id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.010 Rolnummer: A. 229437/XIV-38180 Zaak: Arrest 255010 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 10/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-16 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 07:49 Fiche Arrest nr 255.010 van 10 november 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 255.010 van 10 november 2022 in de zaak A. 229.437/XIV-38.180 In zake : Thomas BARRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145 A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de deliberatiecommissie van de dienst rekrutering en selectie van de Federale Politie van 28 augustus 2019 waarbij werd vastgesteld dat verzoeker ongeschikt wordt verklaard voor de vergelijkende selectie voor bevordering naar een hoger kader (HINP) sessie 2019-2020. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 246.888 van 29 januari 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-38.180-1/15 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste-auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Verstraeten, die loco advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is eerste inspecteur van politie bij de Federale politie. XIV-38.180-2/15 Hij schrijft zich begin 2019 in voor de selectieprocedure voor bevordering door overgang naar een hoger kader, het middenkader (hoofdinspecteur van politie). 3.2. De selectieprocedure bestaat uit (
- i)een beroepsproef, (
- ii)een persoonlijkheidsproef en (iii) een gesprek met de selectiecommissie, waarna de deliberatiecommissie beslist of de kandidaat geschikt of ongeschikt is voor overgang naar het middenkader. Verzoeker legt op 30 april 2019 de beroepsproef af, waarvoor hij slaagt met een score van 232,62. Op 9 juli 2019 neemt verzoeker deel aan het persoonlijkheidsonderzoek en voert hij een gesprek met de selectiecommissie. 3.3. Op 28 augustus 2019 beslist de deliberatiecommissie verzoeker ongeschikt te verklaren om toegelaten te worden tot de basisopleiding voor het middenkader. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…] Resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek, het gesprek met de selectiecommissie én de competentiegerichte beoordeling betreffende het potentieel van de kandidaat Competenties Resultaat Analyseren 4 Oplossingsgericht werken 3,5 Mensen aansturen 3,9 Samenwerken (intern) 3,4 Klantgericht optreden 3,7 Inzet tonen 5,5 Coping 3,7 Betrokkenheid en motivatie 4 Normbesef/integriteit 5 XIV-38.180-3/15 Afwezigheid van extremisme 7 Afwezigheid van psychopathologie 7 Beslissing van de deliberatiecommissie van 28-08-2019: □ Zeer geschikt □ Geschikt x Ongeschikt […].” Voorts wordt in voetnoot gewezen op het feit dat de legende van deze scores zich aan de achterzijde van het beslissingsblad bevindt. Die luidt: “[…]. 2. De deliberatiecommissie De Deliberatiecommissie wordt gevraagd, na het selectiegebeuren, te bepalen of een kandidaat al dan niet voldoet aan het beoogde selectieprofiel. Conform artikel VII.II.20 van RPPol neemt de deliberatiecommissie één van de hiernavolgende beslissingen: ‘zeer geschikt’, ‘geschikt’, of ‘ongeschikt’. Deze beslissing wordt weergegeven op een samenvattende lijst. De criteria geëvalueerd tijdens het persoonlijkheidsonderzoek, nav de verschijning voor de selectiecommissie én dmv het advies van de korpschef of directeur betreffende het potentieel van de kandidaat, worden bepunt op een 9-puntenschaal met volgende invullingen: - score 9: de competentie is sterk aanwezig en is een troef voor de kandidaat; - score 8: de competentie is bij de kandidaat sterk aanwezig en ontwikkeld; - score 7: de competentie is aanwezig bij de kandidaat; - score 6: de competentie kan bij de kandidaat ontwikkeld worden, resultaten kunnen op korte termijn verwacht worden; - score 5: de competentie kan bij de kandidaat ontwikkeld worden; - score 4: de competentie kan bij de kandidaat ontwikkeld worden, maar wordt een aandachtspunt voor de kandidaat; - score 3: de competentie is niet verworven door de kandidaat en zal een belangrijke persoonlijke investering vereisen; - score 2: de competentie is niet verworven door de kandidaat en zal een belangrijke persoonlijke investering vereisen op lange termijn; - score 1: de competentie is niet verworven door de kandidaat.