← België

Arrest 254974 - Overheidsopdrachten - 08/11/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.974 Rolnummer: A. 237465/XII-9274 Zaak: Arrest 254974 - Overheidsopdrachten - 08/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-10 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 07:47 Fiche Arrest nr 254.974 van 8 november 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 254.974 van 8 november 2022 in de zaak A. 237.465/XII-9274 In zake: de BV SWECO BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV NORTH SEA PORT FLANDERS nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ann Eeckhout en Lotte Ottevaere kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Droesbekeplein 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 8 oktober 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de nv van publiek recht North Sea Port Flanders van 23 september 2022 waarbij de raamovereenkomst voor ingenieursdiensten - perceel 1 (“Natte infra België”) wordt gegund aan de nv Tractebel Engineering. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  3. XII-9274-1/35 Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann-Sofie Custers, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jutta De Mey, die loco advocaten Ann Eeckhout en Lotte Ottevaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht speciale sectoren uit voor diensten met als voorwerp “Raamovereenkomst voor ingenieursdiensten”. De opdracht bestaat uit vijf percelen: - Perceel 1: Natte infra België, - Perceel 2: Natte infra Nederland, - Perceel 3: Droge infra België, - Perceel 4: Droge infra Nederland, - Perceel 5: Spoor Nederland. De voorliggende vordering heeft betrekking op perceel 1, “Natte infra België”. Daaronder vallen ontwerp-, beoordelings- en adviesactiviteiten “met betrekking tot onder andere volgende ‘natte’ infrastructuurelementen: kades, jetty’s/steigers, dolphins, oeverbescherming/glooiingen, baggerwerk, …”. XII-9274-2/35 3.
  6. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 5 oktober 2021 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 8 oktober
  7. 3.
  8. Het bijzonder bestek met referte 2020-022 is van toepassing. Onder punt I.3 wordt de wijze van gunnen bepaald: “De opdracht wordt gegund bij wijze van de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. De procedure wordt gevoerd in opeenvolgende fases waarbij het aantal te onderhandelen offertes geleidelijk verminderd wordt. De initieel ingediende offertes worden aan een voorlopige beoordeling onderworpen waarna de slechtst gerangschikte offertes kunnen afvallen. Dit kan onder meer gebeuren wanneer het te overbruggen verschil met de andere offertes als te groot wordt beoordeeld. Om door te gaan naar de volgende ronde moet een offerte alleszins minstens de helft van de punten scoren op de criteria ‘team’ en ‘plan van aanpak’. Indien nodig wordt er daarna onderhandeld met de inschrijvers die worden toegelaten tot de volgende fase met het oog op het indienen van een verbeterde offerte. De verbeterde offertes worden indien nodig opnieuw beperkt. Deze beoordeling zal gebeuren op basis van de mate van verbetering die werd gerealiseerd ten opzichte van de initieel ingediende offertes en ten opzichte van de andere verbeterde offertes. De finale fase bestaat uit een toelichting van de offerte door de inschrijver waarna er eventueel een best [and] final offer kan worden gevraagd.” In punt I.4 wordt bepaald dat de opdracht wordt beschouwd als een opdracht tegen prijslijst. In punt I.9 van het bestek worden de gunningscriteria omschreven als volgt: XII-9274-3/35 Nr. Beschrijving Gewicht 1 Prijs 40 De inschrijver voegt een prijslijst toe met de verschillende inzetbare functies voor deze opdracht (zie III.1.1 ). Deze prijslijst is bindend bij offertes tijdens uitvoering van de opdracht. De prijsopgave van elke case (zie III.2 ) dient te worden gebaseerd op de prijzen in deze prijslijst. De beoordeling van de prijs gebeurt op basis van de totale prijsopgave van de betreffende case. De opgegeven prijzen in de prijslijst zijn ‘all in’ prijzen. Regel van drie; Score offerte = (prijs laagste offerte / prijs offerte) * gewicht van het criterium prijs 2 Team 35 De inschrijver dient voor ieder perceel waar hij op inschrijft CV’s toe te voegen van alle teamleden. Deze gegevens dienen uitgewerkt te worden voor de binnen het perceel van toepassing zijnde aspecten. Uit dit ‘algemeen team’ wordt dan ook specifiek per case een team voorgesteld. Het gewicht van het concrete team op het gebied van beroepskwalificaties, inzetbaarheid en ervaring wordt geëvalueerd en beoordeeld zowel in het algemeen als per case (zie ook III.1.1). Naast de CV’s dient ook minimaal volgende info opgegeven te worden: a. Beschrijf de rollen binnen de projectorganisatie; hoe biedt de inrichting van de projectorganisatie meerwaarde voor de opdrachtgever voor deze specifieke opdracht. b. Voor iedere rol moet duidelijk beschreven worden welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden daarbij horen. c. Daarnaast dient de samenstelling van het (beoogde) projectteam te worden omschreven, waarbij tevens eventuele samenwerkingsverbanden inzichtelijk dienen te worden gemaakt. Hierbij dient een rechtstreekse relatie te worden gemaakt tot de doelstelling (ontzorgen van de opdrachtgever). d. Maak inzichtelijk wat de uurbesteding per rol zal worden voor de betreffende case. e. Vermits een groot deel van de te verwachten deskundigheid afhangt van het team, dient er ook per voorgesteld teamlid een vervanger te worden voorgesteld. Alle teamleden zijn de Nederlandse taal machtig. 3 Plan van aanpak 20 De inschrijver maakt een plan van aanpak op per case (zie III.2). Dit plan van aanpak wordt beschreven in maximaal 12 pagina’s A4 (lettertype Arial, pnt. 10). Minstens de volgende criteria komen aan bod: a. Geef een omschrijving van uw (integrale) projectaanpak. b. Beschrijf de voorziene fasering van het ontwerpproces en het tijdspad per fase. c. Beschrijf de wijze waarop u verificatie vormgeeft, dat wil zeggen de wijze XII-9274-4/35 waarop u gedurende het ontwerpproces aantoonbaar aan de eisen voldoet. d. Beschrijf de wijze waarop u de planning beheerst gedurende het ontwerpproces, waarbij tijdigheid een belangrijk item is. e. Geef een overzicht van de door u voorziene benodigde onderzoeken welke nodig zijn om een kwalitatief hoogwaardig integraal ontwerp te kunnen maken. f. Beschrijf de wijze waarop u omgaat met scopewijzigingen tijdens het ontwerpproces. g. Beschrijf de wijze waarop u de kwaliteit borgt van het door u op te stellen integrale ontwerp. h. Beschrijf hoe u duurzaamheid en circulariteit opneemt in uw ontwerp i. Beschrijf hoe de communicatie voldoende borgt dat de opdrachtgever op de hoogte wordt gehouden met inachtneming van de doelstelling (ontzorgen van de opdrachtgever). j. Geef een overzicht van de in te zetten hulpmiddelen, tools, softwarepakketten, e.d. en beschrijf op welke wijze deze ingezet worden tijdens het ontwerpproces. k. Geef aan hoe omgegaan wordt met risicomanagement en welke methodiek er gebruikt wordt. 4 Behandeling van dringende ad hoc vragen 5 De inschrijver geeft op hoe hij omgaat met ad hoc vragen die op korte termijn moeten behandeld worden (bv bij calamiteitengevallen, …). Totaal gewicht gunningscriteria: 100 3.
  9. Deel III van het bestek bevat “technische bepalingen”. De volgende bepalingen zijn relevant voor de voorliggende vordering: “III.1 Offerte De inschrijver richt zijn offerte in volgens de gunningscriteria (I.9). Voor het criterium
  10. Team wordt zowel de opgave voor de volledige opdracht als het daarop gebaseerde team voor de uitvoering van de case beoordeeld. III.1.1 Inzetbare functies - Projectleider; - Constructeur (technische / stabiliteitsberekeningen); - Geotechnisch adviseur; - Waterhuishoudkundige; - Verhardingsdeskundige (percelen 3 en 4 droge infra); - Ontwerper; - Tekenaar; - Kostendeskundige; - Planner; XII-9274-5/35 - Bestekschrijver (RAW (percelen 2, 4 en 5, Nederland) en / of Standaardbestek (percelen 1 en 3, België); - Toezichthouder (percelen 2, 4 en 5 Nederland); - Directievoerder (percelen 2, 4 en 5 Nederland); - Milieudeskundige (percelen 1 en 3, België) - Opsteller omgevingsvergunningen (percelen 1 en 3, België) - Expert duurzaamheid en circulariteit, MKI-berekening, LCA-berekeningen -… Andere waardevolle profielen kunnen naar inzicht van de inschrijver toegevoegd worden. Zo kunnen ook profielen toezichthouder en leidend ambtenaar voor percelen 1 en 3 (België) als meerwaarde toegevoegd worden. Alle teamleden zijn de Nederlandse taal machtig. Er moet ook een centrale contactpersoon opgegeven worden voor administratieve zaken. III.2 Cases Voor de onderstaande cases per perceel wordt
  11. uit de opgegeven prijslijst van inzetbare functies de prijs opgelijst per ingezet personeelslid waaruit de totaalprijs voor de case volgt;
  12. de teamsamenstelling voor de case voorgesteld (zie ook I.9 criterium 2);
  13. het plan van aanpak voorgesteld. Zie ook I.9 hiervoor. III.2.1 Case Perceel Nr. 1: Natte infra België Ontwerp van kade 200m (van schetsontwerp tot bestekontwerp), kerende hoogte 15m; diepgang 12,5m; scheepstype 50.000 DWT; bovenbelasting 5T/m², inclusief raming met meetstaat en opstelling technische bestekbepalingen, inclusief plannen (= tekeningen). Opmaken voorstel vereist grondonderzoek en beoordeling ervan. Opmaken vergunningsdossier. Geen toezicht en leidend ambtenaar in case op te nemen. […]” 3.
