id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.916 Rolnummer: A. 236559/IX-10048 Zaak: Arrest 254916 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 27/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-10 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:45 Fiche Arrest nr 254.916 van 27 oktober 2022 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.916 van 27 oktober 2022 in de zaak A. 236.559/IX-10.048 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karel Van Hoorebeke en Jeroom Joos kantoor houdend te 9000 Gent Coupure Rechts 162 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 juni 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - de beslissing van de directieraad van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid van 25 april 2022 waarbij aan XXXX de evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2021 definitief wordt toegekend; - de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust van de Vlaamse overheid van 23 mei 2022 waarbij aan de hoedanigheid van ambtenaar van XXXX met ingang van 25 mei 2022 een einde wordt gesteld. IX-10.048-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 september
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jeroom Joos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sinds 2004 in dienst bij de Vlaamse overheid, dit sinds 2009 als statutair personeelslid. Hij is werkzaam bij de dienst met afzonderlijk beheer Vloot van het intern verzelfstandigd agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust. Hij oefent er de functie uit van verkeersleider met de graad van radarwaarnemer in de verkeerscentrale te Zandvliet. IX-10.048-2/9 3.
- Verzoeker krijgt voor het werkjaar 2018 een evaluatie ‘onvoldoende’. 3.
- Op 24 februari 2022 volgt een evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar
- 3.
- Op 9 maart 2022 stelt verzoeker tegen de laatstgenoemde evaluatie een beroep in bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid. 3.
- Op 5 april 2022 verklaart de raad van beroep het beroep van verzoeker gericht tegen zijn evaluatie ‘onvoldoende’ voor het werkjaar 2021 ontvankelijk en adviseert hij – met zes stemmen tegen één – “dat het beroep gegrond is en de evaluatie ‘onvoldoende’ ongegrond”. 3.
- Op 25 april 2022 legt de directieraad van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust bij unanimiteit aan verzoeker de definitieve evaluatie ‘onvoldoende’ op voor het werkjaar
- Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- Op 3 mei 2022 deelt de administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust aan verzoeker haar intentie mee om hem te ontslaan na twee evaluaties ‘onvoldoende’. 3.
- Verzoeker wordt over dat voornemen tot ontslag gehoord op 9 mei
- 3.
- Op 23 mei 2022 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust om “[a]an de hoedanigheid van ambtenaar van [verzoeker] een einde [te maken]” met ingang van 25 mei
- IX-10.048-3/9 Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Vertrouwelijkheid van een neergelegd stuk
- De vraag van verzoeker, ter terechtzitting, om de vertrouwelijkheid te lichten van het door de verwerende partij als vertrouwelijk neergelegde stuk 7.4 van het administratief dossier, namelijk de “[e]-mail d.d. 20 april 2022 aan de leden van de directieraad met de agenda en bijhorende documenten van het dossier van [verzoeker]”, dient in de huidige stand van de rechtspleging niet nader te worden onderzocht, aangezien het desbetreffende stuk klaarblijkelijk geen relevantie heeft voor de hiernavolgende beoordeling door de Raad van State, die hoe dan ook tot de verwerping van de voorliggende vordering leidt. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
- Verzoeker voert in zijn inleidend verzoekschrift ter staving van de spoedeisendheid van zijn vordering aan: “Het ontslag ingevolge een tweede evaluatie ‘onvoldoende’ in een periode van 10 jaar, berokkent verzoeker een morele schandvlek en imagoschade die onherroepelijk dreigen te worden indien hij zou dienen te wachten op een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. Op moreel en sociaal vlak hebben de bestreden beslissingen een uitermate negatieve uitstraling op verzoeker. IX-10.048-4/9 Hetzelfde geldt evenzeer voor de reclasseringsproblemen waarmee verzoeker ingevolge de bestreden beslissingen zal worden geconfronteerd. Verzoeker verliest van de ene dag op de andere zijn werk, terwijl de kansen op wedertewerkstelling niet evident zijn, mede gelet op zijn leeftijd. De vaststelling dat voor verzoeker onherroepelijke schade op moreel en sociaal vlak en op het vlak van zijn reclassering kan zijn opgetreden wanneer het resultaat van de procedure ten gronde zou worden afgewacht, zou moeten volstaan om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan.” Beoordeling 7.
- Zoals hiervóór sub 5 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). 7.