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.180-4/15 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Uiteenzetting van de exceptie 4. Verzoeker voert in de “toelichtende memorie” aan dat de memorie van antwoord uit het debat moet worden geweerd omdat ze niet voldoet aan de bepalingen van de artikelen 6 en/of 84 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), zelfs wanneer rekening zou worden gehouden met de bepalingen voorzien in het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’ (hierna: het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020). Beoordeling 5. Luidens artikel 6, § 2 van de algemene procedureregeling beschikt de verwerende partij, indien het administratief dossier in haar bezit is, over een termijn van zestig dagen om aan de griffie een memorie van antwoord en het volledige dossier toe te zenden. Wanneer die memorie niet binnen die termijn werd ingediend, dan wordt ze op grond van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ambtshalve uit het debat geweerd. Te dezen moet ook worden gewezen op artikel 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020, bekrachtigd bij artikel 2, § 1, van de wet van 24 december 2020 ‘tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19.’ Deze bepaling luidt: “Artikel 1.Onverminderd de door de bevoegde overheid getroffen of te treffen regelingen, worden de termijnen, van toepassing op het instellen en het XIV-38.180-5/15 behandelen van de procedures voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die vervallen tijdens de periode van 9 april 2020 tot en met 3 mei 2020, einddatum die door de Koning aangepast kan worden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld, van rechtswege verlengd tot dertig dagen na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode. Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en op vorderingen tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend in de periode bepaald in het eerste lid.” In het verslag aan de Koning (BS 22 april 2020) is inzake het voornoemde artikel 1, eerste lid, het volgende gesteld: “[…].De termijnverlenging geldt zowel voor de termijnen binnen dewelke de partijen hun vordering moeten instellen – in de regel respectievelijk zestig of dertig dagen – als voor deze binnen dewelke de partijen hun memories moeten indienen, voortzetting van de rechtspleging moeten vragen of andere proceshandelingen (bijvoorbeeld het indienen van een verzoek tot tussenkomst) moeten stellen.[…].” Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 12 voorziet aldus, voor de termijnen die van toepassing zijn op het instellen en het behandelen van procedures voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State die vervallen tussen 9 april en 3 mei 2020, in een verlenging van dertig dagen na afloop van die periode. De Koning heeft niet de in artikel 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 vermelde termijn voor het instellen en behandelen van de procedures, verlengd. 6. Op 24 februari 2020 werd het door verzoeker ingediende verzoek tot voortzetting van het geding op elektronische wijze aan de verwerende partij betekend. De termijn van zestig dagen ging in op 25 februari 2020, zodat de laatste dag van de in artikel 6, § 2, van de algemene procedureregeling voorziene termijn van zestig dagen, zaterdag 25 april 2020 was, die met toepassing van artikel 88, derde lid, van de algemene procedureregeling werd verplaatst naar maandag 27 april 2020. De termijn om een memorie van antwoord in te dienen, XIV-38.180-6/15 verviel dus tijdens de periode van 9 april 2020 tot en met 3 mei 2020, zodat met toepassing van artikel 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020, de termijn om de memorie van antwoord in te dienen, van rechtswege werd verlengd tot 3 juni 2020. De memorie van antwoord werd met een aangetekende brief van 29 mei 2020 aan de Raad van State verzonden. Ze is derhalve tijdig. 7. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 8. In een enig middel van het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht. Hij stelt, samengevat, dat in de bestreden beslissing enkel is vermeld dat hij “matrixgewijs niet [is] geslaagd” en bijgevolg “ongeschikt” is bevonden, terwijl deze vermelding slechts wordt ondersteund door louter cijfermatige quoteringen en een korte toelichting van de verschillende competenties en terwijl de gronden waarop de quoteringen met decimalen steunen, niet zijn toegelicht. Daarnaast doet hij gelden dat niet kan worden uitgemaakt waarom deze quoteringen in decimalen werden uitgedrukt, wat de gehanteerde werkwijze tot afronding van deze decimale quoteringen inhoudt en wat hun concreet belang is nu blijkt dat de competenties die in de “9-punten-schaal” zijn opgenomen, niet zijn aangepast aan een beoordeling van decimale scores. Hij wijst voorts op de bestaansreden van de motiveringsplicht zoals die is opgelegd door de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en op het feit dat de brief van 30 augustus 2019 waarmee de bestreden beslissing is meegedeeld, vermeldt dat bijkomende informatie over het behaalde resultaat kan worden bekomen, maar dat hij op het tijdstip van het indienen van het beroep nog geen antwoord heeft XIV-38.180-7/15 gekregen op zijn vraag. Verzoeker stelt dat niet kan worden uitgemaakt op welke wijze de deliberatiecommissie tot haar beoordeling is gekomen. Verzoeker wijst er onder meer op dat als de quoteringen nader worden bekeken en als ter afronding van decimalen het algemeen geldend wiskundig principe wordt gehanteerd dat vanaf een waarde van “5” of meer na de komma, naar boven wordt afgerond, zulks impliceert dat verzoeker in plaats van vijf scores onder vereiste quotering “4” op de gehanteerde 9-puntenschaal, slechts één onvoldoende overhoudt. Zulks impliceert dat verzoeker derhalve wel geschikt zou kunnen worden verklaard en dat hij derhalve niet heeft gefaald. Hij komt tot het besluit dat het hem niet mogelijk is te analyseren of de opgegeven grond tot ongeschiktheidsverklaring gerechtvaardigd is en dat het hem onmogelijk wordt gemaakt een correct en grondig verweer te voeren. 9. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord vast dat het selectiereglement zeer duidelijk de grens bepaalt van de geschiktheid of de ongeschiktheid. Door het communiceren van de exacte cijfers van verzoeker, is dan ook van meet af aan duidelijk waarom verzoeker ongeschikt werd verklaard. In de mate dat verzoeker aan de motiveringsplicht koppelt dat niet zou zijn toegelicht waarom wordt gewerkt met decimale cijfers, betreft volgens de verwerende partij die kritiek niet de motiveringsplicht, maar “eerder een beweerdelijke schending van een andere rechtsgrond”. Zij stelt dat zij de afweging heeft gemaakt dat het werken met decimale getallen nauwkeuriger is en dat zij dat op gelijke wijze toepast voor alle kandidaten binnen de voorliggende selectieprocedure. Volgens haar geeft de bestreden beslissing duidelijk weer dat verzoeker voor vijf competenties onder de vier scoort, waardoor hij ongeschikt werd bevonden. Voorts bekritiseert de verwerende partij dat verzoeker zelf overgaat tot het afronden van de resultaten wat volgens haar uiteraard niet mogelijk is. Zo zijn meerdere afrondingsregels mogelijk, hetgeen zij detailleert. Aangezien de persoonlijkheidsproef geen eenvoudige rekenoefening is, maar daarentegen een complex van verschillende proeven en testen waarbij wordt gepeild naar verschillende persoonlijkheidskenmerken, dient ook met de eindscores omzichtig XIV-38.180-8/15 te worden omgesprongen. Volgens haar is het toepassen van afrondingsregels dan ook niet evident en zeker niet indien het selectiereglement