← België

Arrest 254971 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/11/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.971 Rolnummer: A. 232730/X-17881 Zaak: Arrest 254971 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-18 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 07:47 Fiche Arrest nr 254.971 van 8 november 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 254.971 van 8 november 2022 in de zaak A. 232.730/X-17.881 In zake :

  1. Jozef LIEVENS
  2. Ria LIEVENS
  3. Magda LIEVENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  4. de STAD GEEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Gaël Bedert kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen
  5. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingediend op 4 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de gemeenteraad van de stad Geel van 7 september 2020 tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Recyclagepark’ (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP) en b. het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van het departement Omgeving van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van 21 juni 2018 dat X-17.881-1/20 het voorgenomen gemeentelijk RUP ‘Recyclagepark’ geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan- milieueffectrapport (hierna: plan-MER) niet nodig is. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
  8. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Silvie Kerremans, die loco advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt oor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. X-17.881-2/20 III. Feiten
  10. Langs de straat Winkelom (N126), buiten het kleinstedelijk gebied van de stad Geel, ligt in de vallei van de Grote Nete een landbouwterrein dat bestaat uit drie aaneengesloten percelen die – van oost tot west – respectievelijk eigendom zijn van eerste verzoeker, tweede verzoekster en derde verzoekster (hierna: verzoekers’ landbouwterrein). Verzoekers’ landbouwterrein is krachtens het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol bestemd tot agrarisch gebied. Achter verzoekers’ landbouwterrein ligt een terrein dat bestaat uit zes aaneengesloten landbouwpercelen en eveneens in agrarisch gebied is gelegen (hierna: het achtergelegen terrein). Aan de zuid- en westzijde van het achtergelegen terrein bevindt zich een bomenrij en aan de oostzijde ervan bevinden er zich bomen en struiken. Het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP bestaat uit het oostelijke deel van verzoekers’ landbouwterrein en het grootste deel van het achtergelegen terrein. Ten zuiden van dit plangebied ligt het habitatrichtlijngebied ‘Bovenloop van de Grote Nete met Zammelsbroek, Langdonken en Goor’ (hierna: de speciale beschermingszone). De speciale beschermingszone is, samen met omringende percelen, opgenomen in het Vlaams Ecologisch Netwerk (hierna: VEN). Over de speciale beschermingszone en het ter plaatse gelegen VEN wordt in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP het volgende gesteld: “Ten zuiden van het plangebied, samenhangend met de vallei van de Grote Nete is het Malesbroek gelegen. Dit natuurgebied is een 100 ha groot waterlandschap. Dit natuurgebied is biologisch zeer waardevol.” De Roosbroekenloop, die een zijtak van de Grote Gete is, loopt door de speciale beschermingszone. Ten noordoosten van deze zijtak loopt een watergang naar de bestaande bomenrij aan de zuidzijde van het achtergelegen terrein (hierna: de verbindende watergang). X-17.881-3/20 Ter verduidelijking volgt hierna de weergave van een figuur uit de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP evenals van een uittreksel uit de relevante kaart van de website geopunt.be, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-17.881-4/20 4.
  11. In 2017 neemt de stad Geel het initiatief tot de opmaak van een gemeentelijk RUP dat het moet mogelijk maken om langs Winkelom een (inter)gemeentelijk recyclagepark in te richten. 4.
  12. In april 2017 dient de stad Geel bij de dienst Mer een “verzoek tot raadpleging” in waarin de mogelijke milieueffecten worden onderzocht (hierna: de screeningsnota). 4.
