id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.087 Rolnummer: A. 235152/IX-9982 Zaak: Arrest 255087 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 23/11/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 07:53 Fiche Arrest nr 255.087 van 23 november 2022 Economische zaken - Wegverkeer van mensen (bussen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 255.087 van 23 november 2022 in de zaak A. 235.152/IX-9982 In zake: Laurens VERPLAETSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Donat Lambert kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mispelbilk 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN woonplaats kiezend te 2800 Mechelen Motstraat 20 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vanhemelrijck kantoor houdend te 1910 Kampenhout Bergstraat 54 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 19 oktober 2021 waarbij aan Laurens Verplaetse een administratieve boete van 107 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een verslag opgesteld. IX-9982-1/14 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Donat Lambert verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Peter Vanhemelrijck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Reglementair kader en feiten 3.
- Artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ‘betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004) luidt: “Art.
- Het is niet toegestaan: […] 3° in de voertuigen, aan de haltes of in de openbare ruimtes van de VVM de dienst van de VVM te belemmeren.” 3.
- Artikel 72.6 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 ‘houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het IX-9982-2/14 gebruik van de openbare weg’ luidt, ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing en de feiten waarop ze steunt, als volgt: “72.
- Een of meerdere brede witte doorlopende strepen of de markering, bedoeld in artikel 77.8, bakenen de bijzondere overrijdbare bedding af die voorbehouden is aan voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer. De woorden ‘Bus, Tram’ mogen op de bijzondere overrijdbare bedding worden aangebracht. Het verkeersbord F18 wordt herhaald na ieder kruispunt. Fietsers, bromfietsers, motorfietsers, voor het vervoer van passagiers ontworpen en gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, de voertuigen bestemd voor het woon-werkverkeer die gesignaleerd zijn door het bord afgebeeld in artikel 72.5, vijfde lid, en behorend tot de categorieën M2 en M3, bedoeld in het technisch reglement van de auto’s, en taxi’s mogen deze bedding volgen indien respectievelijk één of meerdere van de volgende symbolen, en voor taxi’s het woord ‘TAXI’, zijn aangebracht op het bord F18 of op een onderbord. Deze symbolen, alsook het woord ‘TAXI’, mogen eveneens op de bijzondere overrijdbare bedding worden herhaald. […] De prioritaire voertuigen mogen op deze bedding rijden wanneer hun dringende opdracht het rechtvaardigt. De andere voertuigen mogen de bijzondere overrijdbare bedding dwarsen om een parkeerplaats gelegen langs deze bedding in te nemen of te verlaten of een eigendom op te rijden of te verlaten en op kruispunten. Zij mogen hierop niet rijden behalve om omheen een hindernis op de rijbaan te rijden. […].” 4.
- Op 25 augustus 2021 wordt door een controleur van de Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM) een proces-verbaal opgesteld, met betrekking tot het voertuig van verzoeker, naar aanleiding van de volgende vastgestelde feiten: “Niet eerbiedigen van verkeersbord F18 (bijzonder overrijdbare bedding) (art. 64.3) Voertuig maakt gebruik van de bijzonder overrijdbare bedding om verkeersremmers te ontwijken die geplaatst zijn om de veiligheid van fietsers te verhogen.” Het proces-verbaal vermeldt de plaats (Groot-Brittanniëlaan 68, 9000 Gent), de datum (25 augustus 2021) en het tijdstip (17.47 uur) van de feiten. IX-9982-3/14 4.
- Met een aangetekend schrijven van 3 september 2021 wijst de dienst Administratieve Boetes van de VVM verzoeker op de vastgestelde inbreuk en stelt hij hem in kennis van het “[v]oorstel van beslissing” om een boete van 107 euro te betalen. 4.
- Verzoeker dient op 30 september 2021 een bezwaarschrift in. 4.
