id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.917 Rolnummer: A. 229902/IX-9665 Zaak: Arrest 254917 - Gerechtsdeurwaarders - 27/10/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-08 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 07:45 Fiche Arrest nr 254.917 van 27 oktober 2022 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 254.917 van 27 oktober 2022 in de zaak A. 229.902/IX-9665 In zake : Karolien DOCKERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Ruben BUTAYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Jan-Willem Vanhoutte kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van: - het koninklijk besluit van 10 oktober 2019 waarbij Ruben Butaye wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder; - het ministerieel besluit van 26 november 2019 waarbij het kantoor van gerechtsdeurwaarder Ruben Butaye wordt gevestigd te Oostende. IX-9665-1/40 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Ruben Butaye heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 maart 2020. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2022. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan-Willem Vanhoutte, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9665-2/40 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In het Belgisch Staatsblad van 31 oktober 2018 worden twee vacante betrekkingen bekendgemaakt voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen. 3.2. Zowel verzoekster als de tussenkomende partij stellen zich kandidaat voor de betrekking waarin de thans bestreden benoeming is gebeurd. 3.3. Op 13 december 2018 vraagt de minister van Justitie de bij artikel 515, § 2, eerste lid, 1° en 2°, GerW vereiste adviezen aan de procureur des Konings bij het parket te West-Vlaanderen en aan de raad van de arrondissementskamer van het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen. 3.4. De procureur des Konings verstrekt een gunstig advies zowel met betrekking tot verzoekster als de tussenkomende partij. 3.5. De raad van de arrondissementskamer van het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen formuleert een gunstig advies zowel met betrekking tot verzoekster als de tussenkomende partij. 3.6. Op 6 maart 2019 bezorgt de minister van Justitie de benoemingsdossiers van de verschillende kandidaten aan de Nederlandstalige benoemingscommissie voor gerechtsdeurwaarders. Deze benoemingscommissie is bevoegd voor de rangschikking van de meest geschikte kandidaten (artikel 512, § 1, GerW) en hanteert daartoe een door de Koning goedgekeurde lijst van uniforme evaluatiecriteria (artikel 512, § 7, GerW): IX-9665-3/40 “1° Anciënniteit en professionele ervaring in de functie:
- a)duur van de globale ervaring;
- b)duur van de ervaring in het arrondissement van de vacante plaats;
- c)aard van de ervaringen. 2° Sociale bekwaamheden en vaardigheden:
- a)communicatievaardigheden;
- b)besluitvaardigheid, zelfbeheersing, houding, standvastigheid;
- c)integriteit, onpartijdigheid, respect voor de deontologie en confraterniteit;
- d)activiteiten in beroepsorganisaties. 3° Organisatorische bekwaamheid:
- a)kennis van het beheer, de organisatie en de continuïteit van een gerechtsdeurwaarderskantoor;
- b)boekhoudkundige en fiscale aspecten, personeelsbeleid, leiderschap en coaching, financiële aspecten die gepaard gaan met de overname van een kantoor. 4° Kennis:
- a)kennis van de gerechtelijke procedures en regels;
- b)kennis van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder;
- c)wetenschappelijke vorming (gevolgd en gegeven) en verdiensten (bijvoorbeeld publicaties). 5° Visie op het beroep: Visie op de eigenlijke uitoefening van het beroep, de collegialiteit, het respect en de positie tegenover moderne technologieën.” 3.7. Op 16 maart 2019 organiseert de benoemingscommissie een schriftelijke proef waarbij de kennis wordt getest van de gerechtelijke procedures en regels en van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder. Verzoekster behaalt een score van 13,33/20 en de tussenkomende partij een score van 12,98/20. 3.8. Met het oog op het opstellen van een definitieve rangschikking stelt de benoemingscommissie op 20 maart 2019 met toepassing van artikel 515, § 4, eerste lid, GerW een lijst op van de te horen kandidaten en dit op basis van de schriftelijke proef en op basis van de duur van de “globale” professionele ervaring. Zowel verzoekster als de tussenkomende partij worden uitgenodigd om te worden gehoord. 3.9. Op 15 april 2019 vinden de hoorzittingen van de zes door de benoemingscommissie geselecteerde kandidaten plaats. IX-9665-4/40 3.10. Op 16 april 2019 beraadslaagt de benoemingscommissie over de vacante betrekking waarin de thans bestreden benoeming is gebeurd. De benoemingscommissie stelt vervolgens de volgende rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten: 1. de tussenkomende partij; 2. FR; 3. verzoekster. In het proces-verbaal van rangschikking wordt vermeld welke overwegingen aan de basis liggen van de voordracht. De beoordeling van de tussenkomende partij luidt: “Butaye Ruben kan buigen op een zeer uitgebreide ervaring van meer dan 20 jaar in de hoedanigheid van kandidaat-gerechtsdeurwaarder sinds zijn slagen voor het homologatie-examen op 27/03/1998. Sinds voormelde datum is de kandidaat ononderbroken tewerkgesteld binnen het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen, meer specifiek bij diverse kantoren in de regio’s Oostende, Brugge en Roeselare. De aard van de door de kandidaat opgedane ervaring is zeer divers. Waar hij zich als jonge kandidaat- gerechtsdeurwaarder initieel had toegelegd op de plaatsvervangingen werd hij gaandeweg meer betrokken bij het kantoorwerk. Vanaf 1998 combineerde hij een tweetal dagen kantoorwerk per week met het baanwerk. In een later stadium werd hij betrokken in de volledige organisatie van het kantoor waar hij destijds werkzaam was, dit tot hij, geconfronteerd met ziekte van de titularis van dat kantoor, gedurende een tiental maanden de volledige leiding van dat kantoor op zich nam. Thans is hij hoofdzakelijk actief binnen twee gerechtsdeurwaarderskantoren te Oostende. Gezien zijn professioneel curriculum kan Butaye Ruben bogen op een zeer diverse ervaring en op een vertrouwdheid met alle aspecten die inherent zijn aan het ambt van gerechtsdeurwaarder en scoort hij uitstekend op het criterium professionele ervaring. Hij houdt er een zeer goed evenwicht tussen het kantoor- en het baanwerk op na en vervulde een zeer groot aantal plaatsvervangingen binnen het arrondissement West- Vlaanderen. De commissie is van oordeel dat Butaye Ruben bijzonder goed weet te overtuigen op het stuk van de sociale vaardigheden vereist voor het ambt van gerechtsdeurwaarder. De kandidaat spreekt duidelijk en vlot en antwoordt gestructureerd en logisch op de vragen die hem door de leden van de benoemingscommissie worden gesteld. Tijdens de hoorzitting toont de kandidaat zich doordrongen van de gedachte dat de gerechtsdeurwaarder IX-9665-5/40 een cruciale sociale rol te vervullen heeft. Hij stelt in dit verband onder meer dat het zeer belangrijk is om zich steeds op een gepaste en redelijke manier op te stellen en vanuit een empathische en oplossingsgerichte insteek naar de debiteur toe te stappen. Aldus, zo stelt de kandidaat, kan men veel problemen oplossen en daadwerkelijk het verschil maken voor de mensen. Butaye Ruben weet concrete voorbeelden te geven van de wijze waarop hij deze sociale rol vervult. Het directe contact en de waarneming ter plaatse beschouwt hij als een hoeksteen van het ambt. De kandidaat is lid van de conferentie der Vlaamse Gerechtsdeurwaarders en van de NVKSG. Hij streefde niet eerder een mandaat binnen de beroepsorganisaties na, daar hij dit moeilijk verenigbaar achtte met zijn professionele activiteiten, maar stelt zeker bereid te zijn zich hier naar de toekomst toe voor te engageren. Hij betoont ook een oprechte interesse voor initiatieven die kunnen bijdragen tot een beter begrip van het ambt van gerechtsdeurwaarder. Zo stelt hij graag te willen deelnemen aan een initiatief zoals de pop-up-gerechtsdeurwaarder, dat jammer genoeg niet is uitgerold binnen het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen, en nam hij eerder deel aan voordrachten ten behoeve van studenten in verband met het beroep van gerechtsdeurwaarder. Butaye Ruben scoort zeer goed wat de organisatorische vaardigheden betreft die noodzakelijk zijn voor het ambt van gerechtsdeurwaarder. Hij heeft duidelijk nagedacht over de verschillende mogelijkheden in geval van een eventuele voordracht en benoeming en heeft ook een goed beeld van de financiële implicaties die inherent zijn aan elk van de mogelijke pistes. Hij heeft een zeer goed beeld van de kostenstructuur van een gerechtsdeurwaarderskantoor en kan de diverse kostenposten zonder enige moeite benoemen en deze ook realistisch begroten. Hij verwijst gedurende de hoorzitting naar het gegeven dat hij de facto, gedurende een tiental maanden, wegens ziekte van de titularis van het kantoor waar hij tewerkgesteld was, fulltime een kantoor gerund heeft. De kandidaat behaalde de zeer goede score van 12,98/20 op de schriftelijke bevraging van de regels die relevant zijn voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder. In het kader van de hoorzitting weet hij dit niveau van kennis zonder enige twijfel te bevestigen. Hij antwoordt paraat en correct op de vragen die hem door de leden van de benoemingscommissie worden gesteld, en koppelt hierbij vlot terug naar de praktijk. Zo blijkt hij goed op de hoogte te zijn van de recente wijzigingen inzake de wetgeving inzake vennootschappen en op het vlak van het insolventierecht. De kandidaat stelt, na een initiële reactie van weerstand tegen de schriftelijke bevraging van de kennis, hier op heden zeker en vast het nut van in te zien. Hij geeft aan dat het bijhouden van de materie, zeker gezien de talrijke wetswijzigingen waarmee het beroep de laatste jaren werd geconfronteerd, zeker een meerwaarde biedt voor de dagelijkse uitoefening van zijn ambt. In dit verband wijst de kandidaat onder meer op de door hem gevolgde opleidingen. Uit het dossier blijkt dat de kandidaat reeds deelnam aan opleidingen vóór de hervorming van het statuut. De kandidaat weet ten slotte ook zeer goed te overtuigen met zijn realistische, toekomstgerichte en pragmatische visie op het beroep. Hij IX-9665-6/40 onderkent bepaalde valkuilen en problemen en weet concrete voorstellen aan te reiken die zouden kunnen bijdragen tot de goede organisatie en de