  13. Over de discipline bodem en water stelt de screeningsnota: “Verstoring van de waterhuishouding Verstoring van infiltratiemogelijkheden Door de aanleg van bijkomende infrastructuur, voornamelijk verharding, worden de infiltratiemogelijkheden mogelijk plaatselijk verstoord. Het systeem van infiltratie van hemelwater naar grondwater moet in evenwicht gehouden worden. Aangezien de mogelijke verhardingen en bebouwing gelegen zijn op een bodem die infiltratiegevoelig is, dienen de verhardingen waar mogelijk zoveel mogelijk worden beperkt of te worden voorzien met een waterdoorlatend karakter. Gezien de specificiteit van een containerpark en het mogelijke gevaar op verontreiniging van bodem en (grond)water is een waterdoorlatende verharding niet mogelijk, maar dient te worden gewerkt met een vloeistofdichte vloer. De geldende sectorale bepalingen daartoe dienen te worden nageleefd. Hemelwater dat zuiver genoeg is, kan wel ter plaatse gebufferd worden en infiltreren en dient bij voorkeur te worden herbruikt ifv sanitair water e.d. Het kan hier gaan om vb. hemelwater dat neervalt op gebouwen en dat dus als niet vervuild beschouwd wordt. In ieder geval dient de oppervlakte van de verharding te worden beperkt tot dat deel dat nodig is voor de werking van het containerpark. De overige ruimten dienen te worden aangelegd als groene ruimten. Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat de verstoring van de infiltratiemogelijkheden tot een minimum worden beperkt. Indien op projectniveau het vermijden van verstoring van infiltratiemogelijkheden kan worden vermeden, dan worden er hiervoor geen negatieve effecten verwacht. Verstoring grondwaterstromingen De ingrepen voorzien geen verstoring in de grondwaterstroming. Verstoring van het overstromingsregime (veiligheid) Het plangebied is gelegen ten oosten van de vallei van de Grote Nete. Binnen het plangebied zelf zijn er, met uitzondering van het gedeelte openbare weg, geen overstromingsgevoelige bodem gelegen. Hierdoor lijkt de veiligheid tegen overstromingen gegarandeerd. Het hemelwater dat er plaatse neervalt dient te worden opgevangen en cf. de regels van de milieuwetgeving dat van toepassing is. X-17.881-5/20 Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat het overstromingsregime van het gebied door het project niet aangetast wordt. Indien op projectniveau de verstoring van het overstromingsregime kan worden vermeden, dan worden er geen hiervoor geen negatieve effecten op de waterkwaliteit verwacht. Aantasting van de waterkwaliteit Aantasting van waterkwaliteit kan optreden door inbreng van vreemde stoffen. Oppervlaktewaterkwaliteit kan aangetast worden door lozing via zowel punt- als diffusie lozingen. Grondwaterkwaliteit kan aangetast worden door uitloging en lekken van verontreinigende stoffen in de bodem. Lozingen zouden een effect kunnen hebben op de waterkwaliteit. Om negatieve effecten op waterkwaliteit tegen te gaan dient het verontreinigd water te worden opgevangen en op een gepaste manier worden afgevoerd. In functie van een containerpark is een KWS-afscheider nodig. De sectorale bepalingen daaromtrent zullen op projectniveau moeten worden opgevolgd. Het plangebied is nog niet aangesloten op de riolering (cf. geoloket saneringsinfrastructuur). Indien bij de realisatie van het bedrijventerrein het afvalwater niet kan worden opgevangen door de riolering die aangesloten is op een zuiveringsinstallatie, dient ter plaatse te worden voorzien in een zuiveringsinstallatie. Indien op projectniveau de aantasting van de waterkwaliteit kan worden vermeden, dan worden er geen negatieve effecten op de waterkwaliteit verwacht. 2.2.5 Conclusie: maatregelen en aanbevelingen Rekening houdend met volgende maatregelen: – Verharding die cf. sectorale wetgeving niet vloeistofdicht moet worden aangelegd, dient zoveel mogelijk te worden voorzien in waterdoorlatende materialen. – Hemelwater dat niet als vervuild beschouwd wordt dat wordt opgevangen dient maximaal te worden herbruikt. Hemelwater dat niet kan herbruikt worden dient ter plaatse te infiltreren. – Mogelijkheden voorzien om een individuele waterzuivering toe te laten indien de infrastructuur niet zou kunnen aangesloten worden op de riolering. – Beperkte van de oppervlakte verharding tot hetgene strikt nodig is voor het realiseren van een containerpark. – Voorzien van KWS-afscheider voor afwatering van containerpark en bijkomende maatregelen op projectniveau: – Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat de verstoring van de infiltratiemogelijkheden tot een minimum worden beperkt. – Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat het overstromingsregime van het gebied door het project niet aangetast wordt. – Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat er geen negatieve effecten op de waterkwaliteit zijn. kan geoordeeld worden dat er geen aanzienlijke effecten met betrekking tot de discipline bodem en water te verwachten zijn.” X-17.881-6/20 4.4.
  14. Wat de discipline fauna en flora betreft, stelt de screeningsnota vooreerst het volgende: “Met betrekking tot de discipline fauna en flora kunnen bijgevolg volgende mogelijke significante effecten verwacht worden: […] – biotoopwijziging en wijziging soortendiversiteit door wijziging abiotische kenmerken bodem, water en nutriënten – effecten op de speciale beschermingszone.” 4.4.
