id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.031 Rolnummer: A. 236602/XIV-39035 Zaak: Arrest 255031 - Politie - 16/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-11-24 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 07:50 Fiche Arrest nr 255.031 van 16 november 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 255.031 van 16 november 2022 in de zaak A. 236.602/XIV-39.035 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te 3290 Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5368 - BALEN-DESSEL-MOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ineke Michielsen kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 juni 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 7 april 2022 van de korpschef van de politiezone Balen-Dessel-Mol tot herplaatsing van verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-39.035-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ineke Michielsen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de politiezone 5368 -Balen-Dessel-Mol. 3.
- Op 7 april 2022 beslist de korpschef om verzoeker met onmiddellijke ingang te herplaatsen naar een betrekking op het hoofdkantoor onder rechtstreeks gezag van de korpschef, in het operationeel kader. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie ratione temporis uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de XIV-39.035-2/8 grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing een “moeilijk te herstellen nadeel” tot gevolg heeft. Hij wordt immers “onmiddellijk ontslagen uit de dienst” en hij kent, “naast enorme financiële nadelen, ook psychische problemen als gevolg van deze bestreden beslissing, gevolgen die moeilijk zullen kunnen hersteld worden door een loutere vernietiging van de bestreden beslissing in de toekomst”. In casu doet verzoeker gelden dat hij niet langer als leidinggevende wordt aanzien, dat al zijn functies en taken hem worden ontnomen, en dat hij wordt geïsoleerd van alle operationele taken, hetgeen volgens hem in feite neerkomt op een loutere degradatie, waardoor de schijn wordt gewekt dat verzoeker enorme fouten heeft begaan en niet langer kan worden ingeschakeld binnen de operationele kant van de zone, en geïsoleerd dient te worden. Dit heeft ontegensprekelijk een emotionele weerslag en schaadt zijn goede reputatie die hij na een jarenlange carrière heeft opgebouwd. Tot slot haalt verzoeker een aantal elementen aan, gekoppeld aan de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. XIV-39.035-3/8 Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-39.035-4/8
- Het komt er voor een verzoeker, die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die hij in zijn vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt om aan zijn zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door verzoeker worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd.
- In de mate dat verzoeker zijn beoordeling situeert in de beoordeling van de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden bemerkt dat deze schorsingsvoorwaarde verlaten is sinds de hervorming van de procedure bij wet van 20 januari 2014 die in werking is getreden op 1 maart
- Thans staat ter beoordeling van de Raad van State de spoedeisendheid - een volkomen andere wettelijke voorwaarde - waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” zodat verzoeker er zich niet nuttig op kan beroepen. Verzoekers argumenten aangevoerd in het kader van het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, worden derhalve getoetst aan de eis van de spoedeisendheid.
- Te dezen verantwoordt verzoeker “het moeilijk te herstellen nadeel” dat volgens hem de spoedeisendheid met zich meebrengt, in essentie op grond van reputatieschade, doordat hij niet langer als leidinggevende wordt XIV-39.035-5/8 aanzien en zijn taken worden afgenomen – hetgeen in feite neerkomt op een loutere degradatie - waardoor de schijn wordt gewekt dat hij enorme fouten heeft begaan, niet langer binnen het operationele luik van de politiezone kan worden ingeschakeld en geïsoleerd moet worden. Dat argument overtuigt niet. Vooreerst is de bestreden beslissing een herplaatsing bij ordemaatregel, op grond van artikel VI.II.85, 8°, RPPol., die de schuld van verzoeker buiten beschouwing laat. Noch de eigen beoordeling van de draagwijdte van de bestreden beslissing, noch de enkele, in algemene termen gestelde verwijzing naar de perceptie ervan en de vermeende weerslag ervan op zijn reputatie, tonen op zich aan dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Dat voorts een ordemaatregel opgelegd aan verzoeker reputatieschade berokkent, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door een dergelijke maatregel worden getroffen en ze in afwachting van een uitspraak ten gronde moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing zoals een ordemaatregel gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de ordemaatregel immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en zal het vereiste rechtsherstel moeten volgen. De genoegdoening van een vernietigingsarrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Te dezen voert verzoeker geen dergelijke bijzondere omstandigheden aan die de onherstelbare schade aantoont indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst. XIV-39.035-6/8
- In de mate dat verzoeker voorts verwijst naar de financiële gevolgen, blijkt uit de bestreden beslissing dat “deze bijzondere opdracht en herplaatsing […] geen wijziging in [verzoekers] administratief of geldelijk statuut teweeg [brengt]”. Verzoeker betwist zulks niet in het verzoekschrift, zodat dit argument feitelijke grondslag mist.
- In de mate dat verzoeker op zeer algemene wijze verwijst naar de “psychische problemen als gevolg van de bestreden beslissing”, verzuimt hij evenwel enig concreet gegeven aan te voeren waaruit deze bestaan en waarom die van die aard zijn dat, indien verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde moet afwachten, hij zich in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
- De bestreden beslissing is voorts geen ontslag van ambtswege. In de mate dat verzoeker verwijst naar de gevolgen verbonden aan het ontslag van ambtswege, mist dit argument feitelijke grondslag.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.035-7/8
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien november tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.035-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.031 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div