  14. Voor perceel 1 worden op 28 januari 2022 zeven inschrijvers, waaronder de verzoekende partij en de nv Tractebel Engineering, geselecteerd en vervolgens uitgenodigd om een offerte in te dienen. Vier geselecteerden, waaronder de verzoekende partij en de nv Tractebel Engineering, dienen ook effectief een offerte in. Na een eerste, voorlopige beoordeling van de offertes worden al deze inschrijvers uitgenodigd tot onderhandelingsgesprekken. De inschrijvers XII-9274-6/35 krijgen daarna de gelegenheid om hun offerte aan te passen. Dit resulteert in vier gewijzigde offertes of “best and final offers” (hierna: BAFO’s). 3.
  15. Een verslag van nazicht wordt opgesteld op 22 juni
  16. De nv Tractebel Engineering en de verzoekende partij behalen de volgende scores op de gunningscriteria: Gunningscriterium nr. 1: Prijs

(40)Sweco Belgium 40 Tractebel Engineering 19,14 Gunningscriterium nr. 2 : Team
(35)Sweco Belgium 14 Tractebel Engineering 30 Gunningscriterium nr. 3 : Plan van aanpak
(20)Sweco Belgium 8 Tractebel Engineering 17,5 Gunningscriterium nr. 4 : Behandeling van dringende ad hoc vragen
(5)Sweco Belgium 3,5 Tractebel Engineering 3,5 De offerte van de nv Tractebel Engineering behaalt met een totaalscore van 70,14 punten de hoogste totaalscore, zodat wordt voorgesteld om perceel 1 te gunnen aan deze inschrijver. De verzoekende partij wordt met een score van 65,5 punten als tweede gerangschikt. Op 23 juni 2022 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de nv Tractebel Engineering. 3.
  1. Op 9 juli 2022 vordert de verzoekende partij bij de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de voormelde beslissing. XII-9274-7/35 Gelet op het feit “dat de niet-gegunde inschrijvers meer vragen hebben dan verwacht bij de gemotiveerde beslissing d.d. 23 juni 2022”, beslist de verwerende partij op 14 juli 2022, na bespreking in haar raad van bestuur op 13 juli 2022, om de beslissing van 23 juni 2022 in te trekken en “een verduidelijkt en/of aangevuld verslag van nazicht van offertes op te stellen”. Bij arrest nr. 254.293 van 26 juli 2022 verklaart de Raad van State de vordering tot schorsing dienvolgens zonder voorwerp. 3.
  2. Een nieuw verslag van nazicht wordt opgesteld op 23 september
  3. 3.8.
  4. Onder punt 2, “Initiële offertes”, wordt een punt “2.
  5. Vergelijking van de offertes” ingevoegd, dat nieuw is in vergelijking met het eerste, ingetrokken verslag. Daarin worden de voorlopige beoordelingen en scores van de oorspronkelijke offertes vermeld, op basis waarvan de verwerende partij beslist had de vier inschrijvers uit te nodigen tot de onderhandelingsgesprekken (zie overweging 3.5, hiervoor). Uit de optelling van de scores per gunningscriterium blijkt dat de verzoekende partij voor haar offerte op dat ogenblik een score behaalde van 70 punten en de nv Tractebel Engineering een score van 57 punten. 3.8.
  6. Onder hetzelfde punt 2 wordt ook een nieuw onderdeel “Vervolg van de onderhandelingen” ingevoegd. Hierin wordt voor elke inschrijver de “historiek van de onderhandelingen” beschreven. Met betrekking tot de verzoekende partij wordt het volgende vermeld: “Worden onder andere besproken: de cv’s van het team en specifiek het gegeven dat uit de offerte geen tot beperkte ervaring met havengerelateerde constructies werd aangetoond, de aangeboden profielen, ervaring met duurzaamheid en circulariteit, het ontbreken van milieu- en hei-analyse en de onrealistische inschatting van de case waar aanbesteder verwacht dat er meer aspecten worden uitgewerkt om tot een realistische benadering te komen. Ook het gevraagde partnerschap komt aan bod. Inschrijver neemt een verdedigende houding aan en houdt vast aan de ingediende offerte. XII-9274-8/35 Aanbesteder geeft duidelijk aan dat de case veel gedetailleerder en diepgaander moet worden aangepakt voor een realistische benadering en stelt bereid te zijn eerlijke prijzen te betalen voor een goede dienstverlening die gericht is op partnerschap. Het wordt de inschrijver duidelijk gemaakt dat hij een nieuwe offerte kan indienen gebaseerd op de nieuwe inzichten na de onderhandelingen en dat deze nieuwe offerte een ‘best and final offer’ zal zijn; er zullen geen verdere gesprekken volgen. Het is duidelijk dat bij een poging tot verbetering van het aanbod op het vlak van kwaliteit, de prijs zou kunnen stijgen en dus slechter scoren en omgekeerd. Het wordt aan de inzichten van de inschrijver overgelaten of de nieuwe offerte zal bestaan uit een volledig nieuw allesomvattend document of uit een document met aanvullingen op de bestaande offerte, als tenminste duidelijk wordt gemaakt wat het finale aanbod is.” 3.8.
  7. Ten slotte wordt onder punt 3, “Finale onderhandelingsfase”, bij punt 3.2, “Regelmatigheidsonderzoek van de offertes van geselecteerde kandidaten”, een specifieke motivering ingevoegd: “Prijs- of kostenonderzoek: Alle ingediende offertes werden onderworpen aan een prijs- of kostenonderzoek. De verschillen in prijsopgave voor de case kunnen wellicht worden toegeschreven aan interpretatieverschillen of misverstanden. Inschrijvers dienen de kans te krijgen om dit te verbeteren na onderhandelingsgesprekken. Nazicht abnormale eenheidsprijzen en totale offerteprijzen: Er is geen indicatie dat er mogelijk abnormale uurprijzen worden opgegeven.” 3.8.