verbetering van de perceptie ten aanzien van het beroep. Zo doet hij concrete voorstellen in verband met de loopbaan van de gerechtsdeurwaarder na 70 jaar en zet hij een duidelijk standpunt uiteen inzake de e-betekening. De kandidaat ziet in dit laatste aspect een potentiële meerwaarde, doch meent dat een en ander doordacht in de praktijk moet worden gezet. Hij stelt dat het meest kostbare aspect van het beroep, zijnde de directe contacten met de debiteur, hierdoor niet te grabbel mag worden gegooid. De kandidaat formuleert eveneens een interessant voorstel in verband met de teruggave van de Belastingen. Hij acht het onevenredig dat enkel de overheden hiervan worden ingelicht, dit terwijl alle gekende schuldeisers perfect via het CBB kunnen nagetrokken worden. De benoemingscommissie beslist unaniem om Butaye Ruben voor deze vacante plaats als eerste kandidaat te rangschikken. De commissie is van oordeel dat deze kandidaat bijzonder goed beantwoordt aan alle evaluatiecriteria voor het ambt van gerechtsdeurwaarder-titularis. Hij kan buigen op een zeer uitgebreide en zeer diverse professionele ervaring, beschikt over een uitgesproken aandacht voor de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder, heeft een goed beeld van de organisatorische aspecten die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder- titularis en weet deze vaardigheden bovendien te combineren met een zeer degelijke juridische kennis en met een realistische en pragmatische visie op het ambt van gerechtsdeurwaarder. De commissie is van oordeel dat de kandidaat perfect beantwoordt aan alle vereisten voor deze specifieke vacante plaats die, gezien zijn brede ervaring binnen de regio Oostende, begrijpelijkerwijze zijn absolute voorkeur wegdraagt.” Over verzoekster stelt de benoemingscommissie: “Dockers Karolien kan bogen op een ervaring van meer dan 13 jaar als kandidaat gerechtsdeurwaarder sinds haar slagen voor het homologatie- examen op 29/03/2006. De ervaring van de kandidate is divers van aard en omvat alle aspecten inherent aan het ambt van gerechtsdeurwaarder. Zij bewaart een goed evenwicht tussen het baan- en het kantoorwerk en geeft gedurende de hoorzitting aan zich zeer graag op het terrein te begeven en dit aspect als de essentie van het ambt te beschouwen. Zij behandelt uiteenlopende materies en heeft een bijzondere expertise in Europese en buitenlandse invorderingen. De professionele ervaring van de kandidate situeert zich hoofdzakelijk binnen het arrondissement West-Vlaanderen. De kandidate geeft aan vertrouwd te zijn met de gebruiken, debiteuren en actoren in de regio van de thans te begeven vacante plaats, en stelt in dit verband dat een goede affiniteit met de plaats van activiteit belangrijk is voor de uitoefening van het beroep. Zij drukt een zeer lichte voorkeur uit voor de standplaats Izegem (omwille van de afstand) zijnde een andere vacante plaats binnen het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen, waarvoor zij eveneens kandidaat is. De kandidate vervulde een groot aantal IX-9665-7/40 plaatsvervangingen binnen het gerechtelijk arrondissement West- Vlaanderen. De commissie is van oordeel dat de kandidate goed scoort op het criterium inzake de sociale bekwaamheden en vaardigheden. Op de vragen die haar door de leden van de benoemingscommissie werden gesteld kon de kandidate vlot en to-the-point, zij het soms ietwat geagiteerd en onrustig, antwoorden. Dockers Karolien kon duiding geven aan de wijze waarop zij invulling geeft aan de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder. Zij geeft aan slechts tevreden te zijn wanneer zij in de uitoefening van haar ambt kan komen tot het uitwerken van regelingen en wanneer zij schijnbaar onoplosbare zaken tot een goed einde weet te brengen. Volgens de kandidate lukt dit enkel door zich voldoende respectvol op te stellen maar tevens ook volhardend te zijn. Dockers Karolien getuigt van een grote inzet binnen de beroepsorganisaties. Zo is zij onder meer lid van de Conferentie van Vlaamse Gerechtsdeurwaarders, werkend lid en bestuurslid van de NVKSG en engageerde zij zich binnen Sam-TES en binnen diverse andere structuren voor projecten in verband met het beroep. Ook buiten de beroepsgroep heeft de kandidate zich ingezet voor verschillende sociale projecten. De kandidate weet goed te overtuigen van de vereiste organisatorische vaardigheden en inzichten om als gerechtsdeurwaarder-titularis de leiding van een kantoor op zich te nemen. Zij neemt de volledige operationele en financiële verantwoordelijkheid op zich van het gerechtsdeurwaarderskantoor waarbinnen zij thans actief is. Zij is tevens reeds geruime tijd betrokken bij de uitrol van nieuwe projecten binnen het kantoor, staat in voor de begeleiding van de stagiairs en voor de opleiding van de medewerkers van het kantoor. Vanuit de voormelde ervaring heeft de kandidate een goed beeld van de dagelijkse verantwoordelijkheden en de diverse aspecten die inherent zijn aan de leiding van een kantoor. Dockers Karolien heeft ook een afdoend beeld van de kostenstructuur van een kantoor, alsmede van de financiële implicaties verbonden aan de opstart van een eigen kantoor, waar zij het totale kostenplaatje irrealistisch hoog inschat. Op het vlak van technisch-juridische kennis behaalt Dockers Karolien de zeer goede score van 13,33/20. Gedurende de hoorzitting wist de kandidate dit niveau van kennis min of meer te bevestigen. Zo wist zij de meeste juridische vragen die haar werden voorgelegd adequaat te duiden, waarbij zij vlot kon terugkoppelen naar de praktijk. De kandidate gaf evenwel aan nog niet de tijd gevonden te hebben om de nieuwe vennootschapswetgeving door te nemen en kon vragen met betrekking tot het nieuwe woninghuurdecreet niet accuraat beantwoorden. Ze wist een betekening aan een vereniging van mede-eigenaars niet correct uit te voeren. Uit het dossier blijkt dat de kandidate een grote aandacht heeft voor opleiding en permanente vorming. De kandidate is tevens (mede-)auteur van diverse publicaties en verleende actief haar medewerking aan opleidingen. Bijscholing beschouwt zij als een must voor een gedegen uitoefening van het beroep. Uit het dossier blijkt dat de kandidate reeds deelnam aan opleidingen vóór de hervorming van het statuut. IX-9665-8/40 De kandidate beschikt over een goede visie op het ambt van gerechtsdeurwaarder. Zij reikt interessante ideeën aan inzake de problematiek van de eventuele pensionering op 70 jaar en inzake de contacten met de sociale sector. Wat dit laatste aspect betreft wijst de kandidate op de noodzaak tot aanpassing van de bestaande overlegstructuren met de sociale partners, daar op heden vele initiatieven ten behoeve van de debiteur stranden door een gebrek aan medewerking vanwege sommige sociale partners. De commissie is van oordeel dat de kandidate goed beantwoordt aan alle vooropgestelde criteria om het vacante ambt van gerechtsdeurwaarder- titularis op zich te nemen en rangschikt haar als derde kandidaat voor deze vacante plaats. Zij getuigt van zeer sterke organisatorische vaardigheden en van een goede juridische basis en kan terugblikken op een gediversifieerde professionele ervaring, met een gezonde mix tussen de diverse activiteiten van de gerechtsdeurwaarder. De kandidate weet tevens te overtuigen van een degelijke visie op het ambt en van goede sociale vaardigheden. Hoewel de commissie aandacht heeft voor het zeer goede resultaat van de kandidate op de schriftelijke bevraging, is zij van oordeel dat de eerste en tweede gerangschikte kandidaat zich op heden van haar onderscheiden door hun ruimere professionele ervaring, alsmede doordat zij gedurende de hoorzitting nog meer blijk gaven van een up-to-date parate kennis en door hun nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder. Hoewel de kandidate ook op dit laatste vlak goed voor de dag komt, konden de eerste en tweede gerangschikte kandidaten met beduidend hogere anciënniteit gedurende de hoorzitting een meer (zowel naar inhoud als naar presentatie) overtuigend discours houden wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder. De eerste en de tweede gerangschikte kandidaten hebben tevens een grotere affiniteit met de regio alwaar de thans vacante plaats dient begeven te worden.” 3.11. Bij koninklijk besluit van 10 oktober 2019 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder. Dat is het eerste bestreden besluit. 3.12. Bij ministerieel besluit van 26 november 2019 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Oostende. Dat is het tweede bestreden besluit. IV. Onderzoek van het enige middel IX-9665-9/40 Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 512, § 7, GerW, artikel 1 van en de bijlage bij het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 ‘tot goedkeuring van de in artikel 512, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst van uniforme evaluatiecriteria’ (“koninklijk besluit van 30 augustus 2016”), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdruk- kelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In het eerste onderdeel van het middel betoogt verzoekster dat de benoemingscommissie tijdens de eerste stap van de selectieprocedure een selectie van de kandidaten heeft gemaakt door het toetsen van het evaluatiecriterium ‘kennis’, waarover zij uitdrukkelijk heeft gesteld dat het van “essentieel belang” is voor de uitoefening van het beroep. Meer specifiek zijn tijdens een schriftelijke proef de ‘kennis van de gerechtelijke procedures en regels’ en de ‘kennis van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder’ – de evaluatiecriteria 4a en 4b van het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 – beoordeeld. Over evaluatiecriterium 4c ‘wetenschappelijke vorming (gevolgd en gegeven) en verdiensten (bijvoorbeeld publicaties)’ heeft de benoemingscommissie immers te kennen gegeven dat het zou worden beoordeeld tijdens het horen van de kandidaten in de tweede stap van de selectieprocedure. Weliswaar is tijdens de eerste stap van de selectieprocedure ook nog rekening gehouden met het evaluatiecriterium ‘duur van de globale ervaring’, maar daarover heeft de benoemingscommissie gesteld dat het slechts een “onrechtstreekse indicator” betreft, die “uitsluitend berust op een vermoeden, m.n. dat elke kandidaat extra relevante kennis verwerft naarmate de beroepservaring toeneemt”. De benoemingscommissie geeft aldus uitdrukkelijk te kennen dat beroepservaring slechts een vermoeden van kennis kan opleveren, hetgeen impliceert dat dit vermoeden ook kan worden weerlegd. Daarbij