- Luidens een brief van de dienst Administratieve Boetes van de VVM van 19 oktober 2021, gericht aan verzoeker, wordt de boete van 107 euro gehandhaafd. Verzoeker leest daarin de bestreden beslissing, die luidt: “Op 25.08.2021 om 17.47 uur werd door een beëdigd controleur (personeelsnummer […]) proces-verbaalnummer 1941901225 opgesteld ten laste van voor volgende inbreuk: 36 – Niet eerbiedigen van verkeersbord F18 (bijzonder overrijdbare bedding) (art. 64.3) Uw verweer van 30.09.2021 De controleurs van De Lijn zijn bevoegd om dit type overtredingen vast te stellen. Het voertuig met nummerplaat […] kreeg een proces-verbaal code 36, dit houdt in dat u het verkeersbord F18 niet hebt gerespecteerd. U mag gebruik maken van de bus- en trambedding om een obstakel te ontwijken, maar u dient zo snel als mogelijk opnieuw de rijstrook voor normaal verkeer te volgen. De controleur merkte op dat de bestuurder van bovengenoemd voertuig de bus- en trambedding (bijzonder overrijdbare bedding) gebruikte op de Groot-Brittanniëlaan ter hoogte van huisnummer 68 te Gent om de aanwezige verkeersremmers te ontwijken. Van een mogelijks obstakel waardoor een noodsituatie ontstond is hier geen sprake. Verkeersremmers vallen niet onder de definitief obstakel. Dit pv werd opgesteld omdat het een overtreding betreft tegen het Besluit van de Vlaamse regering betreffende de Tarieven en Exploitatie van De Lijn. De boete werd terecht opgelegd en blijft behouden. In bijlage vindt u het integrale proces-verbaal, met foto’s door de controleur genomen.” IX-9982-4/14 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker betoogt vooreerst dat de bestreden beslissing onvoldoende rekening houdt met het bezwaarschrift dat hij heeft ingediend tegen de “voorgaande beslissing” van de VVM van 3 september 2021, zodat “er sprake is van een gebrek aan en in de motivering, in het bijzonder waar door de verzoeker is benadrukt dat het door hem bestuurde voertuig op geen enkel ogenblik het tramverkeer van De Lijn heeft gehinderd zoals nochtans duidelijk wordt voorzien in de omschrijving van het misdrijf in art. 64, 3° van het voornoemde Besluit van de Vlaamse Regering dd. 14.05.2004”. Volgens verzoeker wordt in de bestreden beslissing helemaal niet ingegaan op het voormelde argument en wordt integendeel gesteld dat de vaststelling van het rijden op de trambedding op zich volstaat om de overtreding op grond van artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 in aanmerking te nemen. Dat volgens de begripsomschrijving van de overtreding de dienst van de VVM moet worden belemmerd – als bijkomend constitutief element – wordt doodgezwegen.
- In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat “de tekst van de wet” overduidelijk is en geen interpretatie behoeft. Volgens hem is het niet toegestaan om de dienst van de VVM te belemmeren en “gaat [het] niet om een mogelijke belemmering maar om een effectieve en reële belemmering”. Hij herhaalt dat hij op geen enkel ogenblik de dienst van de VVM heeft belemmerd en dat het tegendeel ook niet blijkt uit het opgestelde proces-verbaal. In die zin is de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd en zijn de constitutieve elementen van de inbreuk niet correct beoordeeld, zo besluit verzoeker. IX-9982-5/14 Beoordeling
- Verzoeker voert in het middel een gebrek aan “aan en in de motivering”. Aldus beoogt hij klaarblijkelijk een schending aan te voeren van zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht.
- De bestreden beslissing vermeldt dat verzoeker verkeersbord F18 niet heeft gerespecteerd. Met een verwijzing naar het proces-verbaal dat op 25 augustus 2021 werd opgesteld door de controleur van de VVM, wordt tevens aangegeven waar, wanneer en door wie die overtreding werd vastgesteld. In antwoord op het verweer van verzoeker wordt vermeld dat controleurs van de VVM bevoegd zijn om dit type van overtredingen vast te stellen. Voorts wordt uiteengezet dat verkeersbord F18 niet eraan in de weg staat dat de bus- en trambedding wordt gebruikt om een obstakel te vermijden, maar dat werd vastgesteld dat in verzoekers geval geen sprake daarvan was. Met deze motivering, die op zich formeel afdoende is om de opgelegde boete te rechtvaardigen, geeft de verwerende partij ook te kennen dat het zonder rechtvaardigingsgrond gebruiken van de openbare ruimtes van de VVM waar een verkeersbord F18 is aangebracht, gelijkstaat met een belemmering van de dienst van de VVM zoals omschreven in artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei
- Derhalve kan er geen schending van de formelemotiveringsplicht worden vastgesteld.