  8. Onder punt 3.3, “Vergelijking van de offertes”, worden de BAFO’s op grond van de in het bestek vermelde gunningscriteria beoordeeld. In vergelijking met het ingetrokken verslag van nazicht van 22 juni 2022 zijn de scores van alle inschrijvers op alle criteria exact dezelfde gebleken, maar is de motivering ruimer. Op het gunningscriterium “prijs” behaalt de verzoekende partij 40/40 punten tegenover 19,14/40 punten voor de nv Tractebel Engineering. Op het gunningscriterium “team” behaalt de verzoekende partij 14/35 punten tegenover 30/35 punten voor de nv Tractebel Engineering. XII-9274-9/35 De respectieve motiveringen voor dit criterium luiden: - voor de verzoekende partij: “Ondanks de aanvulling in de BAFO blijft waterbouwkundige ervaring specifiek met havengerelateerde constructies voor bepaalde profielen beperkt aangetoond en dus minder overtuigend. Uit de BAFO blijkt dat er een basisgroep is en een beperkter teamvoorstel voor de specifieke case. Op basis van de ingediende BAFO blijft het onduidelijk wat het ‘dedicated’ team is. De rollen binnen de projectorganisatie zijn duidelijk uitgewerkt. Het is een pluspunt dat de projectleider zelf een deel van het werk doet en zelf in detail in de opdracht zal meewerken. De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij iedere rol zijn goed uitgewerkt. De samenstelling van het team is goed omschreven maar het blijkt voornamelijk om junior profielen te gaan en het is ook niet duidelijk wat eventuele samenwerkingsverbanden zijn. Dit alles overtuigt de aanbesteder niet voldoende dat de inschrijver de doelstelling, het ontzorgen, waar de aanbesteder expliciet om vraagt, zal kunnen realiseren bij de uitvoering van de opdrachten. Per rol wordt inzichtelijk gemaakt wat de uurbesteding zal zijn maar de case wordt nauwelijks herwerkt in de BAFO: er is wel meer aandacht voor duurzaamheid en overleg maar duidelijk onvoldoende voor andere aspecten zoals bijvoorbeeld omgevingsvergunning, ontwerp en opmaak aanbestedingsdocumenten. De te laag ingeschatte uurbesteding kan niet worden opgevangen door de aangeboden expertise. In andere offertes wordt vergelijkbare of betere expertise aangeboden en is de uurbesteding duidelijk ruimer. Naar het oordeel van aanbesteder blijft het aanbod onrealistisch. Aanbesteder stelt vast dat inschrijver de opmerkingen hierover tijdens de onderhandelingsgesprekken grotendeels naast zich neerlegt. Dit doet twijfels rijzen over het gevraagde partnerschap. Er zijn vervangers per teamlid aangeduid maar zoals bij het aangeboden team overtuigt de waterbouwkundige ervaring niet.” - voor de nv Tractebel Engineering: “Uit de cv’s voor het algemene team blijkt een zeer goede waterbouwkundige ervaring met havengerelateerde constructies en dit bij de gehele organisatie inclusief vervangers. De bafo voorziet extra in een breed scala aan profielen waaruit blijkt dat inschrijver verder denkt dan de case en zelf zaken voorstelt die een meerwaarde zijn voor de specifieke opdrachten. Kennis van duurzaamheid wordt slechts bij 1 expert duidelijk aangetoond in de BAFO. Het voorgestelde team voor de case is zeer sterk met een duidelijk aangetoonde zeer goede waterbouwkundige ervaring met havengerelateerde constructies. Ook hier worden er extra inzetbare nuttige XII-9274-10/35 profielen voorzien in de BAFO maar heeft slechts 1 expert duidelijk aangetoonde kennis van duurzaamheid. De rollen binnen de projectorganisatie zijn goed uitgewerkt. Voor iedere rol zijn de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden goed uitgewerkt. Een pluspunt is dat de projectleider steeds het rechtstreeks aanspreekpunt is, ook voor nieuwe opdrachten. De samenstelling van het (beoogde) projectteam is goed omschreven en de samenwerkingsverbanden zijn inzichtelijk gemaakt, duidelijk met het oog op ontzorging. In de BAFO wordt de zeer duidelijke en gedetailleerde opbouw van de uurbesteding nog uitgebreid met de extra profielen. Ook een volledig evenwaardig vervangteam wordt duidelijk voorgesteld. De BAFO is zeer helder, gedetailleerd en transparant. Beroepskwalificaties en ervaring worden op zeer overtuigende manier ingezet met het oog op partnerschap en ontzorging.” Op het gunningscriterium “plan van aanpak” behaalt de verzoekende partij 8/20 punten tegenover 17,5/20 punten voor de nv Tractebel Engineering. De respectieve motiveringen voor dit criterium luiden: - voor de verzoekende partij: “De integrale projectaanpak wordt in de BAFO nauwelijks aangepast en blijft dus weliswaar duidelijk uitgewerkt maar niet overtuigend. Uit BAFO blijkt dat inschrijver de opmerkingen hierover tijdens de onderhandelingsgesprekken grotendeels naast zich neerlegt. Het gevraagde partnerschap en ontzorging worden als hoogst twijfelachtig geëvalueerd. De fasering is goed uitgewerkt in de BAFO, al zou nog meer detail nuttig zijn. De opgegeven tijdsduur blijft onrealistisch wat weinig vertrouwen geeft naar uitvoering van de concrete opdrachten onder de raamovereenkomst. De uitgewerkte verificatie is zeer goed en flexibel met een groot systeem voor complexe projecten. De planning is goed uitwerkt in de BAFO. Het overzicht van de benodigde onderzoeken blijft op bepaalde vlakken onduidelijk, bijvoorbeeld of een milieu- en hei-analyse nu wel of niet wordt voorzien. De wijze waarop met scopewijzigingen wordt omgegaan en waarop de kwaliteit wordt geborgd, is goed uitwerkt. Duurzaamheid en circulariteit wordt goed opgenomen in het ontwerp. Verschillende methodieken en programma’s worden aangereikt. Communicatie wordt voldoende uitgeschreven. In de BAFO is een goed overzicht uitgewerkt van de hulpmiddelen en hoe deze worden ingezet. XII-9274-11/35 Hoe wordt omgegaan met risicomanagement en welke methodiek er gebruikt wordt, is voldoende duidelijk.” - voor de nv Tractebel Engineering: “Het plan van aanpak is sterk geschreven met pro actieve voorstellen en goed gekozen voorbeelden bij specifieke gevraagde onderdelen die gelieerd zijn aan de case. In de BAFO wordt er nog meer ingezet op ontzorging van aanbesteder. Dit wordt als erg positief geëvalueerd. De voorziene fasering van het ontwerpproces en het tijdspad per fase is zeer duidelijk uitgewerkt. Er wordt erg pragmatisch omgegaan met de verificatie. De planning tijdens het ontwerpproces wordt goed omschreven. Het gevraagde overzicht van de benodigde onderzoeken in de BAFO is volledig en duidelijk. De wijze waarop met scopewijzigingen tijdens het ontwerp wordt omgegaan is goed omschreven. De wijze waarop de kwaliteit wordt geborgd is goed uitgewerkt in de offerte. Met betrekking tot duurzaamheid en circulariteit blijkt uit de BAFO een duidelijke visie, er worden zeer concrete voorbeelden meegegeven. Het onderbouwen van ontwerpkeuzes met behulp van LCA ontbreekt echter en het is ondanks aanvullingen nog onduidelijk wat de ervaring is inzake MKI, LCA. De communicatie wordt goed uitgeschreven en uit de BAFO blijkt goed dat de aanbesteder zal worden ontzorgd door de [inschrijver]. Pluspunt hierbij is dat de projectleider het aanspreekpunt is. Ook het voorstel om af en toe op zelfde locatie te werken wordt als pluspunt geëvalueerd. In de bafo wordt een vrij volledig overzicht gegeven van de in te zetten hulpmiddelen, tools en softwarepakketten en er wordt aangegeven op welke wijze dit zal worden ingezet tijdens het ontwerpproces. Er wordt in de BAFO aangevuld maar voor duurzaamheid onvoldoende. De inschrijver omschrijft de risicomanagementmethodiek goed.” Op het gunningscriterium “behandeling van dringende ad hoc vragen” behalen zowel de verzoekende partij als de nv Tractebel Engineering 3,5/5 punten. In totaal behaalt de nv Tractebel Engineering een score van 70,14/100 punten tegenover 65,5/100 punten voor de verzoekende partij, die als tweede wordt gerangschikt. 3.
  9. Op 23 september 2022 gunt de verwerende partij perceel 1 aan de nv Tractebel Engineering. XII-9274-12/35 Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de artikelen 4, 5 en 8, § 1, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. Zij acht deze bepalingen en beginselen op drie gronden geschonden, met name “doordat Verwerende Partij aan de BAFO van Verzoekende Partij ten opzichte van de eerste offerte van Verzoekende Partij opeens een XII-9274-13/35 beduidend mindere score voor de gunningscriteria ‘team’ en ‘plan van aanpak’ toekent zonder afdoende motivering en zonder rekening te houden met de doorgevoerde optimalisaties; doordat de motivering voor de score van 14 voor het gunningscriterium ‘team’ en de motivering voor de score van 8 voor het gunningscriterium ‘plan van aanpak’ van de BAFO van Verzoekende Partij op diverse vlakken feitelijk niet correct is en dat daaruit blijkt dat de offertes onvoldoende zorgvuldig zijn onderzocht; doordat uit verschillende omstandigheden blijkt dat Verwerende Partij de eerste offertes pas post factum na de onderhandelingen heeft beoordeeld, waardoor ze afwijkt van haar eigen Bijzonder Bestek.” Deze drie gronden worden hierna beschouwd als drie afzonderlijke onderdelen van het middel. 5.