  15. In de screeningsnota wordt onder de rubriek “biotoopwijziging en wijziging soortendiversiteit door wijziging abiotische kenmerken bodem, water en nutriënten” (hierna: de rubriek biotoopwijziging) het volgende gesteld: “Via water en lucht kunnen eutrofiërende middelen in gebieden worden gebracht die de nutriëntenbalans kunnen verstoren. De planinhoud voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van een containerpark. Uit de beoordeling van de discipline water bleek dat het hemelwater dat terecht komt op het containerpark mogelijks (deels) als verontreinigd moet worden beschouwd. Sectorale wetgeving is hier van toepassing om ervoor te zorgen dat dit water wordt opgevangen en op de gepaste manier wordt gezuiverd. Indien op projectniveau specifieke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat er geen verontreinigende stoffen in het watersysteem terecht komen, zullen er ook geen significante effecten verwacht worden met betrekking tot waterkwaliteit. Ingrepen als verhardingen, ondergrondse constructies, etc. die ingrijpen op het watersysteem kunnen effecten veroorzaken in biotopen die sterk afhankelijk zijn van de ermee samenhangende abiotische kenmerken. Om dat een containerpark voor het grootste deel verhard dient te worden, zullen op projectniveau gepaste maatregelen moeten worden genomen om de infiltratie naar de bodem op peil te houden. Indien dit gebeurt, zullen er geen wijzigingen met betrekking tot abiotiek plaatsvinden, [waardoor] kan verwacht worden dat er geen impact is op de gebieden in de omgeving met een belangrijke natuurwaarde. […] Indien deze maatregelen worden genomen, dan kan ervan uitgegaan worden dat er geen effecten te verwachten zijn met betrekking tot biotoopwijzigingen en wijzigingen in soortendiversiteit [door] de wijzigingen in de abiotische kenmerken van bodem, water en nutriënten.” 4.4.
  16. Onder de rubriek “effecten op de speciale beschermingszone” van de screeningsnota wordt het volgende vermeld: X-17.881-7/20 “Bij de beschrijving van de referentietoestand werd de speciale beschermingszone (habitatrichtlijngebied) beschreven, samen met ook de voorkomende habitats en instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats. Een ingreep heeft significant negatieve gevolgen op een speciale beschermingszone indien deze een verslechtering van de algemene kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van de soorten met zich meebrengt of een soort verstoort waarvoor de zone werd aangewezen. De uiteindelijke significantie moet worden vastgesteld in functie van de bijdrage die de onderzochte zone levert aan het Natura 2000-netwerk. De significantie van de eventuele negatieve effecten op de te beschermen habitats en soorten wordt dus beoordeeld in vergelijking met de totale speciale beschermingszone. […] Met betrekking tot verstoring van de abiotische kenmerken van het gebied zijn […] geen betekenisvolle effecten te verwachten. De beoordeling bij de bespreking van de discipline Bodem en water toont aan dat niet betekenisvol ingegrepen wordt in de waterhuishouding. Er worden met andere woorden ook geen afgewentelde effecten op de abiotiek in de [speciale beschermingszone] verwacht. Het plangebied maakt bovendien geen direct contact met het deelgebied van het habitatrichtlijngebied. Tussen het plangebied en de [speciale beschermingszone] ligt een zone voorbedrijvigheid en een stuk open agrarisch gebied. Er is geen directe verbinding tussen beide gebieden, al is de afstand tussen beide niet groot. Het plangebied veroorzaakt geen bedreiging voor het realiseren van de oppervlaktedoelstelling of de kwaliteitsdoelstellingen voor de specifieke habitats die voorkomen in de omgeving van het plangebied. In vergelijking met de referentiesituatie waar reeds een bestaand bedrijventerrein aanwezig is, wordt slechts een bijkomend gebied in gebruik genomen in functie van bebouwing en verharding. Het RUP veroorzaakt geen hinderaspecten ten opzichte van de soorten en habitats in de [speciale beschermingszone]. De planinhoud van het RUP veroorzaakt geen significant negatief effect voor de [speciale beschermingszone].” 4.4.