kan niet IX-9665-10/40 worden betwist dat de schriftelijke proef belangrijke informatie oplevert over de aanwezigheid van kennis. Die eerste stap van de selectie heeft geresulteerd in een rangschikking waarbij verzoekster als tweede is gerangschikt, vóór de tussen- komende partij (derde) en FR (vijfde). Vervolgens heeft de benoemingscommissie tijdens de tweede stap van de selectieprocedure – de hoorzitting – geoordeeld dat FR zijn kennisniveau in positieve zin heeft bijgesteld. Niettemin scoort FR wat betreft het kennisniveau nog steeds lager dan de tussenkomende partij aangezien de benoemingscommissie overweegt dat de tussenkomende partij zich van FR onderscheidt door haar “nog betere kennis van de juridische regels en van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder”. Voorts oordeelt de benoemingscommissie dat de tussenkomende partij haar kennisniveau heeft bevestigd en dat ook verzoekster haar kennisniveau heeft gehandhaafd. Er moet dan ook worden aangenomen dat de rangschikking van de kandidaten, wat betreft het kennisniveau, gehandhaafd blijft. Niettemin rangschikt de benoemingscommissie verzoekster vervolgens pas als derde, na de tussenkomende partij en FR, waarbij er in de motivering in de eerste plaats wordt verwezen naar de “ruimere professionele ervaring” van de tussenkomende partij en FR. Voorts wordt er ook verwezen naar hun “up-to-date parate kennis” en “hun nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder”. Volgens verzoekster is deze handelwijze volstrekt onwettig omwille van de volgende redenen: - De benoemingscommissie heeft te kennen gegeven dat het criterium ‘professionele ervaring’ slechts een “onrechtstreekse indicator” is, die “uitsluitend berust op een vermoeden, m.n. dat elke kandidaat extra relevante kennis verwerft naarmate de beroepservaring toeneemt”. In casu wordt dit vermoeden tegengesproken door het gunstiger resultaat van verzoekster voor de schriftelijke proef, waarbij haar rangschikking ingevolge de hoorzitting niet is gewijzigd. Niettemin wordt de rangschikking van de kandidaten na de schriftelijke proef toch bijgesteld en dit niet op grond van een beoordeling van evaluatiecriterium 4c, maar alsnog op grond van de duur van de ervaring van de kandidaten, zijnde het criterium dat de beroepscommissie uitdrukkelijk ondergeschikt heeft gemaakt aan het criterium ‘kennis’ zoals bevraagd in de IX-9665-11/40 schriftelijke proef. Er is derhalve een tegenstrijdigheid in de motieven van de benoemingscommissie aangezien een criterium in de eerste stap van de selectieprocedure sterk wordt gerelativeerd om dan plots in de tweede stap doorslaggevend te worden en zelfs te primeren op het criterium ‘kennis’ dat tijdens de eerste stap primordiaal werd geacht. Hoewel de verwerende partij enige vrijheid heeft in het belang dat zij aan bepaalde criteria hecht, dient zij wel consequent te zijn in de keuzes die zij op dat punt maakt. Zij kan niet plots een ander belang aan bepaalde criteria toekennen, ook niet wanneer de selectie in twee stappen gebeurt. Verzoekster verwijst dienaangaande naar arrest nr. 208.050 van 11 oktober 2010. Voorts meent zij dat doordat een criterium eerst op de ene manier wordt toegepast en vervolgens op een andere, ook de objectiviteit van de procedure wordt tenietgedaan waardoor het gelijkheidsbeginsel wordt miskend. - Het criterium ‘ruimere beroepservaring’ is uit zijn aard minder geschikt om de kandidaten te beoordelen. Dit blijkt zowel uit de motivering van de benoemingscommissie, als uit de rechtspraak van de Raad van State in arrest nr. 208.048 van 11 oktober 2010. De primauteit van de ‘ruimere beroepservaring’ op de daadwerkelijke kennis van de kandidaten is dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in het openbaar ambt. - In strijd met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie – dat een objectieve beoordeling van de kandidaten vereist – worden op basis van het horen van de kandidaten nog wijzigingen aangebracht aan de in hoofde van de kandidaten in aanmerking genomen kennis bedoeld in de selectiecriteria 4a en 4b van het koninklijk besluit van 30 augustus 2016. Aan alle kandidaten zijn vragen gesteld waarbij opnieuw naar de kennis is gepeild. Verzoekster heeft van beide benoemde kandidaten na de hoorzitting vernomen dat ook zij op heel wat vragen niet konden antwoorden. In het advies van de benoemingscommissie kan daarover nauwelijks iets worden gelezen. Er wordt slechts op algemene en vage wijze overwogen dat FR erin slaagt “de door hem behaalde score naar boven toe bij te sturen”, dat de tussenkomende partij haar “niveau van kennis zonder enige twijfel [weet] te bevestigen” en dat verzoekster haar “niveau van kennis min of meer [wist] te bevestigen”. Zoals reeds uiteengezet noopt een logische analyse van de beslissing van de benoemingscommissie tot het besluit dat het IX-9665-12/40 kennisniveau van verzoekster nog altijd hoger was dan dat van de andere twee gerangschikten. Maar zelfs indien de beslissing zo moet worden gelezen dat het kennisniveau van de beide andere kandidaten hoger moet worden ingeschat, is de handelwijze van de benoemingscommissie strijdig met het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, omdat op basis van niet-objectieve en niet- objectiveerbare indrukken wordt voorbijgegaan aan een zeer duidelijk en objectief examenresultaat. Verzoekster verwijst in dat verband naar advies 53.258/3 van 5 juni 2013 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het voorontwerp van wet tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 2937/1, 66) waarin erop wordt gewezen dat een vergelijkend examen bij uitstek het middel is om de objectiviteit van de benoemingen te waarborgen en dat indien de benoemende overheid op grond van een eigen appreciatie kan afwijken van een op basis van objectieve criteria vastgestelde rangschikking, de benoeming niet meer steunt op een geheel objectief en eenduidig criterium in welk geval op de benoemende overheid een uitgebreide motiveringsplicht rust. Volgens verzoekster is het evident dat het voorbijgaan aan de duidelijke resultaten van een vergelijkend examen op grond van vage en niet-objectieve overwegingen inzake de kennis van de kandidaten in strijd is met het gelijkheidsbeginsel inzake de benoemingen in openbare ambten. Bovendien is in casu niet voldaan aan de ruimere motiverings- plicht die geldt indien wordt afgeweken van de resultaten van een vergelijkend examen. - In strijd met artikel 512, § 7, GerW iuncto artikel 1 van en de bijlage bij het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 en het zorgvuldigheidsbeginsel is evaluatiecriterium 4c – een zeer objectief criterium aangezien de hoeveelheid vorming en publicaties met elkaar kunnen worden vergeleken en waarvoor verzoekster met kop en schouders uitsteekt boven de andere twee kandidaten – niet (volwaardig) bij de beoordeling van de kandidaten betrokken. Inzake de tussenkomende partij wordt hierover louter vermeld dat “[u]it het dossier blijkt dat de kandidaat reeds deelnam aan opleidingen vóór de hervorming van het statuut”. Wat FR betreft, wordt hierover zelfs met geen woord gerept. Niet alleen wordt een verplicht bij de beoordeling te betrekken criterium niet voor elke IX-9665-13/40 kandidaat beoordeeld, het uitsluitend aandacht besteden aan elementen die positief worden beoordeeld – waarbij de negatieve elementen worden genegeerd – is ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts is de motivering van de beslissing van de benoemingscommissie ook op dit punt tegenstrijdig aangezien zij uitdrukkelijk te kennen had gegeven rekening te zullen houden met dit criterium in de tweede stap van de selectieprocedure, hetgeen zij dan niet volwaardig doet. Dit klemt des te meer omdat in de overwegingen van de benoemingscommissie waarin zij te kennen geeft waarom de voorkeur wordt gegeven aan de andere kandidaten boven verzoekster met geen woord wordt gerept over de veel betere score van verzoekster voor evaluatiecriterium 4c. - Dat de andere kandidaten “gedurende de hoorzitting nog meer blijk gaven van een up-to-date parate kennis” is geen afdoende motivering om voorbij te gaan aan de aanzienlijk hogere en objectief vaststelbare scores op alle aspecten van het evaluatiecriterium ‘kennis’ – 4a, 4b en 4c – in hoofde van verzoekster. De motivering “[d]e kandidate gaf evenwel aan nog niet de tijd gevonden te hebben om de nieuwe vennootschapswetgeving door te nemen en kon vragen met betrekking tot het nieuwe woninghuurdecreet niet accuraat beantwoorden” verandert daar niets aan, temeer daar de nieuwe vennootschapswetgeving toen nog niet in werking was getreden. Bovendien wordt in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geen aandacht besteed aan de vragen gesteld op de hoorzitting die de andere kandidaten niet konden beantwoorden. - Het motief dat de andere kandidaten zich ook onderscheiden “door hun nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder” kan, na de hiervóór aangetoonde onwettigheden die zijn begaan met betrekking tot de beoordeling van het criterium ‘kennis’, de bestreden benoemingsbeslissing onmogelijk afdoende dragen. De benoemingscommissie heeft immers duidelijk te kennen gegeven dat kennis het meest essentiële criterium in haar beoordeling is. Bovendien is het criterium ‘sociale vaardigheden’ – dat slechts is getoetst tijdens het horen van de kandidaten – veel minder objectiveerbaar dan de schriftelijke proef en het duidelijk kwantificeerbare criterium 4c. Minstens zou een zeer omstandige motivering IX-9665-14/40 moeten worden gegeven om op die basis voorbij te gaan aan de objectief vaststelbare grotere kwaliteiten van verzoekster. Uit de motivering blijkt bovendien dat het verschil tussen verzoekster en de andere twee kandidaten wat dit aspect betreft helemaal niet zo groot was aangezien wordt overwogen dat verzoekster “ook op dit laatste vlak goed voor de dag komt”. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoekster aan dat de tweede bestreden beslissing een gevolgakte is van de eerste bestreden beslissing en er haar rechtsgrond in vindt. De tweede bestreden beslissing is dan ook behept met dezelfde onwettigheid als de eerste bestreden beslissing en moet eveneens worden vernietigd. 