  12. In de toelichting bij het eerste onderdeel klaagt de verzoekende partij aan dat de beduidend lagere scores voor haar BAFO op de gunningscriteria “team” en “plan van aanpak” (14 resp. 8) ten opzichte van de scores voor de initiële offerte (17,5 resp. 10) niet worden verantwoord. De verzoekende partij legt de beoordelingen van de initiële offerte en de BAFO naast elkaar en besluit dat de verschillen zeer beperkt zijn en, gelet op de in de BAFO opgenomen optimalisaties, ook bijna altijd in positieve zin. Zij voert aan dat door het gebrek aan verantwoording voor de lagere scores die scores niet te begrijpen zijn. 5.
  13. In de toelichting bij het tweede onderdeel hekelt de verzoekende partij de deugdelijkheid van de motieven voor de gegeven scores op de gunningscriteria “team” en “plan van aanpak”. Op diverse punten zijn die in de feiten niet correct. Hieruit blijkt ook dat het onderzoek onzorgvuldig is gebeurd. Met betrekking tot het gunningscriterium “team” betwist de verzoekende partij met name de volgende beoordelingen: de beperkte ervaring met havengerelateerde constructies; de onduidelijkheid over het “dedicated team”; het feit dat het team voornamelijk juniorprofielen bevat en de onduidelijkheid over eventuele samenwerkingsverbanden; het feit dat de case nauwelijks herwerkt is in de BAFO, waardoor het aanbod onrealistisch blijft en er twijfels rijzen over het gevraagde partnerschap; het gebrek aan waterbouwkundige ervaring bij de vervangers van de teamleden. XII-9274-14/35 Met betrekking tot het gunningscriterium “plan van aanpak” betwist de verzoekende partij met name de volgende beoordelingen: het feit dat de integrale projectaanpak van de case nauwelijks herwerkt is in de BAFO en het hoogst twijfelachtig is of het gevraagde partnerschap en de ontzorging aangeboden kunnen worden; het onrealistisch karakter van de voor de case opgegeven tijdsduur; de onduidelijkheid inzake de voor de aanpak van de case benodigde onderzoeken, bijvoorbeeld met betrekking tot de vraag of een milieu- en hei-analyse wel of niet wordt voorzien. 5.
  14. In de toelichting bij het derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de beoordeling van en de motieven voor de initiële offertes post factum zijn opgesteld, na de onderhandelingen, hetgeen wijst op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij voert aan dat zij nooit enig document, zoals een onderhandelingsnota, heeft ontvangen vóór de onderhandelingen. Zij heeft dan ook nooit kennis gehad van de haar initieel toegekende scores en van de initiële rangschikking van haar eerste offerte. Pas op het ogenblik van het onderhandelingsgesprek heeft zij kennis gekregen van de verbeterpunten. Overigens werd de verzoekende partij al vóór de indiening van haar eerste offerte op 8 maart 2022 per e-mailbericht van 8 februari 2022 uitgenodigd voor een onderhandelingsgesprek dat zou plaatsvinden op 22 maart
  15. De verwerende partij heeft dus zonder voorlopige beoordeling en zonder de offertes reeds ontvangen te hebben, besloten dat onder meer de verzoekende partij werd uitgenodigd voor de onderhandelingen. Dit is in strijd met het verloop van de onderhandelingen zoals weergegeven in het verslag van nazicht en met de bestekbepalingen aangaande het verloop van de plaatsingsprocedure. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij “zich in alle mogelijke bochten […] moeten wringen” om in de post factum opgenomen beoordeling van de initiële offerte tegemoet te komen aan de kritiek die de verzoekende partij in haar eerste verzoekschrift tot schorsing had geuit, en met name om alsnog te motiveren waarom de verzoekende partij voor die initiële XII-9274-15/35 offerte de vereiste 50 % had behaald waardoor zij kon doorgaan naar de onderhandelingsfase. Beoordeling Eerste onderdeel
  16. In punt I.3 van het bestek wordt bepaald dat de verbeterde offertes worden beoordeeld “op basis van de mate van verbetering die werd gerealiseerd ten opzichte van de initieel ingediende offertes en ten opzichte van de andere verbeterde offertes”. Het is dus de mate van verbetering ten opzichte van de initiële offerte die zou worden beoordeeld, en dit niet alleen ten aanzien van de eigen initiële offerte van de verzoekende partij, maar ook ten aanzien van de verbeteringen aangebracht in de offertes van de andere inschrijvers. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de in het verslag van nazicht gesignaleerde verschillen van de BAFO ten opzichte van de initiële offerte “bijna altijd in de positieve zin” worden gewaardeerd, is het weliswaar zo dat op een aantal punten een verbetering wordt vastgesteld. Niettemin wordt voor tal van andere punten opgemerkt dat de eerder vastgestelde minpunten “blij[ven]” bestaan. Bovendien wordt, bij de beoordeling op het criterium “plan van aanpak”, uitdrukkelijk vastgesteld dat de verzoekende partij de opmerkingen die de verwerende partij tijdens het onderhandelingsgesprek gemaakt heeft over de gebrekkige integrale projectaanpak “grotendeels naast zich neerlegt”. De verwerende partij lijkt melding te maken van verscheidene elementen die erop wijzen dat de verbeteringen of optimalisaties nog steeds niet aan haar verwachtingen voldoen of niet tegemoet komen aan haar opmerkingen. Die elementen lijken dan ook de relatief lage score voor de BAFO te kunnen verantwoorden, in het licht van de in punt I.3 van het bestek bepaalde wijze van beoordeling van de verbeterde offertes.
  17. Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel XII-9274-16/35
  18. De kritiek in het tweede onderdeel heeft betrekking op de deugdelijkheid van de motieven. De verzoekende partij bekritiseert de onderdelen die voor haar nadelig zijn. De Raad van State herinnert eraan dat de aanbestedende overheid bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria over een aanzienlijke beoordelingsruimte beschikt. Het komt de Raad van State niet toe een eigen beoordeling in de plaats te stellen van deze van het bestuur. Desgevraagd mag de Raad wel nagaan of de beoordeling met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd, of ze berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven, en of het bestuur de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. Daarnaast kan een verzoekende partij die kritiek wil leveren op de toetsing door de aanbestedende overheid van de offertes aan de hand van de gunningscriteria er niet mee volstaan één of meer uit hun context gehaalde onderdelen van de motivering selectief te citeren en te bekritiseren. Het is immers de motivering van de toetsing van de offertes in haar geheel genomen die afdoende moet zijn. De Raad van State noteert dat de verwerende partij in dit verband aanvoert dat de verzoekende partij aan “cherry picking” doet, en voorbijgaat aan “dé grote aspecten: ontzorging en partnerschap door een onrealistische case en team over het geheel”.
  19. In het verslag van nazicht wordt voor elke inschrijver vermeld hoe de onderhandelingen verlopen zijn. Specifiek met betrekking tot de onderhandelingen met de verzoekende partij wordt vermeld dat de verzoekende partij erop gewezen werd dat uit de cv’s van het team en uit de offerte geen tot beperkte ervaring met havengerelateerde constructies werd aangetoond, dat de aangeboden profielen voornamelijk juniorprofielen betroffen, dat er in de aangeboden ervaring ook aandacht moest zijn voor duurzaamheid en circulariteit, dat milieu- en hei-analyses ontbraken, en dat de case op een onrealistische wijze was ingeschat. Er werd ook gezegd dat de aanbesteder verwachtte dat meer aspecten zouden worden uitgewerkt om tot een realistische benadering te komen. Ten slotte kwam het gevraagde partnerschap aan bod. XII-9274-17/35 De verzoekende partij lijkt de juistheid van dit verslag van de met haar gevoerde onderhandelingen niet te betwisten. Bij de beoordeling van de motivering in het verslag van nazicht, in het bijzonder met betrekking tot de genoemde minpunten die tijdens de onderhandelingen aan bod zijn gekomen, moet ermee rekening gehouden worden dat de verzoekende partij op de hoogte was van de bedenkingen terzake van de verwerende partij.