  17. De conclusie van de screeningsnota voor de discipline fauna en flora luidt: “Rekening houdend met de voorziene maatregelen: – realisatie van groenbuffer rondom het plangebied – Bestaande beplanting maximaal integreren in de groenbuffer kan geoordeeld worden dat er geen aanzienlijke effecten met betrekking tot de discipline fauna en flora te verwachten zijn. Er zijn geen bijkomende milderende maatregelen noodzakelijk. Volgende aanbevelingen kunnen wel worden meegegeven in functie van de ingebruikname van de zone: […] X-17.881-8/20 – Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat de verstoring van de infiltratiemogelijkheden tot een minimum [wordt] beperkt. – Op het niveau van het specifiek project zal moeten worden aangetoond dat er geen negatieve effecten op de waterkwaliteit zijn. […].” 4.
  18. De algemene conclusie van de screeningsnota luidt: “Op basis van de beoordeling van de milieueffecten voor de verschillende relevante disciplines en rekening houdend met de per discipline voorziene maatregelen en aanbevelingen, kan geconcludeerd worden dat geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden t.o.v. de referentiesituatie.”
  19. Bij besluit van 21 juni 2018 concludeert de dienst Mer op basis van de ingediende screeningsnota dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan- MER niet nodig is. Dit is de tweede bestreden beslissing. 6.
  20. Op 25 oktober 2018 wordt een plenaire vergadering gehouden over het voorontwerp van gemeentelijk RUP. 6.
  21. Naar aanleiding van de laatstgenoemde vergadering geeft het departement Omgeving van het Vlaamse Gewest een ongunstig advies, waarin het volgende wordt gesteld: “De rivieren en hun omgevende valleien zijn structuurbepalend. Het plangebied is op minder dan 40 meter gelegen van VEN gebied. Het ruimtelijk beleid van rivieren en beken moet[…] worden ontwikkeld in relatie tot de omgevende valleien. Dit betekent dat er ruimtelijke voorwaarden worden gecreëerd die het integraal waterbeheer ondersteunen en die de relaties tussen de waterloop en de omgevende vallei versterken. […] De gekozen locatie is gelegen in de vallei van de Nete en zorgt voor een verdere versnippering van de open ruimte.”
  22. Op 23 mei 2019 wordt het proces-verbaal opgesteld van een tweede – “schriftelijke” – plenaire vergadering. In dit proces-verbaal wordt het volgende gesteld: X-17.881-9/20 “Naar aanleiding van de eerste plenaire vergadering heeft de provincie nader onderzocht wat de impact van het RUP is op de natuurlijke structuur van de provincie. Bijkomend kan nu worden opgemerkt dat […] in het habitatrichtlijnengebied ten zuiden van de projectsite, volgende Provinciaal Prioritaire Soorten werden waargenomen (meerdere en herhaaldelijke waarnemingen tussen 1999 en 2016): - nachtegaal, - ijsvogel, - matkop, - zwarte specht, - wielewaal. Het provinciale soortenbeleid is gebaseerd op deze prioritaire soorten. De provincie adviseert dan ook dat het recyclagepark zodanig wordt ingericht dat het deze soorten niet hindert, concreet door licht en geluid aan de zuidzijde van het recyclagepark zo veel mogelijk te beperken. […] Met betrekking tot het gedeelte van het advies over de provinciaal prioritaire soorten, kan de stad akkoord gaan dat bij de aanleg van het park maatregelen worden voorzien om deze soorten zo weinig mogelijk te hinderen. De stad kan akkoord gaan met het voorstel van de provincie om aan de zuidzijde van het recyclagepark licht en geluid zo veel mogelijk te beperken. De stad merkt op dat in het huidige inrichtingsvoorstel aan de zuidzijde de bovengrondse hemelwaterbuffering voorzien wordt, waardoor er een grotere afstand is tussen de verharde exploitatiedelen van het recyclagepark en zuidelijk gelegen habitatgebieden. […] m.b.t. […] de provinciaal prioritaire soorten kan gesteld worden, op basis van bovenstaande bespreking dat geen directe aanpassingen aan het ontwerp RUP vereist zijn. Aandachtspunten omtrent [dit] thema[…] kunnen wel meegenomen worden naar eventuele toekomstige vergunningverlening.”