- Het standpunt van verzoeker dat er tevens een gebrek is “in de motivering” kan evenmin worden bijgevallen. De dienst van de VVM kan slechts vlot verlopen als de openbare ruimtes van de VVM niet nodeloos worden versperd en de VVM daarop mag vertrouwen. In zoverre verzoeker ervan uitgaat dat er enkel sprake is van een belemmering van de dienst van de VVM wanneer een tram in aantocht is, voegt hij zelf ten onrechte een constitutieve voorwaarde toe aan het IX-9982-6/14 voorschrift van artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei
- Verzoeker toont derhalve ook geen schending aan van de materiëlemotiveringsplicht.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een tweede middel aan dat de bestreden beslissing “in strijd is met de wet en derhalve zowel machtsoverschrijding als machtsafwending oplevert”. Hij stelt dat het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 betrekking heeft op de exploitatie van de VVM en de beëdigde controleurs vanzelfsprekend enkel inbreuken kunnen vaststellen in het kader van deze regeling. Zij hebben niet dezelfde algemene bevoegdheid als de politiediensten. Aangezien uit het opgestelde proces-verbaal niet blijkt dat de dienst van de VVM werd gehinderd, is er volgens verzoeker dan ook geen sprake van een inbreuk op artikel 64, 3°, van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering. Hij voegt er nog aan toe dat er zelfs geen potentiële belemmering van de dienst was, vermits in het proces-verbaal geen melding wordt gemaakt van een mogelijk in aantocht zijnde tram.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de bevoegdheid van de verwerende partij om vaststellingen te doen en boetes uit te schrijven, uitsluitend kan worden afgeleid uit en gesteund op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 en het (onder meer) daarin opgenomen artikel 64, terwijl in het decreet van 20 april 2001 ‘betreffende de organisatie van IX-9982-7/14 het personenvervoer over de weg’, waarnaar de verwerende partij verwijst, geen specifieke bepaling is terug te vinden die betrekking heeft op vaststellingen van (bepaalde) inbreuken op de Wegcode. Bovendien kunnen daartoe beëdigde inspecteurs van de verwerende partij enkel vaststellingen doen binnen het specifieke kader van hun opdracht. Dit betekent, aldus verzoeker, dat uitsluitend binnen de omschrijving van artikel 64 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 een proces-verbaal kan worden opgesteld, “zijnde wanneer (bij voorbeeld zoals voorzien in art. 64, 3°) de dienst van de VVM is belemmerd geweest”. Dit was volgens verzoeker in casu niet het geval. Zolang er geen sprake is van een daadwerkelijke én vastgestelde belemmering van de dienst van de VVM, is er volgens hem geen eigenlijke bevoegdheid voor de verwerende partij om via haar beëdigde controleurs een proces-verbaal op te stellen. Minstens is er in die hypothese geen sprake van een proces-verbaal dat geldt tot bewijs van het tegendeel.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat de bepaling van artikel 64 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 eenvoudig en overduidelijk is: de belemmering van de dienst van de VVM wordt bestraft, niet de mogelijke of potentiële belemmering. Uit het opgestelde proces-verbaal blijkt niet dat de dienst van de VVM werd gehinderd. Er was zelfs geen potentiële belemmering, aangezien in het proces-verbaal niet de minste melding wordt gemaakt van een mogelijk in aantocht zijnde tram. Beoordeling
- Het middel gaat ervan uit dat er in dit geval geen sprake is van een inbreuk op artikel 64, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, omdat de dienst van de VVM niet werd gehinderd door het voertuig van verzoeker, zelfs niet potentieel, aangezien geen melding is gemaakt van een in aantocht zijnde tram. Verzoeker lijkt daaruit af te leiden dat de controleurs van de verwerende partij niet bevoegd zijn om in dat geval een dergelijke inbreuk vast te stellen. IX-9982-8/14 Reeds bij de beoordeling van het eerste middel werd erop gewezen dat de dienst van de VVM slechts vlot kan verlopen als de openbare ruimtes van de VVM niet nodeloos worden versperd en de VVM daarop mag vertrouwen en dat verzoeker verkeerdelijk stelt dat er enkel sprake is van een belemmering van de dienst van de VVM wanneer een tram in aantocht is. Het middel heeft aldus een foutief uitgangspunt.