  20. Met betrekking tot het gunningscriterium “team” betwist de verzoekende partij onder meer de beoordeling van de waterkundige ervaring van het team. Het is weliswaar juist dat de verzoekende partij aan de BAFO een referentiematrix heeft toegevoegd waarbinnen voor elke medewerker binnen het voorgestelde organogram de effectieve waterbouwkundige referenties worden verduidelijkt. Ook de cv’s zijn bijgevoegd. In haar verzoekschrift wijst de verzoekende partij in het bijzonder op de effectieve ervaring van twee leden van het team. Al deze elementen lijken echter geen afbreuk te doen aan de vaststelling in het verslag van nazicht dat voor “bepaalde profielen”, dus niet voor alle profielen, de ervaring met havengerelateerde constructies beperkt is aangetoond. De verzoekende partij betwist ook de vaststelling in het verslag van nazicht dat het team voornamelijk is samengesteld uit juniorprofielen. Zij voert aan dat zowel in het algemeen organogram als in het specifieke organogram voor de case niet enkel juniorprofielen, maar ook seniorprofielen worden aangeboden. Zij merkt ook op dat het bestek niet verbiedt om met juniorprofielen te werken. Die opmerkingen van de verzoekende partij lijken een feitelijke grondslag te vinden in het administratief dossier. Evenwel kan met de verwerende partij worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar BAFO met betrekking tot de case voor perceel 1 284 uren juniorprofielen inzet, hetgeen neerkomt op 43 % van de volledige inzet van het team op de case. Ook al is het misschien overdreven om te stellen dat het bij de samenstelling van het team “voornamelijk” gaat om juniorprofielen, het aandeel daarvan is in elk geval niet onaanzienlijk. En ook al verbiedt het bestek niet om te werken met juniorprofielen, het lijkt moeilijk om aan de verwerende partij te verwijten dat zij bij een dergelijke inzet van juniorprofielen eraan twijfelt of de verzoekende partij “de doelstelling, het XII-9274-18/35 ontzorgen, waar de aanbesteder expliciet om vraagt, zal kunnen realiseren bij de uitvoering van de opdrachten”. Wat de uurbesteding voor de case betreft, wordt in het verslag van nazicht gesteld dat die te laag is ingeschat, en dat die lage inschatting niet opgevangen kan worden door de aangeboden expertise. Het verslag besluit dat het aanbod daarom onrealistisch blijft. In haar verzoekschrift voert de verzoekende partij aan dat de case eerder eenvoudig is, zodat haar aanbod wel realistisch is. Zij benadrukt ook dat zij inzet op een efficiënt gebruik van resources. Daarmee lijkt de verzoekende partij met zoveel woorden toe te geven dat zij in haar BAFO geen verregaande aanpassing van haar aanpak van de case nodig heeft geacht. Uit de samenvatting van het verloop van de onderhandelingen blijkt echter dat de verwerende partij liet weten dat zij de initiële inschatting door de verzoekende partij van de case als onrealistisch beschouwde en dat zij een verdere uitwerking verwachtte. De beweerd lage complexiteit van de case lijkt overigens op het eerste gezicht niet te overtuigen, rekening houdend onder meer met de inhoud van de andere offertes, die de Raad van State heeft kunnen inkijken. In het bijzonder met betrekking tot de in het verslag van nazicht als onvoldoende beoordeelde aandacht van de verzoekende partij voor de aspecten omgevingsvergunning, ontwerp en opmaak van aanbestedingsdocumenten, blijken er grote verschillen qua tijdsbesteding te bestaan tussen de offerte van de verzoekende partij en die van de andere inschrijvers. De opmerking van de verzoekende partij “dat de andere partijen de fictieve case onterecht complexer hebben gemaakt”, lijkt op het eerste gezicht geen steun te vinden in de gegevens van het dossier.
  21. De hiervoor besproken overwegingen in het verslag van nazicht betreffen, naar het voorlopig oordeel van de Raad van State, essentiële onderdelen van de beoordeling van de BAFO van de verzoekende partij op het gunningscriterium “team”. Zonder dat het nodig is nader in te gaan op de kritiek van de verzoekende partij op andere overwegingen, die als minder essentieel voorkomen, is de Raad van oordeel dat de verzoekende partij op het eerste gezicht er niet in slaagt om de deugdelijkheid van de motieven onder het gunningscriterium “team” te ondergraven. XII-9274-19/35 De Raad stelt voorts vast dat de verzoekende partij geen grieven ontwikkelt ten aanzien van de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver op het genoemde gunningscriterium. In de gegeven omstandigheden wordt er in deze stand van het geding van uitgegaan dat de puntentoekenning aan verzoekende partij van 14/35 punten voor het gunningscriterium “team” tegenover 30/35 punten voor de gekozen inschrijver overeind blijft.
  22. Met betrekking tot het gunningscriterium “plan van aanpak” richt de kritiek van de verzoekende partij zich op drie specifieke onderdelen van het verslag van nazicht. Zij stelt in de eerste plaats een contradictie in de beoordeling vast, waar gesteld wordt dat de integrale projectaanpak duidelijk is uitgewerkt maar toch niet overtuigt. Voorts herhaalt zij dat de voorgelegde case niet complex is, zodat de verwerende partij ten onrechte heeft aangenomen dat de opgegeven tijdsduur onrealistisch is. Ten slotte betwist de verzoekende partij dat een milieu- en een hei-analyse deel zouden uitmaken van de benodigde onderzoeken. Dergelijke studies maken volgens haar integraal deel uit van het ontwerp zelf, waar nodig, en dienden dus niet vermeld te worden bij de “benodigde onderzoeken”. In wezen plaatst de verzoekende partij aldus haar eigen inzichten tegenover de verwachting van de aanbestedende overheid om te worden ontzorgd, zoals uitdrukkelijk verwoord tijdens de onderhandelingen. De verzoekende partij steunt thans op de duidelijkheid van haar omschrijvingen, op een door haar als laag ingeschatte complexiteit van de case en op het feit dat het niet nodig zou zijn om bepaalde onderzoeken in haar plan van aanpak op te nemen. Zij gaat er echter aan voorbij dat de verwerende partij tijdens de onderhandelingen uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de benadering van de verzoekende partij haar als onrealistisch voorkwam en dat zij daarbij de verwachting heeft uitgesproken dat de aanpak van de case nader uitgewerkt zou worden. Naar aanleiding van die opmerkingen moest het de verzoekende partij duidelijk zijn geworden dat haar initiële procesaanpak niet helemaal kon overtuigen. Het komt de Raad van State voorshands niet onredelijk voor dat de verwerende partij, ten aanzien van een BAFO die op de genoemde punten geen noemenswaardige aanpassingen bevat, het XII-9274-20/35 gevraagde partnerschap en de met nadruk gevraagde ontzorging als “hoogst twijfelachtig” heeft geëvalueerd. Hieruit volgt dat ook wat het gunningscriterium “plan van aanpak” betreft, de verzoekende partij er niet in slaagt om aannemelijk te maken dat de motieven de gegeven score niet kunnen dragen.
  23. Het tweede onderdeel is niet ernstig. Derde onderdeel
  24. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat zij nooit enig document heeft ontvangen vóór de onderhandelingen en dat zij pas kennis gekregen heeft van de verbeterpunten tijdens het onderhandelingsgesprek, is de Raad van State voorshands van oordeel dat er voor de aanbestedende overheid geen verplichting bestaat om vóór het begin van de onderhandelingen de opmerkingen op de initiële offerte schriftelijk ter kennis van de inschrijvers te brengen. Essentieel is dat elke inschrijver op gelijke wijze behandeld wordt en dat hij te dezen, zoals uit punt I.3 van het bestek volgt, met name kennis krijgt van de opmerkingen op zijn initiële offerte en in de gelegenheid wordt gesteld om zijn offerte in het licht daarvan te verbeteren. Te dezen blijkt voorshands uit niets dat de verzoekende partij bij de onderhandelingen ongelijk is behandeld. Zij werd net als alle andere inschrijvers toegelaten tot de onderhandelingsronde. Zij voert niet aan dat het gebrek aan een schriftelijk document met opmerkingen op haar initiële offerte haar heeft gehinderd in haar presentatie tijdens het onderhandelingsgesprek, en zij betwist op het eerste gezicht evenmin dat de aspecten die blijkens het verslag van nazicht van 23 september 2022 zijn besproken tijdens de onderhandelingsronde, daarin ook effectief aan bod zijn gekomen. De verzoekende partij voert ten slotte niet aan dat zij in het verslag van nazicht is afgestraft op grond van niet eerder ter kennis gebrachte minpunten.
  25. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de verwerende partij onder meer de verzoekende partij heeft uitgenodigd voor de onderhandelingen zonder voorlopige beoordeling van de initiële offertes en zelfs XII-9274-21/35 zonder dat zij die offertes reeds ontvangen had, hetgeen in strijd zou zijn met de procedure als beschreven in het bestek, toont zij niet aan hoe dit gegeven haar benadeeld zou hebben. De Raad van State ziet dat nadeel voorshands ook zelf niet in. Ter terechtzitting voert de verzoekende partij aan dat zij niet heeft kunnen controleren of alle inschrijvers wel degelijk mochten doorgaan naar de volgende ronde. Niets lijkt de verzoekende partij evenwel te hebben belet naar aanleiding van de kennisname van de bestreden beslissing en het nieuwe verslag van nazicht, de motieven voor de voorlopige beoordeling van de initiële offertes alsnog aan de wettigheidstoets van de Raad van State te onderwerpen.
