers voort uit de Grondwet en partijen kunnen daar niet van afwijken.
  21. De exceptie is gegrond. V. Kosten
  22. De kosten dienen ten laste van verzoeker te worden gelegd.
  23. Een rechtsplegingsvergoeding is, gelet op artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een tegemoetkoming in de kosten van de advocaat van de “in het gelijk gestelde partij”. Verzoeker noch de verwerende partij zijn als een dergelijke “in het gelijk gestelde partij” te beschouwen. VII-40.745-8/9 BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep.
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.745-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.904 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.