  23. Op 30 september 2019 stelt de gemeenteraad van de stad Geel het ontwerp van gemeentelijk RUP voorlopig vast.
  24. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 2 december 2019 tot 30 januari 2020, dienen onder meer verzoekers een bezwaarschrift in. In dit bezwaarschrift wordt onder meer gesteld dat het om reden van de ligging in de vallei van de Grote Gete onverantwoord is de bestaande “groene dooradering” aan te tasten.
  25. Op 26 mei 2020 geeft de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Geel (hierna: de Gecoro) advies. X-17.881-10/20 11.
  26. Bij besluit van 7 september 2020 stelt de gemeenteraad van de stad Geel het bestreden gemeentelijk RUP definitief vast. Dit is het eerste bestreden besluit. 11.
  27. Zoals blijkt uit het bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP horende verordenend grafisch plan, wordt rondom het plangebied een “groenbuffer” voorzien die aan de zijde van de straat Winkelom tien meter breed is en aan de andere zijden vijf meter. Het bestreden gemeentelijk RUP legt hiervoor volgende voorschriften op: “Art. 2 Groenbuffer categorie van gebiedsaanduiding gemeenschaps- en nutsvoorzieningen De zone is bestemd als bufferstrook rond de zone voor lokale dienstverlenende activiteiten. De buffer dient om een effectieve visuele buffer te realiseren ten [opzichten] van de omgeving. […] In de bufferstroken kunnen ondergrondse nutsleidingen, hemelwaterafvoerleidingen en eventuele individuele waterzuiveringsinstallaties […] worden aangelegd. De aanleg van deze leidingen en voorzieningen mag evenwel de doelstelling van de bufferstroken, namelijk een optimale landschappelijke buffering, niet verhinderen.” 11.
  28. Voor het overige wordt het plangebied herbestemd tot “zone voor lokale dienstverlenende activiteiten” voor de aanleg van een recyclagepark (hierna: de recyclageparkzone). Met de woorden van de screeningsnota, “dient” de recyclageparkzone “voor het grootste deel verhard […] te worden”. Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het verordenend grafisch plan. X-17.881-11/20 IV. Ontvankelijkheid De aangevoerde excepties 12.
  29. De verwerende partijen betwisten in hun memories van antwoord het belang van derde verzoekster. Volgens de verwerende partijen tracht derde verzoekster haar belang te putten uit de omstandigheid dat zij eigenaar is van een perceel dat paalt aan het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP, waarvan overigens geen bewijs wordt bijgebracht. Deze omstandigheid volstaat geenszins. 12.
  30. De eerste verwerende partij preciseert dat derde verzoekster geen concrete nadelen aantoont met haar bewering dat er op verzoekers’ landbouwterrein problemen kunnen ontstaan voor het kweken van gewassen omdat het verharde recyclagepark er voor zou zorgen dat het regenwater niet meer in de grond kan infiltreren. De eerste verwerende partij stelt dat als er al dergelijke problemen zouden bestaan – quod non – deze alleszins ondervangen worden door de maatregelen die in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP zijn opgenomen. X-17.881-12/20 Beoordeling
  31. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat derde verzoekster eigenaar is van een substantieel deel van verzoekers’ landbouwterrein. Dat de herbestemming tot recyclagepark van het oostelijk deel van verzoekers’ landbouwterrein nadelen kan veroorzaken voor de landbouwexploitatie op het overblijvende deel van dit terrein wordt door de verwerende partijen niet beslissend ontkracht. Gezien de potentiële impact van de in het bestreden gemeentelijk RUP voorziene herbestemming kan ook derde verzoekster een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang bij het beroep doen gelden.
  32. De excepties van de verwerende partijen worden verworpen. V. Het tweede middel Standpunt van de partijen 15.
  33. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, evenals de materiëlemotiveringsplicht. 15.