  26. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de motivering van de voorlopige beoordeling van haar initiële offerte is opgesteld na de onderhandelingen en zelfs na ontvangst van haar BAFO, op een zodanige wijze dat tegemoetgekomen zou worden aan de grieven die de verzoekende partij had aangevoerd in haar verzoekschrift gericht tegen de later ingetrokken gunningsbeslissing van 23 juni 2022, moet in de eerste plaats opgemerkt worden dat ten gevolge van die intrekking de beslissing van 23 juni 2022, met inbegrip van het verslag van 22 juni 2022, geacht wordt nooit te hebben bestaan. Er kan dan ook geen rekening gehouden worden met het feit dat de motieven van de voorlopige beoordeling nog niet opgenomen waren in het verslag van nazicht van 22 juni
  27. Voor het overige lijkt noch uit enige wets- of reglementsbepaling noch uit enig algemeen rechtsbeginsel, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, een verplichting voor de aanbestedende overheid voort te vloeien om de schriftelijke motieven van de voorlopige beoordeling van de initiële offertes op te stellen vóór het begin van de onderhandelingen. Wel lijkt op het eerste gezicht uit het administratief dossier te moeten blijken dat er een voorafgaande voorlopige beoordeling is geweest. Te dezen bevat het dossier een intern beoordelingsdocument. Dit vertrouwelijk document, dat de Raad van State heeft kunnen inzien, bevat per inschrijver en per gunningscriterium de opmerkingen van verscheidene beoordelaars op de initiële offerte, en vervolgens op de onderhandelingen en de BAFO’s. Aldus lijkt aangenomen te kunnen worden XII-9274-22/35 dat er inderdaad een voorlopige beoordeling is geweest vóór de onderhandelingen met elke inschrijver. In zoverre de verzoekende partij ten slotte aanvoert dat de motieven van de voorlopige beoordeling van de initiële offertes opgesteld lijken te zijn op een zodanige wijze dat zij een ondersteuning moesten bieden voor het feit dat de indieners van de initiële offertes allen 50 % behaalden op de criteria “team” en “plan van aanpak” en zij dus allen uitgenodigd konden worden voor de onderhandelingen, kan de Raad van State voorshands geen elementen zien die steun bieden voor deze veronderstelling.
  28. Het derde onderdeel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  29. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 153 juncto artikel 81 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en het transparantiebeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht, doordat een beoordelingsmethode werd toegepast voor de beoordeling van de gunningscriteria “team”, “plan van aanpak” en “behandeling van dringende ad hoc vragen” die niet voorafgaandelijk in het bestek was aangekondigd en die tevens niet uitdrukkelijk blijkt uit de gunningsbeslissing van 23 september
  30. De verzoekende partij verwijst naar de zogenaamde “Dimarso-doctrine” (zie in het bijzonder het arrest nr. 239.937 van de Raad van State van 23 november 2017 inzake nv TNS Dimarso), waaruit volgens haar volgt dat de aanbestedende overheid de beoordelingsmethode in beginsel voorafgaandelijk aan de opening van de offertes dient vast te stellen. Als de aanbestedende overheid de door haar gehanteerde beoordelingsmethode niet XII-9274-23/35 vooraf aan de inschrijvers kenbaar maakt, dient zij in het gunningsverslag of de gunningsbeslissing te motiveren hetzij dat zij de methode vóór de opening van de offertes heeft vastgesteld, hetzij dat er gegronde redenen waren om die methode pas achteraf vast te stellen. De verwerende partij maakt in het verslag van nazicht en de bestreden gunningsbeslissing echter geen gewag van een voorafgaandelijk vastgestelde beoordelings- en quoteringsmethode. Beoordeling
  31. Zoals de verzoekende partij terecht aanvoert, en zoals de Raad van State onder meer in zijn arrest nr. 239.937 van 23 november 2017 inzake nv TNS Dimarso heeft overwogen, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2016, C-6/15, in dezelfde zaak, is het in beginsel ongeoorloofd om nog na het openen van de offertes de beoordelingsmethode vast te stellen. Wel wordt aanvaard dat er aantoonbare redenen kunnen zijn waarom de methode niet vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld. Bij gebreke van dergelijke redenen is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel. De Raad van State herinnert voorts eraan dat een aanbestedende overheid bij de beoordeling van de offertes elke offerte dient te vergelijken met elk van de andere offertes en tot een rangschikking dient te komen van de offertes rekening houdend met de voor- en nadelen van elke offerte ten opzichte van en in verhouding tot elk van de andere offertes. De aanbestedende overheid beschikt daarbij over een bepaalde beoordelingsruimte. Bij de toetsing van de offertes dient niet alles op voorhand te worden vastgelegd in rigide schema’s, bindende parameters en bepaalde vooraf vastgestelde vermeerderingen en verminderingen in quotering.
  32. Te dezen lijkt de aanbestedende overheid voor de beoordeling van de criteria “team”, “plan van aanpak” en “behandeling van dringende ad hoc vragen” te hebben gekozen voor een beschrijvende evaluatie in woorden, gekoppeld aan een globale score. Dit is een vrij gebruikelijke beoordelingsmethode die zich op het eerste gezicht laat inpassen in de bestekbepaling (punt I.9) die de elementen aanreikt om de kwalitatieve verschillen XII-9274-24/35 tussen de diverse offertes onderling te belichten. De toekenning van de globale scores op elk van de genoemde criteria lijkt dan ook de neerslag te zijn van de mate waarin de diverse voorstellen naar het oordeel van de verwerende partij in mindere of meerdere mate beantwoorden aan haar verwachtingen, uitgedrukt aan de hand van de in het bestek aangekondigde beoordelingselementen. Anders dan de verzoekende partij het lijkt te zien, lijkt er te dezen geen gebruik te zijn gemaakt van een pas na de opening van de offertes vastgestelde ordinale evaluatiemethode. De evaluatie lijkt veeleer op een voor de hand liggende manier te zijn gebeurd, rekening houdend met de in het bestek opgesomde beoordelingselementen.
  33. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  34. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 153 juncto artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016, de artikelen 41, 42, 43, 44 en 74 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en het transparantiebeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. Zij voert in de eerste plaats aan dat uit de gebruikte bewoordingen in het verslag van nazicht blijkt dat enkel de initiële offertes zijn onderworpen aan een prijs- en kostenonderzoek, en dus niet de BAFO’s. Volgens het verslag worden immers verschillen in prijsopgave vastgesteld, en dienen de inschrijvers de kans te krijgen om mogelijke interpretatieverschillen of misverstanden te verbeteren na onderhandelingsgesprekken. Uit artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016 en de artikelen 43 en 44 van het koninklijk besluit XII-9274-25/35 plaatsing speciale sectoren 2017 volgt echter dat het prijs- of kostenonderzoek uitgevoerd moet worden op de “ingediende” offertes, en alleszins op de BAFO’s. De verzoekende partij voert voorts aan dat de aanbestedende overheid een algemeen prijs- of kostenonderzoek moet uitvoeren, als bedoeld in artikel 43 van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017, en dat indien zij prijzen vaststelt die abnormaal laag of hoog lijken, zij op grond van artikel 44 van dat besluit dient over te gaan tot een bijzonder prijsonderzoek. Te dezen heeft de verwerende partij schijnbaar abnormale prijzen vastgesteld: in het verslag van nazicht wordt immers gesproken van “verschillen in prijsopgave”. Zij heeft die verschillen echter “op eigen houtje” toegeschreven aan interpretatieverschillen of misverstanden, zonder eerst een prijsbevraging bij de betrokken inschrijver te doen. Ten slotte voert de verzoekende partij aan dat uit de beoordeling van haar BAFO blijkt dat de verwerende partij zich vragen stelt bij haar prijszetting. Zo wordt zij bij de beoordeling van haar offerte op het gunningscriterium “team” afgestraft wegens “de te laag ingeschatte uurbesteding” en “het onrealistisch aanbod”. De verwerende partij heeft aan de verzoekende partij geen toelichtingen en verduidelijkingen gevraagd, met toepassing van artikel 153 juncto artikel 84 van de wet overheidsopdrachten 2016, zodat aan de verzoekende partij de kans is ontnomen om haar prijszetting te motiveren, in de zin van artikel 43 van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017, en te verantwoorden, in de zin van artikel 44 van dat besluit. Beoordeling
  35. Overeenkomstig artikel 43 van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren 2017 onderwerpt de aanbestedende entiteit de ingediende offertes aan een prijs- of kostenonderzoek. Artikel 44, § 1, van hetzelfde besluit bepaalt dat, indien uit het prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig artikel 43 blijkt dat er prijzen of kosten worden aangeboden die abnormaal laag of hoog lijken, de aanbestedende entiteit een bevraging van deze laatste uitvoert. Wanneer wordt gebruikgemaakt van de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging wordt de bevraging uitgevoerd op de laatst ingediende XII-9274-26/35 offertes. Artikel 44 regelt vervolgens nader in detail het bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen of kosten.