dit niet voorziet. De decimale cijfers geven volgens haar een genuanceerde score, waarop niet zomaar enige afrondingsregels kunnen worden toegepast zonder de weging van de verschillende componenten opnieuw in vraag te stellen. In haar laatste memorie beklemtoont de verwerende partij dat het selectiereglement nergens bepaalt dat de scores niet zouden mogen worden uitgedrukt in decimalen en dat tevens een zeer duidelijk beoordelingskader is gekoppeld aan de scores. Volgens haar moet een score van 3, … ook als een score 3 in aanmerking worden genomen en het zou volgens de verwerende partij onduidelijk of onredelijk zijn moest er op de decimale puntenscores een automatische afronding worden toegepast, zoals verzoeker aanvoert. Vermits het selectiereglement enkel de in gehele getallen uitgedrukte scores verduidelijkt, moet ter zake met de vermelding van het resultaat na de komma dan ook geen rekening worden gehouden. Beoordeling 10. Uit het middel blijkt dat verzoeker onder het kopje “schending van de motiveringsplicht” onder meer de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht, doordat niet kan worden uitgemaakt op welke wijze de deliberatiecommissie tot haar beoordeling is gekomen: de gronden waarop de quoteringen met decimalen steunen zijn niet toegelicht en het kan niet worden uitgemaakt waarom deze quoteringen in decimalen werden uitgedrukt, noch wat de gehanteerde werkwijze tot afronding van deze decimale quoteringen inhoudt en wat hun concreet belang is nu blijkt dat de competenties die in de “9-punten-schaal” zijn opgenomen, niet zijn aangepast aan een beoordeling van decimale scores. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. XIV-38.180-9/15 11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid om in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 12. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.3). Hieruit blijkt dat in de bestreden beslissing is aangekruist dat verzoeker “ongeschikt” is en dat dit wordt verantwoord door de scores die verzoeker heeft behaald op elk van de onderzochte competenties inzake het persoonlijkheidsonderzoek. Ook blijkt dat deze scores zijn gegeven in decimale getallen. Zo blijkt dat aan verzoeker een score is toegekend van 3,5 voor de competentie “oplossingsgericht werken”, een score van 3,9 voor de competentie “mensen aansturen”, een score 3,4 voor de competentie “samenwerken (intern)”, een score 3,7 voor de competentie “klantgericht optreden”, en een score van 3,7 voor de competentie “coping.” Ter beoordeling van het afdoende karakter van deze formele motivering, moet worden gewezen op het door verzoeker overgelegde selectiereglement sessie 2019-2020 betreffende het vergelijkend examen voor bevordering door overgang naar een hoger kader, interne kandidatuur – hoofdinspecteur (middenkader) (hierna: het selectiereglement). Inzake de beoordeling van het persoonlijkheidsonderzoek is daarin het volgende gesteld: XIV-38.180-10/15 “
(2)Beoordeling De competenties die beoordeeld worden tijdens het persoonlijkheidsonderzoek worden gescoord op een 9-puntenschaal. Overeenkomstig artikel IV.
- UBPol wordt door een gekwalificeerd lid van de dienst recrutering en selectie van de federale politie een beoordeling uitgebracht in volgende bewoordingen: - score 9: de competentie is sterk aanwezig en is een troef voor de kandidaat, - score 8: de competentie is bij de kandidaat sterk aanwezig en ontwikkeld, - score 7: de competentie is aanwezig bij de kandidaat, - score 6: de competentie kan bij de kandidaat ontwikkeld worden, resultaten kunnen op korte termijn verwacht worden, - score 5: de competentie kan bij de kandidaat ontwikkeld worden, - score 4: de competentie kan bij de kandidaat ontwikkeld worden, maar wordt een aandachtspunt voor de kandidaat, - score 3: de competentie is niet verworven door de kandidaat en zal een persoonlijke investering vereisen, - score 2: de competentie is niet verworven door de kandidaat en zal een persoonlijke investering vereisen