  34. Verzoekers betogen dat de dienst Mer op kennelijk onredelijke en onzorgvuldige wijze heeft besloten dat het voorgenomen plan geen aanleiding zal geven tot aanzienlijke negatieve milieueffecten en dat de opmaak van een plan-MER niet vereist is. Volgens verzoekers blijkt uit de screeningsnota dat er significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn, zoals voor de rubriek biotoopwijziging, evenals effecten op de speciale beschermingszone. In die omstandigheden kwam het de eerste verwerende partij niet toe om met allerlei milderende maatregelen rekening te houden, zonder ze te vertalen in de verordenende voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. De plannende X-17.881-13/20 overheid heeft zelf geen rechtszekere oplossing uitgewerkt voor de in de screeningsnota erkende problemen, maar schuift ze door naar de vergunningverlenende overheid. In de door de dienst Mer bijgetreden screeningsnota is de wederkerende conclusie dat op projectniveau zal dienen te worden aangetoond dat er geen verstoring is op het vlak van infiltratiemogelijkheden, waterkwaliteit, enzovoort. De aanbevelingen en milderende maatregelen die in de screeningsnota worden vermeld zijn niet doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. Verzoekers benadrukken dat het plangebied van dit RUP momenteel een open ruimte is die dienst doet als “groene dooradering”. Dit plangebied zal worden verhard voor het recyclagepark. De in het bestreden gemeentelijk RUP voorziene “groenbuffer” is uiterst beperkt. Het is volstrekt onduidelijk uit welk onderzoek zou blijken dat deze beperkte buffer zou volstaan om al de verwachte negatieve effecten (biotoopwijzing en soortenverlies, effecten op speciale beschermingszone, ...) te milderen.
  35. De eerste verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de Raad van State inzake het onderzoek naar de milieueffecten van een RUP slechts een beperkte toetsingsbevoegdheid heeft. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de dienst Mer op grond van juiste feitelijke gegevens in redelijkheid tot haar conclusie is kunnen komen. De eerste verwerende partij benadrukt dat de door haar opgestelde screeningsnota een vaste systematiek volgt waarbij eerst de mogelijke nadelige effecten worden vermeld en de eigenlijke beoordeling of deze in concreto aanwezig zijn pas daarna volgt. De eerste verwerende partij spreekt verzoekers’ stelling tegen als zou de plannende overheid de vastgestelde problemen hebben doorgeschoven naar de vergunningverlenende overheid. Artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP inzake de “groenbuffer” is X-17.881-14/20 immers de correcte vertaling van de in de screeningsnota voorziene maatregelen. Het valt niet in te zien welke hinder verzoekers nog zouden kunnen ondervinden nadat deze milderende maatregelen in acht worden genomen. De eerste verwerende partij schrijft dat verzoekers de hinder die zij menen te zullen ondervinden dermate algemeen formuleren dat hun argumenten “op quasi elke vergunningsbeslissing kunnen worden gebruikt”, waaruit volgt dat het beroep gelijk te stellen is met een actio popularis. De eerste verwerende partij voegt er nog aan toe dat wanneer er afdoende controlemaatregelen zijn voorzien, de stedenbouwkundige voorschriften veeleer algemeen en vaag gesteld mogen zijn. Te dezen is het rechtszekerheidsbeginsel gerespecteerd daar er afdoende controlemaatregelen voorzien zijn. Immers is het integrale eindadvies van de Gecoro gevolgd en is er op zorgvuldige wijze rekening gehouden met de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschriften.
  36. De tweede verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat wanneer in de screeningsnota wordt gesteld dat er mogelijk significante effecten verwacht kunnen worden, het geenszins vaststaat dat deze effecten zich in casu ook zullen manifesteren. Voorts vergissen verzoekers zich als ze stellen dat er milderende maatregelen worden voorgesteld teneinde te kunnen besluiten dat het bestreden gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten met zich meebrengt en er derhalve geen plan-MER dient opgemaakt te worden. De conclusie in de screeningsnota dat met betrekking tot de rubriek biotoopwijziging verwezen wordt naar de gepaste maatregelen die genomen dienen te worden op projectniveau, houdt geenszins in dat er aanzienlijke milieueffecten verwacht worden. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt immers dat de conclusie dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn niet ondermijnd wordt door de omstandigheid dat het bij de planopmaak onmogelijk is alle milieueffecten in detail te beoordelen. De conclusie dat er op projectniveau gepaste maatregelen dienen genomen te worden om de infiltratie naar de bodem op peil te houden, en dat mits deze maatregelen worden nageleefd ervan uitgegaan kan worden dat er geen effecten te verwachten X-17.881-15/20 zijn met betrekking tot de biotoopwijziging, is dan ook niet onzorgvuldig of onredelijk. Bovendien tast het de algemene conclusie dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn niet aan. De tweede verwerende partij vervolgt dat er maatregelen zijn voorzien in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of er aanzienlijke milieueffecten zullen optreden naar aanleiding van het RUP in de discipline fauna en flora. Het betreft de realisatie van een groenbuffer rondom het plangebied en de integratie van de bestaande beplanting in deze groenbuffer. Volgens de tweede verwerende partij is het logisch en coherent dat de screeningsnota tot volgende algemene conclusie komt over de locatie van het recyclagepark: “Deze locatie is goed bereikbaar en veroorzaakt door z’n ligging weinig hinder naar omwonenden. In functie van het beperken van potentiële hinder naar omwonenden zijn er maatregelen genomen in het RUP. Ook in functie van vergunningverlening voor een latere vergunningsaanvraag zijn reeds elementen opgenomen in deze screening. Op basis van de beoordeling van de milieueffecten voor de verschillende relevante disciplines en rekening houdend met de per discipline voorziene maatregelen en aanbevelingen, kan geconcludeerd worden dat geen aanzienlijke milieueffecten verwacht worden t.o.v. de referentiesituatie.” Beoordeling 18.