  36. De verzoekende partij meent dat het te dezen gevoerde prijsonderzoek geen betrekking heeft op de BAFO’s. Zij leidt dat af uit de verwijzing in het verslag van nazicht naar te voeren onderhandelingsgesprekken en verbeteringsmogelijkheden voor de prijsopgave voor de case. Het gaat bij de voorliggende opdracht om een opdracht tegen prijslijst. De prijslijst bevat de opgave van de uurtarieven voor de verschillende inzetbare functies. Het zijn die uurtarieven die de “prijs” uitmaken. Het bijzondere aan de voorliggende opdracht is dat de “prijsopgave van elke case” steunt op de prijslijst, enerzijds, waarop dan het door de inschrijvers aangeboden rendement wordt toegepast, anderzijds. Het rendement, of de uurbesteding, wordt beoordeeld onder het gunningscriterium “team”. De inschrijvers hebben de kans gekregen om hun rendement tijdens de onderhandelingen te verantwoorden en om, zoals in het verslag van nazicht wordt opgemerkt, weliswaar onder het opschrift “Prijs- of kostenonderzoek”, de “prijsopgave voor de case” te verbeteren. Ten aanzien van de uurtarieven vermeldt het verslag van nazicht dat er geen indicatie is van mogelijks abnormale uurprijzen. In die omstandigheden lijkt uit de enkele verwijzing in het verslag van nazicht naar de mogelijkheid om de “prijsopgave voor de case” nog na de onderhandelingsgesprekken te verbeteren niet afgeleid te kunnen worden dat het algemeen prijsonderzoek beperkt is gebleven tot een onderzoek van de prijzen in de initiële offertes.
  37. De verzoekende partij voert voorts aan dat uit het feit dat de verwerende partij “verschillen in prijsopgave” heeft vastgesteld, afgeleid moet worden dat zij abnormale prijzen heeft vastgesteld. Volgens de verzoekende partij bracht die vaststelling mee dat de verwerende partij het bijzonder prijsonderzoek had moeten uitvoeren, bedoeld in artikel 44 van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren
  38. XII-9274-27/35 Het enkele feit dat prijsverschillen zijn vastgesteld, hoeft echter nog niet te betekenen dat er tussen de prijzen abnormaal lage of hoge prijzen zijn. Dat dit te dezen niet het geval is, blijkt uit het verslag van nazicht waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat er “geen indicatie [is] dat er mogelijk abnormale uurprijzen worden opgegeven”. In haar nota voegt de verwerende partij hieraan toe dat de door de verschillende inschrijvers opgegeven uurtarieven in dezelfde lijn liggen, waardoor geen enkele van de opgegeven uurtarieven abnormaal hoog of laag leek. De vertrouwelijke gegevens van het administratief dossier, waarmee de Raad van State rekening mag houden, bevestigen dat er geen grote prijsverschillen zijn. In zoverre lijkt de verzoekende partij dus uit te gaan van een lezing van het verslag van nazicht die strookt noch met de bewoordingen ervan noch met de gegevens van het dossier.
  39. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat zij niet de kans gekregen heeft om haar “prijszetting” te verantwoorden, en met name geen toelichting heeft kunnen geven over de uurbesteding voor de case en het al dan niet realistisch karakter van haar aanbod, volstaat het te herhalen dat de uurbesteding door de verwerende partij wordt beoordeeld onder het gunningscriterium “team” (zie overweging 24, hiervoor). De uurbesteding kwam dus niet aan bod in het kader van het algemeen prijsonderzoek. Overigens is de verzoekende partij tijdens het onderhandelingsgesprek uitdrukkelijk erop gewezen dat haar inschatting van de case als onrealistisch overkwam en heeft zij de kans gekregen om haar offerte op dit punt aan te passen, hetgeen zij echter nauwelijks gedaan heeft (zie overweging 10, hiervoor).
  40. Het derde middel is niet ernstig. XII-9274-28/35 D. Vierde middel
  41. In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 en het daarin neergelegde beginsel inzake eerlijke mededinging en het beginsel inzake de gelijke behandeling der inschrijvers, artikel 120 van de wet overheidsopdrachten 2016, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het transparantie- en het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel inzake de gelijke behandeling en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”, “doordat Verwerende Partij in de bestreden gunningsbeslissing d.d. 23 september 2022 geenszins het verloop van de onderhandelingen omschrijft, doch louter in de historiek van de onderhandelingen een beknopt verslag van de gevoerde onderhandelingen opneemt; doordat Verwerende Partij niet voorafgaandelijk aan de onderhandelingen een onderhandelingsnota heeft overgemaakt en geen verslag heeft overgemaakt na de onderhandelingen, zodat Verzoekende Partij op haar eigen ervaring diende af te gaan voor het indienen van een BAFO; doordat Verzoekende Partij zelf een indieningsdatum heeft gekozen voor haar BAFO waardoor het voor Verzoekende Partij niet duidelijk is wanneer de andere inschrijvers een BAFO hebben ingediend; er is aldus sprake van verschillende indieningsdata van de BAFO’s. Dit doet Verzoekende Partij vermoeden dat er nog onderhandelingen hebben plaatsgevonden, terwijl Verzoekende Partij haar BAFO reeds had ingediend; doordat Verwerende Partij haar eigen Bijzonder Bestek niet heeft nageleefd aangezien, na onderhandelingen en het verbeterde voorstel, de finale fase moet bestaan uit een toelichting van de offerte door de inschrijver; terwijl artikelen 4 en 120 van de Overheidsopdrachtenwet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het Bijzonder Bestek voorschrijven hoe de onderhandelingen en het verloop ervan dienden gevoerd te worden; terwijl op grond van het transparantie- en zorgvuldigheidsbeginsel een weerslag van de onderhandelingen moet worden opgenomen in de gunningsbeslissing; terwijl op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en de gelijke behandeling der inschrijvers Verwerende Partij moet kunnen aantonen dat de onderhandelingen op gelijke wijze zijn gevoerd en er bijgevolg een gelijke indieningstermijn is voor de BAFO’s zodat de beoordeling ervan gelijktijdig op objectieve wijze kan gebeuren en de eerlijke mededinging bijgevolg gewaarborgd werd; en terwijl op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti Verwerende Partij bij het nemen van de gunningsbeslissing niet mag afwijken van haar eigen Bijzonder Bestek; XII-9274-29/35 zodat er bij gebreke hieraan geen enkele zekerheid bestaat dat perceel 1 (Natte infra België) op correcte wijze werd gegund aan de meest voordelige regelmatige inschrijver; en zodat de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt.” Uit de toelichting bij het middel blijkt dat dit bestaat uit twee onderdelen. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij de onderhandelingen gevoerd heeft op een wijze die op een aantal punten strijdig is met punt I.3 van het bestek. Zij voert met name aan dat de voorlopige beoordeling van de initiële offertes pas is opgesteld na de onderhandelingen in plaats van ervoor, en dat zij na het indienen van haar “verbeterde offerte”, zijnde de BAFO, geen kans meer gekregen heeft om die offerte toe te lichten. In een tweede onderdeel voert zij aan dat de onderhandelingen gevoerd zijn op een wijze die de gelijkheid tussen de inschrijvers in het gedrang brengt. In dit verband voert zij met name aan dat het verslag van de onderhandelingen geen beschrijving bevat van een aantal elementen die de verzoekende partij zouden toelaten om na te gaan of de onderhandelingen correct zijn verlopen: geen vermelding van de datum waarop de inschrijvers uitgenodigd werden tot de onderhandelingen, geen vermelding van de data waarop de onderhandelingsgesprekken hebben plaatsgevonden, geen vermelding of een voorafgaande onderhandelingsnota en een verslag over de respectieve onderhandelingen al dan niet aan de inschrijvers is meegedeeld, en geen vermelding van de datum waarop elk van de inschrijvers zijn BAFO moest indienen. De verzoekende partij voert voorts aan dat zij zelf geen voorafgaande onderhandelingsnota noch een verslag van de met haar gevoerde onderhandelingen heeft ontvangen, en dat haar geen datum is meegedeeld voor het indienen van haar BAFO. Als ook aan de andere inschrijvers geen uiterste datum is meegedeeld, vermoedt zij dat er met bepaalde inschrijvers nog onderhandelingen gevoerd zijn nadat zij haar BAFO had ingediend. XII-9274-30/35 Beoordeling Eerste onderdeel
  42. In zoverre in dit onderdeel wordt aangevoerd dat de voorlopige beoordeling van de initiële offertes heeft plaatsgevonden nadat de onderhandelingen gevoerd waren, valt het samen, zoals de verzoekende partij trouwens zelf aangeeft met het eerste middel, derde onderdeel. Om de redenen die bij de bespreking van dat middel zijn gegeven (zie overweging 16, hiervoor), is het huidige onderdeel ook in zoverre niet ernstig.