op lange termijn, - score 1: de competentie is niet verworven door de kandidaat. Bemerking: de evaluatie van de competenties ‘afwezigheid van extremisme’ en ‘afwezigheid van psychopathologie’, kunnen geformuleerd worden als ‘niets te melden’. Na afloop van het persoonlijkheidsonderzoek wordt over elke kandidaat een van volgende beoordelingen uitgebracht: - de kandidaat bezit de persoonlijkheidskenmerken die hem/haar toelaten een ambt van het middenkader bij de politie uit te oefenen; - de kandidaat bezit het potentieel om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem/haar toelaten een ambt van het middenkader van de politie uit te oefenen; - de kandidaat bezit momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken die hem/haar toelaten een ambt van het middenkader bij de politie uit te oefenen. Een kandidaat bezit momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie van middenkader uit te oefenen in het geval dat de kandidaat minimum één score van 1, of meer dan twee scores minder dan 4 heeft behaald. […].” Uit dit selectiereglement blijkt dat de competenties in het kader van de persoonlijkheidsproef worden beoordeeld op een puntenschaal van één tot negen (gehele) getallen, waarbij voor elke score (nauwkeurig) wordt bepaald welke de invulling en draagwijdte ervan is. Zo betekent de score “3” dat de competentie door de kandidaat niet is verworven en een belangrijke persoonlijke investering zal vereisen, en houdt de score “4” in dat de competentie kan worden XIV-38.180-11/15 ontwikkeld maar wel een aandachtspunt wordt voor de kandidaat. Een kandidaat bezit niet de vereiste persoonlijkheidskenmerken indien die minimum één score van 1, of meer dan twee scores minder dan 4 heeft behaald. Het selectiereglement voorziet niet in een quotering van de betrokken competenties in decimale getallen. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het selectiereglement niet verbiedt dat er wordt gewerkt met decimale getallen noch dat erin wordt bepaald dat enkel met gehele getallen, en niet met decimale getallen mag worden gewerkt. Een dergelijk uitdrukkelijk gebod of verbod kan in het selectiereglement weliswaar niet worden gelezen maar uit het feit dat, per score, (uitgedrukt in een geheel getal) uitdrukkelijk en duidelijk wordt bepaald wat hieronder precies moet worden begrepen, blijkt toch dat de bedoeling voorlag te werken met die scores uitgedrukt in gehele getallen en de erbij horende betekenis zoals die in de legende bij die score tot uitdrukking is gebracht. Het valt immers niet meteen in te zien hoe, zoals te dezen, een score met een decimaal getal moet worden begrepen gelet op de draagwijdte die het selectiereglement zelf geeft aan de scores “3” en “4” (zie supra). Voor beide scores wordt bepaald dat de competentie niet verworven is, met die nuance dat bij een score “4” geoordeeld wordt dat de competentie, op voorwaarde dat de kandidaat er de (vereiste) aandacht aan besteedt, kan worden verworven, terwijl bij een score van “3” geoordeeld wordt dat de betrokken competentie “een belangrijke persoonlijke investering” vereist in welk geval deze kan worden verworven. Het valt in het licht van die aangebrachte nuance tussen “3” en “4” moeilijk in te zien welke nog de betekenis kan zijn van elk decimaal tussen “3” en “4” waarvan ook de tussenliggende betekenissen – zo die er al zouden zijn – alvast niet vooraf onder woorden zijn (of konden?) worden gebracht, daargelaten nog de vaststelling dat de score 3,7 en 3,9 nauwer aansluit bij score “4” dan bij score “3”. De verwerende partij lijkt dat ook zelf wel te beseffen waar zij in haar laatste memorie aangeeft dat “[v]ermits het selectiereglement enkel de in gehele getallen uitgedrukte scores verduidelijkt, moet ter zake met de vermelding van het resultaat na de komma dan ook geen rekening worden gehouden voor de beoordeling van de geschiktheid”. Omdat zoals de verwerende partij zelf aangeeft met de cijfers achter de komma XIV-38.180-12/15 geen rekening