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing “manifest strijdig [is] met het wettelijk vermoeden van onschuld van elke overtreder/verdachte, zodat er onmogelijk kan worden uitgegaan van veronderstelde vermoedens van schuldige nalatigheid in hoofde van de verzoeker”. Hij betoogt dat hij in zijn bezwaarschrift van 30 september 2021 heeft uiteengezet in welke omstandigheden zijn voertuig zich zeer kortstondig op de trambedding bevond. Omwille van een plots hinderend voertuig en om een aanrijding te vermijden, is hij namelijk uitgeweken tot op de overrijdbare bedding. Het vermijden van een aanrijding met mogelijk lichamelijk letsel (voor hemzelf en voor derden) rechtvaardigt de kortstondige, gedeeltelijke uitwijking tot op de bedding. Verzoeker wijst erop dat de verwerende partij in de bestreden beslissing daarop antwoordt dat van de aanwezigheid van een obstakel waardoor een noodsituatie ontstond, geen sprake is en dat zij daarbij voor het eerst foto’s voorlegt waaruit dat zou moeten blijken. IX-9982-9/14 Nog afgezien van het feit dat deze foto’s hem nooit eerder zijn toegezonden, is volgens verzoeker precies op de tweede foto duidelijk een (blauw) voertuig op te merken dat plots vóór zijn wagen een hindernis vormde. Deze foto’s zijn dan ook van aard om zijn verweer en betwisting de nodige geloofwaardigheid te geven, waardoor het aan de verwerende partij is om afdoende te bewijzen dat de ingeroepen rechtvaardigingsgrond niet aan de orde is. Dat bewijs wordt, aldus verzoeker, evenwel niet geleverd. Verzoeker vervolgt dat aangezien die foto’s hem slechts zijn toegezonden samen met de bestreden beslissing, zodat hij daarop niet meer kon repliceren, zijn rechten van verdediging op een flagrante wijze werden miskend. Het proces-verbaal dat hem was bezorgd, bevatte dan ook onvoldoende gegevens en liet hem niet toe om met voldoende kennis van zaken kennis te nemen van de beweerde overtreding en om deze te betwisten. Volgens verzoeker werd hij met de bestreden beslissing “in wezen onderworpen aan de willekeur van beoordeling”.
- In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat de foto’s die bij de bestreden beslissing zijn gevoegd, dynamisch moeten worden bekeken en dat de beoordeling van de uitwijking moet gebeuren “wanneer hij met het plots op de rijbaan komende voertuig wordt geconfronteerd”, terwijl de foto is genomen na de uitgevoerde uitwijking. De omstandigheid dat de controleur mogelijk de eerste verplichte uitwijkbeweging niet heeft opgemerkt, noch heeft gefotografeerd, doet geen afbreuk aan de realiteit, zo stelt verzoeker. Wanneer een voldoende geloofwaardige rechtvaardigingsgrond wordt aangevoerd, staat het aan de vervolgende partij om die rechtvaardigingsgrond met zekerheid te weerleggen. Verzoeker herhaalt dat de foto’s die door de controleur werden genomen van aard zijn om “het verweer en de betwisting” van zijn kant de nodige geloofwaardigheid te geven. De verwerende partij levert geen bewijs van het tegendeel. IX-9982-10/14 Omdat de foto’s van de controleur hem pas zijn toegezonden samen met de bestreden beslissing, zodat er niet meer op kon worden gerepliceerd, zijn volgens verzoeker ook zijn rechten van verdediging “zoals onder meer beschermd in art. 6 EVRM” op een flagrante wijze miskend. Verzoeker benadrukt dat een zeer strikte toepassing van zijn rechten van verdediging op zijn plaats is, aangezien de verwerende partij in deze zaak als aansteller van de controleur die de overtreding vaststelde en als instantie die over het geformuleerde bezwaar beslist, zowel rechter als partij is en belang erbij heeft de geldboete te incasseren. Beoordeling
- De procedure met betrekking tot het opleggen van een administratieve geldboete wegens een inbreuk, zoals in dit geval, op artikel 64 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, is bepaald in artikel 86 van hetzelfde besluit. Artikel 86, § 1, van het voornoemde besluit stelt dat het personeelslid van de VVM, bedoeld in artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 ‘betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg’, dat een inbreuk vaststelt op de bepalingen van de artikelen 64 tot en met 68 van hetzelfde besluit, de overtreder ter plaatse op de hoogte brengt van het voornemen om een administratieve geldboete op te leggen. Hij licht daarover ook de dienst Administratieve Boetes van de verwerende partij in. De overtreder kan binnen dertig dagen na de vaststelling van de inbreuk zijn opmerkingen schriftelijk of met een e-mail aan de dienst Administratieve Boetes laten kennen. Artikel 86, § 2, van hetzelfde besluit bepaalt dat de overtreder, binnen zestig dagen na de vaststelling van de inbreuk, door de dienst Administratieve Boetes van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete op de hoogte wordt gebracht via een aangetekende brief met ontvangstbewijs. Verzoeker betwist niet dat in zijn geval overeenkomstig de voormelde bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 is IX-9982-11/14 gehandeld, in het bijzonder dat hij op de voorgeschreven wijze zijn opmerkingen en bezwaren tegen de vaststellingen van de controleur van de verwerende partij heeft kunnen doen gelden. Het valt dan ook moeilijk in te zien dat het vermoeden van onschuld en verzoekers rechten van verdediging niet zouden zijn gerespecteerd.