  43. In zoverre in dit onderdeel wordt aangevoerd dat de verzoekende partij na het indienen van een “verbeterde offerte” niet meer de kans heeft gekregen om die offerte toe te lichten en daarna een BAFO in te dienen, moet vastgesteld worden dat punt I.3 van het bestek inderdaad bepaalt dat er onderhandeld wordt “met het oog op het indienen van een verbeterde offerte”, dat de verbeterde offertes, indien nodig, “opnieuw [worden] beperkt”, en dat de finale fase van de procedure “bestaat uit een toelichting van de offerte door de inschrijver waarna er eventueel een best [and] final offer kan worden gevraagd”. Zoals blijkt uit het verloop van de onderhandelingen, beschreven in het verslag van nazicht, heeft de verwerende partij na afloop van het onderhandelingsgesprek aan elk van de inschrijvers gemeld “dat hij een nieuwe offerte kan indienen gebaseerd op de nieuwe inzichten na de onderhandelingen, […] dat deze offerte een ‘best and final offer’ zal zijn[, en dat er] geen verdere gesprekken [zullen] volgen”. Na de onderhandelingsfase hebben alle inschrijvers dus meteen een BAFO moeten indienen, waarover geen verdere toelichting gegeven kon worden. Ook al is deze werkwijze misschien niet helemaal in overeenstemming met de letter van het bestek, de Raad van State ziet hierin voorshands geen onregelmatigheid die van aard is de wettigheid van de bestreden gunningsbeslissing aan te tasten. De verzoekende partij toont met name niet aan XII-9274-31/35 dat zij op enigerlei wijze benadeeld is door het feit dat zij, evenmin als de andere inschrijvers, niet in de gelegenheid is gesteld om haar BAFO toe te lichten. Dit is des te minder het geval, nu haar BAFO niet wezenlijk lijkt te verschillen van de initiële offerte, waarover de verzoekende partij wel degelijk een toelichting heeft verstrekt. Ook in zoverre is het onderdeel niet ernstig. Tweede onderdeel
  44. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de in het verslag van nazicht van 23 september 2022 opgenomen neerslag van de gevoerde onderhandelingen niet voldoende weergeeft hoe de onderhandelingen met elk van de inschrijvers zijn verlopen, herinnert de Raad van State eraan dat het van cruciaal belang is dat een aanbestedende overheid een schriftelijke en controleerbare neerslag bijhoudt van de onderhandelingen, zodat bijvoorbeeld in het geval van een geschil de procespartijen en de rechter in staat zijn zich een voorstelling te maken van de onderhandelingen, onder meer in het licht van de beginselen van gelijkheid en transparantie (zie onder meer het arrest nr. 251.423 van 6 september 2021 inzake bv Academic Software). Te dezen blijkt uit de “historiek van de onderhandelingen”, zoals weergegeven in het verslag van nazicht, dat voor alle inschrijvers eenzelfde stramien is gevolgd. In eerste instantie zijn de initiële offertes voorlopig beoordeeld. Vervolgens is elke inschrijver uitgenodigd voor een onderhandelingsgesprek waarop hij de kans gekregen heeft om zijn offerte te verduidelijken en toe te lichten. De verwerende partij heeft tijdens dat gesprek opmerkingen gemaakt over die offerte. Vervolgens hebben alle inschrijvers de kans gekregen om, in het licht van eventuele nieuwe inzichten opgedaan tijdens de onderhandelingen, een BAFO in te dienen. Uit het algemene verloop van de onderhandelingen blijkt voorshands niet dat de verzoekende partij anders is behandeld dan de andere inschrijvers. XII-9274-32/35
  45. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat in het verslag over de onderhandelingen geen melding wordt gemaakt van de respectieve data waarop de inschrijvers voor de onderhandelingen zijn uitgenodigd en van de data waarop die onderhandelingen hebben plaatsgevonden, maakt zij niet aannemelijk dat het zou gaan om gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van de regelmatigheid van de onderhandelingen.
  46. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat in het verslag over de onderhandelingen niet wordt verduidelijkt of voorafgaandelijk een onderhandelingsnota aan sommige inschrijvers is meegedeeld en of onmiddellijk na de onderhandelingen een verslag daarover aan sommige inschrijvers is meegedeeld, gaat de Raad van State er voorshands van uit dat, bij stilzwijgen hieromtrent in het verslag, aan geen enkele inschrijver een voorafgaande onderhandelingsnota of een navolgend verslag over het onderhandelingsgesprek is meegedeeld. Er is trouwens niets in het administratief dossier dat erop wijst dat dit voor sommige inschrijvers wel gebeurd zou zijn. Voorts verwijst de Raad van State naar hetgeen hij bij de bespreking van het eerste middel, derde onderdeel, heeft opgemerkt in verband met het ontbreken van een voorafgaande schriftelijke onderhandelingsnota (zie overweging 14, hiervoor). Hij herhaalt dat hij voorshands van oordeel is dat er voor de aanbestedende overheid geen verplichting bestaat om vóór het begin van de onderhandelingen de opmerkingen op de initiële offerte schriftelijk ter kennis van de inschrijvers te brengen. De verzoekende partij preciseert voor het overige niet hoe het ontbreken van een voorafgaande onderhandelingsnota haar belet zou hebben zich voor te bereiden op de onderhandelingen. In dit verband wijst de Raad van State erop dat het onderhandelingsgesprek bestond uit een toelichting van de eigen offerte door de verzoekende partij zelf, gevolgd door opmerkingen van de verwerende partij op die offerte. In verband met het ontbreken van een navolgend verslag over het onderhandelingsgesprek dat met de verzoekende partij is gevoerd, voert de verzoekende partij aan dat zij hierdoor “op eigen houtje” haar offerte heeft moeten optimaliseren. Met de verwerende partij stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij hiermee voorbijgaat aan het feit dat zij mondeling kennis XII-9274-33/35 gekregen heeft van de opmerkingen van de verwerende partij op haar initiële offerte. Zoals de Raad van State heeft opgemerkt bij de bespreking van het eerste middel, derde onderdeel (zie overweging 14, hiervoor), betwist de verzoekende partij op het eerste gezicht niet dat de aspecten die blijkens het verslag van nazicht van 23 september 2022 zijn besproken tijdens de onderhandelingsronde, daarin ook effectief aan bod zijn gekomen. Zij voert ook niet aan dat zij in het verslag van nazicht is afgestraft op grond van niet eerder ter kennis gebrachte minpunten.
  47. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat in het verslag over de onderhandelingen geen melding wordt gemaakt van de respectieve data waarop elk van de inschrijvers zijn BAFO moest indienen, lijkt uit het administratief dossier en de nota van de verwerende partij afgeleid te kunnen worden dat geen dergelijke data zijn bepaald. De verzoekende partij geeft aan dat zij zelf een indieningstermijn heeft voorgesteld voor haar BAFO. Weliswaar kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de handelwijze van de verwerende partij om tijdens of na de onderhandelingen geen duidelijke termijn te bepalen voor het indienen van de BAFO’s. Zoals de verzoekende partij terecht opmerkt, is het niet uitgesloten dat sommige inschrijvers daardoor over meer tijd hebben beschikt dan andere om hun BAFO in te dienen. De verzoekende partij lijkt echter geen belang te hebben bij haar grief, nu uit het administratief dossier blijkt dat de gekozen inschrijver en zijzelf beiden onderhandelingen met de verwerende partij hebben gevoerd op 22 maart 2022 en de verzoekende partij vervolgens op een later tijdstip dan de gekozen inschrijver een BAFO heeft ingediend. Uit het administratief dossier blijkt voor het overige niet dat er na de indiening door de verzoekende partij van haar BAFO nog onderhandelingen zouden zijn gevoerd met enige andere inschrijver.
  48. Het tweede onderdeel is niet ernstig. XII-9274-34/35 VI. Besluit
  49. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  50. De Raad van State verwerpt de vordering.
  51. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht november tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9274-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.974 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.