  37. Krachtens de in het middel aangevoerde bepalingen van het DABM dienden de verwerende partijen na te gaan of het betrokken gemeentelijk RUP aanzienlijke milieueffecten op de bestaande situatie van mens en leefmilieu kan hebben, aan de hand van de in bijlage I van het DABM opgesomde criteria. Indien er voor een of meer van deze criteria aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, geldt in beginsel de plan-MER-plicht. Wat de intrinsieke degelijkheid van een plan-MER-screening betreft, is de Raad van State niet bevoegd om zijn beoordeling in de plaats van X-17.881-16/20 die van de dienst Mer te stellen. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht is hij wel bevoegd om na te gaan of de dienst Mer op grond van juiste, relevante en toereikende feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. 18.
  38. Uit de in het vorige randnummer bedoelde rechtsregels volgt dat een screeningsnota het resultaat dient te zijn van een zorgvuldig onderzoek waarbij gesteund is op juiste, relevante en toereikende feitelijke gegevens.
  39. De redenering in de hiervoor aangehaalde passages van de screeningsnota (randnrs. 4.4.1 tot 4.4.4) komt er op neer dat de bestemmingswijziging geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt omdat er geen milieueffecten zullen zijn “indien” later op het projectniveau de gepaste maatregelen zullen worden genomen, die er onder meer moeten voor zorgen dat er geen verontreinigende stoffen in het watersysteem terecht komen en dat de infiltratie naar de bodem op peil wordt gehouden. De plannende overheid heeft de laatstgenoemde maatregelen niet opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP, ook niet in artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften over de “bufferzone”, die blijkens deze bepaling een “visuele buffer” betreft. Dat deze maatregelen genomen zouden worden op projectniveau is niet meer dan een vrome wens. De conclusie in de screeningnota dat er geen aanzienlijke X-17.881-17/20 milieueffecten te verwachten zijn, steunt aldus op een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat niet blijkt dat de door de dienst Mer bijgetreden screeningsnota het resultaat is van een zorgvuldig onderzoek waarbij gesteund is op juiste, relevante en toereikende feitelijke gegevens. De onwettigheid van de tweede bestreden beslissing vitieert het daarop gestoelde eerste bestreden besluit.
  40. Aan de laatstgenoemde vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de door de verwerende partijen aangehaalde omstandigheid dat de screeningsnota opgesteld is volgens een vaste systematiek waarbij eerst de mogelijke milieueffecten worden opgelijst. Hetzelfde geldt voor de bewering van de eerste verwerende partij dat verzoekers de hinder die zij menen te zullen ondervinden te algemeen formuleren, evenals voor haar stelling dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP voldoende rechtszeker zijn omdat er afdoende controlemaatregelen zijn voorzien.
  41. Het middel is gegrond. VI. Conclusie
  42. Gelet op de gegrondheid van het tweede middel van het ontvankelijke beroep, moet het eerste bestreden besluit vernietigd worden en dient het tweede bestreden besluit, voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer, hetzelfde lot te ondergaan. X-17.881-18/20 BESLISSING
  43. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de stad Geel van 7 september 2020 tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Recyclagepark’.
  44. De Raad van State vernietigt het besluit van de dienst Milieueffect- rapportage van het departement Omgeving van het Vlaamse Gewest van 21 juni 2018 dat het voorgenomen gemeentelijk RUP ‘Recyclagepark’ geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport niet nodig is.
  45. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde eerste bestreden besluit.
  46. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, op een bijdrage van 20 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter X-17.881-19/20 Silvan De Clercq Johan Lust X-17.881-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.971 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.