5. In de memorie van wederantwoord weerspreekt verzoekster puntsgewijs een aantal argumenten van de verwerende partij en de tussenkomende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel: - Ten onrechte verwijzen de verwerende partij en de tussenkomende partij naar minpunten die in hoofde van verzoekster zouden zijn vastgesteld en zouden verantwoorden waarom zij lager is gerangschikt dan de tussenkomende partij en FR. Het betreft manifest onjuiste beweringen die berusten op een verkeerde lezing van de beslissing van de benoemingscommissie. In zoverre de verwerende partij verwijst naar het feit dat verzoekster het totale kostenplaatje van een kantoor irrealistisch hoog inschat, focust zij ten onrechte op een zeer beperkt deelaspect van de overwegingen van de benoemingscommissie. De benoemingscommissie heeft immers geoordeeld dat verzoekster een afdoend beeld heeft van de kostenstructuur van een eigen kantoor, alsmede van de financiële implicaties verbonden aan de opstart van een eigen kantoor. Bovendien wordt niet ingezien waarom het feit dat zij het kostenplaatje irrealistisch hoog inschat als negatief moet worden beschouwd. Het blijkt ook niet dat de benoemingscommissie dit element als belangrijk, laat staan als doorslaggevend, heeft beschouwd. Ook de bewering dat de benoemingscommissie zou hebben geoordeeld dat de juridische kennis van verzoekster onvoldoende up to date was, is onjuist. Uit de beslissing van de benoemingscommissie blijkt het tegendeel. IX-9665-15/40 Dat de tussenkomende partij en FR “nog meer blijk gaven van een up-to-date parate kennis” doet hieraan geen afbreuk en toont geenszins aan dat de kennis van verzoekster niet up to date was. Verzoekster herhaalt dat het wetboek van vennootschappen waarvan sprake is in de beslissing van de commissie tijdens de hoorzitting nog niet in werking was getreden en dat zij nog tijd had om haar kennis daarvan bij te schaven. Met dat element kan dan ook geen rekening worden gehouden. Dat de benoemingscommissie wijst op verzoeksters gebrek aan kennis van het woninghuurdecreet en het nieuwe wetboek van vennootschappen, doet geen afbreuk aan het feit dat zij merkelijk hoger scoorde op de schriftelijke proef dan de tussenkomende partij. Er kan niet worden aanvaard dat aan de objectieve resultaten van de schriftelijke proef wordt voorbijgegaan op basis van de zeer beperkte indrukken van een hoorzitting. - Het verweer dat het criterium ‘kennis’ niet primordiaal is en dat de ervaring als kandidaat-gerechtsdeurwaarder even belangrijk is, mist elke grondslag. Uit de beslissing van de benoemingscommissie blijkt duidelijk dat beroepservaring ondergeschikt is verklaard aan werkelijke parate kennis, als een bijkomende mogelijke indicator van de essentieel geachte kennis. Ook uit de criteria die gebruikt zijn om de zes te horen kandidaten te selecteren blijkt dat de werkelijke parate kennis in de eerste stap van de selectieprocedure bovengeschikt was aan de beroepservaring. Dit is ook niet verwonderlijk. Het is vooral in de eerste jaren van zijn carrière dat een kandidaat exponentieel veel bijleert door het opdoen van beroepservaring. Als alle kandidaten al een redelijke hoeveelheid ervaring hebben, moet dit criterium aan belang inboeten. Te dezen heeft de benoemde kandidaat twintig jaar ervaring en verzoekster dertien. Na meer dan tien jaar beroepservaring zijn de verschillen op vlak van ervaringsopbouw niet meer zo groot, zeker wanneer uit de schriftelijke proef blijkt dat verzoekster in die enigszins kortere periode duidelijk meer kennis heeft vergaard, hetgeen overigens ook blijkt uit het aanzienlijk groter aantal gevolgde opleidingen en cursussen. - Verzoekster beweert niet dat enkel kennis en beroepservaring in rekening mochten worden gebracht tijdens de tweede stap van de selectieprocedure. Zij voert enkel aan dat het onmogelijk is om iemand met een ruimere beroepservaring zonder meer hoger te rangschikken dan iemand met een IX-9665-16/40 beperktere beroepservaring die merkelijk hoger scoorde op de schriftelijke proef. Dit zou een inbreuk vormen op de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien de benoemende overheid tijdens eenzelfde benoemingsprocedure geen verschillend belang mag hechten aan de vooropgestelde criteria, ook niet indien de procedure in twee stappen verloopt. Geenszins beweert verzoekster dat enkel met deze twee criteria rekening mocht worden gehouden. - Evenmin tracht verzoekster de andere beoordelingscriteria te minimaliseren of meent zij dat ze buiten beschouwing moeten worden gelaten. Zij voert enkel aan dat de verwerende partij aan het criterium ‘beroepservaring’ niet méér waarde mag toekennen dan aan het criterium ‘kennis’ wanneer verzoekster daarvoor merkelijk beter scoort dan de tussenkomende partij en FR. Op bepaalde andere, minder objectieve, criteria scoort verzoekster dan wel iets minder dan de tussenkomende partij en FR, maar nooit slecht. Daarentegen scoort zij wel zeer goed op de schriftelijke proef en het criterium ‘wetenschappelijke vorming en verdiensten’. Daarmee is echter nauwelijks rekening gehouden. Dat de tussenkomende partij ook aan tientallen opleidingen heeft deelgenomen, doet geen afbreuk aan het feit dat verzoekster nog merkelijk meer opleidingen heeft gevolgd en gegeven. Indien al deze criteria in hun geheel worden genomen, ziet verzoekster niet in waarom zij slechts als derde is gerangschikt. - De verwerende partij betwist ten onrechte dat verzoekster het beste scoort voor het beoordelingscriterium ‘kennis’. Tijdens de hoorzitting bevestigden de tussenkomende partij en verzoekster elk hun kennisniveau; bijgevolg kan er niet worden betwist dat verzoekster hoger scoort voor het criterium ‘kennis’. - De stelling dat de evaluatie in de schriftelijke proef slechts beperkt was, kan niet worden bijgevallen. De schriftelijke proef heeft op een objectieve, grondige en afdoende wijze gepeild naar het kennisniveau van de kandidaten. Bovendien geeft de verwerende partij in de bestreden benoemingsbeslissing zelf te kennen dat de enige objectieve wijze om te peilen naar het kennisniveau van de kandidaten een schriftelijke proef is. Hieruit blijkt dat er slechts een beperkte waarde kan worden gehecht aan de mondelinge ondervragingen tijdens de hoorzitting. De vaststellingen in dat verband zijn niet op een objectieve wijze IX-9665-17/40 gebeurd. Dit blijkt des te meer uit het feit dat er geen verslag of proces-verbaal is opgesteld van de hoorzitting, of dat dit minstens niet aan het administratief dossier is toegevoegd. Dit is in strijd met de hoorplicht. Het is immers de taak van de instantie die hoort om de mondelinge uitleg op te nemen in een proces- verbaal. Dit moet ook gebeuren bij afwezigheid van een uitdrukkelijk voorschrift, aangezien het als bewijs kan dienen van het feit dat de hoorplicht is gerespecteerd. De verwerende partij beperkt zich in de bestreden benoemingsbeslissing tot de weergave van de eigen interpretatie van de hoorzitting door de benoemingscommissie. Er wordt niet ingegaan op de vragen die verzoekster al dan niet zou hebben kunnen beantwoorden, noch wordt te kennen gegeven op welke vragen de tussenkomende partij niet of onvolledig heeft kunnen antwoorden. De tussenkomende partij kan dan ook niet dienstig stellen dat er geen bewijs wordt geleverd van het feit dat zij en FR op bepaalde vragen niet hebben kunnen antwoorden. Het valt aan de verwerende partij toe om dit bewijs bij te brengen. Indien zij hiertoe in gebreke blijft, dient de Raad van State de aangehaalde feiten als waar te beschouwen. - De verwerende partij beweert ten onrechte dat verzoekster de schriftelijke proef gelijk zou stellen met een vergelijkend examen. Verzoekster heeft enkel aan- gevoerd dat wanneer er, zoals in casu, geen gebruik wordt gemaakt van vergelijkende examens, er een uitgebreide motiveringsplicht geldt. - Het feit dat de tussenkomende partij heeft deelgenomen aan opleidingen en lid is van de conferentie der Vlaamse gerechtsdeurwaarders en het NVKSG doet geen afbreuk aan het feit dat verzoekster aanzienlijk meer opleidingen heeft gevolgd dan de tussenkomende partij. In de bestreden benoemingsbeslissing wordt hierover met geen woord gerept. Hieruit blijkt des te meer dat de benoemingscommissie evaluatiecriterium 4c niet bij haar beoordeling heeft betrokken. De verwijzing naar de situatie van FR is bedoeld om aan te tonen dat zelfs bij een nog groter verschil er geen rekening is gehouden met dit criterium. 6. In haar laatste memorie formuleert verzoekster voorafgaandelijk twee opmerkingen: IX-9665-18/40 - Een eerste opmerking betreft het feit dat haar grieven niet geïsoleerd mogen worden onderzocht, maar als geheel moeten worden beoordeeld. Verzoekster vat haar argumenten en de samenhang daartussen nog eens samen. Volgens verzoekster noopt een analyse van dat geheel van kritieken en subkritieken tot het besluit dat er onvoldoende motieven in de bestreden benoemingsbeslissing terug te vinden zijn die verklaren waarom aan haar objectief vastgestelde grotere aanspraken voorbij wordt gegaan. - Een tweede opmerking heeft betrekking op de uniforme evaluatiecriteria en de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij. Volgens verzoekster moet worden aangenomen dat de uniforme evaluatiecriteria een minimumbeoordeling veronderstellen. Dit betekent dat de benoemingscommissie al die criteria in de weegschaal moet leggen en niet zomaar een criterium kan negeren. Binnen die grenzen heeft de benoemingscommissie dan een zekere discretionaire bevoegdheid om te beoordelen welk belang zij aan de diverse criteria hecht, die evenwel wordt begrensd door de redelijkheid en de zorgvuldigheid. Daarnaast moet de benoemingscommissie ook consequent zijn en kan zij niet eerst het belang van een bepaald criterium relativeren om het in een volgende stap van de selectie doorslaggevend te laten worden, zoals in casu is gebeurd met de duur van de beroepsanciënniteit. Vervolgens gaat verzoekster meer in detail in op haar verschillende argumenten: - Inzake de aangevoerde tegenstrijdigheid in de motieven doordat in de tweede stap van de selectie de duur van de beroepservaring doorslaggevend wordt geacht, stelt verzoekster dat uit de gehanteerde methode om de kandidaten te selecteren die gehoord zullen worden, niet kan worden afgeleid dat de benoemingscommissie van oordeel was dat de daadwerkelijke kennis die blijkt uit de schriftelijke proef niet doorslaggevender is dan de vermoede kennis die blijkt uit het aantal jaren beroepservaring. Dat een grotere beroepsanciënniteit toch een uitnodiging voor een gesprek kan opleveren, kan niet de uitdrukkelijke overwegingen van de benoemingscommissie ondergraven dat beroepservaring, wat kennis betreft, slechts een vermoeden van kennis kan behelzen en dat een IX-9665-19/40 praktische proef een betere indicator is