kan worden gehouden, moet de conclusie dan ook zijn dat ofwel een score “3” ofwel een score “4” wordt toegekend, wat afronding impliceert. Vraag is dan voorts hoe moet worden afgerond, vermits er verschillende vormen van afronden bestaan. Daargelaten of met verzoeker moet worden aangenomen dat moet worden afgerond naar het dichtstbijzijnde significante/relevante getal, d.w.z. indien bij het af te ronden getal het cijfer direct na het relevante cijfer een 0, 1, 2, 3 of 4 is, blijft het relevante cijfer zoals het is; indien bij het af te ronden getal het cijfer direct na het relevante cijfer een 5, 6, 7, 8 of 9 is, wordt het relevante cijfer met 1 verhoogd, kan in ieder geval – zonder vooraf bepaalde en bekendgemaakte duidelijke afrondingsregels – bezwaarlijk in het nadeel van de kandidaat worden “verondersteld” zoals de verwerende partij in de laatste memorie doet, dat een score “3,7”, “3,9” of zelfs “3,5” zonder meer moet worden afgerond naar het lagere relevante getal en dus, te dezen, moeten worden gelezen als een score “3” wat – zoals de verwerende partij argumenteert – tot de conclusie leidt dat verzoeker dus “ vijf scores onder “4” heeft behaald” waardoor hij ongeschikt is verklaard”.
- De bestreden beslissing oordeelt verzoeker ongeschikt. Op grond van het selectiereglement betekent zulks dat de deliberatiecommissie van oordeel is dat verzoeker niet de vereiste persoonlijkheidskenmerken beschikt omdat hij op meer dan twee scores minder dan 4 heeft behaald. Om aldus te voldoen aan de formelemotiveringsplicht, moet zulks blijken uit de “matrix”. Die bevat evenwel geen gehele getallen maar decimale getallen waarvan hiervoor is vastgesteld dat de draagwijdte en invulling niet blijkt en ook niet kan worden afgeleid uit het toepasselijke selectiereglement. Evenmin blijkt uit wat voorafgaat dat de gehanteerde afrondingsregels van die decimale getallen naar de gehele punten bepaald in het selectiereglement, vanzelfsprekend zijn en dat inzonderheid moeten worden “verondersteld” dat ze moeten worden afgerond naar het lagere relevante getal. Zulks maakt dat verzoeker op grond van de weergegeven “matrix” niet op afdoende wijze kan oordelen op welke wijze de deliberatiecommissie, op grond van die scores in decimale getallen, tot haar besluit is gekomen dat XIV-38.180-13/15 verzoeker ongeschikt is, hetgeen immers impliceert dat hij op meer dan twee scores minder dan vier behaalde. Het argument van de verwerende partij dat de afweging op grond van decimale getallen nauwkeuriger is en dat die werkwijze gelijkelijk bij alle kandidaten wordt toegepast leidt niet tot een andere conclusie. Deze argumenten verklaren immers in het licht van de voorgeschreven beantwoording in gehele getallen, niet welke draagwijdte en invulling aan deze decimale getallen moet worden gegeven om te besluiten dat verzoeker op meer dan twee scores minder dan vier behaalde en dus ongeschiktheid is. Tot slot is het argument van de verwerende partij dat verzoeker voor vijf competenties scoort onder de vier een toepassing van een eigen afrondingsregel die niet blijkt uit de bestreden beslissing.
- Uit wat voorafgaat volgt dat met verzoeker kan worden besloten “dat het hem niet mogelijk is te analyseren of de opgegeven gronden tot ongeschiktverklaring gerechtvaardigd is en dat het hem onmogelijk gemaakt wordt om op die basis een correct en grondig verweer te voeren ter verdediging van zijn belangen”. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de deliberatiecommissie van de dienst rekrutering en selectie van de Federale Politie van 28 augustus 2019 waarbij werd vastgesteld dat verzoeker ongeschikt wordt verklaard voor de vergelijkende selectie voor bevordering naar een hoger kader (HINP) sessie 2019-
- XIV-38.180-14/15
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien november tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.180-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.010 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div