- De bestreden beslissing steunt op de vaststellingen van de controleur, die aan verzoeker tijdig werden meegedeeld. De foto’s die door de controleur bij de vaststelling van de inbreuk werden genomen, werden als bijlage bij de bestreden beslissing gevoegd. Dat verzoeker de foto’s pas heeft ontvangen met de beslissing van 19 oktober 2021 en bijgevolg geen commentaar erop heeft kunnen leveren, vormt in casu geen schending van het recht op verdediging, noch van het vermoeden van onschuld. Of verzoeker nuttig zijn verweer heeft kunnen voeren, moet in concreto worden beoordeeld. Het vereist dat hij voldoende kennis kreeg van de feiten die de verwerende partij in aanmerking wilde nemen en van de maatregel die op grond daarvan werd overwogen. Het proces-verbaal dat door de controleur van de VVM werd opgesteld over de feiten die tot de betwiste administratieve geldboete aanleiding hebben gegeven, omschrijft de vastgestelde inbreuk op een voldoende duidelijke wijze, opdat verzoeker zou weten wat hem werd verweten, op grond van welke feiten en tot welke administratieve sanctie dit zou leiden. Uit hetgeen hij daarover in zijn inleidend verzoekschrift voor de Raad van State vermeldt, blijkt dat hij zich daartegen in zijn bezwaarschrift genoegzaam heeft kunnen verdedigen. Hij heeft namelijk aangevoerd dat zijn voertuig zich zeer kortstondig op de trambedding heeft bevonden en omwille van een plots hinderend voertuig is uitgeweken om een IX-9982-12/14 aanrijding met mogelijk lichamelijk letsel voor hemzelf en voor derden te vermijden. De beslissing van 19 oktober 2021 steunt op de vaststellingen van de controleur, die aan verzoeker tijdig werden meegedeeld. Het feit dat de foto’s hem niet onmiddellijk werden meegedeeld, schaadt in casu zijn verdediging niet, aangezien niet wordt aangetoond dat de bestreden beslissing specifieke gevolgen verbindt aan die foto’s of er bijkomende inbreuken uit afleidt. Voor zover verzoeker doet gelden dat die foto’s van aard zijn om het standpunt dat hij heeft ingenomen in zijn bezwaarschrift te bevestigen en hij aldus de deugdelijke materiële grondslag van de bestreden beslissing lijkt te betwisten – veeleer dan een schending aan te voeren van zijn rechten van verdediging of het vermoeden van onschuld – kan hij niet worden bijgevallen. Geredelijk mag integendeel in de voormelde foto’s een bevestiging worden gezien van hetgeen de controleur van de VVM heeft vastgesteld in zijn proces-verbaal en een weerlegging van hetgeen verzoeker in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd. Met de verwerende partij, in haar memorie van antwoord, kan worden aangenomen dat “[u]it de foto genomen door de controleur op het ogenblik van de feiten, blijkt […] dat er geen sprake is van enige hindernis/noodsituatie”.
- Het derde middel is evenmin gegrond. V. Kosten
- De verwerende partij vraagt om verzoeker te veroordelen tot “betaling van de kosten van het geding, in hoofde van concluante begroot op € 910,00”. IX-9982-13/14 Er is evenwel geen grond om verzoeker te veroordelen tot de “kosten van het geding” die in hoofde van de verwerende partij zouden worden begroot op 910 euro. Aan de voormelde vraag van de verwerende partij kan dan ook geen gunstig gevolg worden gegeven. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig november tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9982-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.