van die kennis. Bovendien is het gehanteerde selectiesysteem ook van die evidentie doordrongen: er wordt een aanzienlijk groter gewicht toegekend aan bewezen kennis dan aan vermoede kennis. Zo is het perfect mogelijk om van zodra aan de wettelijke minimumvoorwaarde van vijf jaar beroepservaring is voldaan een uitnodiging voor de hoorzitting in de wacht te slepen als een daadwerkelijke kennis van minstens 10/20 voor de schriftelijke proef wordt aangetoond. Daarbij geldt geen beperking qua aantal kandidaten. Het omgekeerde kan niet. Een 0-score op de schriftelijke proef kan nooit leiden tot een uitnodiging voor de hoorzitting, ongeacht het aantal jaren ervaring. Minstens is 8/20 vereist, wat slechts twee punten minder is dan de score die nodig is om sowieso te worden uitgenodigd. Bovendien is het aantal kandidaten dat op beroepservaring kan worden geselecteerd, beperkt tot vijf. Voorts betoogt verzoekster dat de stelling dat de duur van de beroepservaring niet alleen een maatstaf is voor kennis, maar ook voor kunde en attitude – aspecten waarvan de benoemingscommissie te kennen had gegeven dat ze zouden worden onderzocht tijdens de tweede stap van de selectieprocedure – niet dienstig is. In het middel is immers aangevoerd dat dit niet is gebeurd en dat de benoemingscommissie de tussenkomende partij voor verzoekster heeft gerangschikt omwille van de “ruimere professionele ervaring”, wat enkel kan slaan op de duur van de ervaring, aangezien de aard van de ervaring bij alle kandidaten divers is. Uit niets blijkt dat de attitude of kunde van de tussenkomende partij groter zou zijn – waarbij het niet kan gaan om sociale attitude aangezien dit een afzonderlijk beoordelingsaspect is – laat staan dat dit een motief zou zijn om verzoekster lager te rangschikken. In de bestreden benoemingsbeslissing wordt trouwens letterlijk overwogen dat het de duur van de anciënniteit is die wordt aangewend om de tussenkomende partij boven verzoekster te rangschikken. Verzoekster besluit dat het aspect ‘duur van de beroepservaring’ in de eerste stap van de selectieprocedure sterk is genuanceerd door de benoemingscommissie ten opzichte van de bewezen kennis, maar vervolgens doorslaggevend is geworden in de tweede stap van de selectieprocedure. IX-9665-20/40 - Dat de beroepservaring ook een uniform evaluatiecriterium is, acht verzoekster niet relevant. De benoemingscommissie heeft dan wel een zekere vrijheid om gewicht toe te kennen aan bepaalde criteria, zij moet consequent zijn zowel in de tijd als ten aanzien van alle kandidaten, hetgeen in casu niet is gebeurd. - Inzake de toepassing en de toetsing van het kenniscriterium handhaaft verzoekster dat de rangschikking volgens de schriftelijke proef na de hoorzitting blijft gehandhaafd. Dat zij enkele vragen van de benoemingscommissie niet kon beantwoorden, doet volgens verzoekster geen afbreuk aan die conclusie. Het stellen van vragen zonder dat ook maar ergens uit blijkt hoeveel vragen elke kandidaat kreeg en wat zijn antwoorden daarop waren, zorgt ervoor dat dit alles onmogelijk kwantificeerbaar is. Wanneer dan de overwegingen van de benoemingscommissie worden bekeken, kan onmogelijk worden beweerd dat de tussenkomende partij beter zou hebben gescoord op de evaluatiecriteria 4a en 4b. Dat is niet duidelijk en een ernstige aanfluiting van de objectiviteit en dit terwijl de benoemingscommissie de schriftelijke proef heeft ingesteld ter objectivering van de bevraging van de kennis in hoofde van de kandidaten. Indien de benoemingscommissie wil voorbijgaan aan de grotere aanspraken van verzoekster die cijfermatig blijken uit de schriftelijke proef, moet daar een omstandige motivering voor worden gegeven. Dit is in casu niet het geval. Verzoeksters betere resultaat op de schriftelijke proef wordt terzijde geschoven met een reeks niet-gekwantificeerde en zelfs niet-genotuleerde vragen. Er is geen transcriptie van de hoorzitting voorhanden. Dit is overigens geen laattijdige kritiek aangezien dit pas kon worden vastgesteld na de raadpleging van het administratief dossier waaruit is gebleken dat de inhoudelijke vragen die aan de kandidaten zijn gesteld niet zijn genotuleerd, net zomin als de antwoorden daarop. Dit toont het manifest gebrek aan objectiviteit van de procedure aan. In elk geval moet worden aanvaard dat als er geen schriftelijke neerslag is van de gestelde vragen, verzoeksters bewering dat ook de andere kandidaten heel wat vragen niet konden beantwoorden correct is. Indien het administratief dossier onvolledig is, moeten de door verzoekster aangehaalde feiten die niet door enig stuk van het dossier worden tegengesproken, als bewezen worden geacht. De bewijslast mag wat dit punt betreft niet bij verzoekster worden gelegd. Het is niet IX-9665-21/40 aan haar om te bewijzen dat er iets schortte aan de evaluatie van de mondelinge vragen, maar aan de verwerende partij om duidelijk te maken, minstens afdoende te motiveren, waarom er op basis van die vragen een minder voor de hand liggende beslissing is genomen. Daar slaagt de verwerende partij niet in. - Inzake subcriterium 4c betoogt verzoekster dat de duur van de beroepsanciënniteit en zeer vage, volstrekt niet kwantificeerbare bijsturingen inzake kennis de balans niet in haar nadeel konden doen uitslaan. Ook de overwegingen inzake de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder lijken daar onvoldoende zwaarwichtig voor: uit de motivering van de bestreden benoemingsbeslissing blijkt immers dat het verschil klein is. Dan is het uitermate relevant dat een aspect dat de balans in het voordeel van verzoekster zou kunnen doen uitslaan of in haar voordeel behouden – criterium 4c – niet bij de beoordeling is betrokken. Dat de benoemende overheid een discretionaire bevoegdheid heeft, belet niet dat zij verplicht is om rekening te houden met dit evaluatiecriterium. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat verzoekster geen belang zou hebben bij dit argument omdat uit de bestreden benoemingsbeslissing zou blijken dat zij het op andere punten niet haalt. Een beoordeling van alle uniforme evaluatiecriteria is vereist. - Inzake het criterium sociale vaardigheden stelt verzoekster dat zij geenszins moet aantonen dat zij hiervoor beter scoort dan de andere partijen. Zij heeft immers aangevoerd dat dit aspect onmogelijk op zich kan aantonen waarom zij plots onder de tussenkomende partij wordt gerangschikt, niet in het minst omdat eerst is aangetoond dat het eerste motief daartoe – de grotere beroepservaring – onwettig is gebruikt. Daarbij is erop gewezen dat het criterium een minder objectiveerbaar gegeven is. Daarmee wordt niet bedoeld dat er geen rekening mee moet worden gehouden, maar wel dat het niet evident is om op basis daarvan zeer objectiveerbare gegevens te overrulen, zeker indien de benoemingscommissie die objectiveerbare gegevens primordiaal heeft genoemd. Bovendien blijkt uit de bestreden benoemingsbeslissing dat het verschil tussen de kandidaten op dit punt niet zo groot is aangezien over verzoekster wordt vermeld dat zij op dit vlak “goed voor de dag komt”. IX-9665-22/40 Beoordeling a. ontvankelijkheid 7. Het eerste onderdeel van het middel is onontvankelijk in zoverre verzoekster de schending aanvoert van artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 augustus 2016. Verzoekster verduidelijkt immers niet op welke wijze voornoemd artikel 1, dat bepaalt dat “[d]e lijst van de uniforme evaluatiecriteria bedoeld in artikel 512, § 7, van het Gerechtelijk wetboek, die werd opgesteld door de verenigde benoemingscommissie voor gerechtsdeurwaarders en die als bijlage bij dit besluit is gevoegd, […] goedgekeurd [wordt]”, door de bestreden besluiten wordt miskend. 8. Voorts heeft verzoekster geen belang bij het eerste onderdeel van het middel in zoverre zij de beoordeling van FR bekritiseert, aangezien deze kritiek niet tot de nietigverklaring van de bestreden benoeming van de tussenkomende partij kan leiden. b. gegrondheid 9. Verzoekster betwist in wezen drie motieven op grond waarvan de benoemingscommissie de tussenkomende partij hoger rangschikt. Het betreft haar “ruimere professionele ervaring”, het feit dat zij tijdens de hoorzitting “nog meer blijk [gaf] van een up-to-date parate kennis” en haar “nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder”. 10. Inzake de ruimere professionele ervaring stelt verzoekster dat de motieven van de beslissing van de benoemingscommissie tegenstrijdig zijn aangezien het criterium ‘beroepservaring’ in de eerste stap van de selectieprocedure sterk wordt gerelativeerd, terwijl het in de tweede stap plots IX-9665-23/40 doorslaggevend wordt en zelfs primeert op het criterium ‘kennis’ dat tijdens de eerste stap primordiaal werd geacht. 11. Omtrent de gehanteerde criteria voor het selecteren van de kandidaten die, zonder zelf daarom te verzoeken, in aanmerking komen om gehoord te worden in de tweede stap van de selectieprocedure overweegt de benoemingscommissie: “Gelet op het criterium anciënniteit/professionele ervaring in de functie als één van de uniforme evaluatiecriteria. Aangezien de (duur van