- Luidens artikel 17, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Voor een verzoekende partij bij de Raad van State die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wachten, komt het dan ook erop aan om daarvan te overtuigen aan de hand van de feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit betekent dat het aan deze partij toevalt IX-10.048-5/9 om in haar inleidend verzoekschrift specifieke gegevens bij te brengen, betrokken op de omstandigheden van haar zaak, die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Zoals de Raad van State inmiddels reeds meermaals heeft geoordeeld – onder meer in de arresten nr. 238.557 van 19 juni 2017, nr. 240.417 van 15 januari 2018, nr. 240.471 van 16 januari 2018 en nr. 253.377 van 29 maart 2022 – wordt de spoedeisendheid van de zaak niet vermoed of automatisch bewezen geacht, welke ook de aard van de bestreden beslissing is, zoals bij een ontslag om tucht- of andere redenen. Dit geldt des te meer nu krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een schorsing kan worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Bovendien mag krachtens artikel 17, § 2, derde lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een nieuwe vordering worden ingesteld, “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”.
- Verzoeker maakt in zijn hiervóór sub 6 aangehaalde argumentatie betreffende de spoedeisendheid van zijn vordering vooreerst gewag van “een morele schandvlek” en “imagoschade” die het ontslag wegens een tweede IX-10.048-6/9 evaluatie ‘onvoldoende’ hem berokkent, alsook van een “uitermate negatieve uitstraling” die hij ondergaat “[o]p moreel en sociaal vlak”. Hij voert daarmee op een algemene wijze aan dat hij een moreel nadeel lijdt ten gevolge van de bestreden beslissingen. Volgens ’s Raads vaste rechtspraak kan een moreel nadeel in beginsel worden goedgemaakt door de genoegdoening die wordt verleend door een eventueel vernietigingsarrest. Het valt een verzoekende partij voor de Raad van State toe om, in voorkomend geval, bijzondere omstandigheden aan te voeren die ervan overtuigen dat het in haar geval anders is en dat er redenen zijn om bij spoedeisendheid het aangevoerde morele nadeel een halt toe te roepen. In dit geval moet worden vastgesteld dat verzoeker geen enkele dergelijke bijzondere omstandigheid aanvoert. Hij beperkt zich tot de algemene en vage bewering dat de aangevoerde morele schade onherroepelijk dreigt te worden indien hij zou moeten wachten op een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. Een dergelijke niet concreet onderbouwde en niet-gestaafde bewering kan evenwel niet overtuigen van de spoedeisendheid van de vordering.
- Voorts maakt verzoeker op een al even algemene en niet-onderbouwde wijze melding van “reclasseringsproblemen waarmee [hij] ingevolge de bestreden beslissingen zal worden geconfronteerd”. Hij wijst erop dat hij van de ene op de andere dag zijn werk verliest, terwijl “de kansen op wedertewerkstelling niet evident zijn, mede gelet op zijn leeftijd”. De stelling van verzoeker dat hij van de ene op de andere dag zijn werk verliest, moet in het juiste perspectief worden geplaatst, aangezien de tweede bestreden beslissing erin voorziet dat verzoeker “recht [heeft] op een opzegtermijn van 64 weken” die in dit geval wordt vervangen door een verbrekingsvergoeding, welke met die opzegtermijn overeenstemt. Dat een wedertewerkstelling voor verzoeker “niet evident” is, is mogelijk, maar verzoeker brengt geen enkel gegeven aan dat aannemelijk maakt dat ze binnen een redelijke IX-10.048-7/9 termijn niet mogelijk is of dat ze op zijn minst zodanig lastig te verwezenlijken is dat ze onwaarschijnlijk is. Zo maakt hij helemaal niet duidelijk waarom zijn leeftijd van 44 jaar een reclassering in de weg zou staan. Het gevreesde uitblijven van een nieuwe tewerkstelling ligt des te minder voor de hand aangezien de verwerende partij verzoeker outplacement heeft aangeboden om hem te ondersteunen in “het zoeken naar en het vinden van een nieuwe baan” en hij die begeleiding overigens heeft aanvaard.
- Verzoeker beperkt zich aldus tot algemene beweringen, die hij evenwel niet concreet aannemelijk maakt. Hij toont derhalve de spoedeisendheid van zijn vordering niet aan.
- Bijgevolg is er niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat de vordering zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.048-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-10.048-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.916 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.