- de)ervaring als kandidaat-gerechtsdeurwaarder een belangrijk criterium is dat in aanmerking moet worden genomen bij de selectie van een groep te horen kandidaten. Dat in dit eerste stadium echter nog geen voorkeur dient te worden gegeven aan een kandidaat op basis van de duur van zijn/haar professionele ervaring in het arrondissement van de vacante plaats. Dat dit ook geldt voor de aard en/of de inhoud van elke professionele ervaring, waarover beraadslaagd kan worden. Aangezien het, gelet op de ervaring met de beroepspraktijk, aannemelijk en dus niet onredelijk is aan te nemen dat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder met meer jaren effectieve activiteit als kandidaat-gerechtsdeurwaarder dan een andere kandidaat, nog meer over de vereiste bagage beschikt (attitude, kennis en kunde) om als (eind)verantwoordelijke de dagelijkse en goede uitoefening van het ambt te kunnen verzekeren als titularis. Dat hij bijgevolg bevoordeeld is ten aanzien van de overige kandidaat- gerechtsdeurwaarders met minder ervaring. Dat bij het bepalen van de lijst van te horen kandidaten, een richtlijn betreffende de kandidaten met de best behaalde resultaten op de schriftelijke proef degenen die meer ervaring hebben niet in absolute zin mag diskwalificeren voor de hoorzitting. Teneinde het criterium van de algemene beroepservaring objectief te beoordelen en na de kandidaturen in aanmerking te hebben genomen en te hebben vergeleken, besluit de benoemingscommissie om deze richtlijnen aan te houden: - Voor de berekening van de duur van de algemene beroepservaring, […] - De vijf kandidaat-gerechtsdeurwaarders met het grootst aantal jaren beroepservaring op hun naam en voor zover zij minimaal 8/20 scoren op de schriftelijke evaluatie zullen geselecteerd worden voor de hoorzittingen. In het geval dat verschillende kandidaat-gerechtsdeurwaarders, gesorteerd onder de eerste 5, over een gelijk aantal jaren beroepservaring beschikken, zullen ze allemaal opgeroepen worden, voor de hoorzittingen. Gelet op het criterium van de kennis, en meer bepaald kennis van de gerechtelijke procedures en regels van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder, als één van de uniforme en objectieve IX-9665-24/40 evaluatiecriteria. Overwegende dat het noodzakelijk is dat een titularis-gerechtsdeurwaarder van meet af aan bepaalde zaken kent die fundamenteel zijn om als (eind)verantwoordelijke in te kunnen staan voor de dagelijkse en goede uitoefening van het ambt. Dat het gaat om de parate kennis die een kandidaat eigen moet zijn, wil hij in aanmerking komen voor een benoeming tot titularis- gerechtsdeurwaarder. Dat een criterium als (praktijk)kennis algemeen aanvaard is als grondslag voor de vergelijking bij de afweging van verschillende kandidaturen voor een openbare betrekking. Dat het, gezien de onderzoekplicht van de benoemingscommissie, dan ook nodig is om, naast de vermoedelijke kennis gelet op het aantal jaren algemene beroepservaring, ook de werkelijke parate kennis van elk van de kandidaten rechtstreeks te onderzoeken terwijl geen enkel onderdeel van het ingediende dossier een objectieve evaluatie van het niveau van de kennis toelaat. Vermits de benoemingscommissie – als adviesinstantie – niet enkel het recht heeft om advies uit te brengen maar ook de plicht heeft om dit te doen. Dat de uitoefening van de adviesbevoegdheid onder meer onderworpen is aan het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en de benoemingscommissie impliciet maar zeker ook noodzakelijk de voorbereidende en begeleidende maatregelen in rekening neemt die nuttig zijn om een advies te kunnen formuleren, zelfs al houdt dit in dat zij bijkomende evaluatievormen moet organiseren. Dat het criterium van de kennis al vóór de hoorzitting kan worden geëvalueerd door middel van een uniforme unieke schriftelijke proef voor alle kandidaten voor dezelfde vacante plaats. Dat de evaluatie van een criterium zoals de kennis de benoemingscommissie zal toelaten een lijst van kandidaten op te stellen onder degenen die als besten in de proef geslaagd zijn. Dat deze preselectie van de kandidaten in ieder geval geen bepaalde kandidaten mag uitsluiten die op basis van deze schriftelijke evaluatie niet over voldoende kennis lijken te beschikken, maar die wel degelijk over een meer omvangrijke ervaring beschikken dan de andere kandidaten die zich kandidaat stellen voor dezelfde vacante plaats, zoals hierboven vermeld. Dat de beroepservaring inderdaad als onrechtstreekse indicator geldt voor de mate waarin een kandidaat over die vereiste parate kennis beschikt, maar dat dit uitsluitend berust op een vermoeden, m.n. dat elke kandidaat extra relevante kennis verwerft naarmate de beroepservaring toeneemt. Dat in dit stadium nog geen enkel ander te beoordelen element, zoals gevolgde/gegeven opleidingen of wetenschappelijke verdiensten, in aanmerking komt om de kennis te evalueren, te meer aangezien de niet- geselecteerde kandidaten een bindend verzoek kunnen doen om toch gehoord te worden. Teneinde het criterium van de kennis objectief te beoordelen en na de kandidaturen in aanmerking te hebben genomen en te hebben vergeleken, IX-9665-25/40 besluit de benoemingscommissie om deze richtlijnen aan te houden: […] - dat de vijf kandidaat-gerechtsdeurwaarders met de hoogste kennisscore voor zover zij minimaal 8/20 scoren op de schriftelijke evaluatie zullen gehoord worden op de hoorzittingen. In het geval dat verschillende kandidaat-gerechtsdeurwaarders, gesorteerd onder de eerste 5, over een zelfde kennisscore beschikken, zullen ze allemaal geselecteerd worden voor de hoorzittingen; - dat iedere kandidaat-gerechtsdeurwaarder met minstens 10/20 op de schriftelijke evaluatie zal gehoord worden op de hoorzittingen; Overwegende dat bijgevolg alleen de criteria van de kennis, geëvalueerd op basis van een schriftelijke proef, en van de duur van de globale professionele ervaring, de objectieve criteria zijn die in dit stadium in aanmerking moeten worden genomen.” 12. Aldus blijkt dat de benoemingscommissie uitgebreid motiveert waarom zij in de eerste stap van de selectieprocedure de uniforme en objectieve evaluatiecriteria ‘professionele ervaring’ – meer bepaald de ‘duur van de globale professionele ervaring’ – en ‘kennis’ – meer bepaald ‘kennis van de gerechtelijke procedures en regels’ en ‘kennis van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder’ – zoals getoetst met een schriftelijke meerkeuzeproef, heeft gehanteerd om de kandidaten te selecteren die zij wilde horen. Zij acht het aannemelijk en niet onredelijk dat een langere ervaring met de beroepspraktijk als kandidaat-gerechtsdeurwaarder ertoe leidt dat de betrokkene over een grotere bagage beschikt dan een kandidaat met minder ervaring, om als (eind)verantwoordelijke de dagelijkse en goede uitoefening van het ambt als titularis te kunnen verzekeren. Het betreft niet alleen een vermoeden van meer kennis, maar ook van meer attitude en kunde. Het evaluatiecriterium ‘kennis’, meer bepaald de kennis van de gerechtelijke procedures en regels en de kennis van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder, slaat op de parate kennis die een kandidaat eigen moet zijn, wil hij in aanmerking komen voor een benoeming. Het gaat volgens de benoemingscommissie om kennis van fundamentele zaken, onontbeerlijk om als (eind)verantwoordelijke te kunnen instaan voor de dagelijkse en goede uitoefening van het ambt. De benoemingscommissie ziet het als haar plicht het IX-9665-26/40 kenniscriterium vóór de hoorzitting te toetsen aan de hand van een uniforme, unieke schriftelijke proef, teneinde een nuttig advies te kunnen formuleren met inachtneming van het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Uit de overwegingen van de benoemingscommissie blijkt dat geen van beide criteria het andere zonder meer kan uitsluiten: zo worden kandidaten met minstens 10/20 op de kennisproef uitgenodigd op de hoorzitting ongeacht de duur van hun professionele ervaring en overweegt de commissie “[d]at deze preselectie van de kandidaten in ieder geval geen bepaalde kandidaten mag uitsluiten die op basis van deze schriftelijke evaluatie niet over voldoende kennis lijken te beschikken, maar die wel degelijk over een meer omvangrijke ervaring beschikken dan de andere kandidaten die zich kandidaat stellen voor dezelfde vacante plaats”. De benoemingcommissie overweegt daarbij dat beroepservaring “inderdaad als onrechtstreekse indicator geldt voor de mate waarin een kandidaat over die vereiste parate kennis beschikt, maar dat dit uitsluitend berust op een vermoeden, m.n. dat elke kandidaat extra relevante kennis verwerft naarmate de beroepservaring toeneemt”. 13. Verzoekster leidt uit die laatste overweging af dat de benoemingscommissie in de eerste stap van de selectieprocedure het criterium ‘professionele ervaring’ sterk relativeert en ondergeschikt acht aan het evaluatie- criterium ‘kennis’, zoals beoordeeld aan de hand van de schriftelijke proef. Die zienswijze kan niet worden bijgevallen. Uit de overweging van de benoemingscommissie “[d]at het, gezien de onderzoekplicht van de benoemingscommissie, dan ook nodig is om, naast de vermoedelijke kennis gelet op het aantal jaren algemene beroepservaring, ook de werkelijke parate kennis van elk van de kandidaten rechtstreeks te onderzoeken”, kan worden afgeleid dat de benoemingscommissie het evaluatiecriterium ‘kennis’ zoals getoetst met de schriftelijke proef parallel met – “naast” – het evaluatiecriterium ‘duur van de globale ervaring’ met de daaraan verbonden vermoede extra kennis, attitude en kunde hanteert met het oog op een “preselectie” van de te horen kandidaten, en IX-9665-27/40 ook enkel met het oog daarop. Uit de overwegingen dat “een richtlijn betreffende de kandidaten met de best behaalde resultaten op de schriftelijke proef degenen die meer ervaring hebben niet in absolute zin mag diskwalificeren voor de hoorzitting” en “[d]at deze preselectie van de kandidaten in ieder geval geen bepaalde kandidaten mag uitsluiten die op basis van deze schriftelijke evaluatie niet over voldoende kennis lijken te beschikken, maar die wel degelijk over een meer omvangrijke ervaring beschikken dan de andere kandidaten die zich kandidaat stellen voor dezelfde vacante plaats” blijkt dat de benoemingscommissie van oordeel is dat het resultaat van de kennisproef niet doorslaggevend is ten opzichte van beroepservaring. De benoemingscommissie heeft in de eerste stap van de selectieprocedure bijgevolg geenszins het evaluatiecriterium ‘professionele ervaring’ ondergeschikt gemaakt aan het evaluatiecriterium ‘kennis’. Verzoekster stelt dan ook ten onrechte dat haar gunstiger resultaat voor de kennisproef en rangschikking het vermoeden van extra kennis ingevolge beroepservaring weerleggen, waaruit zij dan afleidt dat de benoemingscommissie de rangschikking niet meer had mogen wijzigen op grond van het criterium ‘professionele ervaring’. Het resultaat van de kennisproef bepaalt de “preselectie” van de kandidaten met de meeste ervaring slechts in de mate dat voor hen een minimumscore van 8/20 op de schriftelijke proef is vereist om uitgenodigd te worden voor de tweede stap van de selectieprocedure. Dat een score van 8 of 9 op 20 volstaat, relativeert overigens ook het belang van deze kennisproef. In het proces-verbaal geeft de benoemingscommissie overigens uitdrukkelijk te kennen “[d]at alle evaluatiecriteria noodzakelijkerwijze door de benoemingscommissie globaal zullen worden beoordeeld tijdens de hoor- zittingen”. Hieruit kan worden afgeleid dat de “preselectie” geen enkele vooraf- name inhoudt op de eindrangschikking en dat ook de criteria ‘professionele ervaring’ en ‘kennis’, thans met alle subcriteria, opnieuw deel zullen uitmaken van de evaluatie, met het oog op de definitieve rangschikking, en dan het voorwerp zullen uitmaken van een afweging in het kader van een uitgebreide vergelijking van titels en verdiensten. Dit is ook in overeenstemming met de IX-9665-28/40 aangehaalde regelgeving. De benoemingscommissie houdt na de “preselectie” dus nog alle mogelijkheden open wat betreft de evaluatie van de te horen kandidaten en hun definitieve rangschikking. Verzoekster gaat voorts in haar argumentatie er geheel aan voorbij dat in de eerste stap van de selectieprocedure enkel het subcriterium ‘duur van de globale ervaring’ is gehanteerd om de kandidaten voor de hoorzitting te selecteren, terwijl in de tweede stap van de selectieprocedure ook de andere subcriteria inzake professionele ervaring aan bod zijn gekomen, namelijk ‘duur van de ervaring in het arrondissement van de vacante plaats’ en ‘aard van de ervaringen’. Precies op dit laatste punt scoort de tussenkomende partij blijkens de motivering van de beslissing van de benoemingscommissie merkelijk beter dan verzoekster aangezien over de tussenkomende partij wordt gesteld dat “[z]ij kan buigen op een zeer uitgebreide en zeer diverse professionele ervaring” terwijl het voor verzoekster luidt dat zij “kan terugblikken op een gediversifieerde professionele ervaring, met een gezonde mix tussen de diverse activiteiten van de gerechtsdeurwaarder”. Uit de motivering van de eerste bestreden beslissing blijkt dus dat niet (louter) het aantal jaren ervaring de doorslag heeft gegeven bij de beoordeling van beide kandidaten op het vlak van titels en verdiensten – twintig jaar ten opzichte van dertien jaar – maar vooral dat in die tijd de tussenkomende partij een “zeer uitgebreide en zeer diverse professionele ervaring” heeft kunnen opdoen, hetgeen slaat op het derde subcriterium ‘aard van de ervaringen’. Uit de motivering blijkt dat de aard van de ervaring de hoofdreden is om de tussenkomende partij een uitstekende score op het criterium ‘professionele ervaring’ toe te kennen. Wat voorafgaat noopt tot het besluit dat verzoeksters uitgangs- punt dat de benoemingscommissie het criterium ‘professionele ervaring’ ondergeschikt heeft gemaakt aan het criterium ‘kennis’, faalt. Aan het criterium wordt in de loop van de selectieprocedure geen verschillend gewicht toegekend. Verzoeksters verwijzing naar arrest nr. 208.050 van 11 oktober 2010 is bijgevolg niet dienstig. Voorts geeft verzoekster een onjuiste lezing aan de eerste bestreden IX-9665-29/40 beslissing, waar zij stelt dat “de duidelijke rangschikking tussen de diverse kandidaten op basis van de schriftelijke proef, tóch [wordt] bijgesteld, dit niet op grond van de aangekondigde beoordeling van de overige kennis (punt 4°,
- c)van de uniforme beoordelingscriteria), maar alsnog op basis van de duur van de ervaring van de kandidaten, zijnde nét het criterium dat door de Benoemingscommissie duidelijk én uitdrukkelijk ondergeschikt (of slechts indicatief) werd gemaakt ten opzichte van het criterium van de kennis, zoals bevraagd in de schriftelijke proef”. De benoemingscommissie steunt immers vooral op de andere subcriteria, in het bijzonder de aard van de ervaring. Verzoekster toont dan ook niet aan dat er sprake is van een tegenstrijdigheid in de motieven van de beslissing van de benoemingscommissie. 14. Aangezien is vastgesteld dat het beroepservaringscriterium niet op verschillende manieren is toegepast, kan er ook geen sprake zijn van een aantasting van de objectiviteit van de procedure en van een schending van het gelijkheidsbeginsel. 15. Voorts voert verzoekster aan dat ruimere beroepservaring uit haar aard minder geschikt is om de kandidaten te beoordelen. Zij meent dit te kunnen afleiden uit arrest nr. 208.048 van 11 oktober 2010 en uit de motivering van de benoemingscommissie. Volgens verzoekster is de primauteit van de ruimere beroepservaring op de daadwerkelijke kennis van de kandidaten dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in het openbaar ambt. Die redenering kan evenmin worden bijgevallen. Hiervóór is reeds vastgesteld dat uit de motivering van de benoemingscommissie niet kan worden afgeleid dat zij van oordeel is dat beroepservaring minder geschikt is om de kandidaten te beoordelen. Voorts kan worden vastgesteld dat verzoekster in haar argumentatie het criterium ‘professionele ervaring’ ten onrechte verengt tot louter de duur van de ervaring van de kandidaten. Zij negeert hiermee de andere subcriteria van het criterium IX-9665-30/40 ‘anciënniteit en professionele ervaring in de functie’ – ‘duur van de ervaring in het arrondissement van de vacante plaats’ en vooral ‘aard van de ervaringen’ – die, zoals is uiteengezet, ook bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten zijn betrokken. Voorts moet worden opgemerkt dat de benoemingscommissie zich voor wat de criteria voor de vergelijking van titels en verdiensten betreft, dient te richten naar de lijst van de uniforme evaluatiecriteria, zoals bepaald in artikel 512, § 7, GerW, en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 30 augustus 2016. ‘Anciënniteit en professionele ervaring in de functie’ is één van de vermelde criteria. De deugdelijkheid van dat criterium en zijn subcriteria om de vergelijking van titels en verdiensten door te voeren is aldus in de regelgeving verankerd. Er kan dan ook niet in abstracto worden gesteld dat het criterium niet zou mogen worden gehanteerd bij de rangschikking van de kandidaten naar bekwaamheid en geschiktheid of daarvoor minder geschikt zou zijn. Verzoeksters verwijzing naar arrest nr. 208.048 van 11 oktober 2010 is niet dienstig. In de voormelde zaak is niet het gebruik van het beoordelingscriterium inzake beroepservaring (binnen een gerechtelijk arron- dissement) problematisch bevonden, maar wel het feit dat er geen deugdelijke verantwoording voorhanden was om dat criterium in overheersende mate te laten prevaleren op bekwaamheid. Wat het gewicht betreft dat aan de betreffende criteria wordt toegekend en in hoeverre zij het betreffende (sub)criterium in concreto laat doorwegen, daarin heeft de benoemingscommissie een discretionaire bevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Dit staat evenwel los van de deugdelijkheid of de geschiktheid van het beroepservaringscriterium om als toetssteen te dienen bij de vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten. IX-9665-31/40 16. Inzake de toetsing van het criterium ‘kennis’ voert verzoekster aan dat tijdens de hoorzitting in de tweede stap van de selectieprocedure nog wijzigingen zijn aangebracht aan de in hoofde van de kandidaten in aanmerking genomen kennis bedoeld in de selectiecriteria 4a en 4b zoals die blijkt uit de resultaten van de schriftelijke proef en de opgestelde rangschikking van de kandidaten. 17. Hoe de kennis van de kandidaten moet worden getoetst, valt binnen de discretionaire bevoegdheid van de benoemende overheid. Te dezen heeft de benoemingscommissie tijdens de eerste stap van de selectieprocedure de kennis van de kandidaten bedoeld in de subcriteria 4a en 4b van de bijlage bij het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 getest met behulp van een schriftelijke proef die op punten is gequoteerd. In de tweede stap van de selectieprocedure is opnieuw naar de kennis gepeild, maar dit keer middels een gesprek dat andere kennisinzichten naar boven kon brengen en waarbij de commissie heeft nagegaan of het parate kennisniveau, dat bleek uit de schriftelijke test, al dan niet werd bevestigd. Hierbij kan worden vastgesteld dat de benoemingscommissie weliswaar vertrekt van het resultaat van de schriftelijke proef, maar zich niet vastpint op het puntenresultaat en dit vervangt door de noties ‘goed’, ‘zeer goed’, ‘uitstekend’, enzovoorts, waarbij kleine puntenverschillen opgaan in die algemenere noemer. Zo zijn zowel verzoeksters resultaat als dat van de tussenkomende partij als ‘zeer goed’ aangemerkt, ook al was verzoeksters score op de schriftelijke proef iets hoger dan die van de tussenkomende partij. De rangschikking lag voor de benoemingscommissie echter niet definitief vast en de beoordeling van het kennisniveau kon nog wijzigen afhankelijk van de prestatie op de hoorzitting. De voormelde handelwijze, waarbij de kennis van de kandidaten in twee stappen wordt beoordeeld – eerst een schriftelijke proef en dan een hoorzitting – is niet onwettig. Hierbij kan worden opgemerkt dat verzoekster vergeefs verwijst naar advies 53.258/3 van 5 juni 2013 van de IX-9665-32/40 afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het voorontwerp van wet tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders. De wetgever heeft er immers uitdrukkelijk voor gekozen om geen vergelijkend examen voor de kandidaat-gerechtsdeurwaarders te organiseren. De wetgever vond een diepgaand en dynamisch evaluatiegesprek een geschikter middel om de uniforme evaluatiecriteria te beoordelen dan een statisch schriftelijk vergelijkend examen, en bovendien ook voldoende objectief. Omdat het soms niet mogelijk is om alle kandidaten te horen, kan in een eerste stap van de procedure een eerste selectie worden gemaakt, onder meer aan de hand van een schriftelijke proef. 18. Verzoekster betwist in wezen niet dat de beoordeling van de kennis van de kandidaten in twee stappen mag gebeuren. Wel hekelt zij dat op basis van niet-objectieve indrukken tijdens de hoorzitting wordt voorbijgegaan aan een zeer duidelijk en objectief examenresultaat. Bij een hoorzitting vormt de vereiste van een – naargelang de omstandigheden – uitgebreidere motivering een controle en een waarborg tegen een mogelijk willekeurig en onredelijk gebruik van de beoordelingsbevoegdheid. Het valt aan verzoekster toe concreet aan te tonen op welke wijze uit de motieven van de beslissing van de benoemingscommissie blijkt dat zij op ongelijke en discriminatoire wijze is bejegend. In dat verband wordt vooreerst opgemerkt dat de formele motivering inzake het kennisniveau van de kandidaten ruimer is dan verzoekster laat uitschijnen. Er wordt immers uitgelegd op basis waarvan de benoemings- commissie oordeelt dat verzoekster haar zeer goede kennisniveau “min of meer” kan bevestigen. De benoemingscommissie overweegt daaromtrent dat verzoekster de meeste juridische vragen die haar werden voorgelegd adequaat wist te duiden, waarbij zij vlot kon terugkoppelen naar de praktijk. De benoemingscommissie merkt evenwel ook op dat het verzoekster aan tijd ontbrak om de nieuwe vennootschapswetgeving door te nemen, dat zij vragen omtrent het nieuwe woninghuurdecreet niet accuraat kon beantwoorden en een betekening aan mede- IX-9665-33/40 eigenaars niet correct wist uit te voeren. De tussenkomende partij weet volgens de benoemingscommissie haar “zeer goede score van 12,98/20 […] zonder enige twijfel te bevestigen”, gelet op haar paraat en correct beantwoorden van de vragen en haar vlotte terugkoppeling naar de praktijk. Zij blijkt ook goed op de hoogte te zijn van de recente wijzigingen van de vennootschapswetgeving en het insolventierecht. Verzoekster uit kritiek op de (inhoud van
- de)vraagstelling, in het bijzonder het peilen naar de kennis van nieuwe of toekomstige wetgeving, maar zij weerlegt de feitelijke en juridische grondslag van de voormelde motivering niet, noch toont zij aan dat de gevolgtrekkingen onredelijk zijn. Zij tracht wel haar argumentatie van ongelijkheid en willekeur kracht bij te zetten middels de opmerking dat de andere kandidaten haar hadden bevestigd dat zij (ook) “heel wat vragen” niet konden beantwoorden. Daarover is in de motieven niets terug te vinden. Los van het feit dat verzoekster ook geen enkel bewijs voor die stelling bijbrengt, moet worden opgemerkt dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de benoemende overheid behoort om te bepalen welk kennisniveau vereist is voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder en af te wegen welke kandidaten hieraan het beste beantwoorden. De Raad van State mag zich dienaangaande niet in de plaats van de benoemende overheid stellen. Uit de motivering blijkt onder meer dat de benoemings- commissie belang heeft gehecht aan de kennis van de nieuwe vennootschaps- wetgeving, aan beide kandidaten voorgelegd, en waarvan de tussenkomende partij blijkens de motivering beter op de hoogte was dan verzoekster. Dat motief wordt in feite niet betwist. Uit de formele motivering inzake de tussenkomende partij kan worden afgeleid dat, mocht zij al bepaalde vragen niet hebben kunnen beantwoorden, dit alleszins niet van dien aard was dat het afbreuk deed aan het besluit van de benoemingscommissie dat zij haar kennisniveau “zonder enige twijfel” kon bevestigen. Bovendien stelt de benoemingscommissie dat zij “goed” IX-9665-34/40 op de hoogte was van de recente wijzigingen inzake de vennootschapswetgeving en het insolventierecht. Het is niet uitgesloten dat de kwalificatie ‘goed’ ook is bepaald door het feit dat de tussenkomende partij bepaalde vragen niet heeft kunnen beantwoorden. In elk geval heeft dit het oordeel van de benoemings- commissie niet negatief beïnvloed om de tussenkomende partij mede op basis van het (op de hoorzitting) vastgestelde meer up to date parate kennisniveau als de meest geschikte kandidaat van beiden te beoordelen. Minstens is het niet onredelijk te noemen dat de benoemingscommissie aan verzoekster geen voorrang geeft op vlak van kennis, gelet op het kleine puntenverschil (0,35/20) op de schriftelijke proef in samenhang met de betere up to date kennis, vastgesteld tijdens de hoorzitting, van de tussenkomende partij. 19. In de memorie van wederantwoord voert verzoekster nog de schending aan van de hoorplicht doordat geen verslag of proces-verbaal is opgesteld van de hoorzitting, of dit minstens niet aan het administratief dossier is toegevoegd. Op die manier kan niet worden nagegaan op welke vragen verzoekster en de tussenkomende partij al dan niet hebben kunnen antwoorden. Dit kon pas worden vastgesteld na de raadpleging van het administratief dossier. Dienaangaande moet echter worden opgemerkt dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is in een benoemingsprocedure zoals de voorliggende. 20. Tot slot voert verzoekster nog aan dat subcriterium 4c ‘weten- schappelijke vorming (gevolgd en gegeven) en verdiensten (bijvoorbeeld publi- caties)’ niet (volwaardig) bij de beoordeling van de kandidaten is betrokken. Het betreft nochtans een objectief criterium – een kwantitatieve vergelijking van het aantal gevolgde opleidingen en publicaties is mogelijk – waarop verzoekster veel beter scoort dan de tussenkomende partij. Die stelling wordt niet bijgevallen. Uit de motivering van de beslissing van de benoemingscommissie blijkt dat het subcriterium wel voor IX-9665-35/40 beide kandidaten is beoordeeld. Ten aanzien van verzoekster wordt hierover vermeld: “Uit het dossier blijkt dat de kandidate een grote aandacht heeft voor opleiding en permanente vorming. De kandidate is tevens (mede-)auteur van diverse publicaties en verleende actief haar medewerking aan opleidingen. Bijscholing beschouwt zij als een must voor een gedegen uitoefening van het beroep. Uit het dossier blijkt dat de kandidate reeds deelnam aan opleidingen vóór de hervorming van het statuut.” In hoofde van de tussenkomende partij wordt het subcriterium als volgt beoordeeld: “Hij geeft aan dat het bijhouden van de materie, zeker gezien de talrijke wetswijzigingen waarmee het beroep de laatste jaren werd geconfronteerd, zeker een meerwaarde biedt voor de dagelijkse uitoefening van zijn ambt. In dit verband wijst de kandidaat onder meer op de door hem gevolgde opleidingen. Uit het dossier blijkt dat de kandidaat reeds deelnam aan opleidingen vóór de hervorming van het statuut.” Aldus blijkt dat de benoemingscommissie zich wel rekenschap geeft van verzoeksters grote interesse voor wetenschappelijke vorming en publicaties, maar uit de motivering van de eerste bestreden beslissing kan worden afgeleid dat de benoemingscommissie haar verdiensten op dat vlak niet doorslaggevend acht om ten opzichte van de tussenkomende partij de (globale) appreciatie en de rangschikking in haar voordeel om te buigen. Het valt uitsluitend aan de benoemingscommissie toe om binnen redelijke grenzen het gewicht dat zij aan de criteria ter beoordeling van de kandidaten geeft, te bepalen. De omstandigheid dat verzoekster dit subcriterium meer geschikt acht om de kandidaten te vergelijken, toont de onredelijkheid van die keuze niet aan. Het is overigens niet omdat verzoekster op een bepaald punt van de vooropgestelde deelaspecten mogelijk beter scoort dat het de benoemende overheid verboden is om aan de tussenkomende partij een hogere beoordeling te geven op grond van (het geheel van
- de)andere elementen. IX-9665-36/40 In casu blijkt de benoemingscommissie van oordeel te zijn dat de tussenkomende partij zich niet van verzoekster onderscheidt voor wat betreft het subcriterium ‘wetenschappelijke vorming en verdiensten’, maar wel door haar ruimere professionele ervaring, haar op de hoorzitting geëtaleerde meer up to date parate kennis en haar nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder, in het bijzonder door een overtuigend discours (zowel naar inhoud als vorm) te brengen op de hoorzitting, waarbij de commissie ook haar beduidend hogere anciënniteit vermeldt, naast een grotere affiniteit met de regio. Deze motieven zijn concreet toegelicht in de individuele evaluatie van de tussenkomende partij en van verzoekster, zoals opgenomen in de eerste bestreden beslissing. Deze onderscheidende elementen hebben de doorslag gegeven voor de rangschikking van de voor het ambt geschikt geachte kandidaten. 21. Inzake de beoordeling van het criterium ‘sociale vaardigheden’ voert verzoekster aan dat het motief dat de andere kandidaten zich ook onderscheiden “door hun nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder”, na de aangetoonde onwettigheden die zijn begaan met betrekking tot de beoordeling van het criterium ‘kennis’, de eerste bestreden beslissing onmogelijk afdoende kan dragen. De benoemingscommissie heeft duidelijk te kennen gegeven dat ‘kennis’ het meest essentiële criterium in haar beoordeling is. Bovendien is het criterium ‘sociale vaardigheden’ – dat slechts is getoetst tijdens het horen van de kandidaten – veel minder objectiveerbaar dan de schriftelijke proef en het duidelijk kwantificeerbare criterium 4c. Minstens zou een zeer omstandige motivering moeten worden gegeven om op die basis voorbij te gaan aan de objectief vaststelbare grotere kwaliteiten van verzoekster. Uit de motivering blijkt bovendien dat het verschil tussen verzoekster en de andere twee kandidaten wat dit aspect betreft helemaal niet zo groot was aangezien wordt overwogen dat verzoekster “ook op dit laatste vlak goed voor de dag komt”. IX-9665-37/40 Hiervóór is gebleken dat de benoemingscommissie het criterium ‘kennis’ niet als primordiaal heeft aangemerkt en dat geen onwettigheden zijn vastgesteld met betrekking tot de beoordeling van de kennis van de kandidaten. In tegenstelling tot wat verzoekster laat uitschijnen is het ook geenszins zo dat de eerste bestreden beslissing alleen zou kunnen steunen op het motief dat de andere kandidaten zich ook onderscheiden “door hun nog meer overtuigende vaardigheden en inzichten wat betreft de sociale rol van de gerechtsdeurwaarder”. Wel blijkt dat de beoordeling van het criterium ‘sociale vaardigheden’ een belangrijk en onderscheidend element vormt voor de benoemingscommissie. Inzake verzoekster overweegt de benoemingscommissie dat zij op dit vlak goed voor de dag komt, maar de tussenkomende partij is volgens haar nog overtuigender in haar discours en zij beschikt over nog sterkere sociale vaardigheden. Verzoekster maakt opnieuw voorbehoud bij de objectiveerbaarheid van het criterium, maar gaat op deze beoordeling niet concreet in. 22. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster de feitelijke grondslag van de eerste bestreden beslissing niet weerlegt, noch toont zij aan dat de keuze van de overheid om op basis van de weergegeven motieven de als eerste gerangschikte tussenkomende partij te benoemen op onzorgvuldigheden of willekeur zou stoelen, dan wel onredelijk zou zijn. 23. Verzoekster is er niet in geslaagd om aan te tonen dat de beoordeling van de criteria waarvoor de tussenkomende partij beter scoort onwettig is. Die onderscheidende motieven blijven dus overeind. In die omstandigheden heeft verzoekster zelfs geen belang bij haar argumentatie inzake de toetsing van subcriterium 4c ‘wetenschappelijke vorming (gevolgd en gegeven) en verdiensten (bijvoorbeeld publicaties)’, nu dit haar geen betere rangschikking en benoeming zou kunnen opleveren. De exceptie van de tussenkomende partij hieromtrent is gegrond. 24. Het eerste onderdeel van het enige middel is ongegrond. IX-9665-38/40 25. Het tweede middelonderdeel is eveneens ongegrond. Uit de verwerping van het eerste onderdeel van het middel volgt immers dat ook geen onwettigheid met betrekking tot de tweede bestreden beslissing kan worden vastgesteld. Ook die beslissing blijft dus overeind. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-9665-39/40 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9665-40/40 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div